In de bijna-winternacht

Photo by David Dibert on Unsplash

“En dan zeggen ze dat ik ‘gewoon’ op Jezus moet vertrouwen,” zucht de vriendin die bij me op bezoek is. “Dat wil ik wel, maar hoe dan?”

Ik tuur in mijn kopje en zucht ook. Ik heb een wolkje melk in de koffie, maar alles lijkt nogal zwart. Ik heb mijn huis opgegeven dit jaar, mijn werk en mijn vrienden achtergelaten om naar bijbelschool in Engeland te gaan. Nu ben ik voor de kerstvakantie terug in Nederland en vind ik het nog steeds lastig om op Jezus te vertrouwen. Ik voel me een nomade in eigen land, en in mijn eigen ziel. De afgelopen weken heb ik dingen over mezelf geleerd waar ik niet blij van word. Ik vraag me af of mensen mij tekort doen en ik vraag me af of ik hen tekort doe.

Het is de één na kortste dag van het jaar, de laatste dag van de herfst. Ik stap vroeg in de avond het duister in, onderweg naar een bidstond. Genoeg gebedspunten, en niet alleen in mezelf. Ik zie mensen samen aan tafel zitten die allemaal naar hun eigen telefoon kijken.

In een tunneltje hoor ik achter me twee vrouwen spreken. Even maken de woorden me hoopvoller. “Als dit geen tijd van verbondenheid is, dan weet ik het niet meer,” zegt de een, en als de ander instemmend mompelt, zegt ze: “We moeten er voor elkaar zijn. We moeten onszelf aan elkaar laten zien.”

Ik denk even dat het nog mooier zou zijn als we Iemand anders aan elkaar zouden laten zien. En dan, als de tweede vrouw weer instemmend mompelt, zegt Vrouw Eén monter: “Ik heb vandaag voor mezelf gekozen.”

Opeens blijkt Vrouw Twee werkelijk te kunnen praten: “Echt?” vraagt ze enthousiast. “Wat heb je dan gedaan?” En de eerste vrouw begint iets te vertellen over dat ze tot zes uur heeft gewerkt, maar toen…

Ik weerhoud me er net van om me om te draaien en te vragen of Vrouw Eén nou echt niet doorheeft dat ze nogal tegenstrijdig is. Ik ben het tunneltje uit en sla haastig af. Ik kijk omhoog en probeer me te concentreren op de hemel. Er dwalen nachtwolken in, die helder verlicht worden door een maan die nog verborgen is achter grotere wolken. Ik adem eens diep in en loop verder, door straten die stinken naar wiet van schaduwen die voor me uit lopen.

Ik heb nooit wiet gebruikt, maar even kan ik me voorstellen waarom mensen dat wel doen. Dan kun je in ieder geval dromen. En dan… droom ik misschien ook. Er verschijnt weer een tunnel, vlak voor mijn ogen, donker draaiende lucht waarin al mijn irritatie en twijfel kolkt. Er rijdt een elektrische scooter doorheen, naar mij toe, volledig geluidloos – totdat de gehelmde bestuurder vol in de remmen gaat en omvalt, over het stuur heen. Als ik toesnel om hem te helpen staat hij alweer op. “Vrees niet!” roept hij. En er is iets in zijn stem waardoor ik weet dat hij geen ‘gewone’ bestuurder is. Ik kijk even naar de tunnel, die hij is verdwenen. De avondlucht is opeens ook helderder. De wolken zijn verdwenen – de maan schijnt. De wiet ruik ik niet meer – ik ruik wierook.

Als ik me naar de bestuurder draai, is ook hij verdwenen. De plek waar hij stond lijkt lichter dan de rest van de straat – alsof alle stralen van de maan daarin geconcentreerd zijn. “Vrees niet,” brom ik, licht geïrriteerd. Dat is de tekst van engelen, voordat ze hun echte boodschap beginnen te vertellen. Maar wat is die boodschap dan? Ik kijk nog eens om me heen, maar scooter en berijder zijn echt verdwenen. Alleen een echo lijkt achter te blijven. Ik spits mijn middelbare oren en denk te horen: “Hij is allang geboren.” Misschien moet ik concluderen dat ook als ik Jezus niet altijd bemerk, Hij er toch is.

Ik loop door en zie drie jongens met een Arabisch uiterlijk een bus in stappen. Op reis naar…? De vergelijking met de drie wijzen dringt zich aan me op. Als de bus wegrijdt (geluidloos, ook elektrisch) hoor ik gezang. Geen engelen, nee, maar twee tienermeisjes. “O baby, baby!” galmen ze, en dan giechelen ze. En ik glimlach. Jezus is allang geboren.

Bevreemdend bekend

Elf weken en één dag nadat ik afscheid nam van Dordrecht, loop ik weer door haar donkere straten. De avond valt, het regent zacht, het is druk op straat. Alles wat bekend was bevreemdt me.

Het is spits: de autolampen schijnen verblindend in mijn ogen. Op de stoep staan twee mannen, allebei in donkere jassen, allebei met net grijs haar. Eentje heeft drukke gebaren, de ander heeft de handen op zijn rug. Hij houdt iets vast waarvan ik even denk dat het een roos is (die hij zo aan de andere man gaat geven?), maar het is een paraplu. Hij houdt het ding zo stevig vast dat het ook een zwaard kon zijn (waar hij de andere man zo mee zal aanvallen?).

Ik loop verder. Ik aarzel even bij een zebrapad, alsof ik in mijn donkerpaarse jas onzichtbaar ben in dit uur. Ik denk aan het begin van ‘De Grote Scheiding’, als de verteller rondloopt in een stad die voor eeuwig stil lijkt te staan op het moment net voordat in de winkels de lichten aangaan. Haastig steek ik over. Natuurlijk ben ik niet onzichtbaar in die lichten die mij verblinden.

Ik heb een afspraak in Stadswerven en pak niet de kortste weg: ik wil over de Prins Clausbrug, die ik gebouwd heb zien worden, maar die nog niet klaar was toen ik vertrok. De handigste weg daarnaartoe loopt vlak langs mijn voormalige huis, maar ik neem een omweg. De plek zien die thuis was en dat niet meer is, doet me waarschijnlijk te veel.

Uiteindelijk moet ik zelfs een grotere omweg nemen, want er is een afsluiting. Op de Sint Jorisweg loop ik aan de kant van de straat waar ik nooit liep en verbaas ik me over de Nederlandse gewoonte die ik weer echt raar vind: de open of ontbrekende gordijnen. Ik staar hoge woonkamers in. In eentje hangt een stoffen vlinder aan de schouw. Ik vraag me af wat dat zegt over het verlangen van de bewoner om weg te vliegen.

Ik sla af in een straatje dat bekender is, dat ik altijd doorliep als ik terugkwam met boodschappen. Maar waar ik destijds rechtsaf sloeg, loop ik nu rechtdoor. De regen miezert verder. Er zijn weinig mensen op straat. Ik zie alleen een vrouw van middelbare leeftijd, met een streng gezicht, gekapt haar, een gedegen zwarte jas – en rode frutselige laarsjes. De enige andere mensen zijn fietsers van Thuisbezorgd. Ik vind het er opvallend veel.

Ik kijk weer een huis in. Er zijn geen lampen aan, maar toch is er voldoende licht: vier schermen, twee aan twee boven elkaar, glanzen in het duister. Weer knaagt de bevreemding aan me. Vier schermen scheppen een angstig beeld van hoe hard er wordt gewerkt. Maar ik ben al afgeleid. Ik loop weer aan een straatkant waar ik nooit liep: ik kijk op naar een flat die ik altijd alleen van de waterkant zag. Het gebouw lijkt in de schemerig hoog, intimiderend en afstandelijk.

Dan ben ik bij de Prins Clausburg. Eindelijk kan ik eroverheen. Da’s pas echt bevreemdend. De reling gloeit oranje, alsof we in een verre toekomst zijn. Halverwege houd ik even stil. Ik heb een uitzicht over mijn wijk dat ik nooit heb gehad toen ik er nog woonde. De afgelopen weken heb ik mijn thuis zo gemist dat ik verwacht pijn te ervaren. Maar terwijl ik kijk weet ik dat ik de goede keus heb gemaakt. Hoe mooi de omgeving ook is, het is niet mooi genoeg om er de rest van mijn leven stil voor te staan.

Dan ben ik in Stadswerven. Ik bel aan bij een oud-collega en even is alles als vroeger. Uren later loop ik terug via bekend terrein: de Oranjelaan. Maar het laatste stuk loop ik aan de kant waar ik nooit kwam. Het voelt of ik in een stad ben die ik niet ken: ik passeer hoge huizen die me doen denken aan grachtenpanden, of aan sprookjes: de huizen hebben stenen trappen naar een deur op de eerste verdieping, met een dromerige draai, die niets met functionaliteit te maken heeft. Waarom heb ik dit nooit gezien? Ik ben bijna blij dat mijn leven zo veranderd is dat ik weer verrast kan worden.

Een andere kant van een andere kant van een andere wereld

Haileybury bij daglicht

Het is geweldig op de bijbelschool, maar na bijna acht weken was ik toe aan even iets “anders”. Ik greep dus de kans aan om mee te gaan naar een concert. Het was misschien niet handig dat ik niet vroeg wát voor concert het was, maar dat liep gelukkig goed af.

Ik kwam samen met een Duitse klasgenote terecht op Haileybury, een internaat waar de rijken der aarde hun kinderen heen sturen. Per trimester – niet per jaar – betalen ze daar £9.000 voor. We stapten een concertzaal binnen die groter was dan heel wat theaters die ik in Nederland heb bezocht. De muren waren zo hoog dat ze intimiderend werden. We keken tegen een muur aan waar heel hoog een Latijnse tekst in stond gegraveerd. Tijdens het concert heb ik geprobeerd die te ontcijferen, maar ik kwam niet veel verder dan dat de zaal er was gekomen dankzij de steun van velen en dat hij in 1912 was opgeleverd.

Tijd voor muziek. Deze school had een volwaardig orkest, bijna compleet bestaand uit leerlingen. Alleen voor de pauken hadden ze een grote kerel ingehuurd. We hoorden muziek van Ralph Vaughan Williams en daarna de Boléro van Ravel. Mooi – met af en toe een foutje dat wij natuurlijk vergaven. Ik bleef om me heen kijken, nog steeds verrast om zo in een andere kant te zijn van de andere wereld die Engeland nog steeds is. Soms voerde de muziek me mee naar weer een andere kant: dwalend op het gevoel dat de muziek opriep.

Tijdens de pauze kletsten we met een docent van de bijbelschool en zijn vrouw. Door hen wisten we dat het concert er was en openstond voor buitenstaanders. Zij maakten deel uit van het koor dat na de pauze aan de slag ging. De jeugdige orkestleden hadden het veld geruimd. De pauken bleven, samen met twee piano’s, waar het hoofd van de muzieksectie van Haileybury en een professionele pianist plaatsnamen. Het koor van volwassenen van buiten werd aangevuld met een koor van al behoorlijk opgeschoten tieners en van kinderen die een stuk jonger waren.

Ze voerden “Carmina Burana” op, van Carl Orff. Als je dat (zoals mij, muziekleek die ik ben) niets zegt, zoek dan eens op “Fortuna Imperatrix Mundi”, het stuk waarmee deze cyclus begint. Dat ken je waarschijnlijk wel. Ik liet me nu echt meevoeren naar de andere kant van een andere kant van een andere wereld. De muziek was imponerend of zacht, overdonderend of liefelijk. Vooral toen de jongere leerlingen samen met het koor “Chramer, gip die varme mir” zongen was ik ontroerd: de hoge stemmen van de leerlingen en het geruststellende antwoord van de volwassenen knepen mijn keel dicht.

Maar uiteindelijk keerde ik toch terug naar de fascinatie van een school voor mensen die een heel ander leven leiden dan ik. Er waren verschillende solisten, allemaal leerlingen. Ik wil liever niet terugdenken aan hoe ongemakkelijk ik het vond om een tiener te zijn. Hier stonden tieners van 15 en 16 die klassieke muziek zongen in het Latijn of in archaïsch Duits, terwijl ze de zaal inkeken alsof ze thuis aan de ontbijttafel zaten: ontspannen, onaangedaan. Aan de namen was te merken dat de solisten uit allerlei landen kwamen (er was één Nederlandse). Vooral de Aziatische bariton en een Aziatische sopraan hadden een kwaliteit die ademloos maakte.

Ik peinsde verder, over het leven dat voor deze jongeren in het verschiet ligt. Waarschijnlijk zal ik ze niet terugzien op concertpodia, hoe goed ze ook zijn. Ze stromen door naar sjieke universiteiten over de hele wereld. Sommigen zullen naar Oxford en Cambridge gaan, hier in Engeland, of naar het Amerikaanse Cambridge. Ze zullen daarna functies bekleden met verantwoordelijkheden waar ik me niets bij voor kan stellen.

Ik keek weer op naar de hoge muur met de Latijnse inscriptie. Dat jaartal 1912 deed me denken aan de Eerste Wereldoorlog die toen vlakbij was. Hoeveel jongens die destijds op de school zaten hebben een paar jaar later hun leven neergelegd? “Carmina Burana” was populair bij de nazi’s, die de Tweede Wereldoorlog in gang zetten. En nu zat ik daar, naast een Duitse. Ik kon alleen maar denken aan hoe weinig we weten over onze toekomst, die andere wereld die we iedere dag betreden en toch nooit helemaal zien.

Het zou kunnen

Ik heb van die dagen dat mijn verbeelding voor mij uitholt. Dat mijn mentale filters het niet doen. Dan zie ik opeens verhalen waar ze er (misschien) niet zijn. Het overkomt me vooral als ik een beetje moe ben, of in een onbekende omgeving zit. Wat dat betreft kan ik in Engeland mijn hart ophalen.

Op een vrije woensdag stap ik de zonnige herfst in. De wind dwarrelt om me heen en mijn gedachten dwarrelen alle kanten uit. Niet voor het eerst valt het me op dat onder de grote eiken die in de grasvelden staan zo veel brandnetels groeien. En de groei eindigt precies onder het uiteinde van de takken. Zou de eik met zijn bladeren aanwijzen tot waar de brandnetels mogen groeien? Of zijn de brandnetels stiekem heel nerveus, bang voor het grote open grasveld waar koeien hen kunnen vertrappen? Of is het helemaal anders en vermijden koeien de eiken omdat die bomen stiekem een superheldenkracht hebben die ze alleen aan dieren laten zien? Loeien koeien omdat ze bang zijn voor bomen?

Ik loop verder, over smalle paadjes waar de beuken naar me toe buigen om me eens goed te bekijken. Tussen de wortels van bijna alle bomen liggen holen verscholen. Ik probeer me voor te houden dat kabouters niet bestaan – dat er konijnen wonen, en in de grotere misschien vossen. Ik hoop dat ik mezelf overtuig.

Ik laat het bos achter me en loop over het jaagpad langs het kanaal naar de dichtstbijzijnde stad. Er is net gesnoeid, met grof geschut: bomen en struiken zijn verwond en lijken bijna te kreunen. Ik hoor ze nog net niet. Een els houdt een gehavende tak op alsof ze om een verband vraagt.

Halverwege komt een kromme oude vrouw met een kromme oude stok me tegemoet. Haar twee honden zijn collies met ogen die op die van mensen lijken. Eentje vermijdt mijn blik, alsof hij een geheim probeert te bewaren. De ander kijkt me aan alsof hij ieder moment iets tegen me zou kunnen zeggen. Als ik verder loop vraag ik me af wat het was.

Ik ben blij als ik de stad bereik en de vraag kan loslaten. Ik stap de supermarkt binnen en even gaat mijn aandacht exclusief naar wat Tesco’s allemaal te bieden heeft. Maar bij de kassa ben ik weer afgeleid. Buiten stapt een volumineuze vrouw op een stel jochies af die voor de supermarkt op een bankje zitten. Haar krullende halflange haar is bovenop vastgezet met een grote klem – ik probeer niet te denken aan hanenkammen. Ze begint te argumenteren. Ik hoor natuurlijk niet wat ze zegt, maar als ik buitenstap zijn de jochies verdwenen en zit de vrouw op het bankje. Ze steekt net tevreden een sigaret op. Zou ze de jongens streng hebben toegesproken alleen maar om dit bankje voor zichzelf te hebben? Het zou kunnen.

Ik begin aan de terugweg. Er rijdt een bestelwagentje voorbij, met daarop groot het woord: “Stress?” Erachter staat welk nummer de lezer dan kan bellen. Even stel ik me voor dat de bouwvakkers in de bestelwagen met hamers en beitels iemands stress te lijf gaan. De ene roept naar de ander: ‘Hier zit nog een beetje; schraap dat snel weg.’ En als ze klaar zijn met schrapen, pakken ze witte verf en smeren ze alle bewijs van hun werk weg.

Ik verlaat de doorgaande weg en keer terug naar het jaagpad. In het water dobberen ganzen (andere dan in Nederland: Canadese, met een zwarte kop). Er zwemt één jonge zwaan tussen, die door de ganzen wordt genegeerd. Misschien is hij het lelijke eendje uit het sprookje. Het zou kunnen.

Ik word afgeleid: achter me komen joggers aanrennen. ‘Goedemiddag!’ roepen ze – in het Nederlands. Het zijn medeleerlingen van de bijbelschool.

De betovering is verbroken: door dat Nederlands weet ik weer dat ik in een heel gewoon Engeland ben. Wat verderop zie ik iets zwemmen in het kanaal. Heel even wil ik nog geloven dat het een zeehond is, of een bever, maar het is gewoon een hond. En zijn baasje heeft geen groen haar, maar een groene muts. En ze draagt geen rode koningsmantel. Het is gewoon een jas. Denk ik.

Zonder (veel) woorden

Drie weken ben ik nu in Engeland en woorden schieten tekort. Nogal letterlijk. In het Engels kan ik me een stuk minder precies uitdrukken dan in het Nederlands.

Op mijn gang ga ik steeds meer om met Clare. Ze is een stuk jonger dan ik, maar wel een stuk wijzer. Ze heeft jarenlang in verre buitenlanden gewoond en kan met een stille diepte praten over waar ze tegenaan liep, en wat God doet als je zelf in beweging komt. Ze heeft ook een sprankelend, onverwacht gevoel voor humor. Ik geniet als ze praat. En baal als ik antwoord. Mijn Engels is niet slecht, maar als ik voel me een onbehouwen tiener die opzettelijk zo asociaal mogelijk reageert op haar lerares. Waar zijn de dagen gebleven dat ik mijn werkuren mocht besteden aan schrijven – en ik daar in mijn vrije tijd mee verderging?

Zuchtend ga ik een blokje om. In de natuur zijn niet veel woorden nodig. Bij kastanjes en bij beuken vallen lege bolsters op de grond, hoewel er geen wind staat: daar zijn eekhoorns aan het werk. Een groep duiven fladdert op: angst. Fazanten hollen voor me uit: nog meer angst. In het struikgewas bewegen bladeren in de nog steeds windloze dag: onzichtbare dieren verstoppen zich voor me. Een roofvogel suist voorbij zonder één enkel geluid.

Ik probeer stil te worden, zonder woorden de God te zoeken voor wie ik zeg hier gekomen te zijn. In deze eerste weken in Engeland heb ik me regelmatig afgevraagd of ik Hem wel goed verstaan heb. Dat schijnt normaal te zijn, maar het is een angstige ervaring. Al je schepen verbranden en er dan achter komen dat er geen nieuw schip is dat je over de diepe oceaan gaat brengen? Op de Bijbelschool wordt er veel nagedacht over God, maar veel zekerheden worden ook kritisch bekeken. Zelfs God lijkt anders.

In de stilte voel ik mijn angst nog beter. En ik weet het: ik verstop me ook in het struikgewas, verberg me onder bladeren, wil opfladderen en wegvliegen, hoewel ik geen thuis meer heb waar ik heen kan. Ik heb alleen nog God en het vertrouwen in Hem. Ik wil denken dat ik dat besef veel te groot maak – maar het is echt waar.

Vluchten. Hoe aanlokkelijk is dat. Een boek waarin ik helemaal kan opgaan (en dan even geen studieboek, maar iets spannends om te lezen – of te schrijven) of een doos met heerlijke chocolade – hoewel ik gelukkig Engelse chocolade niet meer zo lekker vind als vroeger.

Er zijn geen uitvluchten meer. Ik probeer mijn woorden te stillen, mijn gedachten te sussen zoals ik een baby zou sussen. Misschien zijn woorden toch niet altijd zo fijn. Misschien moet ik maar helemaal stoppen met denken – als ik wist hoe dat moest.

Ik kijk om me heen. Het is een stille herfstdag. In de hagen zie ik rozebottels en één bloesem van een braamstruik. De boerenvelden zijn kaal; de horizon is vaag met onbestemde bewolking. Maar het is nog warm, en soms kust de zon me alsof het zomer is. Ik weet het: het zal winter worden, sneller dan ik op deze oktoberdag denk. Ook in mij. En dat is waarschijnlijk goed.

Een paar dagen geleden bad ik samen met een aantal andere mensen voor de toekomst van Project Deshima, mijn plannen in Japan. Tijdens het gebed zag ik in mijn gedachten een deur die openging. Ik dacht dat het betekende dat er nieuwe mogelijkheden zouden komen. Maar toen snapte ik het: die deur is in mijzelf. Voordat ik aan de slag kan met mijn toekomst zal ik eerst in mijzelf moeten rondwandelen, in alles wat ik geloof en niet geloof over God. Ik denk dat mijn vertrouwen nog gesnoeid wordt de komende tijd, zodat het de winter aankan, en kan bloeien als het nodig is.

Ik slenter verder over het pad terug naar All Nations, de Bijbelschool. Het is vol stenen, en het valt me op dat zelfs die soms in tweeën zijn gesneden. Welke hand kan dat doen? En vindt de steen het fijn om een stuk van wat zijn binnenkant was nu te laten zien aan wind en lucht en kou?

Wandelen in Engeland met wie er niet is

Op 21 september arriveerde ik op All Nations Christian College, waar ik een schooljaar ga doorbrengen. Het was alsof ik een sprookje binnenstapte: een Engels landhuis omringd door beboste heuvels en glooiende velden. De staf en de leerlingen zijn allemaal zo aardig dat het bijna onnatuurlijk is. En toch… na een paar dagen verlang ik naar wat en wie er niet is.

Alles is opeens anders. Geen eigen huis meer, niet meer je vertrouwde eten, niet meer je vertrouwde mensen. Allemaal nieuwe mensen: een 24-jarige die al vier jaar in Madagaskar heeft gewerkt, een 37-jarige die in drie verschillende landen projecten heeft opgezet – ik voel me nederig.

Nederig én overweldigd. Het is verrassend dat ook als iedereen geweldig is, je op een gegeven moment gewoon behoefte hebt aan rust. Na drie dagen vol introductie en interactie, ga ik op zondagmiddag wandelen. Ik ben blij dat ik in mijn eentje ga. Alhoewel… het voelt of er mensen meelopen.

Ik loop eerst langs de bosrand en dan door landbouwvelden. De zon schijnt warm voor het begin van de herfst. Het pad ligt vol steentjes die in Engeland ouder lijken dan in Nederland – en harder voelen aan de voeten.

Bij een grote eik waar een bord wijst op verre bestemmingen, sla ik linksaf. Ik voel mij tot rust komen, en denk aan wandelingen in Zeeland met een goede vriendin. Ik herinner me een plekje heb bij een grote eik waar we graag stilhouden.

Als ik weer linksaf moet slaan loop ik even naar rechts, om een doorkijkje door de velden te hebben. Net op dat moment vliegt er een grote roofvogel op – of eigenlijk een “rofo”, zoals een andere goede vriendin en ik altijd zeggen tijdens wandelingen.

Zodra ik aan die vriendin denk, scherp ik mijn ogen. Er zitten hier in de omgeving veel herten, en voor deze vriendin is een wandeling pas compleet als ze herten of reeën heeft gezien. De herten hier kent ze waarschijnlijk niet: muntjac, een heel kleine soort. Ze hebben een aparte gang, met opgetrokken schouders, zodat ze heimelijk lijken te vluchten. De dagen ervoor heb ik er al een paar gezien. Helaas: deze zondag verstoppen ze zich voor me.

Verder loop ik – keurig links houdend op lege wegen, waar ik één vrouw met een hond tegenkom, en één mountainbiker. De velden vol gewassen doen bekend aan, hoewel ik niet weet wat er geteeld wordt. De Zeeuwse vriendin, met boerderijervaring, zou het wel weten. Steeds meer denk ik aan mensen die er niet zijn. Hoewel de wereld glooiender is, zouden we bijna in Nederland kunnen zijn.

Alhoewel… Er zijn geluiden die ik in Nederland niet veel hoor. Het is hier erg druk met fazanten, die zich luid en duidelijk laten horen, met een klokkend geluid. Nog wel: we zijn gewaarschuwd om in de herfst op de paden te blijven, omdat er dan jagers op de fazanten komen schieten. Ik heb in een verre haag ook een witte vogel gezien, maar ik heb geen idee van welke soort.

Het laatste stukje van mijn wandeling wandel ik in bosrijker gebied. Er komen verschillende kleine vliegtuigen over, en later ook een helikopter. Ik vraag me af of er belangrijke mensen in de omgeving wonen.

Bij een cottage sla ik af, terug de heuvel op naar All Nations. En even lijkt het alsof ik in Eden ben. Aan beide kanten van het pad dwalen fazanten, maar geen enkele wil voor me vluchten. Een grijze eekhoorn huppelt vlak voor me over het pad. Gelukkig zie ik vlak daarna ook een rode eekhoorn, die in Engeland steeds zeldzamer worden doordat de grijze (die eigenlijk Amerikaans zijn, en ooit door een dwaas zijn uitgezet) sterker zijn.

Plots zie ik wat verderop en grote witte vogel, midden op het pad. Van een afstandje denk ik even dat het een pauw is, maar dat zou te onwaarschijnlijk zijn. Ik kom dichterbij en de witte vogel blijft rustig zitten. Het is een fazant – ik wist niet eens dat er witte bestonden. Pas als ik een foto heb gemaakt verdwijnt hij statig in het struikgewas.

Ik loop verder, naar All Nations. Ik ben niet meer in Nederland, weet ik weer.

Beige en blauw

Ik word opgehaald om ergens te gaan eten. Om half zes sta ik klaar, al buiten, omdat het eindelijk eens niet lijkt te gaan regenen. Ik verbaas me erover dat de altijd zo stipte collega’s deze keer op zich laten wachten. Ik kijk op WhatsApp naar ons gesprek over het tijdstip. O. We hadden een kwartier later afgesproken dan ik dacht.

Ik ga maar even zitten op een bankje aan het water. Ik vraag me af of het me zal lukken om te ontspannen. De laatste tijd ben ik daar niet zo goed meer in (of misschien was ik het ook nooit). Zodra ik mijn hoofd niet meer afleid, leidt mijn hoofd mij af met zwarte scenario’s waarbij ik werkloos en dakloos ben. Mijn baan opgeven en bijna mijn huis opgeven, maakt meer los dan ik had kunnen bedenken. Ik wist dat ik best creatief was, maar op dit moment wens ik dat mijn hoofd wat minder verbeeldingskracht had.

Vlak voor mij ligt een vrachtschip aangemeerd. Ik kijk er niet al te bewust naar: ik zie wolken, meeuwen, een schip verderop waarvan ik denk: ‘Hé, dat was het drijvende podium waarvan de laatste weken zoveel geluidsoverlast kwam; blijkbaar is dat nu over.’ Mijn gedachten zijn in Engeland, in Japan, of op de plek waar ik straks ga eten (‘Wat zou er op het menu staan?’).

Ik kijk toch weer naar dat vrachtschip. Het kraakt als de wind en de golfslag het van zijn plek proberen te duwen. Maar het kraakt niet alsof het onder de indruk is van de krachten die op hem worden uitgeoefend. Het drijft niet weg.

Ik kijk nog eens beter naar dat vrachtschip. Het ligt aan een lange beige kabel. Soms trekt de kabel helemaal strak, dan komt er weer wat ruimte en hangt de kabel losjes langs het schip. Op zulke momenten wordt een blauwe kabel strak getrokken, die om een andere aanmeerpaal hangt.

Ik kijk en blijf kijken. Beige kabel trekt strak, beige kabel viert en blauwe kabel trekt strak, blauwe kabel viert, beige kabel trekt strak. En zo opnieuw en opnieuw. Ik voel in mijn eigen spieren het straktrekken en weer vieren, maar ik voel vooral dat vieren: dat loslaten van al wat strak staat. Ik probeer het écht te voelen: ontspanning.

Het lukt zo’n beetje. Als ik wegkijk, de lucht in, surft er een meeuw voorbij op de wind. Zijn vleugels zijn wijd gespreid, alsof hij de wind in en onder zijn vleugels ontvangt. Hij vraag zich vast niet af of hij zal vallen. Hij weet dat er voor hem wordt gezorgd. Hij waait weg in de lucht, samen met de wolken, tot voorbij de horizon.

Ik weet het weer: op een dag zal ik meevliegen.

De gedachten van een mus

Photo by Wolfgang Hasselmann on Unsplash

Een tijdje geleden liep ik langs een struik – of eigenlijk was het een struikje. De takken waren dun – of eigenlijk iel. Maar een volwassen mus greep zich aan zo’n takje vast en viel niet. Hij was zo licht dat het takje zelfs nauwelijks boog onder zijn gewicht.

Soms wil ik zo licht als een mus zijn. Ik bedoel niet dat ik mezelf te zwaar vind. Ik bedoel: wat is het lekker als niets om je heen zwaar is – of zwaar lijkt; als je omgeving of jijzelf niet buigen onder je eigen gedachten.

Mijn gedachten de afgelopen week waren zwaar. Ik zit volop in mijn proces van loslaten: werk en huis opgeven, voorbereiden op de bijbelschool in Engeland en daarna de grote reis naar Japan, ver weg van iedereen die me lief is. Door Brexit heb ik nu een visum nodig voor Engeland, en daarvoor moest ik een taaltoets doen. Die haalde ik met prachtige cijfers. En toen kwam erachter dat ik de verkeerde taaltoets had gedaan. Een echtpaar met hetzelfde probleem vertelde dat we de goede niet meer in Nederland konden doen. De dichtstbijzijnde locatie was Parijs – of anders Bern.

Het bleek uiteindelijk allemaal wat minder zwaar: de toets kon toch wel in Nederland. Maar… pas in augustus, terwijl ik in september al naar Engeland moet. Blijft er wel tijd genoeg over om het visum aan te vragen, en vooral: te krijgen? Mijn gedachten werden weer zwaarder. Ze lagen ’s nachts op mijn hart, of op mijn longen. Het was lastig om te blijven ademen. Ik wenste weer dat ik een mus was. De hersenen van een mus zijn zo klein en licht dat hij niet kan piekeren.

Maar God sprak dwars door mijn eigen gedachten – of (waarschijnlijker) door die van Hem. Volgende maand mag ik een keer spreken in de kerk. Toen ik ervoor werd gevraagd, wist ik gelijk waar ik het over wilde hebben, maar ik had het nog niet uitgewerkt. Ondanks de onrust begon ik daar maar eens aan. En de conclusie van “mijn” eigen preek was: benoem je zorgen naar God toe, zoals Elia, die durfde uitspreken dat hij het leven moe was. Wees niet als Saul, die zich groot hield voor zijn leger en offers bracht die hij helemaal niet moest brengen. Saul sneuvelde; Elia zag God op de berg Horeb. Ik huilde bij God uit, benoemde hoe spannend ik alles vind – hoe doodsbang ik soms ben voor al die veranderingen.

De volgende dag had ik een fotoshoot. Nou, voor mij is dat een zin die ik niet had verwacht ooit te zullen schrijven. Maar dat zijn van die dingen die soms gebeuren bij grote veranderingen: anderen willen daarover kunnen lezen, en bij een artikel horen foto’s (beweren ze). Ik zag er echt tegenop. Ik krijg gewoonlijk kaakpijn als ze me willen fotograferen, zeker als het langer duurt dan drie seconden. Meestal herken ik mezelf nauwelijks in het resultaat – of wíl ik mezelf niet hoeven herkennen.

Maar… de fotoshoot was geweldig. Samen met de fotografe stond ik in een ultiem Hollands landschap: hoge wolkenluchten, elegante hoge halmen, uitbundige bloemen. En het waaide: een frisse wind in mijn gezicht, om mij heen, tegen mij aan, kriebelend, strelend, geruststellend. Ik dacht opeens: God weet hoeveel ik van de wind houd. Is het echt toeval dat ik straks allemaal foto’s heb waarop de wind zichtbaar aanwezig zal zijn?

Bij de laatste locatie waar de fotografe de wind en mij vastlegde, vlogen zwaluwen af en aan. Ik moest in de camera glimlachen, maar ik glimlachte naar de lucht. Ik was een beetje jaloers op die zwenkende vogeltjes, maar ook gewoon blij dat ik naar ze mocht kijken.

Daarna ging ik naar een korte bidstond. Terwijl ik bad moest ik opeens huilen. Maar het was niet van de stress. Het was omdat ik eindelijk weer even rustig was. Mijn gedachten waren licht als van een mus. Ik wist dat ik mee kon vliegen, met God, naar de bestemming die Hij voor mij in gedachten heeft. Toen ik ’s nachts wakker werd, lagen mijn gedachten al weer voelbaar op mijn longen, maar ik draaide me om en sliep verder.

Onweer in mijn hoofd

Ik stap door het fotobehang van mijn woonkamer, niet het huis van mijn buren maar het bos van mijn verbeelding in. Het is er benauwd. De beukenbomen lijken dichter op elkaar te staan; spinrag kleeft aan mijn zweterige arm; varens kriebelen aan mijn enkels als ik door ze heen waad, onderweg naar het huis dat iedere keer ergens anders lijkt te liggen.

Dan zie ik het, net niet verstopt achter een heuvel met hoge rododendrons. Voordat ik erheen kan sjokken, stort een kanonskogel de heuvel af, bijna door mij heen – Zoë stuitert nog net terug als haar hoofd mijn buik raakt. ‘Daar ben je weer,’ roept ze. ‘Jij bent heel lang weggebleven.’

 ‘Sorry.’ Ik woel door haar blonde haren, tuur in haar ogen en weet weer waarom haar ouders die zo mooi vinden. Als je kleine Zoë aankijkt, denk je aan kusten waar het strand tropisch wit is, maar er altijd een frisse bries vanaf zee waait.

‘Daar ben je weer,’ zegt een andere stem. Volgens Anna heeft Zoë de ogen van haar vader, maar Matthew kijkt niet alsof er een frisse wind waait – hij kijkt of het ieder moment kan gaan onweren. ‘Wanneer laat je mijn dochter met rust?’

‘Je bedoelt wanneer ik jou met rust laat.’ Ik krijg het plots nog warmer – zweet drupt tussen mijn huid en mijn shirt. ‘Jullie hebben me voor de gek gehouden.’

Matthew grimast, bijna tevreden. ‘Jij hebt niet opgelet – jij wilde je eigen verhaal vertellen in plaats van dat van ons.’

 Oké, misschien moet ik uitleggen wat hier gebeurt. In de jaren dat ik me iedere dag overat en iedere nacht overwoog dat ik beter dood kon zijn, was er één ding dat mij echt blij kon maken: schrijven. En ik schreef De Schreeuw van de Pauw, het verhaal van Matthew, de graaf van Northend , en zijn echtgenote, Anna, die vijf jaar nadat hij haar heeft weggestuurd naar hem terugkeert. In dat boek legde ik alle dromen die ik bezat, en vervolgens droomde ik dat het werd uitgegeven.

Vorige maand haalde ik het na meer dan tien jaar tevoorschijn. En ik was… geschokt. Het bleek 214.000 woorden te hebben (een normaal boek heeft er zo’n 80.000). Het verhaal was omslachtig en theatraal. De personages van wie ik zo veel houd leken… o help… melodramatisch. Ik begon aan een reddingsoperatie. Ik hakte woorden weg en wiste scènes uit. Ik zag steeds meer dat Matthew zwijgzamer was dan ik had gedacht, en Anna grappiger dan ik haar had gemaakt. Ik kreeg in de gaten wat hen werkelijk bezighoudt – ik werd me bewust van een ontzag dat zij altijd al hadden ervaren, voor de krachten die groter dan hun levens zijn. Ik was boos, maar ook blij. De Schreeuw van de Pauw hield mijn leven dragelijk toen ik het ondragelijk vond. Nu mijn leven door de plannen voor Japan wat al te spannend is, leidt het fijn mijn aandacht af.

Anderhalve week geleden was ik op zaterdagavond bij vrienden. We hadden het even over de gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester uit de Bijbel. Die gelijkenis heb ik nooit gesnapt, vooral omdat de rentmeester geprezen wordt om de oneerlijke manier waarop hij de gevolgen van zijn terechte ontslag verzacht.

In het huis van mijn vrienden zijn veel theologieboeken; ik kreeg er eentje mee. Terwijl vroeg in de nacht boven Dordrecht een onweer losbarstte waar het huis van trilde, las ik over de gelijkenissen in Lucas. Opeens zag ik Anna uitleggen hoe het nou zat met die onrechtvaardige rentmeester. Ik voelde die oude, vertrouwde hyperactieve passie, waardoor ik net zo hard wilde bliksemen als het onweer. Het gaat me lukken: De Schreeuw van de Pauw, begonnen in 2005, wordt nog wat het in mijn hoofd altijd al was.

‘Ik heb je door,’ zeg ik tegen Matthew, met net zo’n tevreden grimas. ‘Ik weet wat er echt gebeurde toen Anna naar huis kwam.’ Dan lach ik om Matthews frons. ‘Je kijkt of er een worm in je neus zit.’

Matthew fronst dieper. ‘Die uitspraak heb je gejat van mijn vrouw.’

Ik heb geen weerwoord. Die man weet niet dat hij een personage is. Of ben ik het personage, in zijn wereld?

Zoë trekt aan mijn mouw en vraagt wanneer ik nou meekom naar huis.

Bijna omver geblazen?

Laatst voelde ik me bijna Elia toen ik uit het werk kwam. Net voordat ik de deur uitstapte zag ik blauwbeurse wolken opbollen boven de polder. Ik begon al te twijfelen of ik droog thuis zou komen. Voordat ik halverwege was, waren de wolken zwart. Elia holde vanaf de berg Karmel voor de storm en de koning uit. Ik vroeg me af of ik hard genoeg kon hollen om droog thuis te komen.

Vlak voordat ik thuis ben moet ik één verkeerslicht voorbij. De regen viel toen nog steeds niet, hoewel er ook geen sprankje zonlicht meer te bekennen was. De wind had alle licht weggeblazen. Ikzelf werd bijna omver geblazen.

Even voelde ik die kick die ik altijd ervaar als de wind aan me trekt: dat gevoel dat de natuur zelf zich met je wilt meten en jij misschien kunt winnen. Ik wankelde en bleef staan. Misschien is dat waar ik het blijst van word: dat ik niet omval. En toen vroeg ik me af: is het echt leuk om te blijven staan? Ik loop, wandel, ren in mijn eigen kracht. Maar wat als ik nou wegwaai? Waar kom ik dan terecht?

Ik kwam droog thuis – daar was ik blij mee. Maar de vraag liet me niet los. De wind smeet water tegen de ruiten; meeuwen waaiden door de lucht; wolken werden beren en steigerende paarden. En ik vroeg me af of ik ertussen wilde vliegen. Bijna deed ik het raam open, in de hoop dat een onzichtbare arm me de lucht in zou buitelen, voor een reis naar Wolkenstein, Verrezee of Darkness-upon-Water. Maar mijn verstand greep in, of mijn angst. Wat als ik me écht omver laat blazen, in plaats van bijna? Wat gebeurt er dan?

Ik zette mijn computer uit na de vragen die ik hierboven stelde. Ik wist geen antwoorden, In het pinksterweekend erna was ik bij een goede vriendin in Enschede. Op vrijdag wandelden we in de velden bij Oldenzaal. De wind deed weer vele pogingen om de aandacht te vangen: de wind danste wild door de velden. Het gras boog diep onder de kracht ervan en het viel me op hoe wondermooi die buiging was. De groene velden leken bijna geel. Toen we daarna onder bomen op beschutte paadjes liepen, worstelden we met de modder – we sprongen over plassen en vermeden maar net dat we weggleden. Het werd alsmaar aantrekkelijker om in de wind te lopen.

Op zondagavond zaten we samen bij Het Rutbeek, een recreatieplas in Enschede. Zwaluwen buitelden door de lucht, niet gedreven door de wind, maar door hun eigen geest. Wij zaten op een bankje. Ik had alle tijd om eens goed naar de zwaluwen te kijken, en vast te stellen hoe mooi ze dansen, dartelen, dwalen. Waarom had ik dat in 48 jaar nooit écht gezien? Intussen rees de maan bleek en statig hoger in de nog blauwe lucht. Ik was me ervan bewust hoe klein ik was. Ik ben op aarde ook niet meer dan een zwaluw, die even vliegt en dan ergens voorbij de horizon verdwijnt.

Klein maar niet onbelangrijk – onbelangrijke mensen bestaan niet. De Bijbel zegt dat zelfs mussen niet ongezien door God ter aarde vallen. Ik denk dat God juist ook wil zien dat we niet vallen, maar eindelijk gaan vliegen. Maar die eerste sprong de lucht in, die eerste vleugelwiek… Wat spannend zijn die toch. Tijdens dat pinksterweekend, terwijl de uitstorting van de Heilige Geest werd gevierd, dacht ik soms dat ik het liefst maar geen Heilige Geest ervaar. Dan kan ik lekker negeren dat de wind – dat God – me blijft influisteren naar Engeland en Japan te waaien.

Maar de Geest liet zich natuurlijk niet negeren. De Geest was zelfs best streng. Dit las ik in de Basisbijbel: “Toen wilden ze uw prachtige land niet binnengaan. Ze geloofden niet wat U hun had beloofd. Ze mopperden en klaagden in hun tenten. Ze luisterden niet naar wat U zei.” Ik wil het prachtige land ingaan. Ik wil naar Japan – ik wil naar het land dat mij beloofd is, het land waarvan ik weet dat ik er moet zijn. Ik spreid mijn armen en hoop dat ik mezelf omver durf te laten blazen.