Beige en blauw

Ik word opgehaald om ergens te gaan eten. Om half zes sta ik klaar, al buiten, omdat het eindelijk eens niet lijkt te gaan regenen. Ik verbaas me erover dat de altijd zo stipte collega’s deze keer op zich laten wachten. Ik kijk op WhatsApp naar ons gesprek over het tijdstip. O. We hadden een kwartier later afgesproken dan ik dacht.

Ik ga maar even zitten op een bankje aan het water. Ik vraag me af of het me zal lukken om te ontspannen. De laatste tijd ben ik daar niet zo goed meer in (of misschien was ik het ook nooit). Zodra ik mijn hoofd niet meer afleid, leidt mijn hoofd mij af met zwarte scenario’s waarbij ik werkloos en dakloos ben. Mijn baan opgeven en bijna mijn huis opgeven, maakt meer los dan ik had kunnen bedenken. Ik wist dat ik best creatief was, maar op dit moment wens ik dat mijn hoofd wat minder verbeeldingskracht had.

Vlak voor mij ligt een vrachtschip aangemeerd. Ik kijk er niet al te bewust naar: ik zie wolken, meeuwen, een schip verderop waarvan ik denk: ‘Hé, dat was het drijvende podium waarvan de laatste weken zoveel geluidsoverlast kwam; blijkbaar is dat nu over.’ Mijn gedachten zijn in Engeland, in Japan, of op de plek waar ik straks ga eten (‘Wat zou er op het menu staan?’).

Ik kijk toch weer naar dat vrachtschip. Het kraakt als de wind en de golfslag het van zijn plek proberen te duwen. Maar het kraakt niet alsof het onder de indruk is van de krachten die op hem worden uitgeoefend. Het drijft niet weg.

Ik kijk nog eens beter naar dat vrachtschip. Het ligt aan een lange beige kabel. Soms trekt de kabel helemaal strak, dan komt er weer wat ruimte en hangt de kabel losjes langs het schip. Op zulke momenten wordt een blauwe kabel strak getrokken, die om een andere aanmeerpaal hangt.

Ik kijk en blijf kijken. Beige kabel trekt strak, beige kabel viert en blauwe kabel trekt strak, blauwe kabel viert, beige kabel trekt strak. En zo opnieuw en opnieuw. Ik voel in mijn eigen spieren het straktrekken en weer vieren, maar ik voel vooral dat vieren: dat loslaten van al wat strak staat. Ik probeer het écht te voelen: ontspanning.

Het lukt zo’n beetje. Als ik wegkijk, de lucht in, surft er een meeuw voorbij op de wind. Zijn vleugels zijn wijd gespreid, alsof hij de wind in en onder zijn vleugels ontvangt. Hij vraag zich vast niet af of hij zal vallen. Hij weet dat er voor hem wordt gezorgd. Hij waait weg in de lucht, samen met de wolken, tot voorbij de horizon.

Ik weet het weer: op een dag zal ik meevliegen.

De gedachten van een mus

Photo by Wolfgang Hasselmann on Unsplash

Een tijdje geleden liep ik langs een struik – of eigenlijk was het een struikje. De takken waren dun – of eigenlijk iel. Maar een volwassen mus greep zich aan zo’n takje vast en viel niet. Hij was zo licht dat het takje zelfs nauwelijks boog onder zijn gewicht.

Soms wil ik zo licht als een mus zijn. Ik bedoel niet dat ik mezelf te zwaar vind. Ik bedoel: wat is het lekker als niets om je heen zwaar is – of zwaar lijkt; als je omgeving of jijzelf niet buigen onder je eigen gedachten.

Mijn gedachten de afgelopen week waren zwaar. Ik zit volop in mijn proces van loslaten: werk en huis opgeven, voorbereiden op de bijbelschool in Engeland en daarna de grote reis naar Japan, ver weg van iedereen die me lief is. Door Brexit heb ik nu een visum nodig voor Engeland, en daarvoor moest ik een taaltoets doen. Die haalde ik met prachtige cijfers. En toen kwam erachter dat ik de verkeerde taaltoets had gedaan. Een echtpaar met hetzelfde probleem vertelde dat we de goede niet meer in Nederland konden doen. De dichtstbijzijnde locatie was Parijs – of anders Bern.

Het bleek uiteindelijk allemaal wat minder zwaar: de toets kon toch wel in Nederland. Maar… pas in augustus, terwijl ik in september al naar Engeland moet. Blijft er wel tijd genoeg over om het visum aan te vragen, en vooral: te krijgen? Mijn gedachten werden weer zwaarder. Ze lagen ’s nachts op mijn hart, of op mijn longen. Het was lastig om te blijven ademen. Ik wenste weer dat ik een mus was. De hersenen van een mus zijn zo klein en licht dat hij niet kan piekeren.

Maar God sprak dwars door mijn eigen gedachten – of (waarschijnlijker) door die van Hem. Volgende maand mag ik een keer spreken in de kerk. Toen ik ervoor werd gevraagd, wist ik gelijk waar ik het over wilde hebben, maar ik had het nog niet uitgewerkt. Ondanks de onrust begon ik daar maar eens aan. En de conclusie van “mijn” eigen preek was: benoem je zorgen naar God toe, zoals Elia, die durfde uitspreken dat hij het leven moe was. Wees niet als Saul, die zich groot hield voor zijn leger en offers bracht die hij helemaal niet moest brengen. Saul sneuvelde; Elia zag God op de berg Horeb. Ik huilde bij God uit, benoemde hoe spannend ik alles vind – hoe doodsbang ik soms ben voor al die veranderingen.

De volgende dag had ik een fotoshoot. Nou, voor mij is dat een zin die ik niet had verwacht ooit te zullen schrijven. Maar dat zijn van die dingen die soms gebeuren bij grote veranderingen: anderen willen daarover kunnen lezen, en bij een artikel horen foto’s (beweren ze). Ik zag er echt tegenop. Ik krijg gewoonlijk kaakpijn als ze me willen fotograferen, zeker als het langer duurt dan drie seconden. Meestal herken ik mezelf nauwelijks in het resultaat – of wíl ik mezelf niet hoeven herkennen.

Maar… de fotoshoot was geweldig. Samen met de fotografe stond ik in een ultiem Hollands landschap: hoge wolkenluchten, elegante hoge halmen, uitbundige bloemen. En het waaide: een frisse wind in mijn gezicht, om mij heen, tegen mij aan, kriebelend, strelend, geruststellend. Ik dacht opeens: God weet hoeveel ik van de wind houd. Is het echt toeval dat ik straks allemaal foto’s heb waarop de wind zichtbaar aanwezig zal zijn?

Bij de laatste locatie waar de fotografe de wind en mij vastlegde, vlogen zwaluwen af en aan. Ik moest in de camera glimlachen, maar ik glimlachte naar de lucht. Ik was een beetje jaloers op die zwenkende vogeltjes, maar ook gewoon blij dat ik naar ze mocht kijken.

Daarna ging ik naar een korte bidstond. Terwijl ik bad moest ik opeens huilen. Maar het was niet van de stress. Het was omdat ik eindelijk weer even rustig was. Mijn gedachten waren licht als van een mus. Ik wist dat ik mee kon vliegen, met God, naar de bestemming die Hij voor mij in gedachten heeft. Toen ik ’s nachts wakker werd, lagen mijn gedachten al weer voelbaar op mijn longen, maar ik draaide me om en sliep verder.

Onweer in mijn hoofd

Ik stap door het fotobehang van mijn woonkamer, niet het huis van mijn buren maar het bos van mijn verbeelding in. Het is er benauwd. De beukenbomen lijken dichter op elkaar te staan; spinrag kleeft aan mijn zweterige arm; varens kriebelen aan mijn enkels als ik door ze heen waad, onderweg naar het huis dat iedere keer ergens anders lijkt te liggen.

Dan zie ik het, net niet verstopt achter een heuvel met hoge rododendrons. Voordat ik erheen kan sjokken, stort een kanonskogel de heuvel af, bijna door mij heen – Zoë stuitert nog net terug als haar hoofd mijn buik raakt. ‘Daar ben je weer,’ roept ze. ‘Jij bent heel lang weggebleven.’

 ‘Sorry.’ Ik woel door haar blonde haren, tuur in haar ogen en weet weer waarom haar ouders die zo mooi vinden. Als je kleine Zoë aankijkt, denk je aan kusten waar het strand tropisch wit is, maar er altijd een frisse bries vanaf zee waait.

‘Daar ben je weer,’ zegt een andere stem. Volgens Anna heeft Zoë de ogen van haar vader, maar Matthew kijkt niet alsof er een frisse wind waait – hij kijkt of het ieder moment kan gaan onweren. ‘Wanneer laat je mijn dochter met rust?’

‘Je bedoelt wanneer ik jou met rust laat.’ Ik krijg het plots nog warmer – zweet drupt tussen mijn huid en mijn shirt. ‘Jullie hebben me voor de gek gehouden.’

Matthew grimast, bijna tevreden. ‘Jij hebt niet opgelet – jij wilde je eigen verhaal vertellen in plaats van dat van ons.’

 Oké, misschien moet ik uitleggen wat hier gebeurt. In de jaren dat ik me iedere dag overat en iedere nacht overwoog dat ik beter dood kon zijn, was er één ding dat mij echt blij kon maken: schrijven. En ik schreef De Schreeuw van de Pauw, het verhaal van Matthew, de graaf van Northend , en zijn echtgenote, Anna, die vijf jaar nadat hij haar heeft weggestuurd naar hem terugkeert. In dat boek legde ik alle dromen die ik bezat, en vervolgens droomde ik dat het werd uitgegeven.

Vorige maand haalde ik het na meer dan tien jaar tevoorschijn. En ik was… geschokt. Het bleek 214.000 woorden te hebben (een normaal boek heeft er zo’n 80.000). Het verhaal was omslachtig en theatraal. De personages van wie ik zo veel houd leken… o help… melodramatisch. Ik begon aan een reddingsoperatie. Ik hakte woorden weg en wiste scènes uit. Ik zag steeds meer dat Matthew zwijgzamer was dan ik had gedacht, en Anna grappiger dan ik haar had gemaakt. Ik kreeg in de gaten wat hen werkelijk bezighoudt – ik werd me bewust van een ontzag dat zij altijd al hadden ervaren, voor de krachten die groter dan hun levens zijn. Ik was boos, maar ook blij. De Schreeuw van de Pauw hield mijn leven dragelijk toen ik het ondragelijk vond. Nu mijn leven door de plannen voor Japan wat al te spannend is, leidt het fijn mijn aandacht af.

Anderhalve week geleden was ik op zaterdagavond bij vrienden. We hadden het even over de gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester uit de Bijbel. Die gelijkenis heb ik nooit gesnapt, vooral omdat de rentmeester geprezen wordt om de oneerlijke manier waarop hij de gevolgen van zijn terechte ontslag verzacht.

In het huis van mijn vrienden zijn veel theologieboeken; ik kreeg er eentje mee. Terwijl vroeg in de nacht boven Dordrecht een onweer losbarstte waar het huis van trilde, las ik over de gelijkenissen in Lucas. Opeens zag ik Anna uitleggen hoe het nou zat met die onrechtvaardige rentmeester. Ik voelde die oude, vertrouwde hyperactieve passie, waardoor ik net zo hard wilde bliksemen als het onweer. Het gaat me lukken: De Schreeuw van de Pauw, begonnen in 2005, wordt nog wat het in mijn hoofd altijd al was.

‘Ik heb je door,’ zeg ik tegen Matthew, met net zo’n tevreden grimas. ‘Ik weet wat er echt gebeurde toen Anna naar huis kwam.’ Dan lach ik om Matthews frons. ‘Je kijkt of er een worm in je neus zit.’

Matthew fronst dieper. ‘Die uitspraak heb je gejat van mijn vrouw.’

Ik heb geen weerwoord. Die man weet niet dat hij een personage is. Of ben ik het personage, in zijn wereld?

Zoë trekt aan mijn mouw en vraagt wanneer ik nou meekom naar huis.

Bijna omver geblazen?

Laatst voelde ik me bijna Elia toen ik uit het werk kwam. Net voordat ik de deur uitstapte zag ik blauwbeurse wolken opbollen boven de polder. Ik begon al te twijfelen of ik droog thuis zou komen. Voordat ik halverwege was, waren de wolken zwart. Elia holde vanaf de berg Karmel voor de storm en de koning uit. Ik vroeg me af of ik hard genoeg kon hollen om droog thuis te komen.

Vlak voordat ik thuis ben moet ik één verkeerslicht voorbij. De regen viel toen nog steeds niet, hoewel er ook geen sprankje zonlicht meer te bekennen was. De wind had alle licht weggeblazen. Ikzelf werd bijna omver geblazen.

Even voelde ik die kick die ik altijd ervaar als de wind aan me trekt: dat gevoel dat de natuur zelf zich met je wilt meten en jij misschien kunt winnen. Ik wankelde en bleef staan. Misschien is dat waar ik het blijst van word: dat ik niet omval. En toen vroeg ik me af: is het echt leuk om te blijven staan? Ik loop, wandel, ren in mijn eigen kracht. Maar wat als ik nou wegwaai? Waar kom ik dan terecht?

Ik kwam droog thuis – daar was ik blij mee. Maar de vraag liet me niet los. De wind smeet water tegen de ruiten; meeuwen waaiden door de lucht; wolken werden beren en steigerende paarden. En ik vroeg me af of ik ertussen wilde vliegen. Bijna deed ik het raam open, in de hoop dat een onzichtbare arm me de lucht in zou buitelen, voor een reis naar Wolkenstein, Verrezee of Darkness-upon-Water. Maar mijn verstand greep in, of mijn angst. Wat als ik me écht omver laat blazen, in plaats van bijna? Wat gebeurt er dan?

Ik zette mijn computer uit na de vragen die ik hierboven stelde. Ik wist geen antwoorden, In het pinksterweekend erna was ik bij een goede vriendin in Enschede. Op vrijdag wandelden we in de velden bij Oldenzaal. De wind deed weer vele pogingen om de aandacht te vangen: de wind danste wild door de velden. Het gras boog diep onder de kracht ervan en het viel me op hoe wondermooi die buiging was. De groene velden leken bijna geel. Toen we daarna onder bomen op beschutte paadjes liepen, worstelden we met de modder – we sprongen over plassen en vermeden maar net dat we weggleden. Het werd alsmaar aantrekkelijker om in de wind te lopen.

Op zondagavond zaten we samen bij Het Rutbeek, een recreatieplas in Enschede. Zwaluwen buitelden door de lucht, niet gedreven door de wind, maar door hun eigen geest. Wij zaten op een bankje. Ik had alle tijd om eens goed naar de zwaluwen te kijken, en vast te stellen hoe mooi ze dansen, dartelen, dwalen. Waarom had ik dat in 48 jaar nooit écht gezien? Intussen rees de maan bleek en statig hoger in de nog blauwe lucht. Ik was me ervan bewust hoe klein ik was. Ik ben op aarde ook niet meer dan een zwaluw, die even vliegt en dan ergens voorbij de horizon verdwijnt.

Klein maar niet onbelangrijk – onbelangrijke mensen bestaan niet. De Bijbel zegt dat zelfs mussen niet ongezien door God ter aarde vallen. Ik denk dat God juist ook wil zien dat we niet vallen, maar eindelijk gaan vliegen. Maar die eerste sprong de lucht in, die eerste vleugelwiek… Wat spannend zijn die toch. Tijdens dat pinksterweekend, terwijl de uitstorting van de Heilige Geest werd gevierd, dacht ik soms dat ik het liefst maar geen Heilige Geest ervaar. Dan kan ik lekker negeren dat de wind – dat God – me blijft influisteren naar Engeland en Japan te waaien.

Maar de Geest liet zich natuurlijk niet negeren. De Geest was zelfs best streng. Dit las ik in de Basisbijbel: “Toen wilden ze uw prachtige land niet binnengaan. Ze geloofden niet wat U hun had beloofd. Ze mopperden en klaagden in hun tenten. Ze luisterden niet naar wat U zei.” Ik wil het prachtige land ingaan. Ik wil naar Japan – ik wil naar het land dat mij beloofd is, het land waarvan ik weet dat ik er moet zijn. Ik spreid mijn armen en hoop dat ik mezelf omver durf te laten blazen.

Vleugels voor de vermoeide verbeelding

Als ik te weinig slaap en te veel doe strompelt mijn lichaam, maar vliegt mijn verbeelding. Laatst liep ik na een wandeling van bijna twintig kilometer het park in. Even dacht ik een vrouw twee kraaien te zien uitlaten.

Natuurlijk was er geen sprake van kraaien aan de lijn – dat zouden kraaien niet toelaten. Er was slechts een vrouw met een hond aan de riem; de kraaien hupten voor haar uit. Ik liep door en mijn hoofd vloog verder. Ik zag een gans zitten in een hoge tak en zelfs dat vond ik raar; alsof ganzen alleen kunnen zwemmen. Het werd hoog tijd om rust te nemen.

Jammer genoeg is slapen momenteel… complex. Bijna iedere nacht word ik bezweet wakker. Ik weet niet of het de leeftijd is of dat ’s nachts mijn verbeelding dreigende vormen aanneemt die vervliegen zodra ik wakker word (ik herinner me geen nachtmerries).

Ook woensdagmorgen begint zo. Vier uur is het, en de slaap is bij me vandaan gevlucht. Dan maar vroeg aan het werk. Om half zes loop ik op straat. Er zijn nog haast geen auto’s; ik hoor alleen vogels. Eentje waarvan ik de naam niet ken, klinkt als een belletje van een hotelgast die aandacht wil bij de balie – in de tijd dat het nog niet bijzonder was om in een hotel te mogen zijn.

Ik loop langs het water; de lucht is er koel en fris. Ik ben niet fris. Ik wandel langs fluitenkruid en raapzaad en snuif diep, hopend dat hun geur van lente en vernieuwing ook mij vernieuwt. Maar als ik verderloop, slof ik nog steeds.

De vogels maken me uiteindelijk wakker. Als ik aan kom lopen, neemt een jonge ekster niet eens de moeite om weg te vliegen. Hij houdt zijn kop scheef en kijkt meewarig. Ik houd mijn hoofd scheef en grijp de kans aan om een ekster van zo dichtbij te bekijken.

Nog geen honderd meter verder zit een aalscholver op een lantaarnpaal. Hij spreidt zijn vleugels als een popster die applaus in ontvangst neemt van zijn grootste fans, of als een ziel die het eindelijk aandurft zich aan de wereld te tonen. Of misschien wil hij zich simpelweg opwarmen aan de zon. Maar de zon is nog onzichtbaar, en de aalscholver kijkt naar het westen, niet naar het oosten.

Nog een vogel vangt mijn aandacht. Een paar lantaarnpalen verder zit een gedistingeerde kraai: hij heeft zilver in zijn vleugel, als een witte golvende lijn op een zwarte sportwagen. Langzaam draait hij zijn kopje naar me toe, nog kritischer dan de ekster. Even denk ik dat hij een betoverde tovenaar is, die erin zal slagen iets tegen mij te zeggen. Dan wendt hij zich af. Ik voel me gewogen en te licht bevonden – of te zwaar om met hem mee te kunnen vliegen.

Ik sla verslagen het laatste stukje dijk in. Hier groeit weer fluitenkruid, nu niet vermengd met raapzaad maar met de hoge loten van uitgezaaide fluweelbomen. Fluweelbomen… Die doen me denken aan een scène uit een boek dat ik heb geschreven. Opeens wordt mijn verbeelding aardser, minder zweverig – ik kan denken aan dingen die ik zelf heb verzonnen in plaats van dingen die zich aan me opdringen.

Net voordat ik de dijk verlaat, laat de zon een rode gloed boven de horizon verschijnen. Het lijkt of er een oven wordt ontstoken. Gelijk denk ik aan een ander zelfgeschreven boek, waar in hoofdstuk één de zon precies zo verschijnt, op de dag dat het leven van de hoofdpersoon voorgoed zal veranderen.

Bijna op het werk: alleen nog een klein industrieel terreintje over, via de Sikkelstraat. Daar zie ik de eend dood op straat liggen. Ik denk – hoop – dat mijn verbeelding iets onschuldigs (een weggegooide doos, wat verfrommelde doeken) een vorm geeft die er niet is. Een dode vogel is een wat al te nadrukkelijk einde van deze blog die tijdens het wandelen in mijn hoofd is opgekomen. Maar het is waar. Met zijn poten omhoog ligt hij daar, vanbuiten schijnbaar volledig ongeschonden, maar toch dood. Mijn verbeelding wordt met een sikkel afgesneden.

Kijk maar uit voor de meerkoet

‘Ik vrat hem in één keer op,’ schreeuwt de stem. ‘En jij hebt het gezien, hè?’ Er klinkt een tikkende lach, alsof een blindengeleidestok een nogal agressief eigen leven is gaan leiden. Maar als ik me omdraai zie ik slechts een meerkoet, dobberend in de vijver van het Wantijpark.

Doen of ik hem niet gehoord heb is zinloos. Er zijn geen mensen in de buurt: geen kerels met pitbulls; geen jongens die stoer willen lijken. En ik weet waar de meerkoet het over heeft. Ik zag hem inderdaad, toen hij gisteren een enorme vis in één onelegante, effectieve haal naar binnen schrokte.

Meerkoeten beginnen me wat te verontrusten. Toen ik vorige zomer langs de vijver liep, vluchtten ze voor me weg over de waterlelies. Toen leken ze sprookjesfiguren uit iets als de Efteling, alleen al omdat ze op waterlelies kunnen lopen. Nu begin te geloven dat ik al die tijd meerkoeten en waterhoentjes door elkaar heb gehaald.

Afgelopen winter begon het me op te vallen hoe groot meerkoeten eigenlijk zijn. Ik kwam er een paar tegen die bij elkaar stonden te mopperen langs een bevroren waterkant. Ze leken een nieuw ras, de ninja’s onder de watervogels. Nooit was het me opgevallen hoe wit hun snavel is vergeleken met de rest van hun lijf. Dat contrast benadrukte gelijk hoe spits de snavel was: als een uitgestoken zwaard.

Zijn meerkoeten eigenlijk wel te vertrouwen? Die vis die ik de meerkoet gisteren zag verorberen, zo groot alsof ik een hele tonijn naar binnen zou werken, ontnam mij mijn laatste illusies. Waarom heb ik gedacht dat dit onschuldige kroos- en grasgrazers waren? Dit zijn sluwe jagers. Zij vluchten niet weg over waterleliebladeren. Ze zoeken een plek om hun tactiek door te spreken.

Een nieuwe tikkende lach (dat viel me ook dit jaar pas op – dat tikken van meerkoeten, dat even dreigend is als het naderen van de manke slechterik in een horrorfilm). Ik kijk nonchalant en dan tikt de meerkoet harder, alsof hij al mijn gedachten heeft gehoord.

‘De onschuld is voorbij,’ schreeuwt hij. ‘Wij meerkoeten worden meer, niet minder. We laten ons niet meer onderdrukken. Wij eisen de meerderheid op, van ieder meer, van steeds meer rivieren –’

‘Niet te vaak het woord “meer” gebruiken,’ raad ik aan. ‘Dat klinkt overdreven – “meer en meer belachelijk” zou ik bijna zeggen.’

Die poging tot nonchalance wordt me bijna noodlottig. De meerkoet richt zich op in het water, spreidt zijn zwarte gestroomlijnde vleugels waar iedere druppel van vlucht, priemt met zijn snavel mijn kant uit. ‘Heb je nog meer te zeggen,’ schreeuwt hij. Het is geen vraag; het is een dreigement.

‘Niks meer,’ mompel ik. Dat laatste woord wilde ik niet gebruiken. Ik heb het opeens warm. Het zal wel komen omdat na alle regen de zon nu doorkomt. Dat wil ik in ieder geval graag geloven.

De meerkoet klettert terug in het water, zwemt een agressief rondje, verjaagt een eend die te dicht in de buurt komt en… tikt. De engerd uit die slechte film heeft nu bijna zijn 18e slachtoffer meegelokt, de mist in naar een bloederige dood. ‘Jullie lachen nooit meer over meerkoeten,’ sist hij. ‘Nooit meer.’

‘Nooit meer,’ beaam ik.

‘Vind merels maar meegaand, of zwanen zwierig. Kwijl maar over kauwen en –’

‘Ik denk niet dat mensen snel zullen kwijlen over kauwen, niet als je bedoelt dat zij ze schattig vinden. Je moet uitkijken met alliteratie; het wordt snel –’

‘Ik hoef niks meer wat mensen mij opdragen,’ schreeuwt de megalomane meerkoet. ‘Nooit meer. Hoor je me!’

‘Ik hoor je,’ mompel ik. En dan is de audiëntie opeens voorbij: de meerkoet dobbert weg. Er schiet een schacht zonlicht op het water, die zijn zwarte vacht grijs en zacht doet lijken.

Ik loop door en vertel mezelf dat ik me alles heb verbeeld. Maar onwillekeurig kijk ik naar het nest van een meerkoet. Het ligt midden in de vijver, onder de takken van een overhellende boom. Ik realiseer me opeens dat in het groene park die boom als enige nog helemaal kaal is. Misschien is hij dood. En meerkoetenjongen… zijn die zo rood omdat het bloed van toekomstige slachtoffers al hen kleeft? Haastig loop ik door.

Van kersenbloesem en beschavingen, die dingen die voorbij gaan

Photo by AJ on Unsplash

Het is geen nieuws dat we een nogal koud voorjaar hebben. Ik geloof dat ik nooit eerder in mei nog in mijn winterjas liep. Soms word ik er wat filosofisch van, soms bijna dichterlijk. En ik kan helemaal niet dichten!

Tijdens de kou in april blies, terwijl ik onderweg was naar een bidstond, sneeuw spottend mijn gezicht in. Ik wilde chagrijnig worden, maar toen rook ik een magnolia. Onmiddellijk werd ik overspoeld door het gevoel dat ik heb als ik wegkruip met een boek vol haiku’s. Het zal wel door mijn plannen komen: een haiku is een Japans gedicht (niet rijmend, maar met als uitgangspunt dat het drie regels heeft, van achtereenvolgens 5, 7 en 6 lettergrepen).

Japanse zaken bleven me bezighouden toen het wat warmer werd en de kersenbloesem teer en stil haar schoonheid ontvouwde. Ik hield mijn adem in. Eén flinke bries en de bloesem zou als sneeuwvlokken verstrooid worden. Voor de Japanners is die kwetsbaarheid symbool van de vergankelijkheid van het bestaan.

En toch… terwijl ik de eerste bleekroze blaadjes zag vallen, stelde ik me voor dat een mens zo weg dwarrelde uit het leven. Ik vond het lastig te geloven dat een mensenblaadje zomaar vergaat. Ik kon me voorstellen dat de ziel die tijdens het leven kwetsbaar was voor storm en scherpe nagels, na het neerdwarrelen een steen wordt. Geen grafsteen, maar een steen waarin de ziel veilig opgeborgen blijft tot een dag waarop hij weer tot leven wordt gewekt.

Een mensenziel is weerbarstig. Ik las het weer bij Viktor E Frankl, de psychiater die Auschwitz overleefde en er stellig van overtuigd was dat we alles kunnen verdragen, zolang we maar een doel hebben om voor te blijven leven. Dat doel kan het schrijven van een boek zijn, maar ook schoonheid kunnen zien en de liefde voor andere mensen.

Ik las ook In de schaduw van Byzantium, van William Dalrymple. Een boek dat bijna nog confronterender was dan dat van Frankl. Het is een reisboek waarin Dalrymple niet alleen door het Nabije Oosten reist, maar ook door 1.500 jaar beschavingen in Turkije, Libanon, Syrië, Israël en Egypte. Turken moorden christenen uit, christenen slachten joden af en joden doden islamieten. Een moedeloos makende vicieuze cirkel. Beschavingen blijken even kwetsbaar te zijn als kersenbloesem. Hoeveel miljoenen mensen zijn daardoor al voortijdig weg gedwarreld van de levensboom?

Afgelopen vrijdag liep ik langs begraafplaats de Essenhof. Het had veel geregend en het was weer koud, maar de zon straalde en ik zag bladeren zich uitvouwen die storm weerstaan en pas in de herfst rimpels krijgen en losgetrokken worden van de takken die hen hebben gevoed. Over een gracht heen staarde ik naar de begraafplaats, maar de grafstenen hielden mijn aandacht niet vast. In het water lag een klein eilandje waar kleuren met elkaar wedijverden. Een sering tooide zich met allerlei tinten paars; een gouden regen blonk in de zon. En ik wist weer dat al hun pracht voorbij zou gaan, zou verdwijnen in het donkere water van de gracht.

De dag erna was de zon al weg. In kille regen liep ik op de brug naar Papendrecht. Over het brede, onaangedane water waarin alles kan verdwijnen naderde een rivieraak. Ik keek toe terwijl hij onder me door gleed, terwijl ik wist dat ik daar duizelig van zou worden, net als altijd. Ik keek weg over de rivier, naar de extreem Hollandse landschap en voelde even tranen: ook dit gaat voorbij; binnenkort zal ik het niet meer zien. Ik was onderweg naar een goede vriendin, en huilde even omdat ik dan ook niet meer bij haar op bezoek kan gaan. Ik heb een levensdoel dat me drijft, en tegelijkertijd pijn doet.

Daar op de brug leidde ik mezelf af door alsnog die haiku te componeren over sneeuw en de geur van magnolia’s, terwijl ik niet kan dichten:

Lopend in de sneeuw
ruik ik plots magnolia’s
Het wordt toch lente

Een windvlaag trok bijna de paraplu uit mijn handen, en de haiku uit mijn hoofd. Toen dacht ik eraan dat ze beweren dat het zondag 25 graden wordt. Alles blijft veranderen. En ik zal leren de veranderingen te verwelkomen, ook als ze een windvlaag in mijn leven zijn.

Op naar Japan

Mijn plannen voor Japan worden steeds concreter. Ik ben aangemeld voor de Bijbelschool die op 22 september begint. In de tweede helft van 2022 hoop ik naar Japan te kunnen gaan. Ga je mee op mijn reis? Je hoeft niet je koffers te pakken, maar ik heb jouw steun hard nodig.

Japan is een welgesteld land, en de mensen hebben over het algemeen hun leven goed op orde. Maar het is ook een land waar je altijd keihard je best moet doen en anderen niet lastig moet vallen: niet met je problemen, niet met je falen, niet met je gevoelens. Kun je daar niet aan voldoen? Dan is zelfmoord een geaccepteerde uitweg. Japan heeft zelfs ‘populaire’ plekken om zelfmoord te plegen. Ik hoop veel Japanners Gods liefde en genade te laten zien.

Dat kan ik natuurlijk niet in mijn eentje. OMF (omf.org/nederland), de organisatie die mij uitzendt, gelooft dat zendelingen onderdeel moeten zijn van hun kerk en de gemeenschap. Mijn reis naar Japan is dus niet mijn avontuur, maar onze reis. Japan staat bekend als ‘harde grond’: de Japanners staan niet erg open voor het evangelie dat ze zo nodig hebben. Ik heb dus jouw gebed nodig. In mijn eentje kan ik weinig doen. Als we samen God om hulp roepen, kunnen we grote dingen bereiken. Wil je meebidden? Ik zet liever geen emailadressen op deze website vanwege alle spam die dat oplevert. Maar als je een berichtje onder dit bericht zet zie ik jouw emailadres en mail ik je voor mijn gebedsgroep op WhatsApp. (Zet je telefoonnummer niet in je bericht, want dan ziet iedereen het!) Wil je mijn nieuwsbrief ontvangen? Volg dan dezelfde route.

Financiële steun is ook nodig. De Bijbelschool kost zo’n €15.000 en is fulltime. Ik zal dus mijn baan opzeggen. De kosten in Japan liggen op ongeveer hetzelfde niveau als in Nederland. Als ik eraan denk hoeveel geld er iedere maand nodig is, word ik soms wat nerveus. Maar ik weet dat God mij in Japan wil hebben, en ik geloof dat Hij daar de middelen voor wil geven. Misschien ook via jou? Als vele mensen iedere maand een klein bedrag willen geven, komen we heel ver. Dit is het rekeningnummer: NL05 ABNA 0617 7579 68 t.n.v. Stichting OMF. Vermeld hierbij altijd de projectnaam: Deshima en het projectnummerL13019. Je kunt ook gebruik maken van het formulier onder deze link. OMF is een ANBI, dus giften zijn aftrekbaar.

Dank je wel dat we samen op blijven trekken, waar God jou en mij ook brengt!

Het eerste licht

Ik betrapte er dit weekend op: ik wilde weer een blog over wandelen schrijven. Net op tijd realiseerde ik me dat ik er al zo veel geschreven heb. Ik moest maar eens wat anders schrijven. Eigenlijk heb ik inspiratie genoeg, want de afgelopen maanden heb ik aan een boek gewerkt. Maar dat hou ik nog maar even stil. Alhoewel: stil…

Er ritselt iets. Ik weet niet waar. In een kastje waarvan ik de deur niet goed gesloten heb, of in mijn hoofd. Het is een geluid waarvan ik net zo blij word als van dat eerste licht dat ik laatst op de dijk zag. Dat lage licht dat ieder detail van een boom laat zien: iedere knoest, iedere beginnende knop, iedere verweerde tak, ieder pril blaadje. Dat eerste licht waarin bloesems van de kersenboom blinken als sierraden, terwijl vlakbij de vorst ook fonkelt.

Er ritselt iets. Misschien toch niet in een kast of in mijn hoofd. En misschien is ruisen een beter woord. Ik zag een filmpje dat ze in de stille week in mijn kerk gaan gebruiken. Een echtpaar vertelt over een groot verdriet, maar ook over hoe het oude lied ‘Daar ruist langs de wolken’ hen zo vaak bemoedigde. Er ruist iets, ja, iets dat altijd in de buurt is, ook al voelen we het niet altijd, iets dat altijd het goede met ons voorheeft, ook al geloven we dat niet.

Er ritselt en ruist iets. In mijzelf en om mij heen. Misschien is het creativiteit. Maar dan niet (alleen) die van mijzelf. Onze Maker heeft zo veel meer creativiteit. Die legt Hij in ons en mogen wij gebruiken. Maar wij zijn ook onderdeel van Zíjn creativiteit. Terwijl ik zelf schrijf en meeleef met mijn personages, ben ik benieuwd wat voor plotwendingen Hij voor mij op het oog heeft.

Toch even terug naar dat eerste licht, en naar wandelen. Vanmorgen was ik er belachelijk vroeg uit, en was ik belachelijk vroeg onderweg naar het werk (terwijl ik tot na 21:00 uur bezig ben, dus slim was het niet). Ik zag het eerste licht en vroeg me af waarom het zo’n gevoel van verwachting bij me oproept, waarom als teder roze, verlegen geel en ijl blauw zich vermengen ik altijd denk dat er ieder moment wonderen kunnen gebeuren. Iedere heldere morgen lijkt de hele wereld vol nieuwe kansen. Soms verbaas ik me erover dat ik er nog steeds in geloof.

Er ligt nevel over de dijken, als een bruidssluier waarvan de zoom bijna in het water druipt. Wat verder ligt rijp op de velden, al net zo wit en puur. Bomen strekken stil hun armen op naar de hemel. Hun takken zijn nog kaal, maar ik zie de knoppen, die groot en sterk zullen worden. Ik realiseer me dat ik misschien niet alleen geniet van dat eerste licht, maar ook van het eerste stuk van het herboren worden van het jaar. Alles, alles, alles is nieuw.

Alleen blijft het niet nieuw. Zodra de zon op is en blauw gewoon blauw wordt, als de gloed van het begin is verdwenen, is het lastig om nog in wonderen te geloven. En dat begin van de lente wordt normaal. Straks klaag ik dat het te warm is – sneller dan ik nu wil geloven. Straks is het ook alweer zo vroeg licht dat ik het eerste licht niet meer zie – behalve als ik heel slecht slaap. En als ik slecht slaap geloof ik niet in wonderen.

Ze zeggen dat als je wakker ligt je geen schaapjes moet tellen, maar met de Herder moet praten. Waarom is dat vaak zo lastig in het donker? Ik sta dan liever op, zet mijn pc aan en verlies me in mijn eigen creativiteit. Op zulke momenten wil ik vaak niet denken aan de creativiteit van de Enige die echt schept. Maar nu het weer bijna Pasen is, ben ik me er beter van bewust dat dat geen slimme keuze is.

Christus durfde wel in het donker aan zijn Vader te denken. Hij was bang voordat Hij in de nacht werd overgeleverd aan de mensen die Hem zouden kruisigen. Maar Hij onderging zijn angst. En op Paasmorgen werd Hij het echte Licht. Ik hoop dat ik me daarover zal blijven verwonderen.

De wind waait waar hij wil

Bijna iedere nacht schiet ik even wakker. ‘Japan!’ denk ik dan, en ik schrik iedere keer weer van de beslissing die ik heb genomen. Ik twijfel of ik niet wat anders moet beslissen. In het weekend erna doe ik dingen die ik niet op durf te schrijven omdat ik er te veel voor schaam. Iemand van wie ik hoop dat solidariteit belangrijker is dan zijn mening, mailt meerdere keren dat God niet bestaat.

Dinsdag ga ik met een collega op pad om in twee bedrijven filmpjes op te nemen. We gaan onder andere naar Stolwijk. De dag is grauw, met wolken zonder fantasie of gevoel voor humor. Het landschap zo plat dat het bijna cliché Nederlands is. Ik denk – haast ontroerd: ‘Dit ga ik niet meer zien.’ Ik denk ook: ‘Jawel hoor. Want ik ga niet weg! Ik doe het niet!’

Op donderdag lees ik in het evangelie van Johannes over de wind die waait waar hij wil. Ik kijk naar buiten. Op het Wantij raast de wind over het wateroppervlak, met vingervlugge tekeningen die gelijk weer worden uitgewist. Ik grijns vrolijker dan me de laatste dagen lukte.

Natuurlijk ga ik naar buiten. De wind is geen beletsel – eerder een uitnodiging. Tijdens mijn wandeling waaien duiven uit de lucht; musjes lijken op losgetrokken bladeren. Op het hoogste stuk van de dijk heb ik gelukkig wind mee, hoewel dat zijn eigen gevaren oplevert: ik word bijna omver geblazen. Beneden aan de dijk kreunen de bomen. Ik maak een rondje waardoor ik uiteindelijk weer op een dijk kom. Ik bedenk me dat ik op de meest open stukken geen tegenwind heb. En dan denk ik dat ik dat misschien geestelijk moet zien. De wind onthoudt zich van commentaar; die heeft het te druk met waaien.

Ik loop het park in vanaf de dijk. Als ik zo loop kom ik eerst langs ceders. Ze doen me al een paar jaar denken aan Japan. Ik glimlach naar ze en ben even terug in Japan, in een enorme graftuin, of meer een grafbos, waar overal ceders stonden, honderden jaren oud, stil en plechtig als de grafstenen. En dan ben ik weer in Nederland: ik erger me aan een jogger die denkt dat, aan welke kant van het pad hij ook loopt, anderen voor hem opzij moeten gaan.

De ergernis is bijna onmiddellijk voorbij. De zon schiet door de wolken: de kale maartbomen worden verlicht met een gloed die te prachtig is voor de aarde. En wat gek: terwijl ik de vreugde voel, denk ik niet dat ik de rest van mijn leven deze bomen wil blijven zien. Ik denk aan de botanische tuin van Sapporo, waar ik in 2018 rondliep en me een middag lang in het paradijs waande. Als alles doorgaat, zal ik de eerste jaren in Japan in Sapporo wonen. Ik zal de tuin – even groot als het Wantijpark – regelmatig zien. En het eiland Hokkaido, waarvan Sapporo de hoofdstad is, heeft veel schoonheid die ik nog moet ontdekken.

De wind waait luchtiger terwijl ik doorloop. De zon verdwijnt, maar niet uit mijn hoofd. Wat verderop staat een man bij een vijver. Met een stok probeert hij iets uit het water te vissen. Als ik dichterbij kom lukt het hem net. Het blijkt zijn pet te zijn.

Ik lach naar de man. ‘Die wind toch…’

De man grinnikt als een jongen die een geintje heeft uitgehaald, maar eigenlijk is hij bejaard. ‘Ik zal hem maar niet meer opzetten!’

De vrolijkheid groeit, in mij en om me heen. Weer worden de wolken opengerukt. Ik vind nauwelijks woorden voor het licht dat ik zie. Het is on-Nederlands; even waan ik me weer in de botanische tuin van Sapporo. Ik weet weer dat ik echt ga, hoe eng ik het ook vind en nog zál vinden.

De hele middag schrijf ik, en leef ik in mijn eigen wereld. Af en toe zie ik mailtjes van OMF, met dingen die ik moet gaan doen om de Bijbelschool en mijn visum te regelen. Stress, ja, die is er weer. Maar de wind is er ook. De wind gaat met me mee, waarheen ik ook ga. Johannes had natuurlijk gelijk.