Van kersenbloesem en beschavingen, die dingen die voorbij gaan

Photo by AJ on Unsplash

Het is geen nieuws dat we een nogal koud voorjaar hebben. Ik geloof dat ik nooit eerder in mei nog in mijn winterjas liep. Soms word ik er wat filosofisch van, soms bijna dichterlijk. En ik kan helemaal niet dichten!

Tijdens de kou in april blies, terwijl ik onderweg was naar een bidstond, sneeuw spottend mijn gezicht in. Ik wilde chagrijnig worden, maar toen rook ik een magnolia. Onmiddellijk werd ik overspoeld door het gevoel dat ik heb als ik wegkruip met een boek vol haiku’s. Het zal wel door mijn plannen komen: een haiku is een Japans gedicht (niet rijmend, maar met als uitgangspunt dat het drie regels heeft, van achtereenvolgens 5, 7 en 6 lettergrepen).

Japanse zaken bleven me bezighouden toen het wat warmer werd en de kersenbloesem teer en stil haar schoonheid ontvouwde. Ik hield mijn adem in. Eén flinke bries en de bloesem zou als sneeuwvlokken verstrooid worden. Voor de Japanners is die kwetsbaarheid symbool van de vergankelijkheid van het bestaan.

En toch… terwijl ik de eerste bleekroze blaadjes zag vallen, stelde ik me voor dat een mens zo weg dwarrelde uit het leven. Ik vond het lastig te geloven dat een mensenblaadje zomaar vergaat. Ik kon me voorstellen dat de ziel die tijdens het leven kwetsbaar was voor storm en scherpe nagels, na het neerdwarrelen een steen wordt. Geen grafsteen, maar een steen waarin de ziel veilig opgeborgen blijft tot een dag waarop hij weer tot leven wordt gewekt.

Een mensenziel is weerbarstig. Ik las het weer bij Viktor E Frankl, de psychiater die Auschwitz overleefde en er stellig van overtuigd was dat we alles kunnen verdragen, zolang we maar een doel hebben om voor te blijven leven. Dat doel kan het schrijven van een boek zijn, maar ook schoonheid kunnen zien en de liefde voor andere mensen.

Ik las ook In de schaduw van Byzantium, van William Dalrymple. Een boek dat bijna nog confronterender was dan dat van Frankl. Het is een reisboek waarin Dalrymple niet alleen door het Nabije Oosten reist, maar ook door 1.500 jaar beschavingen in Turkije, Libanon, Syrië, Israël en Egypte. Turken moorden christenen uit, christenen slachten joden af en joden doden islamieten. Een moedeloos makende vicieuze cirkel. Beschavingen blijken even kwetsbaar te zijn als kersenbloesem. Hoeveel miljoenen mensen zijn daardoor al voortijdig weg gedwarreld van de levensboom?

Afgelopen vrijdag liep ik langs begraafplaats de Essenhof. Het had veel geregend en het was weer koud, maar de zon straalde en ik zag bladeren zich uitvouwen die storm weerstaan en pas in de herfst rimpels krijgen en losgetrokken worden van de takken die hen hebben gevoed. Over een gracht heen staarde ik naar de begraafplaats, maar de grafstenen hielden mijn aandacht niet vast. In het water lag een klein eilandje waar kleuren met elkaar wedijverden. Een sering tooide zich met allerlei tinten paars; een gouden regen blonk in de zon. En ik wist weer dat al hun pracht voorbij zou gaan, zou verdwijnen in het donkere water van de gracht.

De dag erna was de zon al weg. In kille regen liep ik op de brug naar Papendrecht. Over het brede, onaangedane water waarin alles kan verdwijnen naderde een rivieraak. Ik keek toe terwijl hij onder me door gleed, terwijl ik wist dat ik daar duizelig van zou worden, net als altijd. Ik keek weg over de rivier, naar de extreem Hollandse landschap en voelde even tranen: ook dit gaat voorbij; binnenkort zal ik het niet meer zien. Ik was onderweg naar een goede vriendin, en huilde even omdat ik dan ook niet meer bij haar op bezoek kan gaan. Ik heb een levensdoel dat me drijft, en tegelijkertijd pijn doet.

Daar op de brug leidde ik mezelf af door alsnog die haiku te componeren over sneeuw en de geur van magnolia’s, terwijl ik niet kan dichten:

Lopend in de sneeuw
ruik ik plots magnolia’s
Het wordt toch lente

Een windvlaag trok bijna de paraplu uit mijn handen, en de haiku uit mijn hoofd. Toen dacht ik eraan dat ze beweren dat het zondag 25 graden wordt. Alles blijft veranderen. En ik zal leren de veranderingen te verwelkomen, ook als ze een windvlaag in mijn leven zijn.

Op naar Japan

Mijn plannen voor Japan worden steeds concreter. Ik ben aangemeld voor de Bijbelschool die op 22 september begint. In de tweede helft van 2022 hoop ik naar Japan te kunnen gaan. Ga je mee op mijn reis? Je hoeft niet je koffers te pakken, maar ik heb jouw steun hard nodig.

Japan is een welgesteld land, en de mensen hebben over het algemeen hun leven goed op orde. Maar het is ook een land waar je altijd keihard je best moet doen en anderen niet lastig moet vallen: niet met je problemen, niet met je falen, niet met je gevoelens. Kun je daar niet aan voldoen? Dan is zelfmoord een geaccepteerde uitweg. Japan heeft zelfs ‘populaire’ plekken om zelfmoord te plegen. Ik hoop veel Japanners Gods liefde en genade te laten zien.

Dat kan ik natuurlijk niet in mijn eentje. OMF (omf.org/nederland), de organisatie die mij uitzendt, gelooft dat zendelingen onderdeel moeten zijn van hun kerk en de gemeenschap. Mijn reis naar Japan is dus niet mijn avontuur, maar onze reis. Japan staat bekend als ‘harde grond’: de Japanners staan niet erg open voor het evangelie dat ze zo nodig hebben. Ik heb dus jouw gebed nodig. In mijn eentje kan ik weinig doen. Als we samen God om hulp roepen, kunnen we grote dingen bereiken. Wil je meebidden? Ik zet liever geen emailadressen op deze website vanwege alle spam die dat oplevert. Maar als je een berichtje onder dit bericht zet zie ik jouw emailadres en mail ik je voor mijn gebedsgroep op WhatsApp. (Zet je telefoonnummer niet in je bericht, want dan ziet iedereen het!) Wil je mijn nieuwsbrief ontvangen? Volg dan dezelfde route.

Financiële steun is ook nodig. De Bijbelschool kost zo’n €15.000 en is fulltime. Ik zal dus mijn baan opzeggen. De kosten in Japan liggen op ongeveer hetzelfde niveau als in Nederland. Als ik eraan denk hoeveel geld er iedere maand nodig is, word ik soms wat nerveus. Maar ik weet dat God mij in Japan wil hebben, en ik geloof dat Hij daar de middelen voor wil geven. Misschien ook via jou? Als vele mensen iedere maand een klein bedrag willen geven, komen we heel ver. Dit is het rekeningnummer: NL05 ABNA 0617 7579 68 t.n.v. Stichting OMF. Vermeld hierbij altijd de projectnaam: Deshima en het projectnummerL13019. Je kunt ook gebruik maken van het formulier onder deze link. OMF is een ANBI, dus giften zijn aftrekbaar.

Dank je wel dat we samen op blijven trekken, waar God jou en mij ook brengt!

Het eerste licht

Ik betrapte er dit weekend op: ik wilde weer een blog over wandelen schrijven. Net op tijd realiseerde ik me dat ik er al zo veel geschreven heb. Ik moest maar eens wat anders schrijven. Eigenlijk heb ik inspiratie genoeg, want de afgelopen maanden heb ik aan een boek gewerkt. Maar dat hou ik nog maar even stil. Alhoewel: stil…

Er ritselt iets. Ik weet niet waar. In een kastje waarvan ik de deur niet goed gesloten heb, of in mijn hoofd. Het is een geluid waarvan ik net zo blij word als van dat eerste licht dat ik laatst op de dijk zag. Dat lage licht dat ieder detail van een boom laat zien: iedere knoest, iedere beginnende knop, iedere verweerde tak, ieder pril blaadje. Dat eerste licht waarin bloesems van de kersenboom blinken als sierraden, terwijl vlakbij de vorst ook fonkelt.

Er ritselt iets. Misschien toch niet in een kast of in mijn hoofd. En misschien is ruisen een beter woord. Ik zag een filmpje dat ze in de stille week in mijn kerk gaan gebruiken. Een echtpaar vertelt over een groot verdriet, maar ook over hoe het oude lied ‘Daar ruist langs de wolken’ hen zo vaak bemoedigde. Er ruist iets, ja, iets dat altijd in de buurt is, ook al voelen we het niet altijd, iets dat altijd het goede met ons voorheeft, ook al geloven we dat niet.

Er ritselt en ruist iets. In mijzelf en om mij heen. Misschien is het creativiteit. Maar dan niet (alleen) die van mijzelf. Onze Maker heeft zo veel meer creativiteit. Die legt Hij in ons en mogen wij gebruiken. Maar wij zijn ook onderdeel van Zíjn creativiteit. Terwijl ik zelf schrijf en meeleef met mijn personages, ben ik benieuwd wat voor plotwendingen Hij voor mij op het oog heeft.

Toch even terug naar dat eerste licht, en naar wandelen. Vanmorgen was ik er belachelijk vroeg uit, en was ik belachelijk vroeg onderweg naar het werk (terwijl ik tot na 21:00 uur bezig ben, dus slim was het niet). Ik zag het eerste licht en vroeg me af waarom het zo’n gevoel van verwachting bij me oproept, waarom als teder roze, verlegen geel en ijl blauw zich vermengen ik altijd denk dat er ieder moment wonderen kunnen gebeuren. Iedere heldere morgen lijkt de hele wereld vol nieuwe kansen. Soms verbaas ik me erover dat ik er nog steeds in geloof.

Er ligt nevel over de dijken, als een bruidssluier waarvan de zoom bijna in het water druipt. Wat verder ligt rijp op de velden, al net zo wit en puur. Bomen strekken stil hun armen op naar de hemel. Hun takken zijn nog kaal, maar ik zie de knoppen, die groot en sterk zullen worden. Ik realiseer me dat ik misschien niet alleen geniet van dat eerste licht, maar ook van het eerste stuk van het herboren worden van het jaar. Alles, alles, alles is nieuw.

Alleen blijft het niet nieuw. Zodra de zon op is en blauw gewoon blauw wordt, als de gloed van het begin is verdwenen, is het lastig om nog in wonderen te geloven. En dat begin van de lente wordt normaal. Straks klaag ik dat het te warm is – sneller dan ik nu wil geloven. Straks is het ook alweer zo vroeg licht dat ik het eerste licht niet meer zie – behalve als ik heel slecht slaap. En als ik slecht slaap geloof ik niet in wonderen.

Ze zeggen dat als je wakker ligt je geen schaapjes moet tellen, maar met de Herder moet praten. Waarom is dat vaak zo lastig in het donker? Ik sta dan liever op, zet mijn pc aan en verlies me in mijn eigen creativiteit. Op zulke momenten wil ik vaak niet denken aan de creativiteit van de Enige die echt schept. Maar nu het weer bijna Pasen is, ben ik me er beter van bewust dat dat geen slimme keuze is.

Christus durfde wel in het donker aan zijn Vader te denken. Hij was bang voordat Hij in de nacht werd overgeleverd aan de mensen die Hem zouden kruisigen. Maar Hij onderging zijn angst. En op Paasmorgen werd Hij het echte Licht. Ik hoop dat ik me daarover zal blijven verwonderen.

De wind waait waar hij wil

Bijna iedere nacht schiet ik even wakker. ‘Japan!’ denk ik dan, en ik schrik iedere keer weer van de beslissing die ik heb genomen. Ik twijfel of ik niet wat anders moet beslissen. In het weekend erna doe ik dingen die ik niet op durf te schrijven omdat ik er te veel voor schaam. Iemand van wie ik hoop dat solidariteit belangrijker is dan zijn mening, mailt meerdere keren dat God niet bestaat.

Dinsdag ga ik met een collega op pad om in twee bedrijven filmpjes op te nemen. We gaan onder andere naar Stolwijk. De dag is grauw, met wolken zonder fantasie of gevoel voor humor. Het landschap zo plat dat het bijna cliché Nederlands is. Ik denk – haast ontroerd: ‘Dit ga ik niet meer zien.’ Ik denk ook: ‘Jawel hoor. Want ik ga niet weg! Ik doe het niet!’

Op donderdag lees ik in het evangelie van Johannes over de wind die waait waar hij wil. Ik kijk naar buiten. Op het Wantij raast de wind over het wateroppervlak, met vingervlugge tekeningen die gelijk weer worden uitgewist. Ik grijns vrolijker dan me de laatste dagen lukte.

Natuurlijk ga ik naar buiten. De wind is geen beletsel – eerder een uitnodiging. Tijdens mijn wandeling waaien duiven uit de lucht; musjes lijken op losgetrokken bladeren. Op het hoogste stuk van de dijk heb ik gelukkig wind mee, hoewel dat zijn eigen gevaren oplevert: ik word bijna omver geblazen. Beneden aan de dijk kreunen de bomen. Ik maak een rondje waardoor ik uiteindelijk weer op een dijk kom. Ik bedenk me dat ik op de meest open stukken geen tegenwind heb. En dan denk ik dat ik dat misschien geestelijk moet zien. De wind onthoudt zich van commentaar; die heeft het te druk met waaien.

Ik loop het park in vanaf de dijk. Als ik zo loop kom ik eerst langs ceders. Ze doen me al een paar jaar denken aan Japan. Ik glimlach naar ze en ben even terug in Japan, in een enorme graftuin, of meer een grafbos, waar overal ceders stonden, honderden jaren oud, stil en plechtig als de grafstenen. En dan ben ik weer in Nederland: ik erger me aan een jogger die denkt dat, aan welke kant van het pad hij ook loopt, anderen voor hem opzij moeten gaan.

De ergernis is bijna onmiddellijk voorbij. De zon schiet door de wolken: de kale maartbomen worden verlicht met een gloed die te prachtig is voor de aarde. En wat gek: terwijl ik de vreugde voel, denk ik niet dat ik de rest van mijn leven deze bomen wil blijven zien. Ik denk aan de botanische tuin van Sapporo, waar ik in 2018 rondliep en me een middag lang in het paradijs waande. Als alles doorgaat, zal ik de eerste jaren in Japan in Sapporo wonen. Ik zal de tuin – even groot als het Wantijpark – regelmatig zien. En het eiland Hokkaido, waarvan Sapporo de hoofdstad is, heeft veel schoonheid die ik nog moet ontdekken.

De wind waait luchtiger terwijl ik doorloop. De zon verdwijnt, maar niet uit mijn hoofd. Wat verderop staat een man bij een vijver. Met een stok probeert hij iets uit het water te vissen. Als ik dichterbij kom lukt het hem net. Het blijkt zijn pet te zijn.

Ik lach naar de man. ‘Die wind toch…’

De man grinnikt als een jongen die een geintje heeft uitgehaald, maar eigenlijk is hij bejaard. ‘Ik zal hem maar niet meer opzetten!’

De vrolijkheid groeit, in mij en om me heen. Weer worden de wolken opengerukt. Ik vind nauwelijks woorden voor het licht dat ik zie. Het is on-Nederlands; even waan ik me weer in de botanische tuin van Sapporo. Ik weet weer dat ik echt ga, hoe eng ik het ook vind en nog zál vinden.

De hele middag schrijf ik, en leef ik in mijn eigen wereld. Af en toe zie ik mailtjes van OMF, met dingen die ik moet gaan doen om de Bijbelschool en mijn visum te regelen. Stress, ja, die is er weer. Maar de wind is er ook. De wind gaat met me mee, waarheen ik ook ga. Johannes had natuurlijk gelijk.

Ik ga (via Engeland) verhuizen naar Japan

Photo by JJ Ying on Unsplash

Eindelijk mag ik het dan vertellen: ik word zendeling in Japan. Tjonge, wat voelt het goed dat te kunnen/mogen schrijven. Ik sta nog aan het begin van de weg, maar het voelt alsof ik al een heel pad heb afgelegd. Loop je even mee?

In oktober 2019 (je weet wel, toen we nog alle bewegingsvrijheid hadden) was ik in Zuid-Afrika, bij zendelingen bij wie ik in het thuisfrontteam zit. De laatste week was ik met hen op een zendingsconferentie. Voordat de conferentie goed en wel begon zat ik in de tuin van het complex. Het was het einde van de droge tijd: het gras was doods en knisperde onder mijn voeten als sneeuw.

Ik had twee geweldige weken achter de rug, was net terug uit het Kruger National Park, en wilde nog meer ontspanning. Ik had geen zin meer in die conferentie. Ik wilde weg. En ik geloof dat God op dat moment tegen me sprak. ‘Hoe lang ga je je nog verstoppen achter je excuses?’ zei Hij. ‘Wordt het niet eens tijd dat jij je gaat laten zien?’ Au. De rest van de week heb ik lopen bedenken waarom ik niet geschikt was als zendeling. En tijdens de hele conferentie was er iedere morgen bij de dagopening iemand die zonder dat hij of zij mijn gedachten kende, mijn bezwaren wegblies. God roept niet wie capabel is; Hij maakt capabel wie geroepen is. En tot mijn eigen verrassing lijk ik geroepen te zijn.

Om zeker te weten dat ik niet weg zou hollen voor die roeping heb ik gelijk bij terugkomst in Nederland in mijn kerk verteld wat er was gebeurd. Een paar maanden later zat ik bij OMF, een zendingsorganisatie voor Zuidoost Azië. En zij… wisten het zo net nog niet. Ze vonden mijn verleden heftig, en wisten niet of ik er klaar voor was.

In 2020 heb ik gewerkt aan mezelf. Ik durf het bijna niet te zeggen terwijl het voor zo veel mensen een zwaar, of zelfs te zwaar jaar was, maar ik vond 2020 geweldig. Ik heb mijn grenzen gezien en heb ze verlegd. Ik ben de confrontatie aangegaan met mezelf en met anderen, het spannendste dat er bestaat voor mij. Ik heb op mijn werk dingen gedaan waarvan ik dacht dat ik ze niet zou kunnen. En ik bleek ze wel te kunnen – en te durven. Vanaf de eerste maandag van de eerste lockdown besloot ik dat het nu echt klaar moest zijn met het vluchten in eten in plaats van vluchten naar God. Ik ben in 2020 zo 40 kilo afgevallen.

Maar bovenal: ik heb God ervaren. Zijn liefde was er steeds opnieuw. Hij heeft sommige dingen heel nadrukkelijk tegen me gezegd, en ook onmiddellijk bevestigd. In andere zaken heeft Hij me uitgedaagd om Hem te vertrouwen. Ik ben gaan staan, zichtbaar geworden, onder andere via een uitzending van De Verandering. Hopelijk heb ik daarin ook God laten zien. Ik ben anders geworden, of misschien geworden wie ik echt ben (ik hoop dat laatste).

Bij OMF hebben ze gezien dat ik de uitdaging ben aangegaan. En zij durven het met mij aan. In september hoop ik naar Engeland te vertrekken voor een jaar Bijbelschool. En daarna… hoop ik in Japan mensen te vertellen over de liefde van Christus.

Waarom Japan? Wie mij kent weet dat ik het een geweldig land vind, maar ik ga niet om permanent in mijn favoriete vakantiebestemming te wonen. De twee keer dat ik er ben geweest heb ik me er bizar thuis gevoeld. Ik wist dat ik iets “moest” met dit land.

De afgelopen jaren heb ik me ingelezen over de vreemde contrasten in de cultuur. De mensen wonen dicht opeen (het is een bergachtig land; de ruimte die bewoonbaar is, is slechts twee keer zo groot als Nederland, maar er zijn 120 miljoen Japanners). In de maatschappij wordt erg rekening met elkaar gehouden, vaak zonder woorden maar met veel verwachtingen, en er wordt er veel inzet geëist. Er is weinig ruimte voor fouten. Wie niet past mag zelfmoord plegen. Dat is een acceptabele uitweg in Japan. In het Japans bestaat geen woord voor “genade”. Hoe mooi om die genade er wel te kunnen laten zien.

Binnenkort natuurlijk meer!

Eerste licht en wietlucht

Een collega heeft me uitgenodigd een ochtend bij haar te komen werken. Dus loop ik in het eerste licht door Dordrecht. Eind februari, iets meer dan een week na ijs en sneeuw, twijfelde ik voor het weggaan of ik mijn winterjas nodig had. Ik droom van licht met warmte erin.

Maar het is nog maar kwart over zeven – het is niet meer donker, maar het echte licht verbergt zich onder de horizon. Ik peins over mijn route. Ik loop graag door parken, maar schat in dat het Merwestein Park nog dicht is: het gaat na zonsondergang tot aan zonsopkomst op slot. Maar de poort is open (de sleutel is niet gebroken). Ik glip door de poort en geniet.

Wat is dat toch met het eerste licht, of met parken? De wereld lijkt nieuw gemaakt, het licht is het eerste licht van de eerste dag. Ik tuur naar bomen langs een donker watertje en het voelt alsof ik mijn ogen moet scherpstellen, of eigenlijk alsof de bomen nog scherp moeten worden, alsof ze nog niet helemaal te voorschijn zijn gekomen uit het Eden waar ze ’s nachts gemaakt zijn, of waar ze zich terugtrekken als de duisternis over de aarde ligt.

En dan ruik ik wiet. De wereld is door de verdovende lucht gelijk normaal. Want wie is er aan het roken – en waar? Ik zie nog niemand.

Ah – daar, bij een bankje. Donker haar, een slungelige gestalte, wat gebogen, zodat ik niet weet of er een tiener staat of iemand die veel ouder is. Ik kom dichterbij. Er wordt een gezicht naar me opgeheven en dan weet ik het nog niet. Ik zeg gedag en er is stilte. Ik loop door en de wereld is nog steeds normaal.

Nou ja, bijna normaal. Want dat Merwestein Park is toch wel bijzonder – ik moet er vaker komen. Er staat een boom waarvan de stronk zich vertakt als een boeket, waarvan de takken zich rechtstreeks vanuit de wortels lijken uit te spreiden. De stronk is compleet omringd door steen, alsof mensen zonder fantasie bang zijn dat haar bijzonderheid zich te ver verspreidt. De herten van het park liggen allemaal bij elkaar rondom één boom, bewegingsloos. Ze staren me aan alsof mijn komst de hertentovenaar heeft verdreven. Haastig loop ik door – misschien heb ik net iets te veel wiet opgesnoven.

Ik passeer weer een poort en loop terug de wereld in. Vlak bij het station bel ik aan bij mijn collega. Die ochtend hoor ik goederentreinen en maar liefst drie brandweerwagens. Maar ik zit in het mooie interieur van mijn creatieve collega, waardoor de wereld toch bijzonder blijft, en ik geniet van haar licht. Gewoonlijk zit ik tegenover haar op kantoor. Nu ben ik me weer veel meer bewust hoe waardevol dat is. Ze is niet meer vanzelfsprekend. Ik voel mezelf lichter worden, meer mezelf, gewoon omdat ik er iemand tegenover me zit zonder schermen tussen ons in. Die lockdown doet toch meer met me dan ik had gedacht.

Even peins ik over de dagopening die ik aan het voorbereiden ben voor de volgende dag. Ik heb laatst een mooi stukje gehoord over Jesaja 60: Sta op en schitter – of: Sta op en word verlicht. Die tekst die bijna een cliché is geworden voor christelijke vrouwenbijeenkomsten is weer voor me gaan leven. Ik heb er een mooie stuk over gevonden (lees het hier), waarin het wordt gekoppeld aan Jezus’ opdracht om ons licht te laten schijnen zodat onze Vader verheerlijk wordt. Het verlangen om dat te doen wordt steeds sterker. Ik voel het fonkelen in me.

Aan het eind van de morgen loop ik terug door het Merwestein Park. Er wordt gesnoeid en iemand leegt vuilnisbakken – ik snuif de geur op van achtergebleven energydrank. Van betovering is weinig sprake meer, behalve dan door externe invloeden. Er fietst iemand achter me. Hij spreekt iets Oost-Europees en zit nogal wankel op zijn fiets. Wat verderop loopt een moeder die in een soortgelijke taal spreekt. Naast haar drentelt een kleuter, die dingen optilt uit het grindpad. Misschien ziet zij juwelen waar wij steentjes zien. Ik bid haar toe dat zij haar hele leven de schoonheid van de wereld zal zien zonder er stukken van zichzelf voor hoeven te verdoven.

Sneeuwpret?

Tijdens de eerste lockdown is de wc-papierschande aan mij voorbij gegaan, maar afgelopen zaterdag besloot ik toch maar eens extra boodschappen te doen. Er werd sneeuw verwacht. Shit.

Ik moet het toegeven: ik heb een fobie. Nou ja, een fobietje, want ik probeer het kleiner te maken dan het is: ik ben bij gladheid doodsbenauwd. Vallen voelt als iets vreselijks. Ik ben in mijn leven een paar keer flink onderuit gegaan en… heb daar nooit een schrammetje aan overgehouden. Dus waarom ik zo bang ben? Geen idee. Mijn psychologiserende hoofd vreest dat ik te graag de controle houd.

Ik heb gebeden – nog net niet op mijn blote knieën – dat er op zondag berichten zouden zijn van ongeveer deze strekking: ‘Heel Nederland ligt onder een dik pak sneeuw. Heel Nederland? Nee, één plaatsje is… etc.’ Die berichten waren er, maar ze gingen over Groningen en Maastricht.

Sneeuw. Het lag echt in Dordrecht – en het blijft voorlopig. En ’s nachts vorst, zodat het opvriest en nog enger wordt. Ik wist het zeker: ik zou een week binnenblijven. Alleen ging mijn hoofd na een dag protesteren. Hoeveel angsten had ik ook alweer overwonnen in 2020? En nu zou ik terugdeinzen bij het eerste obstakel van 2021? Het was mijn eer te na. En tegelijk ook niet. Want vallen… het is zo ERG.

Ik bad – nog steeds niet op mijn blote knieën, maar erg oprecht: God, geef me kracht dit obstakel aan te gaan. En daarna liep ik 500 meter naar de brievenbus. Nog nooit zo dankbaar geweest dat ik een kaartje had gepost. Het viel nogal mee met de sneeuw (misschien weggewaaid) en met de gladheid ook. Ik vroeg me af of ik vandaag weer naar buiten durfde en écht te wandelen.

Ik heb het gedaan. En na tien meter wilde ik terug. Op de stoep lag een laagje sneeuw dat precies leek op een ijsbaan. In gedachten ben ik tegen tien auto’s aan gevallen. Ik keerde om – en besloot toen over de kade verder te lopen. In gedachten ben ik tien keer in het water gevallen, maar de kade was niet glad. Ik waagde me verder. Toen was ik opeens bij Villa Augustus. En vervolgens stond ik tot mijn eigen verrassing in het Wantijpark.

Er wordt gesnoeid in het park – door de auto’s van de gemeente waren de paden gladder dan verwacht. Maar toch kreeg ik langzaam het lef om net te doen of ik aan het wandelen was. Ik genoot van de witte vergezichten. Ik stelde vast dat zwanen die op het water zitten in plaats van erin, opeens minder wit zijn. Ik genoot van de vrouw die de kraaien voerde. Zwarte vogels worden alleen maar mooier in de sneeuw. Daar kunnen we vast een geestelijke les uit peuren.

Ik had vooraf bedacht dat als ik aan de andere kant het park uit kwam, ik naar huis zou gaan, maar het fietspad dat ik gewoonlijk volg zag er redelijk begaanbaar uit. Verder op mijn normale route dan maar? Ik kreeg er even spijt van, want ik moest ook over een stukje waar auto’s rijden. Zij hadden van de sneeuw ijs gemaakt. Op een klein kruispunt kon ik vier kanten uit vallen. Bijna smakte ik naar het noorden, maar het ging net goed: ik bleef staan. En ik had zo weinig stress van de gladheid dat ik zelfs kon genieten van merels, hun veren dik uitgezet tegen de kou.

Het fietspad weer op, huiswaarts. Hier had de zon geholpen met sneeuwschuiven: sneeuw was weer water. En ik trok echt een geestelijke les uit wat er nu gebeurde: mijn weg was weer normaal begaanbaar, maar… daar werd ik bang van. Want waren die dunnen stroompjes echt water, of was het stiekem ijs? Mijn weg was zoals hij anders ook is, maar durfde ik dat te vertrouwen? Het smalle pad was blijkbaar nog steeds te breed.

Gelukkig werd andere dingen snel normaal: wat verderop was ik niet meer gefixeerd op mijn eigen angst, maar kon ik me ergeren aan joggers die holden alsof er geen sneeuw lag en verwachtten dat anderen snel voor hen opzij gingen. Ik drukte de ergernis maar snel weg, en genoot van wat er niet was: vrees. Dank U, Heer! Morgen maar opnieuw naar buiten. Misschien. Hopelijk.

Geboren in een stal (3)

Photo by Debby Hudson on Unsplash

Vorige keer lazen we dat Freek midden in de oorlog een joodse man tegenkomt en onderdak biedt. Lees hier het slot van het verhaal.

De man holt naar de bomen. Even later komt hij terug met een vrouw. Haar ogen zijn net zo blauw als die van Dina. Haar buik is dik. Er zit een grote baby in. Ze kreunt en fluistert woorden die Freek niet verstaat. Haar man houdt zijn arm om haar heen en kijkt naar Freek. “Waar gaan we heen?”

Freek slikt. Het is nog nooit zo spannend geweest om naar huis te gaan. “Kom maar mee,” zegt hij.

Ze lopen langzaam. De vrouw blijft kreunen en staat soms stil, met haar handen op haar rug. Maar ze komen bij de boerderij en ze hebben geluk: Benny holt hen tegemoet en blaft wel, maar hij doet het maar één keer, alleen om te zeggen dat hij blij is om Freek te zien. Hij snuffelt aan de joodse mensen, kijkt naar Freek en houdt zijn kop scheef alsof hij wil vragen wie dat zijn.

Freek hijgt van opluchting. “Brave Benny,” fluistert hij. “ Hij wenkt de joodse mensen naar de schuur en legt zijn vinger op zijn mond: ze moeten nu héél stil zijn. Bij iedere stap die ze zetten hoort Freek zijn hart bonken. Hij probeert heel goed te luisteren. Is pa nog buiten? In de schuur? Op het erf? Of is hij al binnen, bij mama?

Héél zachtjes doet Freek de schuur open. Het is er donker. Het kan haast niet dat pa hier is. Alleen de schapen zijn er, met hun dikke winterwol, en hun warme adem. Het is niet koud in de schuur. Maar Freek twijfelt. Dit is geen plek om mensen achter te laten. Er is geen lamp, geen tafel en geen stoel. Hij heeft niet eens wat te eten voor ze.

De joodse man loopt langs hem heen. “Dit is een goede plek. Bedankt, jongen. Laat ons nu maar alleen, zodat Mirjam kan doen wat nodig is.”

Freek gaat naar de boerderij. Benny loopt naast hem en raakt met zijn snuit Freeks hand aan, maar Freek reageert er niet echt op. Freek denkt na. Hij moet ervoor zorgen dat pa de schuur niet in gaat. En hij denkt aan Stijn. Stijn zal zijn mond toch wel houden? Hij heeft gehoord dat mensen die joden verstoppen, worden opgepakt door de Duitsers. Sommige worden zelfs doodgeschoten.

Freek heeft een rare kerstavond. De hele tijd houdt hij pa in de gaten. Soms gaat pa na het eten nog bij de schapen kijken. Wat zal hij doen als hij de joden ziet? Zal hij ze aangeven bij de politie? Maar pa blijft zitten. Hij drinkt een glaasje jenever, en dan nog eentje. Bij zijn derde glaasje begint hij te snurken. Freek ademt rustiger; zijn hart klopt niet meer zo snel.

Mama loopt naar de keuken. Ze komt terug met lucifers en steekt de kaarsjes in de boom aan. Ze knipogen weer naar Freek. Freek voelt zich opeens heel moe; de dag was lang. Maar hij staat op en pakt zijn moeders hand. Hij weet dat hij nog niet naar bed kan.

“Wat is er, jongen?” vraagt mama.

Zonder iets te zeggen, neemt Freek haar mee naar de schuur. Daar slaat mama haar handen voor haar mond. Midden tussen de schapen ligt de joodse mevrouw in het hooi. In haar armen houdt ze een baby’tje. Het huilt niet. Het lijkt wel of het weet dat het stil moet zijn.

Freek weet niet zo goed meer wat er daarna gebeurt. Hij is opeens zo moe. Maar hij gelooft dat de joodse mensen schrikken en dat mama fluistert dat ze niet bang hoeven zijn. Ze holt weg, om eten te halen, of kleren voor de baby.

Freek blijft bij de joodse mensen staan. Hij heeft vreselijk veel slaap, maar hij merkt nog net dat de joodse mensen naar hem glimlachen. De man zegt iets, maar Freek hoort hem niet. Hij kijkt naar het baby’tje dat is geboren. Het is echt kerstmis, denkt hij.

Geboren in een stal (2)

Photo by Антон Дмитриев on Unsplash

Vorige keer vertrok Freek net naar huis. Lees wat er onderweg met hem gebeurt.

Freek is net in het veld als iemand zijn pet van zijn hoofd gooit. “Hé uk,” roept Stijn. “Waarom wachtte je niet op mij?”

Freek holt achter zijn pet aan. Hij drukt hem stevig op zijn hoofd en loopt door.

Stijn houdt hem makkelijk bij, met zijn lange benen. “Nou?”

“Jij was met Dina aan het praten.”

Stijn lacht. Freek kijkt niet, maar toch weet hij dat Stijn zijn hoofd achterover gooit, en zijn mond heel ver opent. Dat doet Stijn altijd. Freek loopt nog harder door. Het wordt nu echt donker, en de monsterbomen komen dichterbij.

Stijn loopt nog naast hem; terwijl Freek bijna holt, loopt Stijn normaal. “Ben je jaloers?” vraagt Stijn. “Jij vindt Dina leuk, hè?”

Freek haalt zijn schouders op. “Ik wil snel naar huis. Het is kerstvakantie.”

Stijn lacht weer. “Je pa laat je de hele vakantie werken.”

Dat is waar. Pa laat hem vast iedere dag de mest van de schapen opruimen. En als Freek niet opschiet zal pa schreeuwen. Maar ’s avonds is het fijn. Dan heeft pa zijn jenever op en valt hij in slaap. Als pa snurkt, zingt mama zacht de kerstliedjes over stille nacht en dan is heel de wereld mooi. Freek zegt: “Ik heb zin in Kerst. Het is fijn.”

Stijn lacht weer, nog harder dan de vorige keren. “Je weet niet eens wat Kerst is.”

Freek plet zijn pet steviger op zijn hoofd. “Dat Jezus is geboren.”

“Jezus is niet geboren in de winter,” zegt Stijn. “Mijn pa zegt dat de geleerde heren weten dat het geeneens winter was toen Jezus werd geboren. Heb je goed geluisterd naar Oldekamp? Hij vertelde niets over sneeuw en kou. En zie jij weleens herders in de winter? Natuurlijk niet! In de winter zijn de herders niet in het veld! Er klopt niets van.”

Freek voelt zich een beetje duizelig. Hij ziet de hoge monsterbomen staan. Het lijkt net of ze Kerst opeten. Hij stampt verder, over de harde, koude grond. Hij voelt zich vanbinnen ook koud. De bomen komen dichterbij, en dat is bijna niet eens meer eng. Maar als ze er langs lopen…. grijpt een hand Freek heel hard vast.

Freek gilt, want het is niet Stijn. Een man heeft hem gegrepen. Een lange man, die heel mager is, met een brilletje op met blinkende glazen waarachter Freek zijn ogen niet kan zien. “Hulp,” sist de man. “Geef ons hulp. Zeg het tegen niemand of ik…” De man grijpt met zijn andere hand Freek ook vast en kijkt even naar Stijn. “Ik wil jullie kunnen vertrouwen. Want anders…”

Hij maakt zijn zin niet af. Tussen de bomen klinkt een schreeuw, hoog en bang. De man krimpt ineen.

“Dat is mijn vrouw. Zij moet een baby krijgen. We hebben een plek nodig. Geen dokter, alleen een plek waar we warm en veilig zijn. Geef ons die plek.” De man kijkt naar Freek, en dan weer naar Stijn. Freek is niet meer bang. Hij kan nu door de blinkende brillenglazen kijken. Hij ziet dat de man huilt.

Stijn doet een stap weg. “Jij bent een jood. Mijn pa zegt dat we joden niet kunnen helpen. Dat is te gevaarlijk. Joden moeten zich melden bij de Duitsers.”

“En dan worden we gearresteerd en in kampen gezet,” zegt de man. “Sommige mensen fluisteren dat ze ons doden. Wij willen niet dood. Wij willen een veilige plek voor ons kindje.”

Stijn doet nog een stap weg. “Kom, Freek, we gaan.”

Freek zegt, heel rustig: “Ga maar vast, Stijn.” Terwijl hij het zegt, denkt hij heel snel na. Pa wil vast geen joden op de boerderij. Maar er is een grote stal… Als hij zorgt dat Benny niet begint te blaffen als hij de vreemdelingen ziet, hoeft niemand te weten dat er mensen zijn. En als pa zijn jenever heeft gedronken, slaapt hij en heeft hij niets meer in de gaten. Voor mama is hij niet bezorgd. Sommige mensen verraden joden, maar dat zou mama nooit doen.

Stijn loopt weg, zo snel dat Freek hem niet eens bij zou kunnen houden. De joodse man kijkt naar Freek, heel lang. “Jij helpt ons, hè?”

Freek knikt. “Tuurlijk.”

Lees volgende keer hoe het afloopt.

Geboren in een stal (1)

Photo by Kimon Maritz on Unsplash

Recent vroeg een collega of ik een kerstverhaal wilde schrijven. Het was in eerste instantie bedoeld voor kinderen, maar ik deel het ook met jullie.

Het is winter, in een jaar dat er in Nederland oorlog was. Freek wordt wakker en wil het liefst zijn deken helemaal over zich heen trekken, om zijn koude neus warm te maken. Maar hij haalt diep adem, gooit zijn deken opzij en springt zijn bed uit. Hij holt naar de badkamer, doet een plas en wast zich zo snel mogelijk. Het water is zooooo koud!

Tijd om te ontbijten. In de kamer is het donker. Alleen het licht boven de tafel is aan. Mama heeft zijn bord met pap op tafel gezet en zit klaar om zijn thee in te schenken. Ze bidden, en Freek begint snel te eten. Als zijn buik warm is geworden en hij minder snel eet, ziet hij dat er toch nog meer licht is. In de hoek staat de kerstboom, met echte kaarsjes. Het lijkt of ze naar hem knipogen.

Mama aait over zijn haar. “Eet eens door, jongen. Je moet naar school. De kerstvakantie begint vanmiddag pas.”

Tien minuten later loopt Freek buiten, het pad af van hun boerderij. Ergens hoort hij zijn vader schreeuwen naar Benny, de hond: “Schiet eens op, lui beest!” Freek loopt wat harder. Het is een half uur lopen naar school, dwars over kale grond, waar in de zomer hei en struiken groeien, maar nu bijna niets. De maan schijnt nog, alsof het midden in de nacht is. Overal zijn sterren. Net als de kaarsen van de kerstboom knipogen ze naar hem.

Freek loopt door de velden. Hij wil vaart maken, maar vlakbij staan er reuzen op de vlakte. Niet echt natuurlijk, maar in het donker lijkt het zo: hoge dennenbomen, met takken die in het maanlicht net armen van monsters lijken. Freek haalt diep adem. Soms verstopt zijn vriend Stijn zich tussen de bomen en springt plots tevoorschijn. Freek probeert er altijd om te lachen, maar soms… is het eng. Dan denkt Freek dat er een Duitse soldaat tevoorschijn springt, die naar hem schreeuwt dat hij mama zal arresteren en Benny zal doodschieten.

Freek heeft de dennenbomen bereikt. Hij loopt nog harder, maar hij tuurt tussen de bomen of hij Stijn ziet. Maar er gebeurt niets. Freek is de bomen voorbij. Hij loopt stevig door, op naar school.

Als Freek het schoolplein opkomt is Stijn er al. Stijn leunt tegen het hek en staat te praten met Dina, het mooiste meisje van de klas, met blauwe ogen als de lucht in de zomer. Stijn is lang, veel langer dan Freek. Hij zegt iets tegen Dina, en ze lachen samen.

Freek gaat de klas in. Hij zit achter zijn houten tafeltje en de les begint. Meester Oldekamp vertelt over breuken. Freek houdt van rekenen, maar toch is het lastig om te luisteren. Toen hij liep had hij het warm; nu voelt hij pas hoe koud het was. Monstertjes met ijskoude tanden proberen in zijn tenen te bijten, en zijn vingers voelen als ijspegels. Mama heeft gezegd dat ze nieuwe wanten voor hem zal breien, maar nieuwe schoenen kan ze niet kopen. Nu het oorlog is, zijn schoenen duur geworden. Pa heeft gezegd dat hij minder snel groot moet worden, maar hij weet niet hoe hij klein kan blijven.

Het is de laatste dag voor de kerstvakantie, maar meester Oldekamp lijkt het vergeten te zijn. Ze oefenen zolang de topografie van Groningen dat Freek zeker weet dat hij nooit naar Hoogezand of Sappemeer wil. Maar ’s middags pakt meester Oldekamp een dik boek: de Bijbel. “En het geschiedde in die dagen…” begint hij. Meester vertelt over Jozef en Maria, die van Nazareth naar Bethlehem reizen, waar geen plek voor hen is in de herberg. Maria krijgt een baby in de stal, een heel bijzondere baby. Drie koningen komen hem eerbied geven, en herders in de velden vertellen dat de engelen over de baby zingen. De baby is Jezus.

Als de schoolbel klingelt en Freek naar buiten holt, wordt het alweer een beetje donker. Hoog in de lucht ziet Freek de eerste ster naar hem knipogen. Zijn lange tocht begint weer. Even nog kijkt hij om of Stijn met hem meeloopt, maar hij staat weer bij Dina, en Dina lacht zo lief dat Freek harder loopt, snel naar huis.

Maar onderweg gebeurt er van alles. Wat precies, lees je de volgende keer.