Bezonnen stilte

Zoals zo vaak verbaas ik me erover hoe verschillend Nederland kan zijn. Een uurtje met de trein van Dordrecht naar Den Bosch, drie keer met mijn ogen knipperen in de auto, en ik sta in landelijk Helvoirt, bij een voormalige klooster waar nu bezinningscentrum Emmaus een plek heeft gevonden. Ik had het eigenlijk moeten turven, want het is ongelooflijk hoe vaak er naar me geglimlacht wordt in alleen al het eerste uur dat ik er rondloop.

Ik geniet van de ambiance: lange stille gangen, schilderijen die mooi zijn in hun eenvoud, nog bijna tastbaar de aanwezigheid van de kloosterlingen die hier ooit woonden. Maar ook moderne faciliteiten. In aangebouwde gedeeltes kan ik me ook zomaar in een hotel wanen. De warme maaltijd die ’s middags wordt geserveerd zou daar niet misstaan.

Ik loop er rond op een donderdag en hoor namen van bekende organisaties die er vergaderen. Een medewerker vertelt dat er ook retraites zijn, vaak christelijke groepen die er een paar dagen samen optrekken. Vierhonderd mensen kunnen zij zonder veel moeite een plek geven. Ze leidt me rond door het oude gebouw. We stappen een dienstlift in waar nog een stokoude sticker opgeplakt zit: “Alleen in het gebouw? Dan niet in de lift! Samen in het gebouw? Dan één tegelijk.” Hoeveel jaren voordat de mobiele telefoon normaal werd zou die sticker geplakt zijn?

De lift doet gelukkig zijn werk. We komen op de eerste en tweede verdieping, lopen rond door de gangen waar kloosterlingen leefden die werden voorbereid op de missie, staan stil in een zaal waar vierhonderd stoelen klaarstaan voor een vergadering en een grote crucifix aan de wand laat zien om wie het echt gaat.

Later dwaal ik rond door het kleine bos achter de gebouwen. Aan het einde van een laan strekt een beeld van Jezus zijn handen naar me uit. Later vind ik zijn gestalte aan een kruis, terwijl in een nis dichtbij een beeld van Maria staat. Om mij heen gaat het landelijke leven zijn gangetje: koeien struinen voorbij (gelukkig aan de andere kant van prikkeldraad). Als ik terugkom hoor ik een groep mannen uit volle borst zingen: Laat Uw kracht zien!

Wat een plek… Ik spreek met een vrijwilligster uit Irak die zegt dat ze hier de liefde van God ziet in de mensen om haar heen, waar onbekende bezoekers haar een knuffel geven, en andere vrijwilligers en medewerkers voor haar bidden. Ze vertelt dat vluchtelingen er vaak zo van balen dat ze hun mooie diploma’s niet kunnen gebruiken. Maar, zegt ze, hier werk je in het huis van God. Dan maakt het niet meer uit wat je achtergrond is. Ik ben er stil van.

Iedereen die mij kent weet dat ik niet lang stil blijf. Later op de middag spreek ik nog een vrijwilliger, een jongen van zeventien. Welke jongen van die leeftijd wil zijn tijd besteden aan vrijwilligerswerk?! Maar hij zegt dat het “vet” is om werk te verrichten waar andere mensen blij van worden. Later wil hij trouwens bij de politie, niet om boetes uit te delen, maar om in gesprek te gaan als mensen foute keuzes maken. Hij wil graag een positieve invloed zijn. Zeventien!! Wat voor ambities had ik op die leeftijd? Stewardess worden, als ik het me goed herinner…

Ik zit een tijdje buiten, hoor in de verte de mannen weer zingen. De mensen die mij kennen weten ook dat ik wat cynisch kan worden over liedjes, maar dit is anders: ik hoor er kracht en overgave tegelijk in. Ik dwaal weer richting het kleine bos en zit op een bankje bij het beeld van Christus. Ik probeer stil te worden, me niet af te laten leiden door mijn telefoon of mijn eigen tetterende gedachten. Ik kijk naar het beeld van Christus, naar de uitgestrekte handen, naar de vingers die beschadigd zijn, maar zich nog steeds uitstrekken. Is dat ook niet hoe Jezus echt is: dat Hij zich altijd naar ons uitstrekt, hoeveel pijn het Hem ook kost?

Wat betekent dat voor mij? Dat weet ik nog niet precies, behalve dat ik net als Hij zonder angst voor de pijn mijn handen zou willen uitstrekken, naar Hem, naar de ander, precies zoals ze doen op deze plek.

Als je nieuwsgierig bent geworden: emmausbezinningscentrum.nl

Kastanjehoek

Ik woon weer vlak bij mijn oude Dordtse wandelrondje, waar ik voor mijn vertrek naar Engeland zo vaak liep. Ik had gedacht er na de verhuizing veel te wandelen. Niets is minder waar. Die paar keer dat ik er kwam, voelde het alsof ik terugkeer in een tijd waar ik niet meer moet zijn. De plaatsen waar ik me destijds thuis voelde, lijken nu leeg of vaal, alsof het er winter is in plaats van uitbundig zomer.

Omdat ik natuurlijk wel blijf wandelen (beweging is belangrijk voor het herstel, en je moet wat als je als ex-kankerpatiënt tot angstaanjagend veel rust bent veroordeeld), ging ik op zoek naar een nieuw rondje. Dat was erg snel gevonden: ik wandel naar Dubbeldam, waar ik – o ironie – grotendeels hetzelfde traject afleg als tijdens mijn behandeling. Het verschil is dat ik toen vaak strompelde, en nu regelmatig wandel alsof ik weer mezelf ben (tralala). Soms heb ik dat gevoel overigens ook helemaal niet (grr!). De vermoeidheid kan me overvallen als een onweersbui.

Maar ik moet niet te veel klagen, want mijn rondje is prachtig. Ik krijg er The Lord of the Rings gevoelens bij, en dan bedoel ik vooral dat stuk van de tocht waar de reisgenoten nog in De Gouw. zijn Vooral mijn eerste meters in Dubbeldam doen me eraan denken. Ik noem het Kastanjehoek. Een naam die past bij De Gouw, of niet soms?

Als ik onder de N3 ben doorgelopen ga ik rechtsaf, langs de grenzen van landgoed Dordwijk. Over een voetgangerspad waarlangs weinig gemaaid wordt en dat bijna overgroeid is, loop je naar een knik in het pad. En daar staan de kastanjes: hoog en breed, verwelkomend, misschien door hun bladeren die op dakpannen van huizen lijken. Eén kastanje heeft zijn top verloren, maar er zijn nieuwe takken ontstaan en zij is niet minder groen dan haar broers. Kouwen hebben er een nest gevonden, en zitten op de rand van hun hol in de boom naar mij te kijken.

Als je op het juiste moment langskomt, zie je de weerspiegeling van water op dikke takken dansen. Langs het voetpad loopt een stroompje. Pal onder de kastanjes huizen schaduwen. Ik heb het nooit uitgeprobeerd, maar ik denk dat wie in het water kijkt van alles zal zien in die duistere spiegel. Ik zag de dag van mijn eerste PET-scan een ijsvogel boven het donker scheren.

Al heb ik het mooiste stuk gehad, ik loop tevreden verder, steeds weer blij met het besef dat ik hier kort geleden strompelde, bang dat ik dood zou gaan, en nu zo veel heb om dankbaar voor te zijn en nog naar uit te kijken. Ik sla af naar links, verder langs de grenzen van Dordwijk, over een bruggetje bij alweer donker water, langs houten huizen die me doen geloven dat ik in Oostenrijk of in Zweden ben.

Na nog een afslag naar links bevind ik me naast een fietspad, onder plechtige eiken en taxussen. Hier lijkt de wereld altijd stiller. Dan steek ik een weggetje over en loop Dubbelmonde in, waar je Schotse Hooglanders traag de wereld kan zien overdenken terwijl ze hun gras herkauwen. Nu loop ik echt IN een park. Het bladerdak houdt de hemel weg, behalve bij dat kleine stukje waar ik vorig jaar in de herfst met een vriendin op een bankje zat, de ziekte besprak en uitkeek op een groen laag heuveltje dat me veel te veel aan een grafheuvel deed denken. Iedere keer als ik er langsloop, kan ik niet anders dan er even aan denken. Gelukkig is nu alles zo anders.

En toch… de internist die me vertelde dat de eerste controle goed was, zei ook dat de eerste twee jaar de kans op terugkeer van de ziekte groter is. Ik wil bij de dag leven, wandelen aan de hand van mijn Vader, maar soms beklemt de onzekerheid me. Ik wil leven bij de dag van vandaag, en morgen zijn eigen zorgen laten hebben, maar dan denk ik: is er een morgen? Ik weet het niet en loop verder, Dubbeldam uit, het tunneltje door, onderweg naar huis. En ik weet dat wat er ook gebeurt, de wandeling van mijn leven zo moet zijn.

Eerste controle

Het is 12 juni. De eerste controle na het heerlijke nieuws over de verdwenen kanker. Ik ben er opvallend rustig onder. Anderhalve week geleden zag ik allerlei schaduwachtige spookbeelden. Nu lijken die weggebrand in de hitte van de zon.

De dag ervoor, in de kerk, moet ik wel even slikken. Vorig jaar, toen ik net wist dat ik ziek was, heb ik voor de zekerheid mijn uitvaart geregeld. We zingen een nummer dat ik heb uitgezocht voor die gebeurtenis die nu weer ver weg lijkt. Even vrees ik dat God me iets probeert duidelijk te maken. Dan schud ik de gedachte af. Toeval bestaat.

Tijdens de dienst merk ik wel wat gevolgen van de chemo. Voor mij zit een man met wie ik regelmatig dingen doorgesproken heb. Ik heb hem vaak bij zijn naam genoemd – en heb nu geen idee hoe hij heet. Chemobrein is een zwaar irritant maar helaas veel voorkomend bijverschijnsel van de behandeling: ik ben nog nooit zo vergeetachtig geweest. Me concentreren is ook lastig: achter mijn laptop moet ik werk na anderhalf uur echt stoppen.

Na de dienst vorm ik, geheel in mijn eentje, het gebedsteam (de vrouw die zou helpen is ziek). Er komt iemand op me af die enthousiast benoemt hoeveel beter ik eruitzie sinds de laatste keer dat ze me zag. Ik weet waar dat was. Maar ik weet niet wie me aanspreekt. Argh! Voor iemand die altijd kon vertrouwen op haar geheugen, went het niet.

Gelukkig zijn we op 12 juni vroeg aan de beurt: even voor negen zitten Zeer Goede Vriendin en ik aan de koffie in de wachtkamer. Uit een ooghoek zie ik Heidi, de verpleegkundige die het beste kon prikken op de dagbehandeling oncologie. De internist is nieuw: de arts die me begeleid heeft tijdens mijn behandeling is verkast naar een ander ziekenhuis. De nieuwe arts is bijna even jong, ook vrouw en net zo’n goede luisteraar.

Ik zet me even schrap, maar het nieuws is goed: mijn bloedwaarden worden steeds normaler. De arts onderzoekt me, en al mijn lymfeklieren gedragen zich. Ze benoemt ook de dingen die nog moeten verbeteren: ik heb spiermassa verloren, en heb extra proteïne nodig. Mijn energie zal zomaar niet terug zijn op het oude niveau. Voor mijn mentale conditie geldt helaas hetzelfde.

We praten over de plannen naar Japan: kan ik volgend jaar al in februari vertrekken of is het beter om te wachten tot juli? De arts geeft niet echt uitsluitsel: eerst maar eens kijken hoe ik opknap. In september spreken we elkaar weer en we besluiten er dan verder over te praten. Zijdelings benoemt de internist nog dat de eerste twee jaar de kans op terugkeer van de ziekte het grootst is. En dat chemo risico op hartproblemen geeft, vooral op de lange termijn. Ik loop toch tevreden het ziekenhuis uit.

Later die ochtend zit ik aan de koffie met twee bekenden (ja, ja, ik ken hun namen!). Eentje heeft een kanker onder de leden waar hij weinig last van heeft. Ik zeg hoe normaal mijn leven alweer lijkt, hoeveel dagen er zijn dat ik niet meer weet dat ik vorig jaar bang was dat ik dood kon gaan, dat ik bijna vergeet dat ik ooit kanker had. De ander beaamt het: zij vergeet het bij mij ook bijna.

Ik loop naar huis. Ondanks de hittegolf staat er een aangename bries. Ik passeer de begraafplaats, waar ik níets te zoeken heb. Er stroomt een beek langs. In het riet fluistert de wind, platanen geven schaduw en ik zeg dank dat ik dit jaar zie, deze schoonheid ervaar, dat ik leef. Wat een wonder is het om te mogen zíjn, in het levenslicht.

Daarna kreun en steun ik thuis gewoon omdat het zo vreselijk heet is. Die middag belt de “schadebehandelaar” omdat ik een uitkering heb voor arbeidsongeschiktheid en het binnenkort een jaar geleden is dat ik ziekgemeld ben. Ik voel me bijna een fraudeur omdat ik waarschijnlijk inderdaad deels arbeidsongeschikt verklaard zal worden, tijdelijk dan. Ik vind het weer lastig te geloven dat ik echt kanker heb gehad, dat ik voorlopig nog niet naar Japan kan. Ik probeer mijn zegeningen maar opnieuw te tellen, één voor één, in het levenslicht.

Een geurige gave

Vuur

Vorige week was ik een paar dagen bij een vriendin in Enschede. Ze heeft een vuurkorf en bij eerdere bezoekjes zaten we daar weleens ’s avonds omheen. Deze keer kwam het er niet van: de enige avond dat hij aanging, was ik vroeg naar bed gegaan (stomme naweeën van de chemo). De andere avonden was het te fris. Maar vreemd genoeg droomde ik tijdens een van mijn laatste dagen in Enschede met open ogen dat ik wel bij de vuurkorf zat.

De hitte van het vuur sloeg tegen mijn gezicht; in de naderende duisternis zag ik dunne slingers rook de hemel in dansen. En zo vlak voor Pinksteren kon ik niet anders dan denken aan hoe de Heilige Geest bij de eerste Pinksteren als vuur over mensen werd uitgestort. Het verbrandde hen niet, maar transformeerde hen wel.

Ik lees momenteel Leviticus, niet het meest inspirerende boek van de Bijbel. Na mijn droom die geen droom was, was ik minder slaperig toen ik over al die offers las waar Leviticus mee volstaat: “Dan laat [de priester] het dier op het brandende hout dat op het altaar ligt, in rook opgaan. Zo is het een brandoffer, een geurige gave die de HEER behaagt.”

Ik heb die offers nooit zo begrepen: al die weerloze dieren die gedood worden om de zonden van mensen teniet te doen. Ook na mijn jaar aan de bijbelschool heb ik er vragen over. Maar nu denk ik: het volk gaf wat voor hen het waardevolst was. Als wij nu zouden offeren, zouden we de fik steken in onze iPhone, en voor een zondeoffer een stapel bankbiljetten op het altaar leggen.

De geur was een geurige gave die de HEER behaagt. Hm… De geur steeg op, net zoals de rook van de vuurkorf. De kringeltjes rook die ik zag verdwijnen al snel in de eindeloze lucht, die lucht die letterlijk nergens zijn einde vindt. Misschien verwarmt hij uiteindelijk de hemel, waarvan we niet weten waar die is. Misschien overal, net buiten het zicht van onze ooghoeken, zo ongrijpbaar als vuur, dat ons kan verwarmen en kan vernietigen.

De joden brachten hun offers, en bleven dat doen tot er geen Tempel meer was. Daarna kwamen ze samen in synagogen, uiteindelijk over heel de wereld, omdat ze werden verspreid, als as van een vuur dat uitgegaan is, koud is geworden. Ik denk dat ze nog steeds een geurige gave waren, door hun trouw aan de geboden, door hun weigering God los te laten.

En wij heidenen kregen een nieuw vuur. Een paar decennia voordat de Tempel van de joden werd verwoest, werd de Tempel van de christenen verwoest: Jezus belandde aan het kruis. Of eigenlijk: God belandde aan het kruis. Hij liet zichzelf offeren, als een geurige gave voor zichzelf, zodat iedereen die de echtheid van dat offer erkende, nooit meer hoefde te offeren.

En Hij stond weer op. Geen stank steeg op van Jezus’ lichaam terwijl het ontbond. Het ontbond niet. Het kreeg nieuw leven, en gaf ons allemaal nieuw leven. Niet lang nadat Jezus terugkeerde naar de hemel werd de Heilige Geest uitgestort. Vuur dat niet verwoest. Vuur dat leven brengt.

Ik ben niet doodgegaan, niet zoals Jezus is gestorven. Ik zou me nooit durven vergelijken met Hem. Maar ik heb wel de angst voor de dood ervaren. En nu zoek ik weer dat vuur, dat mijn gezicht zal verhitten maar niet verschroeien. Ik wil het wel uit de hemel sleuren en uitstorten over Japan en over Nederland en over iedereen, waar dan ook, die het wil ontvangen. Ik wil dat het diep in mijn hart brandt en blijft branden.

Maar ik ga daar natuurlijk niet over. Ik ben een klein vlammetje. Ik kan alleen maar gaan naar plekken waar het droog is, en daar alles in lichtelaaie zetten. Of ik kan reizen naar de grenzen van de dageraad, waar het misschien nog koud is, en daar delen van het vlammetje, en vertellen over het echte vuur.

God zegt dat ik nog even geduld moet hebben, dat het nog te vroeg is om te reizen. Tot die tijd ga ik vast bij het vuur zitten. Kom je erbij? Gezellig een fikkie stoken? Barbecue met een gesprek over de Offergave? Van harte welkom!

De wind danst door mijn hoofd en…

Dubbelmonde Park

Toen ik net wist dat ik ziek was kreeg ik een geweldige kaart. Op de voorkant staan een paar halmen en de tekst: De wind danst door mijn hoofd en fluistert Ssh. Ik stond er met betraande ogen mee in mijn handen. Omdat de afzender er blijk van gaf dat ze me erg goed kent, en omdat ik de indruk had dat God hetzelfde fluisterde.

Inmiddels heb ik geen kanker meer (het is nog steeds bijzonder om dat te schrijven), maar afgelopen week stierven twee lieve bekenden aan de ziekte. Ik voelde me bijna schuldig dat ik leef. Maar tegen dat schuldgevoel fluister ik Ssh.

Vandaag danst de wind door mijn hoofd. Het waait, de wind blaast en dartelt en daagt uit, en tussendoor schijnt de zon, steeds feller. Ik ga naar buiten en wandel. Ik ben al snel (veel te snel) moe, maar in mijn hoofd dans ik mee. Het is lente en ik leef.

Eigenlijk staat alles wat ik wil zeggen in de alinea’s hiervoor, of in de zin hiervoor, maar mijn hoofd zoekt naar details. Ik lach om de kauwen die vechten om een boterham die op straat is gegooid, en die gezamenlijk aarzelen of ze zullen opvliegen als ik nader. De dapperste, die het langste blijft zitten, graait de kaas van het brood, maar als hij ten slotte voor me vlucht laat hij de kaas vallen – de plakjes zijn te zwaar voor hem. Heeft hij zich de kaas nu wel of niet van het brood laten eten?

Ik waai over de Koeiendijk, langs verkeerslichten, door de Indische en Vogelbuurt, de Noordendijk op. De wind worstelt met me, probeert me weg te laten waaien. Ik wens bijna dat het de wind zou lukken. Ik woon weer in Dordrecht, en daar blijf ik voorlopig, herstellend van wat me bijna doodde. Ik ben blij met deze plaats, hou ervan, maar weet dat het niet langer dan nog een jaar mijn thuis moet zijn. Mijn hart droomt van boeken schrijven, veilig in een kamertje in deze stad; mijn geest weet dat ik naar Japan moet – zal – wil gaan.

Ik drink koffie met een vriendin, voel me moe van een wandeling waar ik een jaar geleden energie van gekregen zou hebben, maar dwaal anderhalf uur later weer naar huis. Het is zonniger en warmer – mijn winterjas en hoed benauwen me. Mensen die in de winter woordeloos voorbij lopen glimlachen nu en zeggen me gedag.

Ik loop langs het spoor en zeg gedag tegen de platanen, die deinen in de wind en glanzen in het sterker wordende licht. Kauwen worden door de lucht gegooid maar doen of ze vliegen, samen op zoek naar boterhammen of ander eten. Ik loop vlak langs de sportparken en de beuken die het afgelopen seizoen statig en donker waren, afstandelijk vriendelijk, zijn nu toeschietelijker. Een paar takjes lijken minder dor.

Als ik bijna thuis ben, en stiekem serieus moe, maak ik toch een kleine omweg door het Dubbelmonde Park. De twee Schotse hooglanders die daar een thuis hebben, liggen allebei aan een andere kant van het pad, met hun konten naar me toe herkauwend. Ik vind het niet zo fijn ze zo te benaderen, en zeg ze kuchend gedag zodat ze niet van me schrikken en me, dartelend door de lente in hun bol, op hun horens nemen.

Wat verderop glijdt de zon achter een wolk en lijkt het park bijna ernstig, of het weer winter is, en de uitkomst van de ziekte nog onzeker. Maar dat is schijn, want overal groeit speenkruid. Speenkruid hoort bij mijn jeugd, bij leven toen het nog nieuw en vol ontdekkingen was: speenkruid fascineerde me toen ik als klein meisje door een heel ander park naar school liep. Even denk ik aan de sterren waarvan ik destijds dacht dat ze in het water van de singel dansten, daar gevangen door een heks, een beetje als in het sprookje van de dansende waterlelies in de Efteling.

Ik maak mijn laatste draai door het park, richting het bruggetje en de laatste straten naar huis. De zon is terug, en het speenkruid danst, geworteld in de grond, maar door de wind in beweging gebracht en besprenkeld met licht, als sterren die straks hun plek in de hemel zullen vinden.

In remissie

Straat in Japan
Photo by Denys Nevozhai on Unsplash

De avond voordat ik hoorde dat ik – hoera! – in remissie ben, moest ik denken aan wat het woord “remissie” eigenlijk inhoudt. “Re” is een Latijns voorzetsel met de betekenis van “weer” of “terug”. Dus “reageren” betekent dat je op jouw beurt “ageert” als iemand anders iets doet. Remissie werd zo niet alleen een term voor een kanker die wordt weggestuurd (‘Daar is het gat van de deur!’), maar deed me ook denken aan “weer een missie”.

En dat idee van “weer een missie” brengt natuurlijk allerlei leuke associaties. Kanker weg, ik alsnog de zending in. Maar ik moet eerlijk toegeven dat ik de avond voor het goede nieuws nauwelijks aan zending kon denken. Ik kon nergens echt aan denken. Er was een besef van onzekerheid, niet weten, overgeleverd zijn aan iets wat groter is dan ik – waar ik weinig invloed op heb.

Op maandag 6 maart zaten Zeer Goede Vriendin en ik samen in de wachtkamer, tien minuten te vroeg. De internist die nooit uitloopt liep nu uit. Ik kreeg het koud, begon te trillen en was heel blij met de afleiding van Zeer Goede Vriendin, die over haar heupoperatie vertelde en heftige foto’s liet zien. We zaten dertig minuten te wachten en kregen excuses van de internist.

Toen ze het goede nieuws vertelde geloof ik dat ik het niet echt geloofde. Nu ik erover schrijf voel ik pas de emotie. Zeer Goede Vriendin huilde in de gang en ik dacht even: Wat is er aan de hand? Ik kreeg de rest van de dag meer dan honderd appjes, de reacties op social media overspoelden me, er kwamen bloemen en de avondmaaltijd was feestelijk. Toen ik naar bed ging was ik klaarwakker, maar geloofde ik geloof ik nog steeds niet dat ik echt geen kanker meer heb.

Ik weet zelfs nog niet hoe ik het moet vieren. Ik overweeg een ring die past bij de oorknopjes die ik voor mijn verjaardag van lieve vrienden kreeg. Ik overweeg een feest als ik 50½ ben en hopelijk meer puf heb om dat te vieren dan toen ik 50 werd (en aan het eind van de chemo’s zat). Maar dan moet ik mezelf wel eerst wat feestelijker gaan voelen.

Of ik moet me richten op dat “weer een missie”. Acht dagen voordat ik hoorde dat ik geen kanker meer heb, sprak in onze kerk iemand van de NEM (Near East Ministry). Hij had het over het Evangelie delen met de moslims. Ik ging steeds rechter zitten maar dacht aan Japanners (waar het percentage moslims nogal klein is!). De laatste dagen voor het allesbeslissende ziekenhuisbezoek keek ik als vanouds naar filmpjes over en in Japan. En mijn bloed bruiste weer als vanouds. Japan! Daar wil ik nog steeds naartoe gezonden worden.

Natuurlijk heb ik de afgelopen maanden soms gedacht dat ik nooit in Japan zou komen. En ook nu ik in remissie ben, betekent dat niet dat ik morgen mijn koffers kan pakken. Ik heb meer last van de chemo’s dan ik ooit van de kanker heb gehad. Maar mijn hart is onbeschadigd, mijn hersenen zijn niet onder de indruk van chemo. Dus belangrijke delen van mij zijn er wel klaar voor. Ik ga verder opknappen, zodat ik kan gaan. En wie weet gaat deze afgelopen periode me nog helpen in Japan. Want ook dat zal een strijd zijn: een nieuw bestaan dat al mijn kracht zal vergen.

Vorig jaar verbaasde ik me erover hoe ik in veertig dagen van het bezoek aan de huisarts naar de eerste chemo ging. Nu verbaas ik me erover dat er maar 200 dagen zaten tussen horen dat ik kanker had en horen dat ik het niet meer heb. Maar wat is er veel gebeurd in die 200 dagen. Ik ben niet meer dezelfde. Ik heb geleerd hoe kwetsbaar mijn leven is, hoe weinig ik zelf in de hand heb, hoe afhankelijk ik ben van God en mensen (en dat dat goed is!).

Ik weet nu dat ik alle plannen die ik heb niet alleen kan uitvoeren, dat ik zal moeten luisteren naar anderen en naar de grote Andere. Ik ben benieuwd wat me te wachten staat. Jammer dat het waarschijnlijk 2024 wordt voordat ik dat kan ontdekken…

Ik snap het niet

Vlam
Photo by arman khadangan on Unsplash

Ergens in augustus – of misschien was het september – las ik woorden uit Psalm 56: ‘In mijn bangste uur vertrouw ik op U. Op God, wiens woord ik prijs, op God vertrouw ik, angst ken ik niet, wat kan een sterveling mij aandoen?’ En toen dacht ik – als ik het me goed herinner: Ooit schrijf ik daar een column over, dat het soms lastig is om de psalmist na te spreken.

Vandaag had ik een PET-scan; over zes dagen weet ik of de kanker in remissie is. Ik ken wel angst. Ik herinner me de eerste chemo. Ik had iedere kuur drie verschillende chemo’s. De eerste was tekenfilmjuwelenrood. Door die kleur zag ik precies het moment dat de eerste druppels naar binnen gingen. En toen dacht ik – als ik het me goed herinner: wat is het raar dat je beter moet worden van iets waar je bang voor bent.

Vandaag had ik dus die scan. Ik zou alleen gaan, tot iemand mij vroeg waarom ik zo nodig stoer moest doen. Ik vond dat ik logisch bezig was: voorafgaand aan de scan spuiten ze je iets radioactiefs in dat een uur moet inwerken. Voor het beste resultaat moet je zo stil mogelijk liggen – zonder iemand erbij. Daarna volgt dus de scan – zonder publiek. Wie mee wil gaan, zit twee uur in de wachtkamer. Toen ik dat uitlegde, kreeg ik de vraag: ‘En als iemand dat nou voor je over heeft?’

Oké, ze ging mee naar de scan. Bij de eerste PET-scan had ik de verpleegkundige erop moeten wijzen dat, nee, het niet de bedoeling was dat ze alleen mijn bovenlichaam scanden, omdat de internist ook wilde weten wat dat knobbeltje in mijn bovenbeen was. Wat onwillig zei hij verpleegkundige toen: ‘Oké, dan scannen we tot de knie.’ Na die scan stond er opeens een arts die zei dat hij het hele been wilde scannen. Ik wist genoeg.

Vandaag stond er weer iemand die zei dat ze verder wilden scannen dan ze hadden gezegd. Om een heel onschuldige reden: ze hadden niet goed gekeken hoe ver de vorige scan was gegaan. Geen reden tot zorg dus, maar de associatie met die eerste scan… Wat was ik blij dat ik niet alleen was. Dat ik na de scan even kon vertellen wat er was gebeurd – dat ik kon huilen en me kon realiseren dat de gebeurtenissen van vorig jaar me meer bezighouden dan ik meestal in de gaten heb.

Wat ik de afgelopen maanden vaak wel gemerkt heb: God is zo ver weg als je ziek bent. Goedbedoelende mensen sturen je bijbelteksten, en die lijken woorden die in zand zijn geschreven: ze spoelen uit je hoofd voordat ze tot je kunnen doordringen. Vrienden en bekenden sturen liedjes, en die vind je vaak niet mooi. Je bidt, bemerkt niets en vraagt je af of je al die tijd in een sprookje hebt geloofd. En dan ben je heel bang.

Gelukkig zijn er altijd weer de speldenprikjes waardoor je weet dat je niet alleen bent. Mensen die je iets vertellen waarin ze helemaal niet evangeliseren, maar waardoor je eigen christelijke bloed toch gaat bruisen. Iemand die praat over een kerk waar iets mis is, waardoor ik weet waar het wél om gaat. Een vriendin die me omhelst en me de kans geeft om écht te huilen, die niet schrikt als ik zeg dat ik het niet snap. En ook die stille Aanwezigheid, die onzichtbaar naar me glimlacht, die er écht ís, ook als ik Hem niet snap.

Volgende week krijg ik de uitslag van de PET-scan. De tussentijdse CT-scan heeft al laten zien dat de chemo aanslaat, dus rationeel gezien zou ik niet al te ongerust hoeven zijn voor. Maar wat de uitslag ook is, ik ben niet meer dezelfde. En God ook niet meer. Ik heb duisternis en angst in mezelf gezien die ik niet zal vergeten. God is weer verder voorbij mijn begrip gegroeid. Ik zal nog minder snel beweren dat ik Hem snap. Hij is er, maar niet als een Sinterklaas, of als een ouder die zijn eigen kinderen voortrekt. Wel als de Vader die altijd mijn liefde waard is. Ik hoop dat ik dat ooit zal kunnen uitleggen.

Stilleven

Lamp
Photo by Pietro Piovesan on Unsplash

Ooit werkte ik in Roosendaal, acht uur per dag. Ik moest vanaf negen uur zes uur lang aanwezig zijn, maar op welke tijden ik de andere twee uur invulde, lieten ze over aan mijzelf (en aan de prikklok). Ik ging vaak vroeg werken. Twee herinneringen staan me helder voor de geest: de vrouw die om zeven uur ’s morgens haar ramen zeemde (iedere week) en een lampje dat één straat voor mijn werk altijd brandde in een woonkamer waar nooit iemand zat.

Het is een rare traditie van ons Nederlanders: wel gordijnen aanschaffen voor woonkamers maar die nooit dichtdoen. Het heeft mij een gewoonte gegeven waar ik me voor schaam maar die ik niet kan afleren: ik gluur kamers in. Als ik ’s avonds wandel heb ik soms het gevoel dat ik aanschuif bij families. Ik zit bij ze op de bank terwijl zij naar tv’s kijken die met de jaren steeds groter zijn geworden.

Maar ik hou het meest van kamers met valletjes voor het grote raam, of van kamers op de eerste verdieping, zodat ik niet voluit naar binnen kan kijken, maar wel een lamp zie branden in de leegte. Mijn voorkeur gaat uit naar een ouderwetse lamp, een krullerige muurlamp of een hoge schemerlamp, die de kamer niet werkelijk verlicht maar in een permanente schemering houdt. Dan denk ik aan het huis van mijn opa en oma en lijkt het of ik daar weer zit, op de poef, in het uur tussen licht en duister, terwijl oma aan het koken is en opa tv kijkt, zijn bril op het puntje van zijn neus.

Als ik vroeger in ramen naar families of lege kamers keek, droomde ik over hoe mijn eigen huis eruit zou zien. Daarom vond ik dat huis in Roosendaal zo interessant. Dat had een interieur dat me enorm aansprak. Jarenlang woonde ik in een te klein appartement, met tweedehands spullen die me gegeven waren. In Roosendaal zag ik een stilleven van mijn droomhuis. Gek genoeg zou ik het nu niet meer kunnen beschrijven. Ik weet nog wel het gevoel dat de stille kamer me gaf: dat ik in die kamer zat, heel rustig, alsof ik weer op de poef zat bij opa en oma. Er is niks aan de hand. Ik ben thuis. Ik hoef niets te doen.

Ik heb mijn droomhuis gekregen. Met het gedroomde interieur. Met een uitzicht dat nog beter was dan ik had gedroomd. Na zes jaar gaf ik het weer op, omdat God me een mooiere droom gaf. Dat schrijf ik makkelijker dan ik het deed. Ik was thuis in mijn appartement aan de Lange Wantijkade. Maar nu ik eraan terugdenk geloof ik dat ik nooit helemaal dat gevoel van stilleven heb ervaren waar ik van droomde als ik langs lege kamers liep.

Ik zoek het gevoel nog steeds. Het lijkt verder weg dan ooit, en dichterbij dan ooit eerder. De stress om de uitslag ik op 6 maart in het ziekenhuis hoor, houdt me ’s nachts te vaak wakker. Misschien ben ik straks thuis bij mijn Vader, werkelijk thuis. Het is een geruststellend idee, en tegelijk merk ik dat ik meer aan het leven hang dan ik had verwacht.

Ik vlucht in mijn eigen stillevens: de verhalen die ik schrijf. Het afgelopen jaar, eerst op de bijbelschool en toen (nadat de klap van de kankerdiagnose wat minder hard nagalmde) tussen mijn behandelingen door. Ik heb gesleuteld aan de roman die altijd al de beste was van degene die ik heb geschreven. Nu is hij af. Weer een stilleven dat ik loslaat. Nou ja: in andermans handen leg. Ik denk aan uitgeverijen, en bij het idee om aanbevelingsbrieven te sturen, het manuscript bloot te stellen aan meningen en kritiek, wil ik graag vluchten naar een stille kamer waar maar één lamp brandt.

Terwijl ik dit schrijf denk ik dat ik in al die vreemde kamers iets zocht: werkelijk thuis zijn. Maar daar zijn niet alleen kamers voor nodig. Daar zijn mensen voor nodig. Ik ben thuis. Ik hoef er geen boeken voor te schrijven waarin ik andere levens creëer. Ik hoef er niet dood voor te gaan. Ik moet er Gods licht voor laten schijnen, en anderen uitnodigen in dat licht te gaan zitten.

In de wachtkamer

wachtkamer
Photo by Edwin Chen on Unsplash

Ik dacht van tevoren dat het eeuwen zou duren: de chemo en immuuntherapie. Maar 24 januari had ik toch echt de laatste behandeling. De dagbehandeling oncologie bleek een fijne afdeling, waar de patiënten, terminaal of met hoop op overleven, bijna nog harder lachten dan de verpleegkundigen, van wie sommigen zo een one woman show kunnen beginnen. We gingen met elkaar om alsof we elkaar al jaren kenden. Misschien ga ik de afdeling missen!

Mijn haar groeit weer, want de laatste twee behandelingen kreeg ik geen chemo meer, alleen immuuntherapie. Maar verder ben ik zwak. Bij het wandelen voelt mijn lichaam als toen ik tachtig kilo zwaarder was. Mijn rug doet pijn, mijn rechterbeen protesteert, ik loop traag. Soms wil ik helemaal niet lopen.

En ik ben bang. Raar is dat: ik ben banger dan toen ik behandeling kreeg. Op 6 maart hoor ik of de kanker weg is uit mijn lymfeklieren en mijn beenmerg. Ik denk terug aan augustus, toen het woord kanker nog niet werd uitgesproken. Het hing wel in de lucht, maar er werd gezegd dat ik ook een virus kon hebben. Ik ging me steeds beter voelen die maand, en steeds meer geloven dat het echt een virus was (tot de nacht voordat ik de uitslag van de onderzoeken kreeg – toen lag ik slapeloos naar het plafond te staren en overwoog ik de kans dat het foute boel kon zijn – dat ik misschien doodging).

Het was geen virus. Halverwege de behandeling voor wat toch kanker bleek te zijn, heb ik een CT-scan gehad. Die zag er goed uit: de lymfeklieren waren terug naar hun normale grootte en mijn aangevreten beenmerg is zich aan het herstellen. Maar de internist vertelde er wel bij dat je op een CT-scan niet ziet of de kanker weg is. Daar is een PET-scan voor nodig.

Die PET-scan is op 28 februari, de uitslag dus op 6 maart. Ik zit in de wachtkamer. Ik kan niets meer doen behalve wachten. En nu word ik dus bang, veel banger dan ik meestal tijdens de behandeling was. Nu herbeleef ik het eerste bezoek aan de huisarts, de eerste echo. Bij die echo was ik de eerste patiënt van de dag. Ik zat met een vriendin in een lege wachtkamer. De radioloog, van wie ik niet verwachtte dat hij iets zou zeggen over wat hij zag, vertelde gelijk dat het zorgelijk leek. We liepen terug door een wachtkamer die plots propvol zat, onze gezichten in de plooi, stonden buiten naast elkaar, verdoofd, met tranen in de ogen, met flauwe grappen, met bijna oprecht gelach. Nu huil ik om wat me toen murw maakte.

’s Nachts lig ik weer wakker, ondanks dat ik inmiddels slaapmedicatie heb omdat ik al zo veel nachten wakker heb gelegen. Ik denk aan mijn vertrouwen in augustus dat het wel mee zou vallen. De uitslag viel niet mee. Wie zegt me dat het op 6 maart anders zal zijn? Ik zoek op betrouwbare websites overlevingspercentages na voor “mijn” kanker. Nog 53 van 100 patiënten zijn tien jaar na de diagnose in leven. Dat is meer dan de helft. Maar niet veel meer dan de helft. Een paar jaar geleden werd ik aan mijn oor geopereerd. Toen was mijn kans op een goede uitkomst 95%. Ik zat bij de resterende vijf (niet doof – 2%, maar wel slechter horend – 3%). Oef. In andere nachten – en dagen – verbaas ik me er weer over dat ik werkelijk deze ziekte heb gekregen. Stukken van mij weigeren het nog altijd te geloven.

Ik geloof in God, ook nu. Maar mijn geloof betekent niet dat ik geloof dat God me daarom zeker beter zal maken. Ik geloof wel dat Hij alles in zijn hand heeft. Hij heeft mij in zijn hand. Hij laat me er niet uit vallen, “zodat Christus ook bij alles wat ik nu meemaak zal worden geëerd, of ik nu in leven blijf of moet sterven” (Filippenzen 1:20b). Ik blijf dus in de wachtkamer zitten, samen met Hem. Vaak bang, maar in het vertrouwen dat zolang ik bij Hem blijf en Hij bij mij, iedere uitkomst goed is. Ik zeg het niet gemakkelijk, niet vanuit een onbeproefd geloof. En ik blijf de dagen aftellen tot 6 maart.

Eén keer klagen

Ik had deze column willen noemen: “Verkoudheid is erger dan kanker”. Maar daar had ik vast mensen mee tegen de haren ingestreken. Ik zal proberen niet te mompelen dat tegen de haren instrijken bij mij momenteel technisch onmogelijk is.

Ik probeer positief te blijven (hoera, de chemo’s zijn voorbij!) maar voordat het nieuwe jaar begint zou ik één keer ongegeneerd willen klagen over hoe zwaar de afgelopen maanden waren. Met kanker stap je een wereld in die je niet kende.

Zo heb ik een haat-liefderelatie gekregen met mijn voeten. Sinds de chemo zijn mijn tenen constant opgezwollen. Mijn nagels zijn blauw, ik heb de raarste wondjes en lopen is nooit helemaal aangenaam. Daar komt bij dat chemo zorgt voor neuropathie: een doof gevoel in je tenen en vingers. Ik voel me steeds alsof ik op wolken loop, maar het zijn geen roze. Uiteindelijk werd de neuropathie in mijn vingers ook erger. Ik heb weinig gevoel in mijn vingertoppen, alsof het constant koud is.

De afgelopen maanden heb ik heimwee gekregen naar het kammen van mijn haar. En werd ik moe van mensen die zeiden: “Ach, dat groeit wel weer aan.” Het is moeilijk te beschrijven wat alle uiterlijke veranderingen met me doen. Chemo zorgt voor pigmentvorming. Vlak onder mijn hals heb ik vlekken alsof daar een vogel tegenaan is gevlogen, zijn vleugels wijd gespreid. Ik zet me al schrap voor als de winter voorbij is en die plek zichtbaarder wordt.

En dan de vage klachten. De vermoeidheid die nooit ver weg is, de botten die doen alsof ze tachtig zijn, de rugpijn die als een sluipmoordenaar mijn ruggengraat belaagt, op de meest onverwachte momenten. De duizeligheid, waardoor ik nauwelijks meer durf om te kijken, laat staan om te bukken. Nou ja, misschien is omkijken sowieso niet handig als je kanker hebt, want dan zie je hoe anders dingen voorheen waren.

Het was allemaal vol te houden, tot ik verkouden werd. Zo verkouden dat ik weer wist dat het een serieuze klacht kan zijn, niet het vage wissewasje waar we het vaak over hebben. En dat gebeurde aan het einde van mijn laatste chemokuur. Redelijk stoïcijns ben ik die kuren doorgekomen, maar toen ik verkouden werd kon ik wel janken. Nee, ik JANKTE, opnieuw en opnieuw. Het voelde alsof ik maanden in een stad had gewoond waar een leger om de stadswal heen lag en de vijand nu luchtsteun kreeg.

De verkoudheid liet me zien hoe zwak mijn lichaam is geworden, hoe weinig ik nog verdraag, hoe snel de energie op is. Ik raakte door de verkoudheid mijn stem kwijt, en dat vond ik wel symbolisch: ik had niks meer te zeggen, ik was uitgepraat en op. De avond voor kerst was ik zo moe dat ik bang was dat ik mijn afspraken voor de dagen die eraan kwamen moest afzeggen.

Gelukkig liet een bevriende arts me perspectief zien. Mijn chemo heeft de naam R-CHOP, maar hij zei dat er onder artsen een cynisch grapje is dat ze het beter “chop” hadden kunnen noemen: omhakken. Aan het eind van de laatste chemo is de lichaamsboom bijna omgehakt. Dat moest ik opnieuw tot me laten doordringen.

Door deze kennis nam ik mijn lichaam weer serieuzer. Ik vroeg of ik voor een afspraak even bij iemand een dutje kon doen en dat maakte een enorm verschil. Het klinkt simpel, maar ik moet mezelf er iedere keer weer aan herinneren dat ik minder kan. Kerst was heerlijk met deze ingebouwde rust, met vier bezoeken aan heel verschillende vrienden, allemaal op hun eigen manier waardevol.

Toen ik van de laatste afspraak op Tweede Kerstdag naar huis werd teruggebracht (mijn minder wijze ik was van plan geweest te gaan lopen), zat ik voor de deur in de auto nog even met een goede vriendin te praten over hoe het er in onze levens voorstaat. Ik had het over sommige van mijn frustraties en mijn vriendin zei iets heel wijs: dat ik door alles wat er de afgelopen maanden is gebeurd scherper ben gaan zien wie ik ben, wat ik doe en wat ik niet meer wil zijn en doen.

Ze had gelijk. Ik moet niet alleen mijn lichaam serieuzer nemen, maar mijn ziel. Een goed voornemen voor het nieuwe jaar.