Bevreemdend bekend

Elf weken en één dag nadat ik afscheid nam van Dordrecht, loop ik weer door haar donkere straten. De avond valt, het regent zacht, het is druk op straat. Alles wat bekend was bevreemdt me.

Het is spits: de autolampen schijnen verblindend in mijn ogen. Op de stoep staan twee mannen, allebei in donkere jassen, allebei met net grijs haar. Eentje heeft drukke gebaren, de ander heeft de handen op zijn rug. Hij houdt iets vast waarvan ik even denk dat het een roos is (die hij zo aan de andere man gaat geven?), maar het is een paraplu. Hij houdt het ding zo stevig vast dat het ook een zwaard kon zijn (waar hij de andere man zo mee zal aanvallen?).

Ik loop verder. Ik aarzel even bij een zebrapad, alsof ik in mijn donkerpaarse jas onzichtbaar ben in dit uur. Ik denk aan het begin van ‘De Grote Scheiding’, als de verteller rondloopt in een stad die voor eeuwig stil lijkt te staan op het moment net voordat in de winkels de lichten aangaan. Haastig steek ik over. Natuurlijk ben ik niet onzichtbaar in die lichten die mij verblinden.

Ik heb een afspraak in Stadswerven en pak niet de kortste weg: ik wil over de Prins Clausbrug, die ik gebouwd heb zien worden, maar die nog niet klaar was toen ik vertrok. De handigste weg daarnaartoe loopt vlak langs mijn voormalige huis, maar ik neem een omweg. De plek zien die thuis was en dat niet meer is, doet me waarschijnlijk te veel.

Uiteindelijk moet ik zelfs een grotere omweg nemen, want er is een afsluiting. Op de Sint Jorisweg loop ik aan de kant van de straat waar ik nooit liep en verbaas ik me over de Nederlandse gewoonte die ik weer echt raar vind: de open of ontbrekende gordijnen. Ik staar hoge woonkamers in. In eentje hangt een stoffen vlinder aan de schouw. Ik vraag me af wat dat zegt over het verlangen van de bewoner om weg te vliegen.

Ik sla af in een straatje dat bekender is, dat ik altijd doorliep als ik terugkwam met boodschappen. Maar waar ik destijds rechtsaf sloeg, loop ik nu rechtdoor. De regen miezert verder. Er zijn weinig mensen op straat. Ik zie alleen een vrouw van middelbare leeftijd, met een streng gezicht, gekapt haar, een gedegen zwarte jas – en rode frutselige laarsjes. De enige andere mensen zijn fietsers van Thuisbezorgd. Ik vind het er opvallend veel.

Ik kijk weer een huis in. Er zijn geen lampen aan, maar toch is er voldoende licht: vier schermen, twee aan twee boven elkaar, glanzen in het duister. Weer knaagt de bevreemding aan me. Vier schermen scheppen een angstig beeld van hoe hard er wordt gewerkt. Maar ik ben al afgeleid. Ik loop weer aan een straatkant waar ik nooit liep: ik kijk op naar een flat die ik altijd alleen van de waterkant zag. Het gebouw lijkt in de schemerig hoog, intimiderend en afstandelijk.

Dan ben ik bij de Prins Clausburg. Eindelijk kan ik eroverheen. Da’s pas echt bevreemdend. De reling gloeit oranje, alsof we in een verre toekomst zijn. Halverwege houd ik even stil. Ik heb een uitzicht over mijn wijk dat ik nooit heb gehad toen ik er nog woonde. De afgelopen weken heb ik mijn thuis zo gemist dat ik verwacht pijn te ervaren. Maar terwijl ik kijk weet ik dat ik de goede keus heb gemaakt. Hoe mooi de omgeving ook is, het is niet mooi genoeg om er de rest van mijn leven stil voor te staan.

Dan ben ik in Stadswerven. Ik bel aan bij een oud-collega en even is alles als vroeger. Uren later loop ik terug via bekend terrein: de Oranjelaan. Maar het laatste stuk loop ik aan de kant waar ik nooit kwam. Het voelt of ik in een stad ben die ik niet ken: ik passeer hoge huizen die me doen denken aan grachtenpanden, of aan sprookjes: de huizen hebben stenen trappen naar een deur op de eerste verdieping, met een dromerige draai, die niets met functionaliteit te maken heeft. Waarom heb ik dit nooit gezien? Ik ben bijna blij dat mijn leven zo veranderd is dat ik weer verrast kan worden.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.