Achter de zon aan

Als ik na een eetafspraak bij mijn berging van de fiets stap, is de zon net onder. Een paar rode striemen snijden boven de stad door het laatste licht. Boven het water zie ik in de heldere, maar donker wordende lucht een wolkje voorbij drijven. ‘Ga je met me mee?’ vraagt hij. Ik strek mijn hand uit en hij trekt me omhoog.

Ik leun achterover in een donzige stoel en kijk om mij heen. Dordrecht drijft traag voorbij. We zijn al ter hoogte van het Groothoofd. Als ik naar links kijk, over de stad heen, strijkt de wind frisjes langs mijn gezicht. Zo hoog is het al niet meer warm.

‘Oostenwind,’ zegt de wolk. ‘We volgen de zon. Als de wind hard genoeg duwt, zien we het nooit donker worden.’

‘Nooit?’ vraag ik. Het licht dat er nog is maakt de rivier beneden mij zilver. Ik geloof dat ik erover zou kunnen lopen. De lucht boven mij lijkt alleen maar groter te worden. Ik weet niet meer waar ik werk en waar ik woon. Ik ben alleen nog op de wolk en bij de rivier. Verder is niets meer belangrijk.

‘Nooit,’ zegt de wolk. En dan zwijgen we. Een uur lang drijven we achter de zon aan. Dordrecht is verdwenen. Land is zee geworden. De wind blaast minder hard. Langzaam worden het water beneden en de lucht boven zwart. ‘Maar ik ben er nog steeds,’ zegt de wolk.

‘Dat weet ik,’ zeg ik. Ik duw een beetje op de wolk, zodat ik een bed heb waarin ik plat op mijn rug kan liggen. Ik kijk naar de hemel en zie de maan helderder worden. De sterren breken door het duister en fonkelen. Ik strek mijn hand uit en zet er eentje in de wolk, om een lichtje te hebben. De ster stuitert en schiet terug de lucht in.

Ik schiet ook overeind. De maan maakt een pad over de zee, alsof er een heldere weg ligt naar Engeland of Amerika. In het licht van de maan zie ik de wolk dunner worden. ‘Maar ik ben er nog steeds,’ zegt de wolk.

Ik zeg niets.

‘Ben je bang?’ vraagt de wolk.

‘Wat doe ik als je bent verdwenen? Welke kant moet ik uitzwemmen als ik val?’

‘Vallen doen we allemaal.’

‘Ben je een christelijke wolk?’ vraag ik.

De wolk zegt niets, maar het lijkt of hij glimlacht; ik voel hem onder mij uitrekken, en dat vind ik eng. Dan is hij weg, maar ik val niet. Ik drijf op het maanlicht, geloof ik. Af en toe strekt een ster een fonkeling naar me uit en duwt me een stukje verder. Soms ben ik vlak boven het water en geeft een golf me een zetje omhoog.

Dan glijd ik wat harder richting het water. Ik stuiter op mijn billen over de golven. En dan sta ik op het water. Ik zink niet, maar ik moet wel mijn best doen om te blijven staan: onder mij bewegen de golven. Het water voelt koel en aangenaam; de golven kriebelen soms een beetje tussen mijn tenen. Boven mij rollen er nieuwe wolken de hemel in; de sterren en de maan verdwijnen. Ik loop in het duister. Dan hoor ik vlak bij me een stem. ‘Maar ik ben er nog steeds.’

‘Wolk?’ vraag ik. ‘Ben jij het?’

Ik geloof dat ik een glimlach voel in het duister. Een hand grijpt de mijne. ‘Ik ben er altijd,’ zegt de stem.

Ik zeg niets. Ik voel de hand: wat ruw en eeltig. Als ik voorzichtig langs de pols tast denk ik een wond te voelen. ‘Waarom is het zo lastig om te geloven dat u er echt bent?’ vraag ik. ‘U bent tastbaar, maar toch…’

‘Maar toch?’ vraagt de stem.

Ik weet niet wat ik nog moet zeggen. Hij is er. Er is geen toch. Samen lopen we over het water naar huis.

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *