In de wachtkamer

wachtkamer
Photo by Edwin Chen on Unsplash

Ik dacht van tevoren dat het eeuwen zou duren: de chemo en immuuntherapie. Maar 24 januari had ik toch echt de laatste behandeling. De dagbehandeling oncologie bleek een fijne afdeling, waar de patiënten, terminaal of met hoop op overleven, bijna nog harder lachten dan de verpleegkundigen, van wie sommigen zo een one woman show kunnen beginnen. We gingen met elkaar om alsof we elkaar al jaren kenden. Misschien ga ik de afdeling missen!

Mijn haar groeit weer, want de laatste twee behandelingen kreeg ik geen chemo meer, alleen immuuntherapie. Maar verder ben ik zwak. Bij het wandelen voelt mijn lichaam als toen ik tachtig kilo zwaarder was. Mijn rug doet pijn, mijn rechterbeen protesteert, ik loop traag. Soms wil ik helemaal niet lopen.

En ik ben bang. Raar is dat: ik ben banger dan toen ik behandeling kreeg. Op 6 maart hoor ik of de kanker weg is uit mijn lymfeklieren en mijn beenmerg. Ik denk terug aan augustus, toen het woord kanker nog niet werd uitgesproken. Het hing wel in de lucht, maar er werd gezegd dat ik ook een virus kon hebben. Ik ging me steeds beter voelen die maand, en steeds meer geloven dat het echt een virus was (tot de nacht voordat ik de uitslag van de onderzoeken kreeg – toen lag ik slapeloos naar het plafond te staren en overwoog ik de kans dat het foute boel kon zijn – dat ik misschien doodging).

Het was geen virus. Halverwege de behandeling voor wat toch kanker bleek te zijn, heb ik een CT-scan gehad. Die zag er goed uit: de lymfeklieren waren terug naar hun normale grootte en mijn aangevreten beenmerg is zich aan het herstellen. Maar de internist vertelde er wel bij dat je op een CT-scan niet ziet of de kanker weg is. Daar is een PET-scan voor nodig.

Die PET-scan is op 28 februari, de uitslag dus op 6 maart. Ik zit in de wachtkamer. Ik kan niets meer doen behalve wachten. En nu word ik dus bang, veel banger dan ik meestal tijdens de behandeling was. Nu herbeleef ik het eerste bezoek aan de huisarts, de eerste echo. Bij die echo was ik de eerste patiënt van de dag. Ik zat met een vriendin in een lege wachtkamer. De radioloog, van wie ik niet verwachtte dat hij iets zou zeggen over wat hij zag, vertelde gelijk dat het zorgelijk leek. We liepen terug door een wachtkamer die plots propvol zat, onze gezichten in de plooi, stonden buiten naast elkaar, verdoofd, met tranen in de ogen, met flauwe grappen, met bijna oprecht gelach. Nu huil ik om wat me toen murw maakte.

’s Nachts lig ik weer wakker, ondanks dat ik inmiddels slaapmedicatie heb omdat ik al zo veel nachten wakker heb gelegen. Ik denk aan mijn vertrouwen in augustus dat het wel mee zou vallen. De uitslag viel niet mee. Wie zegt me dat het op 6 maart anders zal zijn? Ik zoek op betrouwbare websites overlevingspercentages na voor “mijn” kanker. Nog 53 van 100 patiënten zijn tien jaar na de diagnose in leven. Dat is meer dan de helft. Maar niet veel meer dan de helft. Een paar jaar geleden werd ik aan mijn oor geopereerd. Toen was mijn kans op een goede uitkomst 95%. Ik zat bij de resterende vijf (niet doof – 2%, maar wel slechter horend – 3%). Oef. In andere nachten – en dagen – verbaas ik me er weer over dat ik werkelijk deze ziekte heb gekregen. Stukken van mij weigeren het nog altijd te geloven.

Ik geloof in God, ook nu. Maar mijn geloof betekent niet dat ik geloof dat God me daarom zeker beter zal maken. Ik geloof wel dat Hij alles in zijn hand heeft. Hij heeft mij in zijn hand. Hij laat me er niet uit vallen, “zodat Christus ook bij alles wat ik nu meemaak zal worden geëerd, of ik nu in leven blijf of moet sterven” (Filippenzen 1:20b). Ik blijf dus in de wachtkamer zitten, samen met Hem. Vaak bang, maar in het vertrouwen dat zolang ik bij Hem blijf en Hij bij mij, iedere uitkomst goed is. Ik zeg het niet gemakkelijk, niet vanuit een onbeproefd geloof. En ik blijf de dagen aftellen tot 6 maart.

Geen inspiratie, geen KFC, geen sneeuw en geen eenhoorn

Photo by Nivia Espinoza on Unsplash

Ik zucht eens diep. Ik heb toegezegd een artikel te schrijven voor het kerstnummer van het kerkenblad, maar de inspiratie ontbreekt.

Samen met mijn teckel wandel ik door het groen rondom de Krommedijk, op zoek naar wat ik zou kunnen delen met de lieftallige lezers van de Omgang. Als mijn plannen door hadden kunnen gaan en ik naar Japan was vertrokken, zou ik het gehad hebben over Japanse kersttradities – of het logische gebrek eraan in een boeddhistisch land. Hoewel door wat slimme reclamemensen er toch één kersttraditie is: op kerstavond eten de Japanners… kip van Kentucky Fried Chicken. Tafels zijn weken van tevoren volgeboekt. Rare jongens, die Japanners.

Ik had ook kunnen schrijven over de stad waar ik zou gaan wonen, Sapporo. Daar ligt in de winter zo’n vijf maanden sneeuw. Ik las laatst dat door alle klimaatsveranderingen Sapporo de enige stad is waar ze nog zonder gebruik van kunstsneeuw Winterspelen kunnen houden. Ik zou over klimaatverandering kunnen schrijven, over onze taak voor de planeet te zorgen. Maar ik peins vooral over het feit dat er in zo veel kerstverhalen sneeuw ligt. Terwijl Christus toch echt in een warm land geboren werd.

Ik heb geen inspiratie voor een verhaal met sneeuw. Het is oktober, bijna twintig graden, en ik hoor parkieten krijsen. Iedereen die niet gelooft in klimaatverandering moet me eens uitleggen hoe die vreemde vogels tegenwoordig zo goed gedijen in Nederland. En ik ga niet naar de enige stad waar ze nog Winterspelen kunnen houden: ik zit midden in chemokuren. Terwijl ik dit schrijf is het de tweede week na kuur drie: mijn lichaam voelt alsof ik honderd ben in plaats van bijna vijftig. Met krakende botten loop ik verder, terwijl de inspiratie ook kraakt.

Dan word ik afgeleid. De teckel schiet tussen de brandnetels; hij is opeens bijna onzichtbaar. Ergens in de verte zie ik eenden opvliegen. ‘Brutus, hou op,’ roep ik, maar het is een teckel: die zijn eigenwijs. Ik loop verder, naar een bruggetje. Het water eronder is zo helder dat de bladeren op de bodem blinken als goud in een sprookje. Ik moet opletten dat ik niet te diep buk en beland bij Vrouw Holle.

Dan wordt er gekucht. ‘Fijn u te ontmoeten,’ zegt een verrassend diepe stem. Naast me staat een eenhoorn. Zijn hoorn is blinkend wit, zijn manen ook. Ik frons en hij hinnikt en duwt zijn gezicht dichterbij. ‘Had u verwacht dat mijn manen alle kleuren van de regenboog hadden?’ vraagt hij, terwijl hij me met donker glanzende ogen verdrietig aanstaart. ‘Dat komt door die akelige, op jonge meisjes gerichte reclame. Mijn soortgenoten en ik zijn eigenlijk heel ernstig, maar door films als –’

Woedend geblaf onderbreekt de eenhoorn: Brutus stormt op hem af en wil hem in zijn enkels (hebben eenhoorns enkels?) bijten. Opeens is de eenhoorn verdwenen. Hij was denkbeeldig. Dat is mijn teckel trouwens ook. En hij heet zeker geen Brutus. Ik loop in mijn eentje verder en denk: Waarom wil ik een sprookje schrijven voor kerst? Kerst is geen sprookje. We hebben de woorden uit Lucas zo vaak gehoord – ‘’Het was in die dagen…” – dat ze misschien dezelfde lading hebben gekregen als “Er was eens” of “In a galaxy far, far away”, maar ze zijn vandaag nog net zo echt als altijd. Ze zijn het begin van het verhaal waarvan wij het einde mee helpen schrijven.

Ik strompel door de tunnel onder de rondweg, langs het park Dubbelmonde. Er dwarrelen bladeren van de bomen. Als ik mijn ogen een beetje dichtknijp kan ik geloven dat het sneeuw is. En ze hebben bij Dubbelmonde twee Schotse Hooglanders. Met een beetje fantasie hebben we de os voor in de stal. De ezel denken we erbij, of ik speel er zelf voor.

Maar nee, ik laat de sneeuw en de stal los. In de sloot naast het pad zwemt een puberzwaan een stukje met me op. Hij is nog grijs, maar zijn veren beginnen wit te worden. Nu worden mijn gedachten ernstiger. Is deze zwaan geen voorbeeld voor ons? Wij zijn ook grijs, maar met potentieel om blinkend te worden, ons licht te laten schijnen. Nog een stukje verder loop ik naar Dubbelmonde, en nu word ik met voorbeelden om de oren geslagen: daar zie ik een vrouw staan vissen, en verderop een man. Vissers van mensen kunnen we worden, als we ons durven laten leiden door de man van Nazareth, die in Bethlehem werd geboren, in die stal, zodat hij in Jeruzalem gekruisigd kon worden, voor ons. Geen sprookje, maar een waarheid die we nog steeds te vertellen hebben aan de wereld.

Toch niet zo nederig van hart

Chemobrein. Daar had ik nooit van gehoord voordat ik zelf kanker kreeg. Het betekent dat je van chemo (of bestraling) vergeetachtig kunt worden, of dingen minder goed in de gaten hebt. Ik weet daar inmiddels alles van. En dat ik niet op namen kan komen, is nog wel het minste gênant.

Laatst vroeg een vriendin of ik even meeliep naar de bakker. Er stonden stukjes banketstaaf om te proeven. Dat kon ik niet weerstaan. Zoals altijd kruimelde ik. Ik wilde het netjes opruimen en vond het wel handig dat er een prullenbakje stond. Wel raar dat er sleutels in lagen – en een lege fles. Zodra ik de kruimels dumpte begon een vrouw hard te lachen. ‘Dank je wel dat je ze in mijn tas gooit.’ Ik geloof dat ik me minstens tien keer verontschuldigd hebt. Zij vond het gelukkig niet erg, maar ik wel.

Nog geen week later stond ik bij de Action. Ik zocht een muts, alvast voor als mijn haar weer gaat groeien en ik mijn pruik niet meer kan gebruiken. Ik begon een personeelslid te vragen waar ik de mutsen kon vinden, tot ik nog eens goed keek en zag dat het personeelslid een klant was. Ik voelde me zelf een muts. ‘U ziet er professioneel uit,’ riep ik, en maakte me uit de voeten.

Tja. Achteraf kan ik om dit soort dingen wel lachen (als die bekende boer met kiespijn), maar als ik ’s nachts weer eens niet kan slapen, is niks grappig. Deze zondag zongen we in de kerk Opwekking 561. Ik struikelde over sommige zinnen: ‘Hier aan uw voeten Heer, kwetsbaar en klein, leert U mij nederig als U te zijn.’ Ik snap het kwetsbaar en klein inmiddels. Na vier chemo’s ben ik kwetsbaar en klein geworden. Mijn energie is bizar snel op. Ik, die altijd zo graag wandelde, ben vaak na tien minuten al versleten. Mijn haar is weg, mijn mond doet constant zeer, mijn tenen hebben wonden waarvan ik nog steeds niet snap hoe ik eraan gekomen ben. En wat is de wereld groot en onoverzichtelijk als je ’s nachts niet kan slapen en het tot je doordringt dat je echt – ja, echt – kanker hebt. Het is een boze droom terwijl je wakker bent.

Nederigheid is nog steeds lastig. Soms ben ik zo boos. Op mezelf, op andere mensen, op God die ik bij vlagen totaal niet begrijp en niet eens WIL begrijpen. Soms vlucht ik weer in eten, net als vroeger, en veroordeel mezelf vervolgens daarom. En ik ben boos op de mensen die negeren dat ik ziek ben, die alleen over zichzelf kunnen praten (en daarna ben ik weer boos op mezelf, omdat er zo veel lieve mensen zijn die het wel snappen, of omdat mensen die dramatisch lief doen ook zo irritant zijn). En God… God vind ik erg complex.

Een paar jaar geleden heb ik mijn verhaal gedaan bij De Verandering van de EO. Een enorme kans om te vertellen hoe God mij uit een leven van depressiviteit en eetbuien trok en een nieuw bestaan gaf. Recent belden ze weer: of ik een vervolginterview wilde geven over hoe het nu ging. Ahum… daar moest ik even over nadenken.

Ik heb het gedaan. Want weet je, ik wilde graag vertellen dat God dezelfde blijft, wat er ook met mij gebeurt. Dat Hij niet opeens een boze rechter is omdat ik toevallig lymfeklierkanker heb. En dat geloof ik echt. Maar als ik ’s nachts weer niet kan slapen weet ik dat mijn liefdevolle Vader mij niet voor alles bespaart. En ik weet niet waarom dat zo is. Ik kan alleen maar bidden dat Hij me door dit alles heen draagt, naar gezondheid, of naar de wereld voorbij deze wereld. En soms ben ik dus boos op Hem. Dan roep ik dat ik niks, niks, niks meer met Hem te maken wil hebben. Ik vind het zo bijzonder dat Hij dat niet erg vindt. Dat Hij glimlacht als een goede vader naar een opstandig, boos stampvoetend kind, en zegt: ‘Kom, ga je met me mee?’

En dat doe ik dan. Want ik houd toch wel veel van Hem, zonder nederig hart.

(PS, de uitzending is waarschijnlijk op 17 december)

Land zonder grenzen

Photo by Patrick on Unsplash

Afgelopen zondag hoorde ik een lied – ik weet niet meer welk – waarin even werd gezongen over een land zonder grenzen. En ik stelde mij even voor dat ik daar was, en dat ik daar nooit meer weg zou gaan, want er waren geen grensplaatsen meer om terug te gaan naar wat oud en over was.

Het beeld ging niet uit mijn hoofd. Ik liep langs een stille vijver, waarvan de einden verdwenen in bomen die bewegingsloos hun armen ophieven naar de hemel, en ik dacht dat de vijver een weg zou kunnen zijn naar het land waarover werd gezongen. Wie het maar wil geloven, kan alles. Dus ik deed mijn schoenen en sokken uit en stapte de vijver op. Het water was koel en kriebelde een beetje, maar het hield stil onder mijn beweging. Ik liep erover naar de overkant.

Ik bereikte de bomen, tuurde tussen hun schaduwen, en zag traptreden. Op de treden stonden plantenbakken, met bloemen die nog bloeiden ondanks dat de winter bijna begint. Ik droogde mijn voeten en realiseerde me dat ik mijn schoenen en sokken was vergeten. De traptreden, misschien van marmer, misschien van zand – ik weet het niet – voelden kil aan onder mijn huid en ik huiverde even. Maar ik liep door.

En het was zo raar: ik zag steeds maar een paar treden, maar toch bleef ik lopen en klimmen, alsof er eindeloos veel treden waren. De schaduwen werden dieper en ik zag alleen een klein licht op mijn pad, een lamp voor mijn voet. Ik zag net genoeg om de plantenbakken te vermijden. De bloemen zag ik nauwelijks, maar ik rook hun zoete geur, waarmee ze hun Maker eerden.

Langzaam werd het lichter. De treden verdwenen en ook de plantenbakken waren weg. Er waren alleen nog planten en nu waren zij de treden. Ik probeerde niet op hun kelken te stappen, en hun tere blaadjes te vermijden. Maar de planten werden groter, tropischer, zoeter van geur. En ik wist dat ik ze eigenlijk niet kon vertrappen. Zij waren reëler dan dat ik. Zij waren eeuwig op een manier dat mijn lichaam dat niet is.

Ik bleef lopen, maar ik was niet echt meer op weg. Ik denk dat ik de grens allang voorbij was, al waren er geen poorten geweest die ik voorbij moest, en had geen grenspost mij gevraagd of ik recht had om in het nieuwe land te zijn. Het was ochtend, heel vroeg nog. De lucht was koud in mijn longen, maar niet op een pijnlijke manier: ik kon dieper ademhalen dan ik ooit had gedaan, ik voelde me met iedere ademtocht krachtiger worden, alsof ik de lucht geen atoom vervuiling in zich droeg, ergens gewaaid had op een bergtop waar kruiden groeien die genezing brengen, voor het lichaam en meer nog voor de ziel. Ik was kalm, zoals geen mens op aarde kalm kan zijn, want angst kon op die plek niet bestaan.

Ik liep verder, op mijn blote voeten, en ik geloof dat ik ook mijn kleren niet meer droeg. Maar ik was niet naakt. Een ander kleed hing om mij heen, van een pelgrim die op weg is naar de tempel, of naar huis. Maar dat is eigenlijk hetzelfde. En ik liep ook niet meer alleen, of ik wist eindelijk dat ik nooit alleen had gelopen. Mijn Vriend was er. Hij had mijn hand in de zijne genomen en leidde me voort. Misschien was ik onderhand moe van het lopen, maar dat voelde ik niet. Misschien liep ik niet eens zelf maar werd ik gedragen.

Er kwam een moment dat ik wist dat ik er was – echt helemaal was, in dat land. Mijn Vriend liet mijn hand los. Ik zag mijn Vriend niet, maar ik wist dat hij er was. En ik wist dat ik er was. Dat ik helemaal echt was geworden. Dat ergens vlakbij de fontein was waar ik compleet in schoon gewassen word, op die dag, die voor mij nog toekomst is, maar voor anderen al is gekomen. Ik hoorde het water klateren. En gisteren hoorde ik dat een lieve, grappige, altijd zo aanwezige vriend is overleden aan kanker. Nu stel ik me voor dat Wout daar is, in dat land zonder grenzen.

Herfstconfetti

Langs de Dordwijklaan

Het is week twee na een chemo. Ik weet inmiddels wat er dan gebeurt. Mijn botten voelen krommer, mijn spieren verkrampen. Als ik ga wandelen, loop ik steeds trager. In week twee na chemo voel ik me een oude vrouw.

Ik zit op mijn kamer, kijk naar regen en vraag me af wat er met mijn leven is gebeurd. Ik verveel me, ik wil hier niet zijn (hoe dankbaar ik ook ben voor mijn veilige plek) en ik heb geen idee wat ik die dag ga doen. Ik probeer geen medelijden met mezelf te hebben.

De volgende dag waart er mist rond. Ze danst op de balkonrand en verdwijnt dan. Ze laat een zonnige dag achter zich. Ik heb een afspraak om koffie te drinken met een kennis. Langs het fietspad vlammen bomen, in een poging nog geler, gouder, geweldiger te zijn. Ik geniet. Even dringt de gedachte zich op dat dit misschien mijn laatste herfst is, maar die gedachte gooi ik weg. De prognoses zijn goed.

Oké, terwijl ik verder loop vertraagt mijn tempo. Mijn voeten hebben kanker aangegrepen om op te zwellen wanneer het hen uitkomt. Onder mijn schoenen verbergen zich blaren en schurende huid. Maar ik loop! Als ik bij mijn kennis aankom en daar een trap op moet kost dat niet eens héél veel moeite.

Koffie, slapende katten en bijkletsen. We hebben het over levens die opeens op de rem staan terwijl we dat nooit hadden verwacht, over hoe je God zoekt in dit soort situaties. Ik geloof dat ik niet eens te veel wil zoeken, omdat ik dan zo veel vragen vind. Maar tegelijkertijd wil ik dat Hij mij vindt en wij samen meer beleven. Het vliegt me aan, het idee dat ik nog maanden in Dordrecht ben. Wat moet ik al die tijd gaan doen?

Na het bezoek loop ik maar even door. Het is te mooi weer om al naar huis te gaan. De zon is warm op mijn zwarte broek – mijn trui had beter een shirt kunnen zijn. Op de Reeweg zijn de bomen zo geel dat het psychedelisch lijkt; de lucht is blauw als in de zomer. En voor de zoveelste keer realiseer ik me dat het verval van de herfst prachtig is, dat de wereld doodgaat met stijl. Spinnen maken er zelfs kunstwerken voor, die glanzend in de struiken hangen, wachtend op mijn bewondering.

Ik loop de stad in en vertel mezelf dat ik geen snoep of koek of belegde broodjes koop. De laatste tijd demp ik te vaak stress met eten. Beter zoetigheid dan praten met God, lijkt soms mijn motto. Dat moet maar eens klaar zijn. In plaats daarvan koop ik wat kaarten om naar anderen te sturen. Constructiever. Maar ik ben de drukte van mensen voor wie het leven normaal is al snel zat en ga op weg naar huis.

Ik heb nog zo veel energie dat ik een omweg neem. Ik dwaal langs voetbalvelden over paden die ik eigenlijk alleen de andere kant op ken (ik loop een paar keer mis), en sla dan de Dordwijklaan in. Misschien niet slim: daar heb ik te vaak gelopen terwijl ik plannen had die bijna uitkwamen en nu op pauze staan.

Ik kom er een bekende tegen van De Hoop, en heb het ongemakkelijke gesprek dat ik de afgelopen weken al te vaak heb gehad: ‘Hé, jij zat toch in het buitenland?’ ‘Klopt, maar…’ Deze vrouw reageert onverschrokken en vraagt door. ‘Hoe staat het nu met je relatie met God?’ wil ze weten. Ik kijk om me heen naar stervende bladeren, laat me verwarmen door de zon en zeg dat het meestal wel goed gaat, maar dat ik natuurlijk vragen heb. En soms ben ik gewoon boos. Ze knikt. Een echte therapeut, een dame uit de rechterflank van de kerk, nuchter maar betrokken.

Na een goed gesprek loop ik verder, het laatste stukje naar huis. Ik ben nu best wel moe. Vlak voordat ik “mijn” straat insla, zie ik weer zo’n geelgouden boom. Hij laat bladeren vallen, bijna vrolijk, wiegend, alsof hij aan het dansen is en er om hem heen confetti wordt gestrooid. Het is lastig om op een zonnige herfstdag weemoedig te blijven.

Alles ligt open: (g)een sprookje

Photo by Timothy Chan on Unsplash

Er was eens een vrouw, of een man, die een woning had in het duister. De zon zag ze niet, en miste ze ook niet. Ze miste eigenlijk niemand. Ze was gewend aan haar eigen gezelschap. Ze wist altijd wat ze ging zeggen, en dat was saai maar ook vertrouwd. Het was zelfs vertrouwd dat ze zichzelf iedere dag hoorde zeggen dat ze wilde dat haar leven anders was, dat ze mensen om zich heen wilde. En eigenlijk waren andere mensen eng. Die deden dingen die ze niet kon voorspellen. Die konden haar pijn doen.

En toen kwam God. Raar, want ze had Hem niet uitgenodigd. Ze zag Hem niet letterlijk, maar er was opeens zo veel licht – het deed pijn aan haar ogen. Door die pijn wist ze waar ze nog meer pijn had. Ze wist hoe eenzaam ze echt was. En God veranderde dat! Ze ging samen met Hem haar donkere thuis uit. God liet het haar zien hoe prachtig Hij zijn wereld gemaakt had.

Tijdens een van hun wandelingen kwamen ze bij een kerk. O, ze was niet de enige die met Hem wandelde! Ze ging naar binnen en hoorde een lied: ‘Hoe lieflijk is uw woning, HEER van de hemelse machten. Van verlangen smacht mijn ziel naar de voorhoven van de HEER.’ Het ging verder over dat zelfs de mus een huis vindt en de zwaluw haar jongen neerlegt bij de altaren van de HEER van de hemelse machten. Het lied heette Psalm 84.

De vrouw, of man, vond een nieuw huis in de kerk. Het was een fijn huis. Altijd was er wel iemand die over God praatte, en soms kwamen er nieuwe mensen die hadden gehoord over de Heer van de hemelse machten. De vrouw, of man, vond haar leven met God normaler worden.

Soms gingen zij en God weer een stukje wandelen. De vrouw, of man, genoot van het licht om God heen. Af en toe stelde God voor dat ze verder liepen. Maar daar had ze niet zo’n zin in. Als ze echt ver liepen vond ze haar huis misschien niet meer terug. Ze neuriede: ‘Gelukkig wie wonen in uw huis, gedurig mogen zij U loven. Gelukkig wie bij U hun toevlucht zoeken, met in hun hart de wegen naar U.’

God vroeg: ‘Wegen?’ Verder zei Hij niet zo veel. De vrouw wist het wel: er zijn zo veel wegen waar zij nog niet gelopen had. Het zou een leuk avontuur kunnen zijn. Maar ook eng. God zei nog steeds niet veel. Maar ze wist: Hij zou meegaan, Hij zou de weg minder eng maken. En wie weet wat ze tegen zouden komen. De weg lag open. Ze hoefde hem niet in te slaan, maar het kón. Nieuwe avonturen met God – het klonk eigenlijk best aantrekkelijk.

Ze dacht weer aan Psalm 84. Soms twijfelde ze of de vertalers vers zeven wel goed hadden begrepen: ‘Trekken zij door een dal van dorheid, door hen verandert het in een oase; rijke zegen daalt als regen neer.’ Door hen? Nee, door Gód toch zeker? Of misschien hadden de vertalers toch gelijk. Misschien maakte God hen sterk, veel sterker dan ze hadden gedacht. Misschien kon de vrouw, of man, meer dan ze had geloofd, als ze maar durfde te wandelen, met God.

Ze deed een paar stappen, holde toen terug en bleef een paar dagen thuis. Ze deed de gordijnen dicht, zodat haar huis weer net zo donker leek als toen ze God nog niet kende. Dat voelde best fijn. Maar niet lang. Ze was gewend geraakt aan het licht. Ze las weer een stukje van die ene Psalm: ‘Steeds krachtiger gaan zij voort om in Sion voor God te verschijnen.’ Wow, zou ze Hem echt zien? Ze bad: ‘HEER, God van de hemelse machten, hoor mijn gebed, luister naar mij, God van Jakob. God, ons schild, zie naar ons om, sla goedgunstig het oog op uw gezalfde.’ Ze kon niet anders: ze moest weer naar buiten. Ze moest lopen!

Ze wist dat het niet echt “moest” – dat God het niet eiste. Hij nodigde haar uit. En ze begon ernaar te verlangen. Want: ‘Beter één dag in uw voorhoven dan duizend dagen daarbuiten, liever op de drempel van Gods huis dan wonen in de tenten der goddelozen. Want God, de HEER, is een zon en een schild. Genade en glorie schenkt de HEER, zijn weldaden weigert Hij niet aan wie oprecht hun weg gaan. HEER van de hemelse machten, gelukkig de mens die op U vertrouwt.’

(Bijbelcitaten: © NBV21)

Water, vormend, voedend

Zondag vaar ik met vrienden. De dag perst hitte door mijn huid. De Merwe stroomt onaangedaan verder. Het water golft soms woest, als er een speedboot voorbij raast. Soms lijkt het bijna stil te staan. Ter hoogte van de Papendrechtse brug zie ik dat zelfs in stil water een patroon wordt getekend waarvan ik niet begrijp waar het vandaan komt, donkere figuurtjes die aan de stilte toch beweging geven. Ik denk aan hoe het water alsmaar doorgaat, zich aanpast aan keien, rotsen, boten, maar niet werkelijk verandert.

Maandag zweet benauwd. Als de eerste wolken al hoog oprijzen boven Dubbeldam ga ik nog een stukje wandelen – hopelijk in de avondkoelte. Mijn nieuwe verblijf zorgt voor nieuwe wandelroutes. Onder de bomen van Dordwijk, delen van een oud landgoed, is het alsmaar donkerder. Als ik het Dubbelsteyn park inloop, beginnen de bladeren aan de bomen te trillen en te fluisteren, verwachtingsvol, alsof ze weten wat er gaat komen. De wind verscheurt de hitte, veegt de lethargie weg, laat de bomen juichen. Bliksemflitsen splijten het zwart en dan valt de regen neer, dwars door mijn dunne shirt.

Ik klaag niet dat ik doorweekt raak. Ik dank God dat we eindelijk regen hebben. En die storm lijkt wel een beetje op mijn leven, al wil ik daar niet te dramatisch over doen. Misschien kan ik mijn leven beter met de Merwe vergelijken: hij stroomt door geulen die ik nooit had verwacht maar gaat wel gewoon door. Hij past zich aan.

Gek hoe ik sinds de diagnose kanker in een heel nieuw bestaan terecht ben gekomen. Ik woon in een huis dat helemaal niet in mijn planning stond, en alles wat wel in mijn planning stond is opgeschoven naar een datum in de toekomst waar ik niet eens met zekerheid een jaartal bij kan zetten.

Als ik al bij dat jaartal kom. Ook zoiets van kanker: de confrontatie met sterfelijkheid, het besef dat ik geen water ben dat altijd ten diepste water blijft. Mijn huidige vorm is eindig. Dat wist ik natuurlijk al, maar zoals een van mijn docenten uit Engeland zei: ‘We stoppen dat besef allemaal in een doosje. Bij jou is dat doosje opengegaan en nu krijg je het niet meer dicht.’

Maar ook gewoon in het leven van alledag lijkt alles anders, bevreemdend, onvermoed. Ik heb best wel wat mensen in mijn omgeving gehad die met kanker te maken kregen. Maar niemand heeft me ooit de details ingefluisterd. De overweldigende vermoeidheid bijvoorbeeld. Dat beangstigende gevoel dat alle energie op is en je geen stap verder kunt (terwijl je in een van de drukste winkelstraten van Dordt staat).

En alle rare praktische details. Je tanden schijnen nogal te kunnen lijden onder chemo, dus heb ik nu mondwater in huis. Het is zo goor dat het lijkt of ik chemo in mijn mond heb (oké, overdrijven is ook een vak). Je bent opeens in gesprek met een pruikenmaker en een vriendin kijkt kritisch naar je hoofd en stelt vast dat het kaal waarschijnlijk heel mooi is. Bedankt voor het compliment, maar ik wil er niet achter komen of ze gelijk heeft.

Sowieso kijk ik naar mijn lichaam met een aandacht die mij vreemd is. De eerste dagen na de eerste chemo was ik me hyperbewust van alles wat het deed. Waarom had ik opeens die reflex om naar adem te happen? Hadden die spierkrampen iets met de chemo te maken? Regelmatig strijk ik door mijn haar, met weemoed. Ik heb het nooit eerder zo mooi gevonden, totdat ik wist dat ik het kan verliezen.

Tegelijk wil ik geen hypochonder worden. Ik wil interesse houden in de wereld, in de natuur, in mensen, in God. Ik moet mezelf maar niet met water vergelijken. Jezus noemt zichzelf het Levende Water. Hij vormt en voedt de wereld. Het gras lijk al groener na die eerste nacht vol regen.

Hij is God, even almachtig als altijd, of ik nu ziek ben of niet, of mijn plannen nu verstoord zijn of niet. Hij voedt ook mij, vormt mij. Het is vreemd en fijn hoe weinig boosheid ik voel rondom mijn diagnose. Ik voel Hem naast me zitten, buiten in de tuin. Hij glimlacht, zonder woorden. En ik glimlach ook.

Schoonheid uit stoffige as

Photo by Edward Kucherenko on Unsplash

Toen ik terugkwam in Nederland had ik de ambitie een column te schrijven met de titel ‘Hoi Nederland’.  Dat leek me een aardige aansluiting op de column ‘Doei Engeland’. In plaats daarvan kan ik nu een column schrijven met de titel ‘Hoi kanker’. Dat klinkt me alleen net iets te vrolijk in de oren. Hoewel ik blij ben met hoe hard ik nog kan lachen te midden van deze… eh… erg onverwachte ontwikkelingen.

Op 21 juli ging ik naar de dokter omdat een zwelling in mijn nek maar niet wegging (en omdat ik nadat ik de afspraak had gemaakt ook plots een plek in mijn oksel voelde). Mijn huisarts, normaal bijna irritant luchthartig, zei: ‘Ik ben niet blij.’ Dat is iets wat je je huisarts niet wilt horen zeggen. Jammer genoeg zei iedere arts die ik daarna ontmoette soortgelijke dingen.

Precies vijf weken (bijna op de minuut af; het scheelde maar een kwartier) na het bezoek aan de huisarts kreeg ik de bevestiging dat ik non-hodgkin heb, oftewel lymfeklierkanker. Er zitten zes plekken in mijn lichaam die daar niet horen, in mijn nek, oksel en in mijn benen (daar op plekken die nogal ongebruikelijk zijn). Op 30 augustus begint de chemotherapie/immuuntherapie.

Ik zou naar Japan gaan, maar die reis maak ik voorlopig niet. Ik heb mijn huis opgegeven en zou nu graag een veilige plek hebben om ziek te zijn. Ik heb geen baan meer. Dat zijn de feitelijke zaken. En dan zijn er nog andere dingen die me bezighouden. De vraag waarom dit juist nu gebeurt, terwijl ik bijna bij de gate stond voor vertrek. Of God er een reden mee heeft of dat het genetische pech is? Er is de angst als ik ’s nachts wakker schiet. Hoe ga ik lichamelijk reageren op de chemo? Hoe zal ik reageren als ik mezelf zonder haar zie? Word ik weer beter of ga ik misschien dood?

De afgelopen weken heb ik zo veel emoties gehad, en tegelijkertijd voel ik me afgesloten van mijn gevoel, alsof het niet echt over mij gaat. Alsof ik naar een film zit te kijken, een film waar ik een beetje mijn neus voor optrek omdat hij te dramatisch is. Serieus zeg: het is nog wel interessant om te zien hoe een bangerik haar moed bij elkaar raapt, zekerheden opgeeft en naar Engeland vertrekt voor een jaar bijbelschool als voorbereiding op zending. Maar om er dan net voor vertrek naar Japan een kankerdiagnose in te gooien is te veel van het goede. Zoals mijn lieve vriendin in Engeland zou roepen: ‘Drama lama!’

Maar goed, het schijnt echt waar te zijn. En over mij te gaan. Oké, toch maar wat mee doen dan. De afgelopen weken ben ik overspoeld met de liefde van mensen. Maar ik kijk met een schuin oog naar de Heer. Hoe zit het met zijn liefde voor mij? Is die er echt? En houd ik van Hem in deze omstandigheden? Ik heb er geen gemakkelijke antwoorden op. Nou ja, wel op de eerste vraag. Ik weet dat Hij van mij houdt. En ik geloof dat ik weet dat ik van Hem hou. Maar ik ben ook… boos – verontwaardigd – teleurgesteld – gruwelijk bang.

De afgelopen week sprak ik twee mensen die door het ziekteproces zijn gegaan waar ik nu voor sta, en ik praatte met iemand die chronisch ziek is. Twee van hen zeiden dat hun relatie met God enorm veranderd was. De eerste zei dat ze met God een berg was op gestrompeld en nooit meer het uitzicht vanaf de top kon vergeten. Haar perspectief is voor altijd veranderd. De tweede zei dat ze het ziekteproces niet had willen missen. God was zo reëel voor haar geworden.

Hun woorden gaven me een verlangen. Het verlangen dat er schoonheid zal voortkomen uit deze stoffige as. Dat ik het aandurf om naar God te gaan als ik midden in de nacht angstig wakkerschiet in plaats van naar mijn telefoon of een boek te grijpen. Het verlangen dat ik mijn lieve Vader veel beter zal leren kennen, en – ik schat het in – ook mezelf, dat ik zal zien wie ik werkelijk ben in zijn ogen, die ook nu, misschien wel nadrukkelijker dan ooit, op mij gericht zijn.

Geen Jane

‘Denkend aan Holland…’

Ben je een jong tienermeisje en lees je graag? Dan heb ik een gouden tip voor je: lees Jane Eyre de komende tien jaar even niet. Of wacht er twintig jaar mee – nog veiliger.

Ik was 13 toen ik kennis maakte met Jane en haar “meester” Mr Rochester. Het is het enige boek (naast de Bijbel, bedenk ik me nu) waaruit ik zonder moeite hele passages kan citeren. In het Nederlands én het Engels. Het verhaal heeft een grote plaats in mijn herinneringen, en – hoe weergaloos goed het boek ook geschreven is – dat vind ik nu jammer.

Jane is een wees, die opgroeit te midden van de familie van haar moeder, die haar als een criminele leprapatiënt behandelt omdat ze anders is dan de andere kinderen. Daarna wordt ze een leerling op een school onder een hardvochtig beleid. Als 18-jarige wordt ze gouvernante. Haar baas is Mr Rochester. Hij verschijnt pas in hoofdstuk 10, maar vanaf dan is alle aandacht op hem gevestigd.

Zoals ik al zei: het boek is geweldig geschreven. Charlotte Brontë kan een middagwandeling naar het postkantoor zo verwoorden dat je ieder moment een engel met een zwaard verwacht. De dromen die Jane heeft en de schilderijen die ze maakt, zijn xtc voor de verbeelding van iedere lezer. Maar Brontë is ook gefixeerd op de liefde. Iedere plicht en al het gezond verstand wordt er ondergeschikt aan gemaakt.

Ik kan een plechtige blog schrijven over hoe ongezond het is dat meisjes de boodschap krijgen dat heel hun leven in orde komt als ze maar een goede man vinden. Ik kan spreken over het feit dat hun uiterlijk daarbij een nog veel grotere rol is gaan spelen dan in mijn jeugd al het geval was (waarbij ik moet aantekenen dat Charlotte Brontë wel zo origineel is om zowel Jane als Mr Rochester niet fysiek aantrekkelijk te maken). Ik kan het hebben over emancipatie, of ik kan het christelijk bekijken: dat onze aandacht meer op de liefde van God dan die van mensen gericht moet zijn, maar dat het dat bijna nooit is, en dat boeken als Jane Eyre daarbij niet helpen.

Ik denk dat de voorgaande alinea genoeg is om alle mogelijke gezichtspunten duidelijk te maken. Ik hou het maar persoonlijk. Ik heb jarenlang Jane Eyre herlezen. Mijn Nederlandstalige exemplaar was het eerste boek dat ik ooit kocht. Toen ik op de middelbare school Engelse boeken moest gaan lezen, was Jane Eyre bijna het eerste boek waar ik me aan waagde. Ik wilde ook een Jane zijn, een vrouw van wie een man zo veel hield dat hij na haar verdwijning bijna sterft van ellende. In de jaren dat ik depressief was, veel te dik was, droomde dat ik dood was, geloofde ik dat als ik maar een relatie kreeg alles goed kwam. Dat was ook zo, maar dat was toch echt de relatie met God. Ik houd niet zo van vrome praatjes, maar dit meen ik.

Nadat ik christen werd, verdwenen Jane en Edward Fairfax Rochester langzaam uit mijn leven. Ik herlas het boek een paar jaar geleden en was oprecht geschokt over de fixatie op romantische liefde. Wat misschien hielp was dat Mr Rochester, zo lang mijn ultieme held, nu jonger is dan ik. Door de plannen die ik zelf maak, ben ik ook heel anders gaan kijken naar St John Rivers, Janes neef die met haar wil trouwen – niet omdat hij van haar houdt, maar omdat hij haar hulp goed kan gebruiken als zendeling in India. De eerste twintig keer dat ik het boek las, had ik nooit kunnen denken dat ik zelf zendeling zou willen worden. Janes argumenten om nee tegen hem te zeggen, houden nog wel steek, maar minder dan vroeger.

Ik ben geen Jane geweest en zal het ook nooit worden. Ik hoop ook niet echt Rivers te worden, die al zijn emoties voor zich houdt, alles wat hem lief is genadeloos afsnijdt om maar zendeling te worden. Maar als ik nu terugdenk aan hoe hij in een passage in stilte voor het laatst zijn vaderland in zich opneemt, slik ik en snap ik bijna hoe verraderlijk verrukkelijk het kan zijn te vluchten in liefde en comfortabel thuis te blijven.

In de bijna-winternacht

Photo by David Dibert on Unsplash

“En dan zeggen ze dat ik ‘gewoon’ op Jezus moet vertrouwen,” zucht de vriendin die bij me op bezoek is. “Dat wil ik wel, maar hoe dan?”

Ik tuur in mijn kopje en zucht ook. Ik heb een wolkje melk in de koffie, maar alles lijkt nogal zwart. Ik heb mijn huis opgegeven dit jaar, mijn werk en mijn vrienden achtergelaten om naar bijbelschool in Engeland te gaan. Nu ben ik voor de kerstvakantie terug in Nederland en vind ik het nog steeds lastig om op Jezus te vertrouwen. Ik voel me een nomade in eigen land, en in mijn eigen ziel. De afgelopen weken heb ik dingen over mezelf geleerd waar ik niet blij van word. Ik vraag me af of mensen mij tekort doen en ik vraag me af of ik hen tekort doe.

Het is de één na kortste dag van het jaar, de laatste dag van de herfst. Ik stap vroeg in de avond het duister in, onderweg naar een bidstond. Genoeg gebedspunten, en niet alleen in mezelf. Ik zie mensen samen aan tafel zitten die allemaal naar hun eigen telefoon kijken.

In een tunneltje hoor ik achter me twee vrouwen spreken. Even maken de woorden me hoopvoller. “Als dit geen tijd van verbondenheid is, dan weet ik het niet meer,” zegt de een, en als de ander instemmend mompelt, zegt ze: “We moeten er voor elkaar zijn. We moeten onszelf aan elkaar laten zien.”

Ik denk even dat het nog mooier zou zijn als we Iemand anders aan elkaar zouden laten zien. En dan, als de tweede vrouw weer instemmend mompelt, zegt Vrouw Eén monter: “Ik heb vandaag voor mezelf gekozen.”

Opeens blijkt Vrouw Twee werkelijk te kunnen praten: “Echt?” vraagt ze enthousiast. “Wat heb je dan gedaan?” En de eerste vrouw begint iets te vertellen over dat ze tot zes uur heeft gewerkt, maar toen…

Ik weerhoud me er net van om me om te draaien en te vragen of Vrouw Eén nou echt niet doorheeft dat ze nogal tegenstrijdig is. Ik ben het tunneltje uit en sla haastig af. Ik kijk omhoog en probeer me te concentreren op de hemel. Er dwalen nachtwolken in, die helder verlicht worden door een maan die nog verborgen is achter grotere wolken. Ik adem eens diep in en loop verder, door straten die stinken naar wiet van schaduwen die voor me uit lopen.

Ik heb nooit wiet gebruikt, maar even kan ik me voorstellen waarom mensen dat wel doen. Dan kun je in ieder geval dromen. En dan… droom ik misschien ook. Er verschijnt weer een tunnel, vlak voor mijn ogen, donker draaiende lucht waarin al mijn irritatie en twijfel kolkt. Er rijdt een elektrische scooter doorheen, naar mij toe, volledig geluidloos – totdat de gehelmde bestuurder vol in de remmen gaat en omvalt, over het stuur heen. Als ik toesnel om hem te helpen staat hij alweer op. “Vrees niet!” roept hij. En er is iets in zijn stem waardoor ik weet dat hij geen ‘gewone’ bestuurder is. Ik kijk even naar de tunnel, die hij is verdwenen. De avondlucht is opeens ook helderder. De wolken zijn verdwenen – de maan schijnt. De wiet ruik ik niet meer – ik ruik wierook.

Als ik me naar de bestuurder draai, is ook hij verdwenen. De plek waar hij stond lijkt lichter dan de rest van de straat – alsof alle stralen van de maan daarin geconcentreerd zijn. “Vrees niet,” brom ik, licht geïrriteerd. Dat is de tekst van engelen, voordat ze hun echte boodschap beginnen te vertellen. Maar wat is die boodschap dan? Ik kijk nog eens om me heen, maar scooter en berijder zijn echt verdwenen. Alleen een echo lijkt achter te blijven. Ik spits mijn middelbare oren en denk te horen: “Hij is allang geboren.” Misschien moet ik concluderen dat ook als ik Jezus niet altijd bemerk, Hij er toch is.

Ik loop door en zie drie jongens met een Arabisch uiterlijk een bus in stappen. Op reis naar…? De vergelijking met de drie wijzen dringt zich aan me op. Als de bus wegrijdt (geluidloos, ook elektrisch) hoor ik gezang. Geen engelen, nee, maar twee tienermeisjes. “O baby, baby!” galmen ze, en dan giechelen ze. En ik glimlach. Jezus is allang geboren.