In de wachtkamer

wachtkamer
Photo by Edwin Chen on Unsplash

Ik dacht van tevoren dat het eeuwen zou duren: de chemo en immuuntherapie. Maar 24 januari had ik toch echt de laatste behandeling. De dagbehandeling oncologie bleek een fijne afdeling, waar de patiënten, terminaal of met hoop op overleven, bijna nog harder lachten dan de verpleegkundigen, van wie sommigen zo een one woman show kunnen beginnen. We gingen met elkaar om alsof we elkaar al jaren kenden. Misschien ga ik de afdeling missen!

Mijn haar groeit weer, want de laatste twee behandelingen kreeg ik geen chemo meer, alleen immuuntherapie. Maar verder ben ik zwak. Bij het wandelen voelt mijn lichaam als toen ik tachtig kilo zwaarder was. Mijn rug doet pijn, mijn rechterbeen protesteert, ik loop traag. Soms wil ik helemaal niet lopen.

En ik ben bang. Raar is dat: ik ben banger dan toen ik behandeling kreeg. Op 6 maart hoor ik of de kanker weg is uit mijn lymfeklieren en mijn beenmerg. Ik denk terug aan augustus, toen het woord kanker nog niet werd uitgesproken. Het hing wel in de lucht, maar er werd gezegd dat ik ook een virus kon hebben. Ik ging me steeds beter voelen die maand, en steeds meer geloven dat het echt een virus was (tot de nacht voordat ik de uitslag van de onderzoeken kreeg – toen lag ik slapeloos naar het plafond te staren en overwoog ik de kans dat het foute boel kon zijn – dat ik misschien doodging).

Het was geen virus. Halverwege de behandeling voor wat toch kanker bleek te zijn, heb ik een CT-scan gehad. Die zag er goed uit: de lymfeklieren waren terug naar hun normale grootte en mijn aangevreten beenmerg is zich aan het herstellen. Maar de internist vertelde er wel bij dat je op een CT-scan niet ziet of de kanker weg is. Daar is een PET-scan voor nodig.

Die PET-scan is op 28 februari, de uitslag dus op 6 maart. Ik zit in de wachtkamer. Ik kan niets meer doen behalve wachten. En nu word ik dus bang, veel banger dan ik meestal tijdens de behandeling was. Nu herbeleef ik het eerste bezoek aan de huisarts, de eerste echo. Bij die echo was ik de eerste patiënt van de dag. Ik zat met een vriendin in een lege wachtkamer. De radioloog, van wie ik niet verwachtte dat hij iets zou zeggen over wat hij zag, vertelde gelijk dat het zorgelijk leek. We liepen terug door een wachtkamer die plots propvol zat, onze gezichten in de plooi, stonden buiten naast elkaar, verdoofd, met tranen in de ogen, met flauwe grappen, met bijna oprecht gelach. Nu huil ik om wat me toen murw maakte.

’s Nachts lig ik weer wakker, ondanks dat ik inmiddels slaapmedicatie heb omdat ik al zo veel nachten wakker heb gelegen. Ik denk aan mijn vertrouwen in augustus dat het wel mee zou vallen. De uitslag viel niet mee. Wie zegt me dat het op 6 maart anders zal zijn? Ik zoek op betrouwbare websites overlevingspercentages na voor “mijn” kanker. Nog 53 van 100 patiënten zijn tien jaar na de diagnose in leven. Dat is meer dan de helft. Maar niet veel meer dan de helft. Een paar jaar geleden werd ik aan mijn oor geopereerd. Toen was mijn kans op een goede uitkomst 95%. Ik zat bij de resterende vijf (niet doof – 2%, maar wel slechter horend – 3%). Oef. In andere nachten – en dagen – verbaas ik me er weer over dat ik werkelijk deze ziekte heb gekregen. Stukken van mij weigeren het nog altijd te geloven.

Ik geloof in God, ook nu. Maar mijn geloof betekent niet dat ik geloof dat God me daarom zeker beter zal maken. Ik geloof wel dat Hij alles in zijn hand heeft. Hij heeft mij in zijn hand. Hij laat me er niet uit vallen, “zodat Christus ook bij alles wat ik nu meemaak zal worden geëerd, of ik nu in leven blijf of moet sterven” (Filippenzen 1:20b). Ik blijf dus in de wachtkamer zitten, samen met Hem. Vaak bang, maar in het vertrouwen dat zolang ik bij Hem blijf en Hij bij mij, iedere uitkomst goed is. Ik zeg het niet gemakkelijk, niet vanuit een onbeproefd geloof. En ik blijf de dagen aftellen tot 6 maart.

Eén keer klagen

Ik had deze column willen noemen: “Verkoudheid is erger dan kanker”. Maar daar had ik vast mensen mee tegen de haren ingestreken. Ik zal proberen niet te mompelen dat tegen de haren instrijken bij mij momenteel technisch onmogelijk is.

Ik probeer positief te blijven (hoera, de chemo’s zijn voorbij!) maar voordat het nieuwe jaar begint zou ik één keer ongegeneerd willen klagen over hoe zwaar de afgelopen maanden waren. Met kanker stap je een wereld in die je niet kende.

Zo heb ik een haat-liefderelatie gekregen met mijn voeten. Sinds de chemo zijn mijn tenen constant opgezwollen. Mijn nagels zijn blauw, ik heb de raarste wondjes en lopen is nooit helemaal aangenaam. Daar komt bij dat chemo zorgt voor neuropathie: een doof gevoel in je tenen en vingers. Ik voel me steeds alsof ik op wolken loop, maar het zijn geen roze. Uiteindelijk werd de neuropathie in mijn vingers ook erger. Ik heb weinig gevoel in mijn vingertoppen, alsof het constant koud is.

De afgelopen maanden heb ik heimwee gekregen naar het kammen van mijn haar. En werd ik moe van mensen die zeiden: “Ach, dat groeit wel weer aan.” Het is moeilijk te beschrijven wat alle uiterlijke veranderingen met me doen. Chemo zorgt voor pigmentvorming. Vlak onder mijn hals heb ik vlekken alsof daar een vogel tegenaan is gevlogen, zijn vleugels wijd gespreid. Ik zet me al schrap voor als de winter voorbij is en die plek zichtbaarder wordt.

En dan de vage klachten. De vermoeidheid die nooit ver weg is, de botten die doen alsof ze tachtig zijn, de rugpijn die als een sluipmoordenaar mijn ruggengraat belaagt, op de meest onverwachte momenten. De duizeligheid, waardoor ik nauwelijks meer durf om te kijken, laat staan om te bukken. Nou ja, misschien is omkijken sowieso niet handig als je kanker hebt, want dan zie je hoe anders dingen voorheen waren.

Het was allemaal vol te houden, tot ik verkouden werd. Zo verkouden dat ik weer wist dat het een serieuze klacht kan zijn, niet het vage wissewasje waar we het vaak over hebben. En dat gebeurde aan het einde van mijn laatste chemokuur. Redelijk stoïcijns ben ik die kuren doorgekomen, maar toen ik verkouden werd kon ik wel janken. Nee, ik JANKTE, opnieuw en opnieuw. Het voelde alsof ik maanden in een stad had gewoond waar een leger om de stadswal heen lag en de vijand nu luchtsteun kreeg.

De verkoudheid liet me zien hoe zwak mijn lichaam is geworden, hoe weinig ik nog verdraag, hoe snel de energie op is. Ik raakte door de verkoudheid mijn stem kwijt, en dat vond ik wel symbolisch: ik had niks meer te zeggen, ik was uitgepraat en op. De avond voor kerst was ik zo moe dat ik bang was dat ik mijn afspraken voor de dagen die eraan kwamen moest afzeggen.

Gelukkig liet een bevriende arts me perspectief zien. Mijn chemo heeft de naam R-CHOP, maar hij zei dat er onder artsen een cynisch grapje is dat ze het beter “chop” hadden kunnen noemen: omhakken. Aan het eind van de laatste chemo is de lichaamsboom bijna omgehakt. Dat moest ik opnieuw tot me laten doordringen.

Door deze kennis nam ik mijn lichaam weer serieuzer. Ik vroeg of ik voor een afspraak even bij iemand een dutje kon doen en dat maakte een enorm verschil. Het klinkt simpel, maar ik moet mezelf er iedere keer weer aan herinneren dat ik minder kan. Kerst was heerlijk met deze ingebouwde rust, met vier bezoeken aan heel verschillende vrienden, allemaal op hun eigen manier waardevol.

Toen ik van de laatste afspraak op Tweede Kerstdag naar huis werd teruggebracht (mijn minder wijze ik was van plan geweest te gaan lopen), zat ik voor de deur in de auto nog even met een goede vriendin te praten over hoe het er in onze levens voorstaat. Ik had het over sommige van mijn frustraties en mijn vriendin zei iets heel wijs: dat ik door alles wat er de afgelopen maanden is gebeurd scherper ben gaan zien wie ik ben, wat ik doe en wat ik niet meer wil zijn en doen.

Ze had gelijk. Ik moet niet alleen mijn lichaam serieuzer nemen, maar mijn ziel. Een goed voornemen voor het nieuwe jaar.

Geen inspiratie, geen KFC, geen sneeuw en geen eenhoorn

Photo by Nivia Espinoza on Unsplash

Ik zucht eens diep. Ik heb toegezegd een artikel te schrijven voor het kerstnummer van het kerkenblad, maar de inspiratie ontbreekt.

Samen met mijn teckel wandel ik door het groen rondom de Krommedijk, op zoek naar wat ik zou kunnen delen met de lieftallige lezers van de Omgang. Als mijn plannen door hadden kunnen gaan en ik naar Japan was vertrokken, zou ik het gehad hebben over Japanse kersttradities – of het logische gebrek eraan in een boeddhistisch land. Hoewel door wat slimme reclamemensen er toch één kersttraditie is: op kerstavond eten de Japanners… kip van Kentucky Fried Chicken. Tafels zijn weken van tevoren volgeboekt. Rare jongens, die Japanners.

Ik had ook kunnen schrijven over de stad waar ik zou gaan wonen, Sapporo. Daar ligt in de winter zo’n vijf maanden sneeuw. Ik las laatst dat door alle klimaatsveranderingen Sapporo de enige stad is waar ze nog zonder gebruik van kunstsneeuw Winterspelen kunnen houden. Ik zou over klimaatverandering kunnen schrijven, over onze taak voor de planeet te zorgen. Maar ik peins vooral over het feit dat er in zo veel kerstverhalen sneeuw ligt. Terwijl Christus toch echt in een warm land geboren werd.

Ik heb geen inspiratie voor een verhaal met sneeuw. Het is oktober, bijna twintig graden, en ik hoor parkieten krijsen. Iedereen die niet gelooft in klimaatverandering moet me eens uitleggen hoe die vreemde vogels tegenwoordig zo goed gedijen in Nederland. En ik ga niet naar de enige stad waar ze nog Winterspelen kunnen houden: ik zit midden in chemokuren. Terwijl ik dit schrijf is het de tweede week na kuur drie: mijn lichaam voelt alsof ik honderd ben in plaats van bijna vijftig. Met krakende botten loop ik verder, terwijl de inspiratie ook kraakt.

Dan word ik afgeleid. De teckel schiet tussen de brandnetels; hij is opeens bijna onzichtbaar. Ergens in de verte zie ik eenden opvliegen. ‘Brutus, hou op,’ roep ik, maar het is een teckel: die zijn eigenwijs. Ik loop verder, naar een bruggetje. Het water eronder is zo helder dat de bladeren op de bodem blinken als goud in een sprookje. Ik moet opletten dat ik niet te diep buk en beland bij Vrouw Holle.

Dan wordt er gekucht. ‘Fijn u te ontmoeten,’ zegt een verrassend diepe stem. Naast me staat een eenhoorn. Zijn hoorn is blinkend wit, zijn manen ook. Ik frons en hij hinnikt en duwt zijn gezicht dichterbij. ‘Had u verwacht dat mijn manen alle kleuren van de regenboog hadden?’ vraagt hij, terwijl hij me met donker glanzende ogen verdrietig aanstaart. ‘Dat komt door die akelige, op jonge meisjes gerichte reclame. Mijn soortgenoten en ik zijn eigenlijk heel ernstig, maar door films als –’

Woedend geblaf onderbreekt de eenhoorn: Brutus stormt op hem af en wil hem in zijn enkels (hebben eenhoorns enkels?) bijten. Opeens is de eenhoorn verdwenen. Hij was denkbeeldig. Dat is mijn teckel trouwens ook. En hij heet zeker geen Brutus. Ik loop in mijn eentje verder en denk: Waarom wil ik een sprookje schrijven voor kerst? Kerst is geen sprookje. We hebben de woorden uit Lucas zo vaak gehoord – ‘’Het was in die dagen…” – dat ze misschien dezelfde lading hebben gekregen als “Er was eens” of “In a galaxy far, far away”, maar ze zijn vandaag nog net zo echt als altijd. Ze zijn het begin van het verhaal waarvan wij het einde mee helpen schrijven.

Ik strompel door de tunnel onder de rondweg, langs het park Dubbelmonde. Er dwarrelen bladeren van de bomen. Als ik mijn ogen een beetje dichtknijp kan ik geloven dat het sneeuw is. En ze hebben bij Dubbelmonde twee Schotse Hooglanders. Met een beetje fantasie hebben we de os voor in de stal. De ezel denken we erbij, of ik speel er zelf voor.

Maar nee, ik laat de sneeuw en de stal los. In de sloot naast het pad zwemt een puberzwaan een stukje met me op. Hij is nog grijs, maar zijn veren beginnen wit te worden. Nu worden mijn gedachten ernstiger. Is deze zwaan geen voorbeeld voor ons? Wij zijn ook grijs, maar met potentieel om blinkend te worden, ons licht te laten schijnen. Nog een stukje verder loop ik naar Dubbelmonde, en nu word ik met voorbeelden om de oren geslagen: daar zie ik een vrouw staan vissen, en verderop een man. Vissers van mensen kunnen we worden, als we ons durven laten leiden door de man van Nazareth, die in Bethlehem werd geboren, in die stal, zodat hij in Jeruzalem gekruisigd kon worden, voor ons. Geen sprookje, maar een waarheid die we nog steeds te vertellen hebben aan de wereld.

Van Twist

Photo by Domingo Alvarez E on Unsplash

Het vriest, voor het eerst dit jaar. De bomen die nog bladeren dragen laten ze nu vallen, geluidloos, onverschillig. De wind huilt niet, de zon schijnt niet. Alles is stil.

Ik loop. Waar ik precies ben weet ik niet. Mijn benen wijzen mij de weg. Ergens in de stad staan ze stil. Mijn ogen kijken naar een bord.

Van Twist
Bureau

Mijn benen stappen de stoep op, mijn handen openen de deur. Binnen, in een hal met vele deuren, schijnt een lamp vaal op een bureau. Een man, zijn piekhaar vast gepleisterd tegen zijn hoofd, zijn snorretje bijna doorzichtig, buigt zich er over zijn werk.

Mijn stem kucht en hij kijkt op. Zijn ogen zijn waterig blauw. Hij kucht ook, snotterend. ‘Afspraak?’

‘Eh…’ aarzelt mijn stem.

‘Loopt u maar door.’ Hij wuift naar een deur aan mijn linkerhand, en mijn benen doen weer wat benen doen.

Voorbij een zwarte deur stappen mijn benen een kamer in die op andere dagen licht zou zijn. De stoelen zijn wit, de muren een grijs dat niet neutraal is. Op de muur hangt een wit schilderij.

Achter een bureau zit een vrouw. Ze kijkt op, zonder naar me te glimlachen. Ze heeft strenge lippen. Haar haren zijn niet veel langer dan stekeltjes, haar ogen zwarte juwelen, haar huid is niet meer strak, haar kleding een kostuum. ‘Neemt u plaats,’ beveelt ze.

Ik doe een stap achteruit. ‘Ik heb geen afspraak.’

‘Nu wel.’ Ze wijst op de stoel tegenover het bureau en ik val erin. ‘Nou, zegt u het maar.’

Ik vouw mijn handen tussen mijn benen – nu pas besef ik dat ik geen handschoenen aanhad en dat het heel koud was. ‘Wat voor bureau heeft u eigenlijk?’

De vrouw trekt één roodgeverfde mondhoek op. ‘Een bureau voor wat jij wilt.’

Ik staar haar aan.

Ze plaatst haar vingertoppen tegen elkaar, raakt even haar mond aan en zegt, plots als een schooljuffrouw: ‘Wij bepraten wat jij wilt. En we helpen je bij wat jij wilt. Maar we zijn geen handjesvasthouders. Als wij je helpen, gaat er wat gebeuren. Wat wil jij? Wat wil jij echt?’

Ik bal mijn handen, nog steeds tussen mijn benen. ‘Minder boos zijn?’

De vuurrode lip gaat naar beneden. ‘Minder boos zijn of minder haten?’

‘Haten is een sterk woord.’

‘Ja. Het is een woord voor sterke mensen.’

‘Haten is fout.’

De vrouw leunt achterover. ‘En is wat je is aangedaan fout?’

Ik vouw mijn vingers in elkaar op mijn schoot en staar de vrouw weer aan.

‘Moet je niet eerst nadenken over wat je precies is aangedaan?’ vraagt ze.

‘We moeten vergeven.’

De vrouw knikt, bedachtzaam, traag. ‘Wat moeten we vergeven?’

‘Wat ons is aangedaan.’

‘En wat is je aangedaan? Kun je dat benoemen?’

Ik staar naar het witte schilderij. Ik geloof dat het niet echt een schilderij is, maar een alkoof. Ik realiseer me dat ik niet vaak nadenk over waarom ik boos ben. Ik zie de persoon op wie ik boos ben. Ik voel de afstand, waar ik nabijheid wens. Ik weet dat ik die nabijheid heb gezocht, en dat zij altijd weer afstand leek te creëren. En dan denk ik haastig dat ik haar verkeerd inschat, dat ik haar mooie kwaliteiten vergeet. Ik denk dat ik moet vergeven. Maar er verschijnen zwarte vlekken op het schilderij terwijl ik dat verzin.

‘Dit bureau doet wat jij wilt,’ zegt de vrouw weer. Haar stem lijkt metalig, ver weg, uit een ouderwetse speaker. ‘Wat wil je echt?’

Ik knipper met mijn ogen. ‘Ik wil boos zijn op zo’n manier dat ik niet meer haat,’ fluister ik.

De vrouw heeft haar vingers weer bij haar lippen. Misschien maskeert ze haar glimlach; misschien bidt ze. ‘Probeer eens te beschrijven hoe je haat eruitziet?’

Ik probeer het. Ik fluister woorden, ik grom ze, ik gooi ze uit mijn mond en trek ze weer terug, ik knaag ze, vermorzel ze tussen mijn tanden. Ik ben heel moe als ik de vrouw weer aankijk.

De vrouw heeft haar houding niet veranderd, maar ik zie nu dat ze glimlacht, niet spottend.  Ik schaam me iets minder. ‘Het is een begin,’ zegt ze.

Als ik buiten sta verfrommel ik mijn afspraakkaart tussen mijn vingers, maar gooi ik hem niet weg.

Het geheime leven

Photo by CHUTTERSNAP on Unsplash

De laatste dagen lees ik The Secret Life of Trees. In zekere zin valt het boek me tegen: ik had een boel interessante feitjes over bomen verwacht, maar het is tot nu toe erg wetenschappelijk, en vaak nogal droog. In zekere zin bevalt het boek me enorm, vanwege mijn eigen geheime leven.

Soms maakt het niet uit dat een boek droog is. Het onderwerp alleen is dan genoeg om me vast te houden. Terwijl de schrijver, Colin Tudge, het over het tropisch regenwoud had en over de enorme diversiteit aan soorten daar, vulde mijn hoofd zich met beelden uit het ontelbare aantal documentaires dat ik heb gezien over tropische regenwouden, gecombineerd met beelden uit dromen.

Mijn fantasie gaat op de loop als ik me voorstel dat ik in er ben, ergens in de Amazone, duizend kilometer bij ieder ander mens vandaan. Ik probeer daar niet wanhopig de beschaving terug te vinden. In mijn dromen ben ik een wezen dat thuis is in de boomtoppen, dat zich kan wassen in een poeltje water dat zich heeft gevormd in de holte van een enorme tak van een kolossale boom.

Als ik uit gebadderd ben, snuif ik de geuren op van het woud, geuren waar ik als Europeaan geen woorden voor heb om ze adequaat te beschrijven. Er is tropische overdaad; de stomende hitte laat geen terughoudendheid toe. In die kookpot zijn de geuren opwekkend en tegelijk vermoeiend. Als ik diep insnuif geneest mijn lichaam door medicinale planten die nog niet ontdekt zijn, en vallen tegelijk mijn ogen bijna dicht.

In de nachten klim ik hoger op in de boom die mijn thuis is geworden. Ze is zo kolossaal dat zelfs haar hoogste twijgen mijn gewicht nog kunnen dragen. Door de top van haar bladerdak heen kijk ik op naar de sterren, en zij openbaren zich aan mij als een leger, groter dan ik ooit heb gezien. Er is geen licht- of luchtvervuiling. Alleen het universum en ik zijn er.

Waar The Secret Life of Trees mij niet laat dromen, laat ik mij aangenaam verrassen door Tudge’s  houding tegenover het geloof. In zijn uitgebreide wetenschappelijke verhandeling over hoe bomen zijn ontstaan, komt onvermijdelijk de evolutieleer van Darwin ter sprake. Er zijn geen opmerkingen over dat of alleen geloof of alleen wetenschap waar kan zijn. Hij zegt dat wetenschap ons nog meer ontzag kan geven voor hoe indrukwekkend mooi God de wereld heeft gemaakt. Amen!

Maar die verhandeling over hoe bomen zijn ontstaan doet mij weer dromen. Tudge kijkt zo ver terug in de tijd dat ik ervan duizel, naar een wereld nog voordat de dinosauriërs ontstonden. Ik probeer het me voor te stellen: een wereld zonder mensen, waar eindeloze landmassa’s gevuld waren met bomen. Ik stel me de ongereptheid voor: dieren in zeeën die niet werden leeggevist door te slimme mensen, oerwouden die niet werden omgekapt met een tempo dat te hoog ligt om van te herstellen. Geen steden vol asfalt.

Ik zou er willen leven, in die wereld. Soms wens ik bijna dat mensen nooit zo intelligent waren geworden dat ze de aarde naar haar hand leerden zetten – en dom genoeg waren gebleven om niet voor haar te zorgen. Ik weet dat die wilde wereld zwaar zou zijn, dat ik niet echt een wezen zou zijn dat zorgeloos in een boomtop zou dwalen, levend van af en toe een banaan of wat smakelijke bessen. Ik zou ieder moment het risico lopen dood te gaan – maar dat is nu ook zo geweest. En in alle angst van het afgelopen jaar kwam ik het meest tot rust als ik wandelde tussen bomen, alsof ik werd omringd door vrienden, stil maar standvastig.

Soms ben ik echt bang voor wat ons te wachten staat. Of misschien niet “ons”, maar de generaties die nog komen. Ik gun hun de schoonheid van de wereld. Ik gun hun de rust van oerwouden, ik gun hun de kans opnieuw te ontdekken wat allang door wetenschappers is vastgelegd. Tudge zegt overigens dat er nog steeds onontdekte boomsoorten zijn. Ik wil naar ze op zoek. Juist door mijn ziekte is de ontdekkingsreiziger in mij wakker geworden. En ik wil dat er andere ontdekkingsreizigers kunnen zijn, ver nadat mijn reis op aarde voorbij is.

Toch niet zo nederig van hart

Chemobrein. Daar had ik nooit van gehoord voordat ik zelf kanker kreeg. Het betekent dat je van chemo (of bestraling) vergeetachtig kunt worden, of dingen minder goed in de gaten hebt. Ik weet daar inmiddels alles van. En dat ik niet op namen kan komen, is nog wel het minste gênant.

Laatst vroeg een vriendin of ik even meeliep naar de bakker. Er stonden stukjes banketstaaf om te proeven. Dat kon ik niet weerstaan. Zoals altijd kruimelde ik. Ik wilde het netjes opruimen en vond het wel handig dat er een prullenbakje stond. Wel raar dat er sleutels in lagen – en een lege fles. Zodra ik de kruimels dumpte begon een vrouw hard te lachen. ‘Dank je wel dat je ze in mijn tas gooit.’ Ik geloof dat ik me minstens tien keer verontschuldigd hebt. Zij vond het gelukkig niet erg, maar ik wel.

Nog geen week later stond ik bij de Action. Ik zocht een muts, alvast voor als mijn haar weer gaat groeien en ik mijn pruik niet meer kan gebruiken. Ik begon een personeelslid te vragen waar ik de mutsen kon vinden, tot ik nog eens goed keek en zag dat het personeelslid een klant was. Ik voelde me zelf een muts. ‘U ziet er professioneel uit,’ riep ik, en maakte me uit de voeten.

Tja. Achteraf kan ik om dit soort dingen wel lachen (als die bekende boer met kiespijn), maar als ik ’s nachts weer eens niet kan slapen, is niks grappig. Deze zondag zongen we in de kerk Opwekking 561. Ik struikelde over sommige zinnen: ‘Hier aan uw voeten Heer, kwetsbaar en klein, leert U mij nederig als U te zijn.’ Ik snap het kwetsbaar en klein inmiddels. Na vier chemo’s ben ik kwetsbaar en klein geworden. Mijn energie is bizar snel op. Ik, die altijd zo graag wandelde, ben vaak na tien minuten al versleten. Mijn haar is weg, mijn mond doet constant zeer, mijn tenen hebben wonden waarvan ik nog steeds niet snap hoe ik eraan gekomen ben. En wat is de wereld groot en onoverzichtelijk als je ’s nachts niet kan slapen en het tot je doordringt dat je echt – ja, echt – kanker hebt. Het is een boze droom terwijl je wakker bent.

Nederigheid is nog steeds lastig. Soms ben ik zo boos. Op mezelf, op andere mensen, op God die ik bij vlagen totaal niet begrijp en niet eens WIL begrijpen. Soms vlucht ik weer in eten, net als vroeger, en veroordeel mezelf vervolgens daarom. En ik ben boos op de mensen die negeren dat ik ziek ben, die alleen over zichzelf kunnen praten (en daarna ben ik weer boos op mezelf, omdat er zo veel lieve mensen zijn die het wel snappen, of omdat mensen die dramatisch lief doen ook zo irritant zijn). En God… God vind ik erg complex.

Een paar jaar geleden heb ik mijn verhaal gedaan bij De Verandering van de EO. Een enorme kans om te vertellen hoe God mij uit een leven van depressiviteit en eetbuien trok en een nieuw bestaan gaf. Recent belden ze weer: of ik een vervolginterview wilde geven over hoe het nu ging. Ahum… daar moest ik even over nadenken.

Ik heb het gedaan. Want weet je, ik wilde graag vertellen dat God dezelfde blijft, wat er ook met mij gebeurt. Dat Hij niet opeens een boze rechter is omdat ik toevallig lymfeklierkanker heb. En dat geloof ik echt. Maar als ik ’s nachts weer niet kan slapen weet ik dat mijn liefdevolle Vader mij niet voor alles bespaart. En ik weet niet waarom dat zo is. Ik kan alleen maar bidden dat Hij me door dit alles heen draagt, naar gezondheid, of naar de wereld voorbij deze wereld. En soms ben ik dus boos op Hem. Dan roep ik dat ik niks, niks, niks meer met Hem te maken wil hebben. Ik vind het zo bijzonder dat Hij dat niet erg vindt. Dat Hij glimlacht als een goede vader naar een opstandig, boos stampvoetend kind, en zegt: ‘Kom, ga je met me mee?’

En dat doe ik dan. Want ik houd toch wel veel van Hem, zonder nederig hart.

(PS, de uitzending is waarschijnlijk op 17 december)

Land zonder grenzen

Photo by Patrick on Unsplash

Afgelopen zondag hoorde ik een lied – ik weet niet meer welk – waarin even werd gezongen over een land zonder grenzen. En ik stelde mij even voor dat ik daar was, en dat ik daar nooit meer weg zou gaan, want er waren geen grensplaatsen meer om terug te gaan naar wat oud en over was.

Het beeld ging niet uit mijn hoofd. Ik liep langs een stille vijver, waarvan de einden verdwenen in bomen die bewegingsloos hun armen ophieven naar de hemel, en ik dacht dat de vijver een weg zou kunnen zijn naar het land waarover werd gezongen. Wie het maar wil geloven, kan alles. Dus ik deed mijn schoenen en sokken uit en stapte de vijver op. Het water was koel en kriebelde een beetje, maar het hield stil onder mijn beweging. Ik liep erover naar de overkant.

Ik bereikte de bomen, tuurde tussen hun schaduwen, en zag traptreden. Op de treden stonden plantenbakken, met bloemen die nog bloeiden ondanks dat de winter bijna begint. Ik droogde mijn voeten en realiseerde me dat ik mijn schoenen en sokken was vergeten. De traptreden, misschien van marmer, misschien van zand – ik weet het niet – voelden kil aan onder mijn huid en ik huiverde even. Maar ik liep door.

En het was zo raar: ik zag steeds maar een paar treden, maar toch bleef ik lopen en klimmen, alsof er eindeloos veel treden waren. De schaduwen werden dieper en ik zag alleen een klein licht op mijn pad, een lamp voor mijn voet. Ik zag net genoeg om de plantenbakken te vermijden. De bloemen zag ik nauwelijks, maar ik rook hun zoete geur, waarmee ze hun Maker eerden.

Langzaam werd het lichter. De treden verdwenen en ook de plantenbakken waren weg. Er waren alleen nog planten en nu waren zij de treden. Ik probeerde niet op hun kelken te stappen, en hun tere blaadjes te vermijden. Maar de planten werden groter, tropischer, zoeter van geur. En ik wist dat ik ze eigenlijk niet kon vertrappen. Zij waren reëler dan dat ik. Zij waren eeuwig op een manier dat mijn lichaam dat niet is.

Ik bleef lopen, maar ik was niet echt meer op weg. Ik denk dat ik de grens allang voorbij was, al waren er geen poorten geweest die ik voorbij moest, en had geen grenspost mij gevraagd of ik recht had om in het nieuwe land te zijn. Het was ochtend, heel vroeg nog. De lucht was koud in mijn longen, maar niet op een pijnlijke manier: ik kon dieper ademhalen dan ik ooit had gedaan, ik voelde me met iedere ademtocht krachtiger worden, alsof ik de lucht geen atoom vervuiling in zich droeg, ergens gewaaid had op een bergtop waar kruiden groeien die genezing brengen, voor het lichaam en meer nog voor de ziel. Ik was kalm, zoals geen mens op aarde kalm kan zijn, want angst kon op die plek niet bestaan.

Ik liep verder, op mijn blote voeten, en ik geloof dat ik ook mijn kleren niet meer droeg. Maar ik was niet naakt. Een ander kleed hing om mij heen, van een pelgrim die op weg is naar de tempel, of naar huis. Maar dat is eigenlijk hetzelfde. En ik liep ook niet meer alleen, of ik wist eindelijk dat ik nooit alleen had gelopen. Mijn Vriend was er. Hij had mijn hand in de zijne genomen en leidde me voort. Misschien was ik onderhand moe van het lopen, maar dat voelde ik niet. Misschien liep ik niet eens zelf maar werd ik gedragen.

Er kwam een moment dat ik wist dat ik er was – echt helemaal was, in dat land. Mijn Vriend liet mijn hand los. Ik zag mijn Vriend niet, maar ik wist dat hij er was. En ik wist dat ik er was. Dat ik helemaal echt was geworden. Dat ergens vlakbij de fontein was waar ik compleet in schoon gewassen word, op die dag, die voor mij nog toekomst is, maar voor anderen al is gekomen. Ik hoorde het water klateren. En gisteren hoorde ik dat een lieve, grappige, altijd zo aanwezige vriend is overleden aan kanker. Nu stel ik me voor dat Wout daar is, in dat land zonder grenzen.

Herfstconfetti

Langs de Dordwijklaan

Het is week twee na een chemo. Ik weet inmiddels wat er dan gebeurt. Mijn botten voelen krommer, mijn spieren verkrampen. Als ik ga wandelen, loop ik steeds trager. In week twee na chemo voel ik me een oude vrouw.

Ik zit op mijn kamer, kijk naar regen en vraag me af wat er met mijn leven is gebeurd. Ik verveel me, ik wil hier niet zijn (hoe dankbaar ik ook ben voor mijn veilige plek) en ik heb geen idee wat ik die dag ga doen. Ik probeer geen medelijden met mezelf te hebben.

De volgende dag waart er mist rond. Ze danst op de balkonrand en verdwijnt dan. Ze laat een zonnige dag achter zich. Ik heb een afspraak om koffie te drinken met een kennis. Langs het fietspad vlammen bomen, in een poging nog geler, gouder, geweldiger te zijn. Ik geniet. Even dringt de gedachte zich op dat dit misschien mijn laatste herfst is, maar die gedachte gooi ik weg. De prognoses zijn goed.

Oké, terwijl ik verder loop vertraagt mijn tempo. Mijn voeten hebben kanker aangegrepen om op te zwellen wanneer het hen uitkomt. Onder mijn schoenen verbergen zich blaren en schurende huid. Maar ik loop! Als ik bij mijn kennis aankom en daar een trap op moet kost dat niet eens héél veel moeite.

Koffie, slapende katten en bijkletsen. We hebben het over levens die opeens op de rem staan terwijl we dat nooit hadden verwacht, over hoe je God zoekt in dit soort situaties. Ik geloof dat ik niet eens te veel wil zoeken, omdat ik dan zo veel vragen vind. Maar tegelijkertijd wil ik dat Hij mij vindt en wij samen meer beleven. Het vliegt me aan, het idee dat ik nog maanden in Dordrecht ben. Wat moet ik al die tijd gaan doen?

Na het bezoek loop ik maar even door. Het is te mooi weer om al naar huis te gaan. De zon is warm op mijn zwarte broek – mijn trui had beter een shirt kunnen zijn. Op de Reeweg zijn de bomen zo geel dat het psychedelisch lijkt; de lucht is blauw als in de zomer. En voor de zoveelste keer realiseer ik me dat het verval van de herfst prachtig is, dat de wereld doodgaat met stijl. Spinnen maken er zelfs kunstwerken voor, die glanzend in de struiken hangen, wachtend op mijn bewondering.

Ik loop de stad in en vertel mezelf dat ik geen snoep of koek of belegde broodjes koop. De laatste tijd demp ik te vaak stress met eten. Beter zoetigheid dan praten met God, lijkt soms mijn motto. Dat moet maar eens klaar zijn. In plaats daarvan koop ik wat kaarten om naar anderen te sturen. Constructiever. Maar ik ben de drukte van mensen voor wie het leven normaal is al snel zat en ga op weg naar huis.

Ik heb nog zo veel energie dat ik een omweg neem. Ik dwaal langs voetbalvelden over paden die ik eigenlijk alleen de andere kant op ken (ik loop een paar keer mis), en sla dan de Dordwijklaan in. Misschien niet slim: daar heb ik te vaak gelopen terwijl ik plannen had die bijna uitkwamen en nu op pauze staan.

Ik kom er een bekende tegen van De Hoop, en heb het ongemakkelijke gesprek dat ik de afgelopen weken al te vaak heb gehad: ‘Hé, jij zat toch in het buitenland?’ ‘Klopt, maar…’ Deze vrouw reageert onverschrokken en vraagt door. ‘Hoe staat het nu met je relatie met God?’ wil ze weten. Ik kijk om me heen naar stervende bladeren, laat me verwarmen door de zon en zeg dat het meestal wel goed gaat, maar dat ik natuurlijk vragen heb. En soms ben ik gewoon boos. Ze knikt. Een echte therapeut, een dame uit de rechterflank van de kerk, nuchter maar betrokken.

Na een goed gesprek loop ik verder, het laatste stukje naar huis. Ik ben nu best wel moe. Vlak voordat ik “mijn” straat insla, zie ik weer zo’n geelgouden boom. Hij laat bladeren vallen, bijna vrolijk, wiegend, alsof hij aan het dansen is en er om hem heen confetti wordt gestrooid. Het is lastig om op een zonnige herfstdag weemoedig te blijven.

Alles ligt open: (g)een sprookje

Photo by Timothy Chan on Unsplash

Er was eens een vrouw, of een man, die een woning had in het duister. De zon zag ze niet, en miste ze ook niet. Ze miste eigenlijk niemand. Ze was gewend aan haar eigen gezelschap. Ze wist altijd wat ze ging zeggen, en dat was saai maar ook vertrouwd. Het was zelfs vertrouwd dat ze zichzelf iedere dag hoorde zeggen dat ze wilde dat haar leven anders was, dat ze mensen om zich heen wilde. En eigenlijk waren andere mensen eng. Die deden dingen die ze niet kon voorspellen. Die konden haar pijn doen.

En toen kwam God. Raar, want ze had Hem niet uitgenodigd. Ze zag Hem niet letterlijk, maar er was opeens zo veel licht – het deed pijn aan haar ogen. Door die pijn wist ze waar ze nog meer pijn had. Ze wist hoe eenzaam ze echt was. En God veranderde dat! Ze ging samen met Hem haar donkere thuis uit. God liet het haar zien hoe prachtig Hij zijn wereld gemaakt had.

Tijdens een van hun wandelingen kwamen ze bij een kerk. O, ze was niet de enige die met Hem wandelde! Ze ging naar binnen en hoorde een lied: ‘Hoe lieflijk is uw woning, HEER van de hemelse machten. Van verlangen smacht mijn ziel naar de voorhoven van de HEER.’ Het ging verder over dat zelfs de mus een huis vindt en de zwaluw haar jongen neerlegt bij de altaren van de HEER van de hemelse machten. Het lied heette Psalm 84.

De vrouw, of man, vond een nieuw huis in de kerk. Het was een fijn huis. Altijd was er wel iemand die over God praatte, en soms kwamen er nieuwe mensen die hadden gehoord over de Heer van de hemelse machten. De vrouw, of man, vond haar leven met God normaler worden.

Soms gingen zij en God weer een stukje wandelen. De vrouw, of man, genoot van het licht om God heen. Af en toe stelde God voor dat ze verder liepen. Maar daar had ze niet zo’n zin in. Als ze echt ver liepen vond ze haar huis misschien niet meer terug. Ze neuriede: ‘Gelukkig wie wonen in uw huis, gedurig mogen zij U loven. Gelukkig wie bij U hun toevlucht zoeken, met in hun hart de wegen naar U.’

God vroeg: ‘Wegen?’ Verder zei Hij niet zo veel. De vrouw wist het wel: er zijn zo veel wegen waar zij nog niet gelopen had. Het zou een leuk avontuur kunnen zijn. Maar ook eng. God zei nog steeds niet veel. Maar ze wist: Hij zou meegaan, Hij zou de weg minder eng maken. En wie weet wat ze tegen zouden komen. De weg lag open. Ze hoefde hem niet in te slaan, maar het kón. Nieuwe avonturen met God – het klonk eigenlijk best aantrekkelijk.

Ze dacht weer aan Psalm 84. Soms twijfelde ze of de vertalers vers zeven wel goed hadden begrepen: ‘Trekken zij door een dal van dorheid, door hen verandert het in een oase; rijke zegen daalt als regen neer.’ Door hen? Nee, door Gód toch zeker? Of misschien hadden de vertalers toch gelijk. Misschien maakte God hen sterk, veel sterker dan ze hadden gedacht. Misschien kon de vrouw, of man, meer dan ze had geloofd, als ze maar durfde te wandelen, met God.

Ze deed een paar stappen, holde toen terug en bleef een paar dagen thuis. Ze deed de gordijnen dicht, zodat haar huis weer net zo donker leek als toen ze God nog niet kende. Dat voelde best fijn. Maar niet lang. Ze was gewend geraakt aan het licht. Ze las weer een stukje van die ene Psalm: ‘Steeds krachtiger gaan zij voort om in Sion voor God te verschijnen.’ Wow, zou ze Hem echt zien? Ze bad: ‘HEER, God van de hemelse machten, hoor mijn gebed, luister naar mij, God van Jakob. God, ons schild, zie naar ons om, sla goedgunstig het oog op uw gezalfde.’ Ze kon niet anders: ze moest weer naar buiten. Ze moest lopen!

Ze wist dat het niet echt “moest” – dat God het niet eiste. Hij nodigde haar uit. En ze begon ernaar te verlangen. Want: ‘Beter één dag in uw voorhoven dan duizend dagen daarbuiten, liever op de drempel van Gods huis dan wonen in de tenten der goddelozen. Want God, de HEER, is een zon en een schild. Genade en glorie schenkt de HEER, zijn weldaden weigert Hij niet aan wie oprecht hun weg gaan. HEER van de hemelse machten, gelukkig de mens die op U vertrouwt.’

(Bijbelcitaten: © NBV21)

Over de ware aard van eenhoorns

Photo by Wilmer Martinez on Unsplash

Bijna niemand weet het, maar eenhoorns zijn heel anders dan ze worden geportretteerd. Ik kan niet vertellen hoe ik dit te weten ben gekomen. Te veel details delen zou gevaarlijk zijn. En oneerlijk tegenover de eenhoorns, die waarde hechten aan hun privacy, een privacy die grof geschonden wordt, door wezens die wij vaak uiterst onschuldig vinden – kleine meisjes. Geschokt? Lees snel verder.

Het eerste aspect van eenhoorns dat grotendeels onbekend is, is dat eenhoorns homoseksueel zijn. En dat het allemaal mannen zijn. Hoe de soort nog niet is uitgestorven, is onduidelijk. De details zijn verdwenen als een bemoste steen die tijdens dichte mist wordt bedekt onder beukenbladeren die in de herfst nooit genoeg zullen verteren om de steen ooit weer zichtbaar te maken.

Iets anders wat nauwelijks bekend is, is dat eenhoorns van over de gehele wereld zich af en toe verzamelen, op een eiland dat op geen enkele kaart is ingetekend, ergens ten noorden van de Noordkaap. Als de maan in het eerste kwartier staat, en de eerste drie sterren fonkelen boven de Barentszzee, verschijnt er een wit plateau te midden van de golven die altijd in beroering zijn. Het lijkt een plateau van ijs, dit enige thuis dat eenhoorns ooit zullen kennen.

Als ze dan bijeenzijn, drinken ze koffie. Hoe ze dat doen met hun hoeven is een vraag waarvan men beter het antwoord niet kan weten. Maar de koffie is zo zwart dat zelfs de sterren aan de hemel er niet in worden weerkaatst. Bij de koffie steken ze Gauloises op (wederom: vraag niet hoe het kan; het zou te gevaarlijk zijn).

Terwijl ze uitkijken over de verlaten zee, waar duizenden gestorven zijn (mensen, welteverstaan, geen eenhoorns) zuchten ze over meisjes. Eenhoorns houden niet van kleine meisjes die van eenhoorns houden. Want kleine meisjes denken dat eenhoorns gouden hoorns hebben, en manen en staarten in regenboogkleuren. Die verbeeldingskracht van kleine meisjes heeft een verwoestend effect op het metafysische bestaan van de eenhoorns.

Een eenhoorn stampt met zijn hoef en trekt harder aan zijn sigaret. Zijn rafelige stem draagt ver over het plateau. ‘Ze benaderde me toen ik dwaalde door het uiterste noorden van Kazachstan. Ik keek naar de top van Khan Tengri en overwoog de eeuwenoude berg te beklimmen toen het wezen opeens op mij afstormde, met open armen. En toen… kleurde zij mij. Het was te laat om te vluchten. Natuurlijk trapte ik haar van mij af, maar toen was het leed al geschied.’

De eenhoorn laat zijn lange, gracieuze nek hangen en zijn mede-eenhoorns (die in de ziel van bomen kunnen kijken, en de aard van sterren kunnen duiden) kunnen in het duister zien dat zijn manen half verkleurd zijn door de stift van een meisje dat ergens op de planeet enthousiast een kleurplaat van een eenhoorn heeft bewerkt. Zijn manen hebben kleuren gekregen die in geen regenboog een plaats hebben, en zijn ooit zo smetteloze vacht, witter dan het plateau waarop zij staan, zit vol vlekken die lijken op vingerverf.

‘Nooit meer de pure reinheid,’ hinnikt een andere eenhoorn. ‘Nooit meer de vreugde van het zuivere wit. Degene die ons bestaan heeft onthuld aan de mensheid, heeft zo veel op zijn geweten dat genade onmogelijk lijkt. Het begin leek veelbelovend, toen onze hoorns in goud verschenen op schilderijen – toen jonkvrouwen zich naast ons vlijden in werken van de grootste menselijke kunstenaars. Maar nu zijn wij slechts een van de vele dieren – dieren! – die onderdeel zijn van films en cartoons voor massavermaak.’

Even is de stilte op het plateau zo diep dat de wind, rechtstreeks vanaf de Noordpool, hoorbaar zucht in de haren van de bevlekten. Staarten die nu indigo zijn zingen klaagliederen, blauwe manen rinkelen als het maanlicht even vanachter de wolken schijnt en het plateau beroert. Dan wordt het weer duister.

Een derde stem klinkt. ‘Misschien moeten we hen omhelzen in plaats van hen van ons aftrappen.’ De stilte wordt zo koud als past bij een plateau in noordelijke duisternis. ‘Misschien moeten wij de zuivere kracht die wij kennen laten zien te midden van menselijke ontluistering.’ Huiverend hinnikt de stem. ‘Misschien moeten we meisjes tonen hoeveel kracht ze bezitten als ze zien Wie er leeft voorbij de regenboog.’

De antwoorden verwaaien als het plateau wegdrijft in de zee.