Een blinde wandeling door de echte wereld

Laatst liep ik in het Wantijpark langs taxussen. Toen ik mijn ogen wat dichtkneep dacht ik bijna een weg naar een andere wereld te zien. Maar het was onzin. Toen ik een paar dagen later weer door het park liep zag ik dat de echte wereld een heel andere wereld kan zijn.

Ik wandel graag ’s morgens vroeg. In de zomer liep ik om zes uur, of nog eerder, al buiten. In december is dat niet handig. Alle enge mensen schijnen vooral in het donker actief te zijn. Dus mopperend ga ik later, maar meestal is zeven uur mijn uiterste grens. Ik loop eerst over de dijk, zodat tegen de tijd dat ik in het park kom, het daar licht is.

Behalve op zaterdag. Dan doe ik na het wandelen boodschappen en is het handiger dat ik andersom wandel: vanaf de dijk sta ik met een kleine afslag bij de supermarkt. En ik wil daar graag om acht uur zijn, voor de drukte uit, dus ik wandel even na zeven uur het park in. Iedere keer zeg ik dat ik dat niet moet doen, en iedere keer doe ik het toch. Ik laat me betoveren in het duister, en ik ben bang.

Vorige week deed ik een keer op vrijdag boodschappen. Toen was alles opeens anders in het park. Het eerste stuk is het meest bijzonder – daar ben ik alleen betoverd en is er geen ruimte voor onrust. Er staan hoge, kale bomen, en eromheen is de lucht ijlwit. Dat komt natuurlijk door de lichtvervuiling van de stad, maar het lijkt alsof ik in een besneeuwde wereld loop, ergens rond het avonduur, als de sneeuw reflecteert in maanlicht. Of misschien loop ik heel ergens anders: tussen de kale bomen dwaalt de verbeelding, de mogelijkheid dat de wereld heel anders is dan we zien.

De vogels zijn al druk bezig om zeven uur. Reigers schreeuwen naar elkaar als Italiaanse familieleden, kauwen krassen als chagrijnige oude mannen, mussen en andere kleine vogeltjes piepen als kleuters in hun spel. Het lijkt wel of vogels zich vrijer laten horen als mensen zwijgen, alsof ze kunnen zijn wie ze echt zijn als de mensen hen met rust laten. Ze zijn niet bang voor me, of zich niet bewust van me. Alleen de waterhoentjes vluchten nog steeds voor me weg, met spetterende haast.

Op zaterdag is er om zeven uur bijna nooit iemand in het park, maar deze vrijdag is het anders. Ergens hoor ik de flard van een vrouwstem, en dan de echo van een hond die blaft. Maar ik zie niemand. Als ik verderloop, richting het bruggetje, komt er een rood licht me tegemoet. Vaag ontwaar ik een grote hond. De mens ernaast is een schaduw. Ik zeg blind goedemorgen. Een mannenstem wenst mij hetzelfde.

Het park uit. Stiekem adem ik toch wat gemakkelijker als ik beter zicht heb. Alhoewel: ook op de dijk is het nog niet erg licht. Op zaterdag kom ik hier zelden iemand tegen. Op vrijdag is het duidelijk drukker. Ook hier zie ik bewegende lichtjes in het donker. Het zijn geen honden: joggers zorgen ervoor dat ze opvallen, of hebben lichtgevende apparatuur om hen te helpen met hun prestaties. Ik kom erachter dat joggers niet erg spraakzaam zijn. Ik zeg goedemorgen. Zij hollen hijgend verder, naar onbekende vertes. Bij één man hoor ik wel wat: ‘Over driehonderd meter rechtsaf.’ Het is een vrouwenstem, die hem blijkbaar helpt de weg te vinden in het duister.

Eén iemand heeft geen licht op: een gestalte die ik pas ontdek als hij vlak bij me is. Een slungelige jongen met warrig haar. Als hij me voorbij is, ruik ik de wietlucht. Hij loopt blind een andere wereld in, terwijl ik er weer achter ben dat de echte wereld al bijzonder genoeg is. Ik loop op de dijk richting de supermarkt en zie boven de stad een rode waas, alsof Sodom en Gomorra nog maar net verwoest zijn en de vuren nog branden.

Wat later doe ik boodschappen. Onderweg naar huis ga ik opzij voor iemand die opzichtig angstig afstand probeert te houden. Ik glij uit over modder en val op de stoep. Ik ben weer geland in de normale wereld.

De kledingspion

Al een tijdje staat het op mijn to-dolijstje: een zwart mondkapje kopen. Ik heb een herbruikbare donkerblauwe, maar die past niet bij mijn paarse winterjas. Sommige vrienden vinden dat ik me aanstel. Maar toch… Eigenlijk staat dit hele jaar voor mij in het teken van nieuwe mode-afwegingen.

Het is jammer dat ik me aan het begin van het jaar niet heb gewogen; dan zou ik nu trots heel precies kunnen vertellen hoeveel ik ben afgevallen. Het moet dit jaar zo’n 35 kilo zijn; ik ben nu meer dan honderd kilo lichter dan twaalf jaar geleden. Ik zeg tegenwoordig maar dat de essentie van mezelf is overgebleven.

Ik ben me erg bewust van alle verschillen, maar een stuk van mijn hoofd (eigenwijs of irrationeel?) wil het maar niet onthouden. Ik sta in een grotematenwinkel en de kleinste maten zijn te groot. Dat stuk van mijn hoofd begrijpt niet hoe dat kan. Dat gedeelte van mijn hoofd denkt dat de maat precies goed is. In werkelijkheid is het precies wat ik gewend was.

Ik waag me “gewone” winkels in. H&M… een populaire keten, maar ik kwam er nooit. Weifelend loop ik rond tussen klanten die allemaal dunner lijken dan ik. Ik zie kleren die totaal niet lijken op wat ik meer dan twintig jaar gedragen heb. Ik voel me een spion, eentje die maar net haar vermomming in stand houdt. Er gaat vast iemand lachend naar me wijzen als ik een kledingstuk naar een pashokje waag mee te nemen. Ik kijk naar matenlabels en vraag me af of ik die nu echt bij me passen. Ik durf het niet uit te proberen.

H&M is misschien een te grote overgang na de grotematenwinkels. Ik sta bij C&A, ook de afgelopen jaren een winkel waar ik terecht kon. C&A maakt bij truien en broeken niet altijd onderscheid tussen grote en “gewone” maten. Ik pak een trui die ik echt mooi vind en pas hem. Veel te groot. Aarzelend ga ik terug voor een L. Nog steeds erg ruim. Mijn hoofd is in de war.

Behalve die ene trui zie ik niet echt leuke dingen. Weer een andere winkel dan maar. Een leuke trui in L en XL. Dan zou ik L moeten passen, stel ik rationeel vast. Mijn minder rationele kant neemt voor de zekerheid de XL ook mee. Wurmend in het pashokje stel ik vast dat L niet past. Als ik XL aantrek, is ook die trui een boa constrictor waar ik maar net aan ontsnap.

Ik geef het op. Andere winkels waarvan ik vermoed – of hoop – dat ze mode verkopen die ik leuk kan vinden, krijgen geen bezoek van de kledingspion. De spion is te bang dat uit zal komen dat ze daar niet hoort. Ik draag maar weer vertrouwde kleding. Alleen fladdert een broek die eerst precies paste nu wijd om me heen. Een shirt lijkt net een tuniek. Maar ik durf niet terug naar de winkels. Ik houd me maar voor dat dit jaar de mode niet naar mijn smaak is.

Er zijn mensen die niet alleen de mode maar het hele jaar niet naar hun smaak vinden, vanwege corona. Ik wil een mondkapje in een andere kleur; er zijn mensen die helemaal geen mondkapje willen. Daar ga ik maar niet over discussiëren, behalve dan dat als ik een ziekte “draag” ik die liever niet “overdraag” aan een ander, als een mantel waar ik misschien niks van merk, maar die een ander kan doden.

Ik moet wel toegeven dat ik nog niet erg ben gewend aan mondkapjes. Als ik – bij uitzondering – weer eens op kantoor mag werken, gebruik ik een hemelsblauw wegwerpmondkapje. Iedere keer als ik de gang op ga vergeet ik maar net niet om hem op te zetten. Mijn “echte” mondkapje blijft goed zitten, maar mijn wegwerpmondkapje zit al snel voor mijn ogen. Als ik naar het toilet ga zet ik hem af, hoewel ik het belachelijk vind van mezelf.

Sorry, ik begin af te dwalen. En dan heb ik het nog niet gehad over mijn meest actuele modedilemma: volgende week heb ik tv-opnames voor De Verandering. Wat doe ik dan aan, om te laten zien dat ik echt veranderd ben? Hopelijk fluistert mijn kledingspion me nog iets in.

Mevrouw Duyster op reis in het Ondermaanse

Een paar weken geleden wandelde ik langs een huis waar op de deur ‘Familie Duyster’ geschilderd stond. Ik peinsde erover dat die naam te nadrukkelijk zou zijn als ik hem voor een personage in een boek gebruikte. Maar hij liet me niet los.

Het wordt duister om ons heen. In de zomer denken we dat we de wereld naar onze hand kunnen zetten. Dan is het bijna altijd licht, en is het donker aangenaam – een tijd waarin de hitte even wijkt.

Maar nu is het herfst. Het is langer donker dan het licht is. En in het donker is het koud. Ik denk plots aan “het Ondermaanse”. Dat is slechts een ouderwetse formulering voor ons leven op aarde, maar in de herfst is de maan wel opvallend aanwezig, een koel oog dat ons vaker in de gaten houdt. Een oog dat ziet dat wij klein zijn en weinig te betekenen hebben.

Vorige week ging ik op bezoek bij vrienden, om met hen te bidden (we waren ons bewust van onze kleinheid). Op de heenweg was het nog licht. De zon schilderde: ze mengde roze en andere pasteltinten met haar eigen stralen. De avond was mild.

Toen ik terugkwam was alles donker. De wind was koud en ik ook (ondanks het gezelschap waar ik me aan had gewarmd). De straten waren eenzaam – iedereen behalve ik was er uit weg gevlucht. Nou ja, dat was niet helemaal waar, maar de mensen die er nog waren, waren schaduwen waarvan ik niet wist of ik ze kon vertrouwen. Ik was in het Ondermaanse – en de maan keek alleen maar toe.

Ik liep snel. Ik deed of ik me weer eens verbaasde over mijn goede conditie, maar ik was niet helemaal eerlijk. Angst, al is hij mild of goed verborgen, geeft snelheid. Terwijl ik liep dacht ik niet over wat er kon gebeuren in het donker. Ik dacht over de toekomst, over vage plannen, die soms ook duister lijken. Ik was me ervan bewust dat in mijn eigen hoofd te veel verborgen is voor mezelf. Zoals bijvoorbeeld de vraag wat ik echt wil. Die vraag dreef me misschien nog meer voort dan de angst.

Ik was bijna thuis – en er was niks engs gebeurd. Ik stond bij het Wantij, keek uit over de nieuwe wijk aan de overzijde van het water, maar richtte me vooral op de wolken die erboven voorbij waaiden. Ondanks het duister waren ze opvallend wit, alsof er een scherp licht in ze was aangestoken. Ik kon goed zien hoe hard het waaide. Ik voelde bijna hoe ik meewaaide. De wind was dan wel koud, maar toch voelde de wind als de adem van God, die alles onder controle heeft, ook als Hij mensen weg blaast van alles dat vertrouwd voor ze is. Ik ging rustig naar bed, en sliep in het duister van mijn onderbewuste.

De volgende ochtend ging ik weer vroeg op weg. Het was nog duister, en de maan staarde nog naar me. Er waren vele sterren in de leeggeblazen lucht die langzaam blauwer werd. Maar onder de populieren van de Noordendijk, hoog en nog bebladerd, was het donker en wist ik dat ik klein was. Ik liep weer flink door.

Pas vlak bij het werk hield ik mijn pas in. Het is walnotenseizoen en na de wind van de afgelopen nacht was de oogst op de dijk groot. Ik vind een paar walnoten wel lekker, maar ik had er uiteindelijk veel meer dan een paar – het was goed dat ik een plastic tasje bij me had.

Toen ik het terrein van mijn werk op liep, was de lucht sereen blauw. Het duister was weggevaagd, en de meeste sterren waren uitgefloept. Eén ster was er nog over – vast een planeet: Venus of Mars. Ze staarde me aan alsof zij nu het oog was dat me in de gaten zou houden. Maar dat is het voordeel als je veel in het duister bent. Je weet niet alleen dat je afhankelijk en klein bent, maar ook dat je niet hoeft te luisteren naar iedere stem die tot je spreekt over duisternis, zelfs niet als ze zich vermomt als een stralende ster.

Honderd kilo lichter

Ik heb heel lang gewacht op de kans om de titel boven dit artikel te schrijven en te weten dat hij waarheid was. Het is me eindelijk gelukt: ik ben honderd kilo lichter.

Terwijl anderen klaagden over coronakilo’s, ging bij mij vanaf de eerste maandag van de lockdown de spreekwoordelijke knop om. Sinds ik in 2008 bij De Hoop werd opgenomen, was ik zeventig kilo structureel kwijt. In 2012 tikte ik bijna de honderd kilo gewichtsverlies aan, maar toen sloeg de somberheid weer toe en leek eten de enige oplossing om me beter te voelen. Sinds die tijd bleef ik fluctueren in de laatste dertig kilo.

Tot maart dus. Ik weet niet precies wat er gebeurde. Misschien was ik mijn eigen gedrag zat, of misschien gebeurde er zo veel in mijn leven dat deze actie er ook nog wel bij kon. Er veranderde iets in mijn hoofd, en mijn lichaam veranderde mee.

De afgelopen maanden herontdekte ik botten waarvan ik bijna vergeten was dat ik ze bezit. Mijn ribbenkast liet voor het eerst sinds jaren haar vormen zien. Rondom mijn bekken verschenen contouren die ik niet echt herkende. Van mijn schouders bleef belachelijk weinig over. Ik liep in de stad, zag mezelf in etalages en schrok soms, want de gestalte die ik daar zag was niet het spiegelbeeld dat zit opgeslagen in de spiegels van mijn geheugen.

Ik moest niet alleen aan mijn buitenkant wennen. Ik holde trappen op en hijgde niet. ’s Morgens had ik geen rugpijn bij het opstaan. Ik ging steeds langer wandelen en had pas na een tijdje in de gaten dat ik daarna geen spierpijn had. Ik had – heb – zo veel energie dat ik er soms moe van word. Nu ik bijna middelbaar ben, voel ik me opeens jong.

Mijn omgeving moest ook wennen. Ik kwam op straat een collega tegen die zijn duim naar me opstak. Wat later begonnen wildvreemden me op straat aan te spreken. Een dame tijdens het wandelen: ‘Volgens mij bent u de laatste tijd heel veel afgevallen, hè? Wat knap!’ Een jonge, verlegen, mollige vrouw – bijna nog een meisje: ‘Ik zie u altijd lopen. U bent een voorbeeld voor me.’ Ik had kippenvel, want ik ben vaak geen voorbeeld voor mezelf geweest.

Ik denk aan het contrast met de tijden dat ik op mijn zwaarst was. Mensen die voorbij fietsten en iets schreeuwden over “Ma Flodder” of over “Big Diet” (de termen zeggen genoeg over hoelang het gevecht met de kilo’s al duurt). De man die naast me zat in de trein en toen hij wegliep het nodig vond om me te vertellen hoe vervelend hij naast me zitten had gevonden. De minachtende blikken, waarvan bekenden dan ook nog eens zeiden dat ik ze me verbeelde. Natuurlijk – of ik niet alleen dik maar ook achterlijk was. En het ergste: al die mensen die me kenden voordat ik dik werd en pas stopten met me negeren toen ik weer afviel. Heel veel dank aan de mensen die anders keken en voelden!

Ik kan maar beter ophouden over die oude boosheid. Ik zou hem graag loslaten, samen met de kilo’s. Maar te vaak valt het me op – nu misschien juist nog meer – dat met iedere groep die niet standaard is rekening gehouden moet worden behalve met dikke mensen. Als je homoseksueel bent, mag de ambtenaar van de burgerlijke stand die je huwelijk niet wil inzegenen, ontslagen worden. Voor mensen die niet weten of ze man of vrouw zijn wordt het paspoort aangepast. Maar dikke mensen mag iedereen belachelijk maken.

Juist daarom sluit ik graag af met iets wat een collega zei toen we weer wat vaker op kantoor mochten werken en ook de mensen daar zich verbaasden over mijn gewichtsverlies. Iemand die me al vaak heeft laten nadenken over andere zienswijzen, complimenteerde me met hoe ik eruitzag. En toen zei ze: ‘Maar voor de duidelijkheid: daarom ben je niet opeens waardevoller.’

Amen! Laten we dat maar goed onthouden, ook omgekeerd. Dikke mensen lijken steeds onzichtbaarder te worden naarmate ze meer omvang krijgen. Zullen we eens voorbij het vet kijken, naar de ziel die schreeuwt om aandacht en liefde?

Wat de krokodil ervan vond

Een jaar geleden waren de meeste grenzen open, en leek naar de andere kant van de wereld reizen normaal. Dat was het natuurlijk niet. daar was ik me wel een beetje van bewust, op die dag dat mijn gastvrouw in Zuid-Afrika en ik, onderweg naar Kruger National Park, God’s Window en de omgeving bezochten.

God’s Window is een hoog uitkijkpunt tussen rotsen, dat we bereikten via een woud vol planten die ik tot dan toe als kamerplanten kende. De naam was goed gekozen: het uitzicht vanaf God’s Window was ontzagwekkend groots – de hele wereld leek voor ons geopend te zijn.

In de omgeving liggen allerlei toeristische attracties. De weg zelf was al een attractie: nu eens reden we langs verre velden, dan weer langs oprijzende heuvels met een dorp dat bestond uit metalen huisjes. We stopten bij de “Potholes”: een gebied vol diepe en ondiepe kloven. We keken uitgesleten afgronden in, waar water glansde en geld blonk: al jarenlang werpen hier mensen munten in die niemand eruit kan vissen. Wat verderop waren er geen kloven meer, alleen stenen die vreemd kwetsbaar voor slijtage leken, oneffen als marmer waar nog aan gewerkt wordt. In ondiep water schoten kleine visjes weg.

Verder gingen we, naar Blyde River Canyon. Aan de overkant van de kloof lagen de Drie Rondawels: drie rotspartijen die lijken op traditionele Afrikaanse hutten maar dan enorm groot. Daarna liepen we een stukje door, tot de Blyde River Canyon. Honderden meter onder ons glansde onmogelijk blauw water. Boven ons scheidde alleen lucht zonder wolken ons van het heelal.

’s Middags reden we over stoffige binnendoorweggetjes, langs bananenbomen en borden die ons waarschuwden voor overstekende olifanten. We sloegen af bij een bordje voor een koffiebar en bonkten verder over een onverharde weg. We belandden bij een zaakje aan een meer, met voor de deur koffiestruiken. Bij het meer stond een bord: Beware of the crocodile. Hoe een krokodil eruitziet werd er voor de duidelijkheid bij getekend.

Ik gniffelde om het bord, maar had wel haast om veilig in de koffiebar te komen. Door dat bord was ik me er heel praktisch bewust van hoe ver ik van huis was, en hoe anders het stuk wereld was waarin ik mij bevond. Die krokodil was er echt, al zagen we haar niet.

We zaten op een terras dat op palen boven het meer was gebouwd. Het meer zelf was sprookjesachtig: waterlelies, zachte rimpelingen, een donkere spiegel van de hemel. Ik hoorde vogels en stilte, ik genoot van mijn taart en amarula milkshake. Maar ik was wel alert: ik bleef het meer afspeuren naar de krokodil. Ik bleef verwachten een gekartelde rug te zien verschijnen, of een enorme opengesperde mond met tanden die net onder het terras in de zon zouden blinken. Ik stelde me voor dat de palen onder het terras allemaal tegelijk zouden afbreken en mijn gastvrouw en ik naar de kant moesten zwemmen.

‘En ik zou sneller zwemmen dan jullie,’ zei de gedachte van de krokodil in mijn hoofd.

Mijn gedachten waren stil.

De krokodil was het ook. Ze dook ergens in het meer naar diepere dieptes, waar het water zwart en bijna koud was. Ik dook in gedachten met haar mee en genoot van de koude. Toen hapte ze naar een vis, miste net, en was ik weer klaarwakker.

De krokodil zei in mijn gedachten: ‘Jij woont ver weg in een huis waar in de omgeving supermarkten zijn. Jij hoeft nooit na te denken over je eten. Maar ik…’ De krokodil had geen tijd om haar gedachte af te maken: ze zwenkte naar links, waar ze in het duister iets voelde bewegen. Weer een vis. Deze keer had ze beet: wat voor soort vis het was, wisten de krokodil en ik niet. We wisten alleen dat hij klein was: de krokodil slikte hem weg zonder te kauwen. En toen zei de krokodil: ‘Ik ben wie ik ben. Ik jaag omdat ik moet jagen. Daar hoef ik me niet voor te schamen. Maar weet jij wie jij bent?’

Ik dacht aan al die jaren met binge eating disorder. Eten omdat je honger hebt, niet omdat je je gedachten wilt afleiden… wat is dat eigenlijk? Peinzend nam ik nog een hap van mijn enorme stuk taart.

Ik ben eigenlijk een meeuw!

Negeer iedere blog waarin ik mopperde op de wind. Ik bedoelde er niets mee – ik ben verkeerd begrepen. De wind is mijn vriend. En mijn vriend is terug van weggeweest!

Ik ben geen heet-weer-mens. Warme zon op mijn gezicht ben ik heel snel zat; op een strand hangen heeft weinig charme voor me. Dus de laatste weken, met die eindeloze lome dagen, met die drukkende hitte die me zelfs in mijn slaapkamer niet verliet, deden me verlangen naar de vriend waar ik zo graag over zeur. Waar was de wind om wolken voor de zon te schuiven? Waarom blies de wind die saaie warmte niet weg naar Spanje?

Maandag op het werk viel het me op dat mensen die gewoonlijk na mij naar huis gaan, allemaal voor mij vertrokken. Een collega kwam vragen waarom ik nog niet naar huis ging. ‘Wil je die bui niet voor zijn?’ vroeg hij. Bui? Ik wist van niets. Maar inderdaad: Buienradar gaf blauwe uitschieters aan voor Dordrecht. Ik besloot maar snel mijn pc af te sluiten – door de hitte was mijn verstand toch al enigszins afgesloten.

Buiten sloeg de zon me in het gezicht – die doet nog steeds niet aan social distancing. Mijn verstand ging op de spaarstand. Maar ik was me nog net bewust van de wolkenkastelen die de wind aan het bouwen was. De wind gebruikte er donkerblauwe, bijna zwarte blokken voor.

Voordat ik een paar honderd meter van het werk vandaan was – ik had nog maar net de eerste dijk bereikt – verdween de zon. Mijn vriend de wind waaide langs mij heen. Het was niet weer een klap in mijn gezicht, maar de wind liet wel merken dat mijn gemengde gevoelens over diens karakter bij de wind bekend zijn. De walnotenbomen langs de dijk probeerden eerbiedige buigingen voor de wind te maken. De reactie van de wind daarop was… koud. Gelukkig was die kou aangenaam.

Verder dan maar, met een toch wat zorgelijke blik op de zwarte luchten die de wind als dikke pap door elkaar roerde. Vlak bij mij morste de wind de nodige regen: ik zag de vlagen naar beneden vallen. Ik keek eens welke kant de wind uit blies. Ik begon te denken dat de bui misschien precies voor mij langs zou gaan. Ik bad er zelfs voor. Het was geen schietgebedje – het was oprechter. Afkoelen is fijn, maar verkild worden door de regen is dat niet.

Verder op de dijk liet de wind de nodige creativiteit zien. De takken van de fluweelbomen waaiden verschillende kanten uit. Bladeren, door de hitte in augustus al geel en afgevallen, dansten over de straat in het rond, nog net niet hand in hand. Druppels vielen, maar de wind blies zo hard dat ze bijna niet de kans kregen me te raken.

Onderaan de dijk, onder het viaduct, vonden mensen het nodig om te schuilen. Drie jongens op de stoep, van wie er eentje zijn regenjas zocht. Een meisje ging midden op het fietspad op zoek naar de hare. Ik wilde zeggen dat de regen voor hen uit zou waaien, maar de wind blies onder het viaduct door en nam mijn woorden mee. Toen ik onder het viaduct uitstapte trok de wind nog net niet mijn gezicht weg.

Wat verderop, voorbij de rotonde, liep ik de dijk weer op. De wolkenkastelen waren nu wolkenkrabbers – zo zwart als een dreigende terroristische aanslag. Ik begon bijna te lachen toen een meeuw schreeuwend richting de wolken vloog. ‘Geweldig!’ riep ik zonder woorden.

En de wind riep: ‘Je vindt het nog steeds erg als je nu natregent!’

‘Ik ben een meeuw!’ riep ik terug. ‘Ik wil naar je toe komen!’

De wind blies door de populieren, om te laten merken wat de wind van me vond. Alle blaadjes begonnen door elkaar heen te ritselen. Misschien moest het dreigend zijn, maar ik voelde vrolijkheid ritselen in mezelf. Toen een Aziatisch stel, zij in een keurige rok, hij met twee dozen eieren in de hand, me tegemoet jogden, lachte ik bijna. En de wind spaarde me: ik kreeg geen bui op mijn hoofd. Voordat ik aan het einde van de dijk was, verscheen er lichtblauwe lucht. De zon keerde terug, en nam hitte met zich mee. Ik begon de wind alweer te missen.

‘Je kunt ook mooi zijn zonder dat je gesnoeid wordt’

Afgelopen dagen logeerde ik in Zeeuws-Vlaanderen bij een goede vriendin. Ik kom er al jaren, en al jaren wandelen we dan. Dit jaar deden we dat ergens waar we nog nooit waren geweest: in natuurgebied Braakman-Zuid. Het was er zo mooi dat we de volgende dag dezelfde wandeling nog een keer maakten.

We begonnen langs een weiland waar ’s avonds vleermuizen rondscheren en liepen een jong bos in, met dunne, groene bomen en net genoeg schaduwen om te dromen van verborgen sprookjesfiguren die op ons wachtten.

Na een grote draai liepen we tussen een waterstroom en een bosrand. We zagen een eendenmoeder met jonkies en hoorden een meerkoet krijsen. Daarna waagden we ons ouder, donkerder bos in. We werden er stil van, maar toen we op een plek kwamen waar het lichter was, werden we nog stiller: hoge populieren stonden ver genoeg van elkaar om de zon door te laten, maar ze leken hun handen op te heffen in eerbied voor hun Schepper. We voelden zelf eerbied.

Wat later stapten we een bruggetje over, langs een weiland waar het zo warm was dat de eerbied week. Daarna stapten we een volgend bos in. Dit keer dwaalden we onder de naaldbomen. Hun geur maakte ons rustig, hun hoogte en stilte noopten ons weer tot bescheidenheid.

We maakten een bocht, zochten even naar het volgende paaltje van onze route en liepen weer een veld in. De zon was weg. We keken stil naar een nog redelijk jonge eik die helemaal in het midden van het veld zijn armen uitstrekte. Hij was ongesnoeid en had takken tot aan de grond: zijn bladeren waren als een bol om hem heen. Ik glipte door de bladeren, stond naast hem en voelde me bijna onderdeel van de boom.

Tijdens onze tweede wandeling hielden we een pauze bij de eik. De goede vriendin en ik hoeven niet altijd te praten. We zwegen en keken. Hoe langer we stil bleven hoe meer ik hoorde en zag. Steeds meer insecten zoemden hun lied. Op het veld om de eik heen stond jacobskruiskruid. Sommige van de gele planten waren klein, andere juist hoog en groot. Sommige waren schuin gegroeid, andere kaarsrecht. Maar op iedere plant zag ik insecten nectar verzamelen.

Onwillekeurig, bijna angstig, stelde ik vast dat ik naar de hele wereld keek: dat dat veld met bloemen, met de eik in het midden, de schepping was. God stond centraal en al die bloemen waren mensen die bloeiend anderen voeden.

De goede vriendin doorbrak de stilte: ‘Je kunt ook mooi zijn zonder dat je gesnoeid wordt,’ zei ze. We praatten over haar gedachten, die ik niet zal herhalen, omdat ze privé en van haar zijn. Ik kan alleen maar zeggen dat ik het met haar eens was. En dat die wetenschap bijna pijn deed, want zo vaak word ik wel gesnoeid – of snoei ik mezelf terwijl het niet nodig is. Ik zou vaker jacobskruiskruid willen zijn. De goede vriendin vertelde dat het giftig is voor paarden, maar het bloeit zonder daarover na te denken.

We liepen verder, door een stuk bos waar het al herfst leek: vol oude bomen en gele bladeren, waar ik me thuis voelde en wilde blijven. Maar we liepen het bos weer uit, velden in vol braamstruiken waar de bramen zoet waren en de doornen mij spaarden. We kwamen bijna aan het einde van de onze tocht, maar slaagden er de eerste keer toch in nog even in te verdwalen (terwijl als we vijf stappen verder hadden gelopen we de parkeerplaats hadden gezien). De tweede keer stapten we nog even het bos in, omdat we nog geen afscheid van de schoonheid konden nemen.

Na die tweede keer zat ik uiteindelijk bij de goede vriendin in de tuin, met uitzicht op populieren waarvan haar man me vertelde dat hij sommige zelf geplant had, meer dan veertig jaar geleden. Ze waren nu duizelingwekkend hoog. Een andere was honderd jaar oud en had een blikseminslag overleefd. Dichterbij stond een kastanje, waar tientallen libellen omheen vlogen. Even vroeg ik me af of ik weer naar de mensheid keek, wier zielen uiteindelijk opzweven naar iets wat wij ons nog nauwelijks kunnen voorstellen.

Toekomst, wat is dat?

In de laatste week van juli liet ik de grenzen van Nederland achter me. Vier dagen dwaalde ik over Duitse heuvels en door Duitse bossen. Ik was samen met een goede vriendin. Zij had een overzicht gevonden met wandelingen in de buurt van ons hotel; ik zou kaartlezen. Dat is niet mijn kracht, dus ik was trots dat we in één keer het begin van de wandeling vonden. Helaas hing daar een spandoek over het pad met “Entschuldigungen” omdat het verboden was om in het bos te wandelen: er was “Waltarbeit” aan de gang.

Het was half tien maar al heet; we zweetten toen we elkaar aankeken. De verleiding om terug naar het hotel te gaan en rest van de dag in een terrasstoel te liggen was aanzienlijk. Wij bogen ons niettemin over nieuwe mogelijkheden. Wat later stonden we hoog in de Duitse heuvels. De witte, beige huizen van het plaatsje Ney blonken zo hard in de zon dat het zeer deed aan onze ogen. Wij liepen het dorp uit, naar kaalgeschoren heuvels, waar gras en tarwe al binnengehaald waren.

Het kaartlezen werd een drama. Volgens ons minieme kaartje moesten we links, links, rechts, links, rechts, en twee keer links. Maar er waren geen straatnamen: we wandelden over graspaden. Gewoonlijk zijn de goede vriendin en ik spraakzaam, maar deze ochtend niet. We wisten dat we aan het verdwalen waren, maar zeiden dat niet tegen elkaar.

Gelukkig realiseerden we ons dat er een bron op de route lag. Door die als routebestemming te nemen werd weer duidelijk welke richting we uit moesten. We kwamen langs een gehucht dat lag te hijgen in de zon en stapten toen een schaduwvol bos in – wij ademden wat gemakkelijker. Toen we bij het Stahlbrünchen stonden, herademden we pas echt. Er stond een groot bord met een uitgezette route, die bijna volledig overeenkwam met de route die wij wilden lopen. De goede vriendin en ik waren opeens een stuk spraakzamer.

Voorbij de bron voerde de route ons over een bruggetje verder het bos in. Ik kon me niet aan de indruk onttrekken dat het bruggetje (half in de schaduw van oude bomen, over een spetterend beekje dat glad gesleten stenen plaagde) ons regelrecht sprookjesland in voerde. De goede vriendin en ik werden weer stil. Het bos was ook stil. Als we dicht naast het beekje liepen kwamen er mugjes om ons heen vliegen, maar zelfs zij zwegen. Alleen een verre roofvogel schreeuwde af en toe.

De bomen werden groter en ouder; ze bogen zich beschermend over ons heen. Er waren dennen waaronder het leek te sneeuwen als heel even de wind blies: bruine naalden dansten naar de aarde en werden deel van het zachte pad onder onze voeten. We klauterden langs een smal paadje naar een kasteel waar alleen een ruïne van over was. Ik had niet het gevoel dat ik op weg was naar iets uit een andere tijd. Er leek geen tijd meer te zijn. Alleen groene bomen, die niet onder de indruk zijn van tijd, omdat ze volgend jaar weer net zo groen zullen zijn als nu en er geen weet van hebben dat er brand kan komen – of een man met een bijl.

De tocht zou maar tien kilometer zijn, maar we waren blij dat we rond de middag midden in het bos een herberg aantroffen. Ik had nog steeds mijn twijfels over de tijd: de herbergier stond op zijn terras aardappelen te poffen en braadworsten te bakken alsof we niet meer in 2020 waren. We aten forel en waren erg tevreden met het leven. Daarna slaagden we er ondanks de goed uitgezette route toch nog even in om verkeerd te lopen.

Later in de middag werden we weer stiller – door vermoeidheid of omdat het ook tussen de bomen heter werd. We begonnen weer te klimmen, en waren blij met een bankje in de schaduw. Zwijgend dronken we water; zwijgend dronken we het uitzicht in. De dennen sneeuwden weer, en twee populieren wiegden in een vlaagje wind; hun bladeren fonkelden als sterren. Ik droomde van wat mijn leven nog kon brengen in de toekomst. En toen dacht ik dat ik de wind hoorde praten, heel zachtjes: ‘Toekomst, wat is dat?’ Zonder woorden vertelde ik de wind over mijn dromen en desillusies en over alles wat ik beter wilde doen in een tijd die hopelijk nog komt.

Ik geloof niet dat de wind me begreep. De wind blies van heel ver weg, niet uit een andere tijd, maar uit andere plaatsen. Plaatsen waar mensen God niet kennen en van Hem moeten horen voordat de toekomst die Hij aan christenen heeft beloofd heden wordt. Ik had plots nieuwe kracht. We liepen het laatste stuk van het pad, het schaduwvolle bos uit, het helle licht weer in. We stonden weer tussen de kale heuvels van Ney. Onwillekeurig dacht ik aan Mattheüs 5: Jullie zijn het licht van de wereld. Een stad die boven op een berg ligt, kan niet verborgen blijven. Men steekt ook geen lamp aan om hem vervolgens onder een korenmaat weg te zetten, nee, men zet hem op een standaard, zodat hij licht geeft voor ieder die in huis is. Zo moet jullie licht schijnen voor de mensen, opdat ze jullie goede daden zien en eer bewijzen aan jullie Vader in de hemel.

Jaloers op de vogels in Eden

Omdat ik zo dol ben op gezellig tussen andere mensen wandelen, begin ik tegenwoordig vaak al voor zes uur mijn rondje over de dijk en door het park. De stilte is verrukkelijk. Jammer alleen dat ik daardoor wel meer gelegenheid om gruwelijk jaloers te worden op vogels.

De Noordendijk is meestal nog verlaten als ik tegenwoordig op pad ga. Laatst liep ik er al om kwart over vijf. Toen kreeg ik wel gezelschap: een politiebusje reed achter me aan over het fietspad en twee politiemannen staarden me wantrouwig aan. Ik wenste ze goedemorgen. Toen bromden ze iets dat misschien een soortgelijke wens was en gaven snel gas.

Als ik afsla richting het Wantij heb ik nog geen reden tot jaloezie op vogels. De enige vogels die ik hoor zijn kauwen, die naar elkaar schreeuwen alsof ze elkaar aan het uitschelden zijn. Puberjonkies hippen achter hun ouders aan en bedelen krijsend om eten. De enige andere vogels die hier in grote getale aanwezig zijn, zijn ganzen. Ook bij hen zijn de kinderen al bijna volwassen. Ze zijn bijna even groot als hun ouders; alleen hun snavels zijn nog bruin in plaats van oranje. Als ik eraan kom, lijken ze te twijfelen of de enige mens in hun wereld te vertrouwen is – of in het Eden van vandaag de zondeval nog moet plaatsvinden of dat het toch al gebeurd is. Ze waggelen iets bij me vandaan.

Ik wandel om het Jeugddorp heen en passeer de snelweg, waar op welk tijdstip dan ook auto’s razen en gedachten aan Eden ver weg zijn. Maar dan sla ik af en loop ik langs het Wantij, met vroeg, zacht licht op het stille water. Ik word dankbaarder dat ik zo vroeg ben.

Wat later loop ik in het Wantijpark, en ben ik nog dankbaarder. Achter donkere bomen zie ik gouden licht op lage struiken en denk ik bijna dat ik naar een mysterieuze wereld kijk die ik bijna in kan lopen. Er zijn geen honden die blaffen, geen mensen die gillen. Alleen de vogels houden hun concert. De kauwen proberen hen te overschreeuwen, maar ik hoor de melodieuzere vogels. Ik weet wel dat ze zingen om vijanden te intimideren of partners te lokken, maar het klinkt of ze God loven om zijn schepping. Ik wou dat ik zo kon zingen.

Ik loop langs een boom die helemaal over het water hangt, zijn laatste takken er zelfs bijna in. Zoals zo vaak zie ik hier een waterhoentje over de takken bij me vandaan hollen, totdat hij tussen de bladeren net boven de waterlinie een veilige plek vindt om het water in te glijden. Ik smelt bijna bij het idee dat te kunnen: zo licht te zijn dat een tak je gewicht draagt, zo dicht bij de natuur te zijn zonder je een vreemdeling te voelen.

Ik passeer mijn favoriete kastanje, waar, verscholen in bladeren die lijken op dakpannen van een liefdevol huis, vogels een plekje vinden om vrijelijk te zingen. De kastanje staat vlak bij de grote vijver van het Wantijpark; ik zie een waterhoentje over de waterlelies hollen en zucht eens diep. Wat verderop drijven meerkoeten onder overhangende elzen. Ik stel me voor dat ik daar in het water dobber onder mijn naamgenoten, in een aangename koelte en zucht dieper.

Nog een stukje verder zie ik drie eendjes zitten op een grote tak die half in het water ligt. Die tak doet me al heel lang denken aan de tijd dat ik jong genoeg was om niet na te denken over risico’s en zelf over zulke takken liep. Nu kijk ik, ongegeneerd jaloers, naar de drie jonge eenden die hun vacht afborstelen en deel zijn van Eden zonder dat ze dat zelf in de gaten hebben. Ik kan er alleen maar een foto van maken en dromen.

Later in het weekend zit ik op mijn balkon. Vlakbij wordt er eten in het water gegooid, wat – natuurlijk – onmiddellijk wordt ontdekt door meeuwen. Meestal vind ik meeuwen agressieve schreeuwlelijken. Maar terwijl ik het boek dat ik aan het lezen was vergeet en toekijk hoe ze door de lucht scheren, duiken en weer opvliegen, kan ik niet anders dan vaststellen dat ze eigenlijk heel elegant zijn. In gedachten zweef ik met hen mee de hemel in.

Dordts Genoegen

Het is vrijdagavond. Ik heb om zeven uur een afspraak om te eten bij Dordts Genoegen. Hoewel ik weet dat mijn disgenoot meestal net iets te laat is, ben ik iets te vroeg. Een gewoonte die ik niet kan doorbreken. Ik probeer niet te kijken naar al die mensen op de volle terrassen. Uiteindelijk app ik de disgenoot. ‘Ben je er bijna?’ De reactie is: ‘Het was toch half acht?’ Ik slik.

De afspraak was echt om zeven uur – dat is fijn, want anders zou ik ernstig chagrijnig zijn geworden. Ik vlucht Dordts Genoegen vast in. Gelukkig is het er rustig: we hoeven straks niet snel te eten omdat de volgende gasten staan te wachten. Als mijn disgenoot aanschuift, vertelt ze zo enthousiast over haar woeste plannen om al om zeven uur te vertrekken zodat ze te vroeg zou zijn, dat ik steeds harder moet lachen.

Mijn disgenoot is bijzonder, een collega en een vriendin, die als ik haar iets vertel over wat me bezighoudt, echt meedenkt en altijd iets suggereert wat ik zelf nooit bedacht zou hebben en waar ik echt wat aan heb. Daarnaast heeft ze gevoel voor humor, dat je al ziet in haar alerte, vrolijke ogen. Als ik bij haar ben lijkt de tijd sneller te gaan.

We delen ook – zeer belangrijk – een passie voor schrijven. Ik ben nog maar twee weken bezig met mijn nieuwe boek, maar ik lees aan mijn disgenoot de eerste pagina voor. Zo snel heb ik nog nooit iets gedeeld van een verhaal, en toch is het nauwelijks eng. Wat is het heerlijk om bemoedigd te worden, en alweer zinnig commentaar te krijgen. De disgenoot leest ook voor, uit het boek waar zij mee bezig is. Ik loop met haar door de wereld die zij heeft geschapen, ik ontmoet de personages die in haar brein geboren zijn.

We drinken een wijntje, eten heerlijk maar niet te veel, sluiten af met een goede kop koffie – en kunnen dan onmogelijk al naar huis gaan. De avond is zwoel en licht en wij zijn nog niet uitgepraat. Ik leid mijn disgenoot door wat rondjes door Dordt. Eerst over de pleinen waar die dag en morgen de markt was en weer zal zijn. De skeletten van kramen staan stil te wachten op drukte. Een rozeblauwe lucht laat zich onmogelijk vastleggen op mijn camera.

Dan dwalen we door de straten rond de Grote Kerk. De straten zijn leeg en imposant: hoge huizen richten zich stil op, zelfverzekerd door een eeuwenlang bestaan. De Grote Kerk beiert tien slagen. Wij lopen langs haar heen, staan stil bij huizen die tegen de kerk staan aangebouwd, waar stokrozen opbloeien uit minieme kieren in tegels. Wat is Dordrecht tot prachtig.

We maken foto’s van de smalle grachten, en zien op de achtergrond blauwzwarte wolken waarin wit licht pulseert. Er komt onweer aan. Maar haast hebben we nog steeds niet: het onweer lijkt ver weg. We praten over boeken en ik ben geschokt dat mijn disgenoot Rebecca, van Daphe du Maurier, niet kent. Ik ben bijna jaloers op iedereen die dat boek nog niet gelezen heeft, omdat je de verpletterende openingsscène nooit meer onbevooroordeeld tot je neemt als je de rest van het verhaal kent. De disgenoot lacht dat ze inmiddels een document heeft aangelegd: Tips van Els.

Als we terugkomen bij Dordts Genoegen en de disgenoot haar fiets pakt, vallen de eerste druppels. We zeggen een paar keer gedag en nemen dan echt afscheid. Ik loop door de Voorstraat. Het begint te regenen. Ik loop nog een paar meter en het hoost. Om mij heen schreeuwen mensen luid, alsof dat zal helpen: het onweer is luider. Al snel ben ik zo doorweekt dat ik besluit geen plek te zoeken om te schuilen. Het water spoelt uit de lucht, het spoelt over straat. De bliksem flitst, de donder schreeuwt, maar nog steeds voel ik genoegen over Dordt. De regen is bijna warm. In de Voorstraat hangen lampen aan kabels boven de weg. Ik waan me bijna in een andere tijd, een tijd die ik waardeer. Dansen in de regen gaat me te ver, maar ik geniet nog steeds.