Als je je een paraplu voelt

Ik loop in de regen en erger me aan het constante getik van druppels op mijn paraplu. De gedachte schiet door me heen dat die druppels harder klinken omdat het doek van de paraplu natuurlijk strak staat. Onmiddellijk denk ik aan hoe je je een menselijke paraplu kunt voelen, als je gedachten strak staan.

De laatste tijd ben ik soms bang dat ik aan het transformeren ben in een paraplu. Na de chemo’s zou ik steeds meer energie moeten krijgen, maar het omgekeerde is waar. Op sommige dagen heb ik weer net zo’n pijn in mijn gewrichten als in de tijd dat ik behandeld werd. Op sommige dagen kost het me weer net zo’n moeite om mijn bed uit te komen als toen ik al kanker had maar dat nog niet wist.

Op sommige dagen ben ik bang dat er in mijn lichaam van alles gaande is dat absoluut niet de bedoeling is. Mijn verstand vertelt me dat ik me niet te druk moet maken: ik heb al eerder gelezen (meer dan eens, om mezelf steeds opnieuw gerust te stellen) dat het verloop van vermoeidheid na chemokuren grillig is. Wat ik niet zo geruststellend vind, is dat bij sommige mensen de vermoeidheid nooit overgaat.

Ik snap er niks van: afgelopen najaar voelde ik me zo goed dat ik soms vergat dat ik ooit ziek ben geweest. Dit voorjaar ben ik me er iedere dag van bewust. En iedereen die nu denkt: Je moet het loslaten, vraag ik: Vertel me hoe ik dat doe, want dan voer ik dat graag en gelijk uit. En iedereen die nu denkt: Ik ben ook weleens moe, antwoord ik: Dit is geen gewone moeheid. Dit is een moeheid die met botte bijlen inhakt op mijn botten, of op mijn bewustzijn. Met deze vermoeidheid voel ik me als een zombie, die wel loopt maar nauwelijks kan nadenken.

Of ik voel me dus als die paraplu. Strak gespannen. Te strak. Druppels onrust spatten op mij neer en ik hoor ze allemaal, zo duidelijk als ontploffend vuurwerk, of als kogels. De druppels zijn het begin van een tropische regenbui. In de verte hoor ik onweer rommelen. Ik verwacht een moesson die alle paden in mezelf onbegaanbaar zal maken.

Oké, dat is even genoeg dramatische beeldspraak. Natuurlijk geef ik niet ongegeneerd toe aan mijn gevoelens. Mijn verstand werkt heus nog wel. Dus als ik af en toe denk dat de kanker terug mijn lichaam is ingeslopen, denk ik veel harder: Dit hoort erbij – wat ik voel wordt veroorzaakt door restanten gif, gecombineerd met de door de chemo versnelde overgang. Ik denk in oplossingen. Inmiddels heb ik ergotherapie, waar ik leer om te gaan met vermoeidheid. Het is wel een beetje jammer dat toen ik aan de therapeut mijn verschijnselen beschreef, ze dubbelcheckte of ze wel goed begrepen had dat ik kankervrij was. Niet te lang aan denken. Gewoon haar tips opvolgen.

Ik neem dus meer rust. Ik lig op de bank en het begint me te bevallen. Vooral omdat iets anders doen me vaak toch niet lukt, maar ook omdat liggen het enige is dat geen pijn doet. Ik geef mijn grenzen aan, vermijd het om meer dan één afspraak per dag te hebben. En toch zit ik tijdens een onverwacht gesprek na afloop van de kerkdienst na tien minuten volledig overprikkeld op een stoel, verlangend om weg te vluchten van mijn lieve gesprekspartner die een verhaal vertelt dat me echt boeit. Ik herken mezelf bijna niet meer.

Toch het ziekenhuis maar nog een keer gemaild over de verschijnselen. De arts staat er voor open om mijn afspraak van over twee maanden ver naar voren te trekken. Dat ga ik maar doen. Als ik haar voicemail bericht heb afgeluisterd merk ik dat er tranen opeens over mijn wangen lopen. Tjonge, zo veel stress heb ik dus.

Houd je regen tegen als je een menselijke paraplu bent, en zo ja, moet je dat wel willen? Daar ga ik binnenkort eens over nadenken, als ik weer uitgeteld op de bank lig. Maar ik schat al in dat het antwoord nee is. De regen komt niet vanbuiten maar vanbinnen, en moet eruit. Ik word een menselijke gieter.

Photo by Erik Witsoe on Unsplash

Vrijheid

Het is begin mei. Tijd voor dodenherdenking en bevrijdingsdag. De laatste jaren, zeker sinds de corona-pandemie, lijkt de vrijheid steeds meer onder druk te staan. Of wij lijken dat te denken.

Een tijdje geleden zag ik op een lantaarnpaal een sticker met daarop witte blote billen. Erbij stond de tekst: “Vrijheid? Mijn reet”. Pardon my French, zoals de Engelsen zeggen. Of: Excusez le mot, zoals ze vroeger in Nederland zeiden. Waarom er aan het Frans wordt gedacht bij niet zulk braaf taalgebruik is een aparte blog waard, maar die vraag laten we hier even voor wat hij is.

Er stond op de sticker geen website, geen naam van de maker. Het was een schreeuw naar iedere willekeurige voorbijganger. Wat is die schreeuw dan waard? Wat wil je dan, behalve je eigen gevoel van onrust overbrengen op anderen? En waarom? Zodat er meer schreeuwers komen? Net zolang totdat de schreeuwers stenen pakken en anderen de hersens inslaan?

Vooral na corona is het aantal theorieën over hoe onze vrijheid wordt ondermijnd flink toegenomen. Op Facebook lachen mensen die ik als vriendelijk ken als mannen met fakkels voor de deur staan bij bewindslieden. Kennissen uit de kerk delen complottheorieën en verheerlijken de tijd “toen mazelen nog gewoon waren”. De tijd dus toen baby’s die nog te jong waren om ingeënt te zijn meer kans liepen om dood te gaan door besmetting. Dat vonden hun moeders denk ik niet gewoon.

Een goede kennis zei me een aantal jaren geleden dat hij verwachtte over niet al te lange tijd in een kamp te zitten. Ik moet binnenkort eens aan hem vragen hoe het ervoor staat met zijn vervolging, want vorige week heb ik hem nog gewoon gesproken en leek er van een aanstaande arrestatie geen sprake.

Ik schat zo in dat mijn meeste lezers snappen dat ik niet serieus van plan ben die vraag te stellen. En nu stel ik mezelf de vraag: waarom doe ik dat eigenlijk niet? Misschien helpt het hem om te zien dat zijn theorieën minder steekhoudend zijn dan hij denkt. Maar ik ben te bang dat ik dan een heel verhaal moet horen over de volgende theorie. Of dat hij boos op me wordt.

Ik stel mezelf de vraag hoe we dit soort patronen doorbreken. Hoe lukt het ons om online het soort gedragsvormen te ontwikkelen die we offline hebben? Hoe lukt het ons om weer wat meer vertrouwen te hebben in ons land? We wonen in een van de rijkste landen ter wereld, waar je geld krijgt als je het zelf niet kan verdienen, en je zorg krijgt als je ziek bent. Toch schreeuwen we moord en brand over hoe ons land verloedert. Misschien gaat het ons wel zo goed dat we het niet meer verdragen als er iets minder goed is dan het is geweest.

We klagen nog steeds over de ziektekostenverzekering, omdat we zolang bijna niets hoefden te betalen. In een rijk land als de VS krijg je helemaal geen zorg als je het niet kunt betalen. In een arm land als Oeganda is zelfs voor welgestelden de zorg beperkt. Maar die landen zijn ver weg en wij willen alles hebben, net als kleuters.

Ik zeg niet dat alles fantastisch is in dit land. De toeslagenaffaire heeft ons laten zien hoe onze bureaucratie vreselijke dingen teweeg kan brengen. Maar misschien moeten we ons wat meer bewust worden van hoe mooi veel dingen in dit land geregeld zijn. Hoeveel reden we hebben om dankbaar te zijn. Maar dankbaar zijn is blijkbaar ingewikkeld. Wat eerst een geschenk is, wordt al snel normaal.

Wij blijven maar schreeuwen. Soms vraag ik me af dat we zo hard schreeuwen dat we de pijlers onder onze vrijheid en rijkdom zelf aan het schudden brengen. Als er maar genoeg mensen zijn die beweren dat het onveilig is in dit land, dat we oneerlijk met elkaar omgaan, dan gaan te veel mensen het geloven. Dan staan we tegen elkaar op alsof we vijanden zijn en maken we elkaar kapot. Dan komen onze complottheorieën vanzelf uit.

Mag ik hopen dat ik er dan niet meer ben? Of moet ik bidden dat de kinderen van mijn vrienden een wereld erven die beter is dan wat wij ervan willen maken?

Photo by Remy Gieling on Unsplash

Enchanté

Foto door Johnny Ng

Dolly pakt haar borrelglas op en giet het in één teug achterover. Mij biedt ze niks aan, behalve haar minachtende blik. ‘Enchanté,’ zegt ze. En als ik niet gelijk reageer: ‘Dat betekent: aangenaam.’ Het klinkt niet of ze dat meent.

‘Ik versta wel wat Frans,’ mompel ik.

De vrouw lijkt me niet te horen. Haar lange, magere, gekromde vingers glijden traag door haar lange grijze haar. Haar ogen zijn ook grijs. Gelukkig glijden ze net langs me heen, want in haar blik ligt een code rood. Haar jurk, een wijde creatie die haar magere gestalte verhult, is ook rood. ‘“Wat Frans”…’ zegt ze, heel traag. De implicatie is duidelijk: ze verwachtte niet dat het veel zou zijn.

‘Dolly, mijn excuses als ik –’

Ze heft een heksenhand op. ‘Excuses waardeer ik louter als je werkelijk gelooft dat je iets fout hebt gedaan.’

Ik heb niet gelijk antwoord. De stilte voelt als de schaduw van een berghelling aan het eind van een winternacht. De koude is allesdoordringend. Het zal nog lang duren voordat de zon iets van warmte brengt – als ze al doordringt in de schaduwen van deze Mount Everest.

‘Dat je je romannetje niet vanuit mijn perspectief beschrijft, snap ik,’ zegt Dolly. ‘Mijn gedachten zijn onnavolgbaar. Maar dat je een bijfiguur van me hebt gemaakt… dat je je roman een titel wilt geven waarin de naam wordt genoemd van dat creatuurtje dat onze Zoë zo maltraiteerde… dat vind ik stuitend.’

Dolly houdt van moeilijke woorden – dat zeg ik er even bij, voordat iemand denkt dat mijn schrijfstijl drastisch veranderd is. Ik trek mijn gezicht in de plooi en zeg niets over “onze Zoë” – daar verraadt ze liefde mee, maar dat wil ze niet horen.

Haar blik doorboort nu wel mijn ogen. ‘Denk niet dat je me doorziet,’ sist ze.

‘Neem nog een borrel,’ zeg ik.

‘Dit is water. Als je je eigen boek een tikkeltje beter zou lezen, zou je je herinneren dat ik niet meer drink.’ Ze heft haar glas naar me op, nog steeds leeg. ‘Water, schrijvertje. Ik vind het niet nodig dat mijn vrindjes weten dat mijn blik, mijn inzicht, mijn verstand even helder zijn als de vloeistof die ik tot mij neem.’

‘Knap dat je nog steeds clean bent,’ mompel ik.

‘Articuleer duidelijk,’ sist ze. ‘Al die mensen die denken dat ze boeken moeten produceren leven in een eigen wereldje. Ze nemen aan dat iedereen hen begrijpt. Dat zal je danig tegenvallen als dat boekje van jou nog eens het licht ziet. Ze zullen mij minder goed begrijpen dan jij denkt dat jij mij begrijpt. Ze zullen willen dat je meer aandacht aan mij had besteed.’

‘Luister Dolly…’ begin ik.

‘Dorothy Desirée Prudeaux de la Lys, voor jou.’

‘Luister, er is niemand die ik zo’n luisterrijke – een woord dat bij jou past – entree heb gegeven als jij. Andere mensen introduceer ik in één alinea – jij hebt meer dan een pagina gekregen.’

‘Je beweert dat ik een stem heb als een neerstortende tak. Denk je dat ik dat in welke omstandigheid dan ook als een compliment beschouw?’

‘Ik maak duidelijk dat Zoë heel veel om je geeft. Dat is een compliment, toch?’

Dolly grijpt haar glas steviger beet, met die lange vingers van haar, waarmee ze naar mensen wijst zoals een heks in een film doet terwijl ze een toverspreuk mompelt die dood en verderf zal brengen. ‘Zoë krijgt veel ruimte in je boek. Terecht. De meest zinnige zevenjarige die je lezers – als je lezers gaat hebben – ooit zullen ontmoeten. Niettemin vraag ik me af of je haar recht doet.’

‘Je vraagt je af of jíj haar recht doet. Je bent voor één keer in je leven nadrukkelijk voor iemand opgekomen en daar schrik je zelf van.’

Dolly omklemt haar glas alsof ze overweegt het naar me toe te gooien. ‘Geen psychologische escapades. Ik nam aan dat je onderhand snapte dat ik daar een hartgrondige afkeer van heb. Dicht mij geen gevoelens toe die je slechts vermoedt maar nooit zeker kunt weten.’

Ik zucht en denk aan mijn eigen psychologische escapades. Vandaag heb ik de gewijzigde versie van mijn boek naar de uitgever gestuurd. Heel spannend, maar misschien kan ik mijn personages nu wel wat meer loslaten…

Wat het fluitenkruid ervan vond

Fluitenkruid is, samen met speenkruid, een van de planten die me iedere lente zo teruggooien mijn jeugd in. Als ik het eerste geel zie van speenkruid voel ik me jong, en als ik speenkruid ruik, scherp en fris, voel ik me energieker.

Ik geloof dat beide planten me terugbrengen naar de eerste jaren van mijn lagere school (nee, het heette nog geen basisschool) en er tussen thuis en school een park lag dat ze beter een bos hadden kunnen noemen. Ik was jong genoeg om bijna te geloven dat daar elfjes rondfladderden. De vorm van het speenkruid deed me denken aan sterren die waren neergestrooid over de aarde.

Het fluitenkruid stond niet in het park, maar wel aan de oevers van de singel waaraan wij destijds woonden, of langs de rivier die dichtbij stroomde. De naam van de plant zorgde ervoor dat ik altijd mijn oren gespitst hield of ik iemand hoorde fluiten. Ik sloeg er vandaag Wikipedia maar eens op na. Wat een desillusie: de Nederlandse naam is gebaseerd op het feit dat mensen van de stengels fluiten maakten. Pfff… Iets dergelijks is mij nooit gelukt – of beter: ik heb het zelfs nooit geprobeerd.

Het fluitenkruid is ook dit jaar alweer aanwezig. Onderweg naar en van mijn werk kom ik de eerste planten tegen. Toch merk ik dat de terugkeer van de plant me minder raakt dan andere jaren. Het is zo warm dat heel veel planten eerder zijn dan anders. De ontroering om de eerste sneeuwklokjes smolt toen ik zag dat er ook al madeliefjes bloeiden. De sneeuwklokjes waren niet meer exclusief.

‘Exclusief!’ riep een fluitenkruidplant langs de Noordendijk me tegemoet, toen ik vorige week naar huis liep. ‘Exact! Dat is het probleem! Er is geen exclusiviteit meer.’

Ik bleef stil bij hem staan. Fluitenkruid dat kan praten moet je niet negeren. Ik wilde vragen wat hij precies bedoelde, maar het fluitenkruid was spraakzaam genoeg om geen vragen nodig te hebben.

‘Ik heb nauwelijks meer ruimte om te groeien,’ schreeuwde het fluitenkruid met een hoog, wat fluitend (aha!) stemmetje. ‘Vroeger – vroeger – toen mijn voorkruiden hier bloeiden, was de aarde zwart en ledig als zij opkwamen. Zij heersten over het voorjaar. Zij lieten zich niet door de wind leiden, of zich verspreiden door dieren – zij bepaalden zélf waar ze groeiden. En zo hoort het!’

Dat fluitstemmetje begon opvallend snel te vervelen – ik had de neiging door te lopen. Maar de wind aaide de plant en streelde toen langs mijn neus, en die oude vertrouwde geur, van de dagen toen mijn leven nieuw was, raakte mij.

‘Wij waren exclusief,’ zei het fluitenkruid, iets zachter, of zo leek het voor mij. ‘Andere planten kwamen ná ons, en groeiden in onze scháduw. Maar nu – tss! Mijn wortels komen in aanraking met ordinaire paardenbloemen, die een beetje om ons hinniken. Onnozelaars! Brandnetels en boterbloemen trekken zich niet van ons aan. Madeliefjes doen alsof zij alleenheersers zijn. Ze groeien om me heen zonder het respect dat ons toekomt. Als ze de kans kregen, zouden ze over me heen groeien.’

De stem werd weer scheller. Ik zei: ‘Madeliefjes zijn klein. Jij bent –’

‘Ze zijn met velen! Ze nemen er geen genoegen mee om in de schaduw van mijn schermbloemen te groeien! Ze giechelen met elkaar in plaats dat ze mij het respect geven dat –’

‘Is het niet een kwestie van geven en nemen?’ suggereerde ik. ‘Er is toch plaats genoeg om –’

‘Ze je me niet eens laten uitpraten?’ Het fluitenkruid floot niet meer; het schreeuwde naar me.

‘Sorry,’ mompelde ik.

‘Ik ben groot,’ bromde het fluitenkruid. ‘Ik verdien respect!’

Ik wilde iets zeggen over dat respect iets is waar je je best voor moet doen, maar er trokken wolken voor de zon, en de wind werd koud. In het vale licht leken de bloemen van het fluitenkruid plots op plekken sneeuw waar ik zomaar over uit zou kunnen glijden.

Ik liep voorzichtig verder. IJzig klonk achter me nog de ijle stem van het fluitenkruid: ‘Ik hoor bij jouw jeugd. Kom voor me op!’

Ik voelde me oud bij het besef dat tot me doordrong: zelfs sommig fluitenkruid zou PVV stemmen als het de kans kreeg. Klimaatverandering heeft verstrekkende gevolgen.

Poe, wat ben ik moe

Als er iets is wat ik liever niet doe is dat publiekelijk zielige verhalen ophangen. Ik krijg er een beetje jeuk van als anderen dat op social media doen en zich dan lijken te koesteren in de lieve bemoedigingen. Ik geef er de voorkeur aan eerst iets door te werken, later met enige humor terug te kijken op wat er is gebeurd en daar lessen uit trekken. Die lessen wil ik dan best delen – maar het liefst zonder als schooljuffrouw over te komen.

Deze keer laat ik mijn gebruikelijke tactieken voor wat ze zijn. Deze keer zeg ik: ‘Poe, wat ben ik moe.’ En wat baal ik van dat moe zijn – dat zeg ik er nog even bij.

Het schijnt normaal te zijn na kanker: de vreselijk intense vermoeidheid. Ik vind het nog steeds niet normaal. Het is een ander soort vermoeidheid dan ik ooit heb gekend. Alsof er bij iedere stap nijlpaarden aan mijn benen hangen die willen dat ik op mijn plek blijf staan. Mezelf aankleden is een uitdaging waarbij ik halverwege moet gaan zitten. Denken wordt complex; op dagen met de kankervermoeidheid kan ik zonder gedachte veel te lang voor me uit te staren. Lezen kost te veel moeite, wandelen is niet leuk. Alleen huilen lijkt (soms) een opluchting.

Het gaat weer voorbij, wil je nu tegen me zeggen. Ja, dat zeg ik ook tegen mezelf. Maar als de vermoeidheid er is, is het lastig te geloven. Het is het verkeerde moment om te googlen op “vermoeidheid na kanker”. Bij sommige mensen duurt het heel lang voordat die vermoeidheid voorbijgaat. Bij sommige mensen gaat het nooit voorbij. Wat doe ik dan?

Ik probeer haastig de zaken in perspectief te zetten. Afgelopen november was ik bijna vergeten dat ik ziek ben geweest. Toen voelde mijn lichaam zoals het voelde in mijn beste dagen: energiek, tot alles in staat. Die dagen komen vast weer terug, al zijn ze onderhand haast een half jaar geleden.

En ik moet niet vergeten dat er zoiets bestaat als voorjaarsmoeheid. Iedereen is moe na alle grauwe nattigheid van de afgelopen maanden. Die eindeloze herfst waarin de zon nauwelijks haar gezicht liet zien heeft impact op heel veel mensen. Als ik nu zeg dat ik moe ben, zeggen veel gesprekspartners: ‘Ik ook!’

Horen dat andere mensen ook moe zijn helpt. En tegelijk helpt het niet. Ik kan mezelf voorhouden dat ik misschien helemaal niet moe ben vanwege het effect van de chemo op allerlei gezonde cellen die beschadigd zijn geraakt door het genezende gif. Het is gewoon de tijd van het jaar, anderen hebben het ook. Tralala, dit gaat dus voorbij. Ik hoef me niet druk te maken.

De andere kant is dat ik écht een zware chemokuur heb gehad. Ik moet mijn lichaam serieus leren nemen, ernaar leren luisteren, zoals het jargon ons wil laten zeggen. Soms probeer ik dat. Ik ga zitten en doe mijn best om te voelen wat mijn lichaam nodig heeft. Maar als ik dat doe voel ik alleen maar die nijlpaarden aan mijn onderbenen trekken. Ik begin nijlpaarden erg irritante dieren te vinden.

Acceptatie. Weer zo’n psychologisch jargon-woord. Daar schijn ik iets mee te moeten. Of, zoals de arts in het ziekenhuis me aanraadde: wel mijn grenzen opzoeken, maar er niet te vaak overheen gaan. Zij zei dat als ik nu mijn lichaam niet serieus neem en er te veel van vraag, ik misschien nooit op het energieniveau kom dat bij meer vriendelijkheid voor mezelf wel mogelijk is. Dat zijn woorden die ik vaak hoor echoën in mijn hoofd. Zo ver wil ik het nooit laten komen.

Ik wil dus graag een jager op groot wild worden en nijlpaarden afschieten. In plaats daarvan zal ik een nijlpaardfluisteraar moeten worden. Luisteren naar wat er gebeurt in mijn lichaam. Leren accepteren dat de vermoeidheid er is, leren vertrouwen dat de vermoeidheid ook weer over zal gaan. Vertrouwen… pff, da’s bijna net zo ingewikkeld als geduld hebben. Hoe meer ik erover nadenk, hoe meer leven na kanker één grote les is in anders leren omgaan met mijn lichaam – met mezelf, met wie ik ten diepste ben.

Interessant, dat wel. Maar ik wens het niemand toe.

Photo by Tim De Pauw on Unsplash

Ik ben een golf

Ik ben een golf. Ik ben druppels water die zich aan elkaar vastklemmen. Het zijn steeds andere. Ik laat sommige achter in het diepe water, ik vind nieuwe in het schuim van de ondiepte. We omhelzen elkaar en gaan in elkaar op en laten elkaar los. We zijn atomen die elkaar kussen, we zijn vage bekenden die elkaar verlaten. Ik draag alle emoties in mij, en geen enkel gevoel.

Ik dans, ik zing met schelpen op het strand, of met vogels boven zee. Nooit lang, want ik besta al zo lang dat tijd niets betekent. Ik ben altijd in beweging. Ik ben geen seconde dezelfde en tegelijk nooit anders dan ik altijd al was. Ik laat mezelf opzwepen door de wind, en laat me door de wind verlaten. Ik laat me gulzig voeden door woeste regen, of tergend traag vullen door losse druppels in de hitte. Ik word warm in de zomer, ik bevries bijna in de winter. Ik laat alles toe. Ik denk niet, ik onderga.

Ik heb geen kleur, en ik heb alle kleuren. Ik ben zwart in de nacht, maar ik geef licht in het duister als zeevonk op mij surft. Zeevonk heet officieel noctiluca scintillans, oftewel flitsend nachtlichtje. Die woorden klinken mooi, maar ik heb geen woorden. Als ik licht geef in het donker, is dat niet om mensen schoonheid te tonen. Het gebeurt gewoon. Ik ben goud in de avondzon van de zomer; ik ben bijna wit te midden van ijs; ik ben ijlblauw als ik van een gletsjer stroom. Ik ben mooi, maar dat is niet mijn bestaansreden. Ik ben bedreigend, maar dat doe ik niet opzettelijk. Ik heb geen wil.

Mensen verdrinken in mij. Mensen genieten van mij. Mensen zoeken het einde van hun bestaan in mij. Ik kan ze niet helpen. Mijn armen zijn vloeibaar; ze stromen weg. Mijn hart is ergens waar ik slechts zelden kom. Mijn dieptes zijn zo diep dat ik ze zelf niet ken. Ik heb een vorm, maar je kunt niet op mij leunen. In mij heb je nergens steun, behalve als je een surfplank of boot meeneemt. Je kunt je wel voeden aan mij, want ik geef leven aan evenveel wezens als de aarde op zich draagt. Misschien wel meer.

Soms ben ik een tsunami. Ik kan er niets aan doen. Heel diep in mij, of eigenlijk onder mij, maar het voelt als in mij, schokt, schudt, beeft de aarde. Ik drijf op haar en moet op haar reageren. Ik voel me deel van haar, al is zij heel anders dan ik – al is zij eigenlijk mijn tegenovergestelde. Zij laat gaten in zichzelf vallen, waar ik in stort, of zij maakt bergen van zichzelf en stuwt mij bij haar vandaan. Dan schiet ik omhoog en word bol en hol, en stort mij ergens ver weg op mijn moeder de aarde en zwiep daar alles van zijn plek wat mij in de weg staat. Ik wil het niet, maar ik heb niet werkelijk een wil. Ik ga waar natuurwetten mij leiden.

Als ik onderdeel van een orkaan ben of een tsunami word, dan ben ik een gedaante van de dood. Ik neem levende wezens van de aarde en sleep ze met me mee, naar plekken waar ze niet kunnen bestaan. Mensen en bomen en dingen. Soms zet ik ze weer aan land, aan een verre oever, aan de andere kant van een oceaan, maar ondertussen voed ik het leven dat in mij is met wat ik meeneem. Ik laat kleine vissen de botten schoon knabbelen van grote mensen; ik laat zeepokken een houvast vinden op plastic en hout. Dood geeft leven. De wetten van mijn waterwereld zijn net zo waar als de werkelijkheid van de aarde. Wie zich in mij begeeft, ondergaat mij. Of gaat in mij ten onder.

En toch… er schijnt een wet te zijn die niet wordt bepaald door onze bol van water en vuur, aarde en lucht. Een wet die wordt gevormd door een Wezen dat geen van die elementen is en ze toch allemaal heeft geformeerd. Die er al was voordat wij er waren, en er nog zal zijn als wij allemaal zijn verdwenen. En wij zijn in die Wet.

Photo by Polina Kuzovkova on Unsplash

Fantasie?

Matthew leunt achterover in zijn stoel. ‘Het gaat dus gebeuren.’

‘Zo erg is het niet, schat.’ Anna glimlacht breder dan normaal voor haar is – ze lijkt zo blijmoedig als die sneeuwpop uit de film die hun dochter graag ziet. De titel ervan is hem ontschoten.

‘Zo erg is het wel.’ Hij gooit zijn telefoon op zijn bureau en schrikt als het ding bijna tegen een glazen presse papier stuitert. Snel fronst hij naar Anna, die haar gezicht zorgvuldig in de plooi trekt.

‘Zo begint het verhaal, weet je,’ zegt ze.

‘Natuurlijk weet ik dat!’

‘Neem me niet zo letterlijk – dat lukt je anders ook nooit.’

Zijn frons wordt dieper – hij voelt de donkerte tegen zijn voorhoofd. Haastig wrijft hij die weg. ‘Kan zo’n Nederlandse vrouw ons niet met rust laten? Moet ons leven per se worden opgeschreven in een boek?’ En als Anna schokschoudert: ‘Denk aan Zoë – denk aan de jongens.’

‘Wat zullen ze ervan merken? Het boek is in het Nederlands. Er komt vast nooit een Engelse vertaling. De lezers zullen denken dat het allemaal fantasie is.’

‘Het ís fantasie. Of dat zou het moeten zijn. Hoe zij vertelt over hoe wij zijn – dat zijn wij niet echt. Dat heeft nauwelijks iets met ons te maken!’

‘Nauwelijks, schat?’

‘Noem me geen schat – dat doe je alleen als je me rustig wilt houden.’

Anna’s ontploffende proestlach verandert nog net op tijd in een gedemonteerde kuch. ‘Lieveling, juweel van mijn hart, man van mijn dromen, je –’

‘Anna, serieus –’

‘Matthew, wanneer moet ik jou ooit rustig houden? Je bent bijna niet kwaad te krijgen – dit is een intrigerend moment. En heb je weleens overwogen dat het góéd is dat mensen de kans krijgen in je hoofd te kijken?’

‘Nee,’ zegt hij. ‘Dat heb ik nog nooit overwogen. Het idee is bespottelijk!’

Anna leunt voorover in haar stoel. Zijn bureau staat tussen hen in, maar haar blik is zo intens dat het er net zo goed niet zou kunnen zijn. Hij dwingt zich om niet weg te kijken. Hij weet dat het toch geen zin heeft. Zijn echtgenote zal verder praten. Na al hun jaren huwelijk spreekt ze zelfs in zijn hoofd als ze niet bij hem in de buurt is. ‘Je hebt veel te bieden. Els heeft dat gezien. Geef andere mensen de kans ook in jouw hoofd te kijken.’

De lucht voelt opeens kil – in weerwil van zichzelf huivert hij. ‘Jij kijkt in mijn hoofd – is dat niet genoeg?’ En als haar blik te indringend wordt: ‘Privacy staat veel te veel onder druk in de huidige maatschappij. Daar heb ik zonder dit boek al genoeg last van.’

‘Maak van onze realiteit geen algemeen probleem. Algemene problemen kun je negeren omdat je niet gelooft dat je ze kunt veranderen.’ Anna’s stem wordt zachter. ‘Wat er destijds gebeurd is, met dat arme kind…’ Even stokt Anna. ‘Ik wil er ook niet over nadenken. Maar is dat niet precies het probleem…’ Ze grimast. ‘Ik wilde zeggen: het probleem van deze maatschappij, en dan verwijt jij mij dat ik hetzelfde doe als wat ik jou voor de voeten werp. Maar dit is een probleem waar wij wat aan kunnen doen. We kunnen open zijn, mensen durven laten zien wat we echt denken – zelfs als onze gedachten niet fraai zijn. We kunnen laten zien dat we verschil kunnen maken.’

Hij snuift. Fronsend pakt hij zijn telefoon. Hij controleert of hij nieuwe berichten heeft. ‘Hoe heet dat boek?’ bromt hij.

‘Weet Els nog niet. De titel die ze in gedachten had, wil de uitgever niet gebruiken. De titel die ze daarna verzon, is –’

‘Anna…’ Hij strekt zijn hand uit naar zijn vrouw en zij pakt zijn vingers. Met zijn vrije duim streelt hij haar zachte huid. Hij kijkt haar recht aan en laat zich verdoven door haar ogen, door de rust die daar bestaat. ‘Ik wil dit boek niet, maar ik snap waarom jij het belangrijk vindt. Best. Maar zeg tegen die Els dat ze ons vanaf nu met rust laat. Laat ons landhuis weer van ons zijn!’

Anna glimlacht. ‘Is iets ooit echt van ons?’

Matthew zucht, zijn gedachten beu. Heette die film die Zoë zo leuk vindt nou “Let it go”?

Foto: Sean Ferigan

Tweede maandag – en donderdag

Het is de tweede maandag dat ik aan het werk ben. Bij mijn oude baan, waar ik tweeëneenhalf jaar geleden met een brok in mijn keel wegging. Zo’n fijne werkplek, maar ik zou naar Japan gaan. Naar Japan ga ik nog steeds, maar mijn organisatie wil me pas toelaten in 2025. Ze vinden dat ik na die stomme kanker eerst verder moet herstellen.

Het is schrikken hoeveel energie werken me kost. Mijn hele lijf doet zeer als ik op die tweede maandag, mijn derde werkdag, naar buiten stap. “Gelukkig” regent het; dat sluit aan bij mijn humeur. Ik ga eten bij Ad en Ruth, die toen ik ziek was vol liefde hun huis voor me openstelden. Dat zou mijn humeur goed moeten doen, maar zo ver ben ik nog niet.

Ik loop langs het terrein waar afgelopen zomers een pluktuin was. Er staan skeletten van zonnebloemen: hun stengels zijn nog kaarsrecht, maar hun kopjes hangen depressief naar beneden. De zon-gele blaadjes zijn lang geleden afgevallen, misschien al verteerd door de aarde die alles wat sterft opeet.

Wat verderop zie ik populieren die een paar jaar geleden zijn gesnoeid. Nog steeds lijken ook zij op skeletten, hoewel ik weet dat ze in de zomer alweer meer groen produceren dan ik voor mogelijk hield. Er gaan gedachten door mij heen over snoeien: essentieel voor toenemende groei. Bijbelteksten uit het Johannes Evangelie helpen me verder in mijn overpeinzingen. Maar ik voel mezelf zo gesnoeid dat het zeer doet.

Ik weet wat er met me gebeurt, maar al te goed: ik laat mijn hoofd mijn ziel meevoeren naar een donkere afgrond, waar ergens ver beneden wild water tegen rotsen spat, en in schaduwen waar nooit licht schijnt schimmels groeien. Ik vertel mezelf dat ik daarmee moet ophouden. Ik denk heel bewust aan Ad en Ruth. In de maanden dat ik ziek was, was bij hen zijn als thuis wonen – bij ouders waar ik meer van op aan kan dan van mijn biologische ouders. Ik heb veel om dankbaar te zijn.

Dat blijf ik me voorhouden, terwijl de dreinende regen me verkilt en mijn hoofd steeds weer wil vluchten naar duisternis. Waarom is dat toch makkelijker dan positief zijn? Dan loop ik het straatje in naar het huis van Ad en Ruth. Ik kom abrupt tot stilstand. De magnoliaboom heeft net haar bloemen geopend, teder wit. De geur kalmeert me, de schoonheid maakt me blij. Ik loop de laatste meters naar Ad en Ruth en voel de regen niet meer.

Drie dagen later – de tweede donderdag. Het werk is al normaler. Alleen rond de lunch voel ik me opeens somber, alsof het regent in mij. Ik ga een stukje lopen, in mijn eentje. Het is 14 maart, maar zo warm dat ik mijn jas in de gang laat hangen. De zon schijnt door mijn trui heen en verwarmt mijn huid. Ik voel mijn ziel warmer worden.

Wat is er veel gebeurd in drie dagen. Onder andere een gesprek met een uitgever. Toen het er naar uit ging zien dat ik in 2024 in Nederland moest blijven dacht ik steeds: ‘Als dat gebeurt, laat ik een boek uitgeven.’ En nu lijkt het erop dat dat gaat lukken. De uitgever is enthousiast over mijn detective. Hij heeft het over prachtige zinnen, en over zinnen waar veel… eh… wijsheid uit spreekt.

Ik snap niet dat ik nog verdrietig kan zijn. Ik weet zelf niet waarom ik dat ben. Ik richt me op de blauwe lucht, op het speenkruid aan mijn voeten, dat toen ik nog een kind was me al vrolijk maakte, misschien omdat als het ontsproot, ik wist dat de lente écht begonnen was, of omdat het bonte geel me ergens vaag verwijst naar een wereld net voorbij mijn blik.

Ik denk aan dat boek, dat boek dat er echt gaat komen, maar waar ik nog wel een andere titel voor moet vinden dan ik in gedachten had, omdat de uitgever een boek in zijn collectie heeft met een titel die er te veel op lijkt. Intussen kijk ik naar knotwilgen langs het fietspad. Sommige zijn bijna alleen maar bast, helemaal hol van binnen. En toch botten ze weer uit. Ik glimlach.

Door kinderogen

Laatst zag ik tijdens het wandelen een regenton zoals ik ze vroeger tekende: niet vierkant en van plastic, maar van hout en met een ronde buik. Zo aan het begin van de vroege lente, bracht die regenton me terug aan het begin van mijn leven, toen ik door kinderogen een heel andere wereld zag.

Als ik mijn ogen een beetje dichtknijp, of ze juist heel goed openhoud, kan ik die wereld nog net terughalen. Die regenton ontdekte ik ook maar nauwelijks, zelfs in de winter verscholen achter bomen die groen blijven. Mijn wandelingen langs het landgoed Dordwijk helpen om de dromen die in de kindertijd bijna echt zijn, wat gemakkelijker te zien. Laatst liep ik erlangs met een vriendin die soortgelijke ogen heeft. ‘Hé,’ riep ze, ‘dat lijkt het huis van Hans en Grietje.’ Precies de associatie die ik ook altijd heb als ik het houten huisje zie, zonder ramen van glas, misschien ooit gebouwd als een schuurtje, of als een speeltje voor welgestelde kinderen.

Als ik langs landgoed Dordwijk loop, houd ik ook altijd even stil bij een halfdode kastanje waar in twee grote gaten kauwenfamilies hun kinderen groot brengen. In het koude seizoen zitten de volwassenen soms naast elkaar op een tak bij de ingang, scherp scheldend op het weer of kijvend over de nestelingen die niet meer langskomen fladderen. Als ik wat verder loop kijk ik in donker water dat bijna stilstaat, als in een wazige spiegel.

Maar ik hoef niet altijd te wandelen om me te verwonderen. Laatst zat ik in de keuken naar de regen te staren. Over het dak van de schuur groeit klimop en op een klein stukje muur bewaart het zijn link met de grond waaruit hij opgekronkeld is. Tijdens de gestage regen dansten de druppels van het blad dat zij lieten trillen naar het blad eronder, en toen de regen harder werd, leek er een fonteintje te ontstaan, of een waterrad voor kabouters.

Het vogelhuisje in de tuin laat me ook dromen. Er is een berkentak zo omheen gegroeid dat er een soort opstapje voor vogels ontstaan is, net onder het gat waardoor ze binnen kunnen hippen. Ik denk aan alle filmpjes vanuit nestboxen die ik heb gezien: kale koolmeesjes die zich langzaam tooien in glanzend geel en briljant blauw en dan naar buiten huppen, de wereld in. Hoe zou het zijn om te leven in zo’n vogelnest, gemaakt door mensen of uitgehold in een boom? Als kind maakte ik tekeningen van mensen die in enorme bomen woonden. Als jonge tiener ben ik aan een verhaal begonnen van mensen die zo leefden. Ik geloof dat ik niet verder kwam dan de eerste pagina. Ik kan me niet echt voorstellen hoe het moet zijn. Het verlangen het ooit te ervaren blijft.

Nu de lente al heel vroeg haar mantel uitspreidt over het land, komen er zo veel bloemen tegelijk op dat ik mijn oude verwondering soms bijna kwijtraak. Sneeuwklokjes zijn minder speciaal als je een dag later ziet dat ook madeliefjes hun kopjes opsteken, alsof bloeien in februari helemaal geen prestatie is. Ook de krokussen laten zich al in al hun kleuren zien. De narcissen hebben wat meer moeite, misschien omdat zij groter zijn en hun trompetten meer energie kosten om te maken en dan ook nog breed uit te zetten. De narcissen zijn ook zo geel dat nu zij zich ten toon spreiden de lente al wat “echter” lijkt, wat warmer. Ik zet me schrap voor de hitte die kan volgen, ook steeds vroeger in het jaar.

Veel van de sneeuwklokjes beginnen al te verwelken. Ik heb de neiging erbij neer te knielen, nu het nog kan, om zeker te weten dat ik ze echt niet intens zachte belletjes laten klinken, waarbij feeën danspassen zetten die je alleen kunt zien als je naar de Efteling gaat. Vroeger geloofde ik dat bíjna. Maar het regent te vaak om met mijn knieën in het gras te zitten – en misschien ben ik te oud om sommige dromen nog echt te kunnen geloven. Naar kabouters en feeën zoek ik niet meer. Tegelijkertijd ben ik juist toen ik volwassen werd gaan zien, dat er meer is dan ik met mijn volwassen ogen ooit kan waarnemen.

Sprookjes zijn voor losers

Door de eeuwen heen hebben mensen sprookjes gebruikt om kinderen – en volwassenen – wijze lessen te leren. Je leerde door sprookjes niet hoe je monsters moest doden. Je leerde dat als iemand je wilde helpen, maar daarvoor in ruil je laatste boterham vroeg, je niet zijn hoofd moest afhakken, maar zijn hulp moest aannemen. Zo redde je dan een schone jonkvrouw, of jezelf.

Sprookjes zijn ontstaan in tijden dat mensen zich een stuk afhankelijker wisten van de natuur en van elkaar. Hoe doen we dat vandaag de dag? We zijn heel individueel geworden. Wat voor sprookjes kunnen we elkaar daarover vertellen? Ik doe een poging.

Op een zomerse dag in september liepen drie meisjes in de wilde wereld. Ze waren een hoge dijk opgeklommen die uitgestrekte velden scheidde van de rivier die aan de andere kant traag door het laagland stroomde. Aan de horizon zagen ze een groot bos. Nou ja, zo zag het eruit. Eigenlijk was het een enorm industrieterrein, met hoge pijpen die zwarte, zwavelwolken uitbraakten.

‘Kijk!’ zei het eerste meisje, dat lang donker haar had, met één streng die helemaal wit was. Ze wees naar de wolken. ‘Daar zijn monsters!’

Het tweede meisje lachte. Zij had ook lang donker haar, zonder wit. Ze had een zachte stem, die toch heel duidelijk was. ‘Monsters bestaan niet. Dat is vervuiling. De uitstoot van die fabrieken slaat neer op de velden en wordt opgenomen in de gewassen. Als wij ze eten kunnen we er ziek van worden. Dat is pas monsterachtig.’

Het derde meisje zei niets. Zij had ook donker haar, maar het was kort en als je goed keek zag je op allerlei plekjes grijze stukjes. ‘Dat is heel erg,’ zei ze uiteindelijk. ‘Dan gaan we allemaal dood. We maken de wereld kapot.’ Het derde meisje begon te huilen, heel hard – hartverscheurend.

Het eerste meisje holde op het derde meisje af. De dijk was maar smal, dus bijna stootte ze in haar haast het tweede meisje ervan af. ‘Rustig maar, derde meisje!’ riep het eerste meisje. ‘Het komt helemaal goed. Wij gaan actie voeren en dan krijgen we de boze meneren die de fabrieken bezitten zo ver dat ze stoppen met hun stoute vervuiling.’

Het tweede meisje lachte weer. ‘Dat is een beetje naïef, eerste meisje. Luister, ik heb verstand van landbouw. Ook als de fabrieken nú stoppen met al hun uitstoot, duurt het heel lang voordat wij weer gezonde gewassen hebben. En hoe denk je dat de dieren eraan toe zijn? Of denk eens aan onszelf. Misschien muteren we door al dat gif.’

Het eerste meisje hief haar vuist naar de fabrieken. ‘Aan de slag! Jij hebt kennis, tweede meisje, en ik heb enthousiasme om actie te voeren. En jij, derde meisje… eh…’ Het eerste meisje keek vragend naar het derde meisje. ‘Wat kan jij goed?’

‘Ik kan dingen opschrijven,’ zei het derde meisje. ‘Ik kan het heel dramatisch uitleggen. Ik kan dreigen, dat we bijvoorbeeld de bazen van de fabrieken van de dijk gooien. Kijk, zo!’ En met een welgemikte pets duwde ze het eerste meisje van de dijk, zo de rivier in. Het tweede meisje wilde geschrokken het eerste meisje helpen, maar het derde meisje hield haar tegen, en na een paar minuten dreef het eerste meisje uit het zicht.

‘Waarom deed je dat nou!’ riep het tweede meisje.

Het derde meisje haalde haar schouders op. ‘Wij hebben haar niet nodig. Jij hebt de kennis, ik kan het opschrijven. We zorgen ervoor dat de fabriekseigenaren van gedachten veranderen, maar dan is er straks misschien minder eten voor alle mensen. Want in de fabrieken maken ze ook gif tegen ongedierte dat de gewassen opeet.’

‘Ik wil helemaal niet meer met jou plannen maken!’ riep het tweede meisje. Het tweede meisje was heel sportief; ze maakte aanstalten weg te rennen.

Dat had het derde meisje al een beetje verwacht. Dus ze gaf het tweede meisje ook een duw, en daar ging het meisje, de dijk af. Ze kon heel goed zwemmen, maar de rivier was groot en erg vervuild.  

Het derde meisje leefde nog lang en gelukkig. Wanneer het haar lukte haar slechte geweten tot zwijgen te dwingen. Ze hield zich voor dat als in sprookjes drie broers op weg gaan, alleen de jongste het overleeft. Dat was leeftijdsdiscriminatie, dus het moest nu maar eens anders. Dit was de moderne tijd. In de moderne tijd zijn sprookjes voor losers. Alleen losers dromen van veranderingen. De fabrieken bleven hun wolken uitstoten. Het derde meisje kon vaak moeilijk ademhalen. Soms dacht ze aan het enthousiasme van het eerste meisje, en de kennis van het tweede meisje. En heel soms dacht ze dat alles anders had kunnen zijn.

(Dit “sprookje” is ontstaan als reactie op een uitdaging voor een vriendin en kreeg een wat duistere wending.)

Foto door Chris LeBoutillier: https://www.pexels.com/nl-nl/foto/fotografie-van-de-fabriek-929385/