Honderd kilo lichter

Ik heb heel lang gewacht op de kans om de titel boven dit artikel te schrijven en te weten dat hij waarheid was. Het is me eindelijk gelukt: ik ben honderd kilo lichter.

Terwijl anderen klaagden over coronakilo’s, ging bij mij vanaf de eerste maandag van de lockdown de spreekwoordelijke knop om. Sinds ik in 2008 bij De Hoop werd opgenomen, was ik zeventig kilo structureel kwijt. In 2012 tikte ik bijna de honderd kilo gewichtsverlies aan, maar toen sloeg de somberheid weer toe en leek eten de enige oplossing om me beter te voelen. Sinds die tijd bleef ik fluctueren in de laatste dertig kilo.

Tot maart dus. Ik weet niet precies wat er gebeurde. Misschien was ik mijn eigen gedrag zat, of misschien gebeurde er zo veel in mijn leven dat deze actie er ook nog wel bij kon. Er veranderde iets in mijn hoofd, en mijn lichaam veranderde mee.

De afgelopen maanden herontdekte ik botten waarvan ik bijna vergeten was dat ik ze bezit. Mijn ribbenkast liet voor het eerst sinds jaren haar vormen zien. Rondom mijn bekken verschenen contouren die ik niet echt herkende. Van mijn schouders bleef belachelijk weinig over. Ik liep in de stad, zag mezelf in etalages en schrok soms, want de gestalte die ik daar zag was niet het spiegelbeeld dat zit opgeslagen in de spiegels van mijn geheugen.

Ik moest niet alleen aan mijn buitenkant wennen. Ik holde trappen op en hijgde niet. ’s Morgens had ik geen rugpijn bij het opstaan. Ik ging steeds langer wandelen en had pas na een tijdje in de gaten dat ik daarna geen spierpijn had. Ik had – heb – zo veel energie dat ik er soms moe van word. Nu ik bijna middelbaar ben, voel ik me opeens jong.

Mijn omgeving moest ook wennen. Ik kwam op straat een collega tegen die zijn duim naar me opstak. Wat later begonnen wildvreemden me op straat aan te spreken. Een dame tijdens het wandelen: ‘Volgens mij bent u de laatste tijd heel veel afgevallen, hè? Wat knap!’ Een jonge, verlegen, mollige vrouw – bijna nog een meisje: ‘Ik zie u altijd lopen. U bent een voorbeeld voor me.’ Ik had kippenvel, want ik ben vaak geen voorbeeld voor mezelf geweest.

Ik denk aan het contrast met de tijden dat ik op mijn zwaarst was. Mensen die voorbij fietsten en iets schreeuwden over “Ma Flodder” of over “Big Diet” (de termen zeggen genoeg over hoelang het gevecht met de kilo’s al duurt). De man die naast me zat in de trein en toen hij wegliep het nodig vond om me te vertellen hoe vervelend hij naast me zitten had gevonden. De minachtende blikken, waarvan bekenden dan ook nog eens zeiden dat ik ze me verbeelde. Natuurlijk – of ik niet alleen dik maar ook achterlijk was. En het ergste: al die mensen die me kenden voordat ik dik werd en pas stopten met me negeren toen ik weer afviel. Heel veel dank aan de mensen die anders keken en voelden!

Ik kan maar beter ophouden over die oude boosheid. Ik zou hem graag loslaten, samen met de kilo’s. Maar te vaak valt het me op – nu misschien juist nog meer – dat met iedere groep die niet standaard is rekening gehouden moet worden behalve met dikke mensen. Als je homoseksueel bent, mag de ambtenaar van de burgerlijke stand die je huwelijk niet wil inzegenen, ontslagen worden. Voor mensen die niet weten of ze man of vrouw zijn wordt het paspoort aangepast. Maar dikke mensen mag iedereen belachelijk maken.

Juist daarom sluit ik graag af met iets wat een collega zei toen we weer wat vaker op kantoor mochten werken en ook de mensen daar zich verbaasden over mijn gewichtsverlies. Iemand die me al vaak heeft laten nadenken over andere zienswijzen, complimenteerde me met hoe ik eruitzag. En toen zei ze: ‘Maar voor de duidelijkheid: daarom ben je niet opeens waardevoller.’

Amen! Laten we dat maar goed onthouden, ook omgekeerd. Dikke mensen lijken steeds onzichtbaarder te worden naarmate ze meer omvang krijgen. Zullen we eens voorbij het vet kijken, naar de ziel die schreeuwt om aandacht en liefde?

Wat de krokodil ervan vond

Een jaar geleden waren de meeste grenzen open, en leek naar de andere kant van de wereld reizen normaal. Dat was het natuurlijk niet. daar was ik me wel een beetje van bewust, op die dag dat mijn gastvrouw in Zuid-Afrika en ik, onderweg naar Kruger National Park, God’s Window en de omgeving bezochten.

God’s Window is een hoog uitkijkpunt tussen rotsen, dat we bereikten via een woud vol planten die ik tot dan toe als kamerplanten kende. De naam was goed gekozen: het uitzicht vanaf God’s Window was ontzagwekkend groots – de hele wereld leek voor ons geopend te zijn.

In de omgeving liggen allerlei toeristische attracties. De weg zelf was al een attractie: nu eens reden we langs verre velden, dan weer langs oprijzende heuvels met een dorp dat bestond uit metalen huisjes. We stopten bij de “Potholes”: een gebied vol diepe en ondiepe kloven. We keken uitgesleten afgronden in, waar water glansde en geld blonk: al jarenlang werpen hier mensen munten in die niemand eruit kan vissen. Wat verderop waren er geen kloven meer, alleen stenen die vreemd kwetsbaar voor slijtage leken, oneffen als marmer waar nog aan gewerkt wordt. In ondiep water schoten kleine visjes weg.

Verder gingen we, naar Blyde River Canyon. Aan de overkant van de kloof lagen de Drie Rondawels: drie rotspartijen die lijken op traditionele Afrikaanse hutten maar dan enorm groot. Daarna liepen we een stukje door, tot de Blyde River Canyon. Honderden meter onder ons glansde onmogelijk blauw water. Boven ons scheidde alleen lucht zonder wolken ons van het heelal.

’s Middags reden we over stoffige binnendoorweggetjes, langs bananenbomen en borden die ons waarschuwden voor overstekende olifanten. We sloegen af bij een bordje voor een koffiebar en bonkten verder over een onverharde weg. We belandden bij een zaakje aan een meer, met voor de deur koffiestruiken. Bij het meer stond een bord: Beware of the crocodile. Hoe een krokodil eruitziet werd er voor de duidelijkheid bij getekend.

Ik gniffelde om het bord, maar had wel haast om veilig in de koffiebar te komen. Door dat bord was ik me er heel praktisch bewust van hoe ver ik van huis was, en hoe anders het stuk wereld was waarin ik mij bevond. Die krokodil was er echt, al zagen we haar niet.

We zaten op een terras dat op palen boven het meer was gebouwd. Het meer zelf was sprookjesachtig: waterlelies, zachte rimpelingen, een donkere spiegel van de hemel. Ik hoorde vogels en stilte, ik genoot van mijn taart en amarula milkshake. Maar ik was wel alert: ik bleef het meer afspeuren naar de krokodil. Ik bleef verwachten een gekartelde rug te zien verschijnen, of een enorme opengesperde mond met tanden die net onder het terras in de zon zouden blinken. Ik stelde me voor dat de palen onder het terras allemaal tegelijk zouden afbreken en mijn gastvrouw en ik naar de kant moesten zwemmen.

‘En ik zou sneller zwemmen dan jullie,’ zei de gedachte van de krokodil in mijn hoofd.

Mijn gedachten waren stil.

De krokodil was het ook. Ze dook ergens in het meer naar diepere dieptes, waar het water zwart en bijna koud was. Ik dook in gedachten met haar mee en genoot van de koude. Toen hapte ze naar een vis, miste net, en was ik weer klaarwakker.

De krokodil zei in mijn gedachten: ‘Jij woont ver weg in een huis waar in de omgeving supermarkten zijn. Jij hoeft nooit na te denken over je eten. Maar ik…’ De krokodil had geen tijd om haar gedachte af te maken: ze zwenkte naar links, waar ze in het duister iets voelde bewegen. Weer een vis. Deze keer had ze beet: wat voor soort vis het was, wisten de krokodil en ik niet. We wisten alleen dat hij klein was: de krokodil slikte hem weg zonder te kauwen. En toen zei de krokodil: ‘Ik ben wie ik ben. Ik jaag omdat ik moet jagen. Daar hoef ik me niet voor te schamen. Maar weet jij wie jij bent?’

Ik dacht aan al die jaren met binge eating disorder. Eten omdat je honger hebt, niet omdat je je gedachten wilt afleiden… wat is dat eigenlijk? Peinzend nam ik nog een hap van mijn enorme stuk taart.

Gered door matcha thee

Afgelopen vrijdag ging ik samen met een vriendin naar de Markthal. We maakten ook een uitstapje naar de wijk eromheen, op zoek naar een winkel die de vriendin wilde bezoeken en die we niet konden vinden. Uiteindelijk bleek hij in de Koopgoot te zitten. Maar het grootste gedeelte van de tijd liepen we in de Markthal. Het was gezellig. En een gruwelijke uitdaging. Continue reading »

Giebelende schelpen op het strand

Zwemmen is een van mijn grootste hobby’s. Maar de afgelopen 22 jaar heb ik één keer gezwommen. Sommige mensen die veel te zwaar zijn plonzen gewoon het water in en vragen zich niet af hoeveel mensen dan grinnikend mompelen: “Ik zei nog zo: géén bommetje.” Ik hoor niet bij die categorie. Alleen ben ik nu veertig kilo afgevallen. Tijd voor een bommetje. Continue reading »