Water, vormend, voedend

Zondag vaar ik met vrienden. De dag perst hitte door mijn huid. De Merwe stroomt onaangedaan verder. Het water golft soms woest, als er een speedboot voorbij raast. Soms lijkt het bijna stil te staan. Ter hoogte van de Papendrechtse brug zie ik dat zelfs in stil water een patroon wordt getekend waarvan ik niet begrijp waar het vandaan komt, donkere figuurtjes die aan de stilte toch beweging geven. Ik denk aan hoe het water alsmaar doorgaat, zich aanpast aan keien, rotsen, boten, maar niet werkelijk verandert.

Maandag zweet benauwd. Als de eerste wolken al hoog oprijzen boven Dubbeldam ga ik nog een stukje wandelen – hopelijk in de avondkoelte. Mijn nieuwe verblijf zorgt voor nieuwe wandelroutes. Onder de bomen van Dordwijk, delen van een oud landgoed, is het alsmaar donkerder. Als ik het Dubbelsteyn park inloop, beginnen de bladeren aan de bomen te trillen en te fluisteren, verwachtingsvol, alsof ze weten wat er gaat komen. De wind verscheurt de hitte, veegt de lethargie weg, laat de bomen juichen. Bliksemflitsen splijten het zwart en dan valt de regen neer, dwars door mijn dunne shirt.

Ik klaag niet dat ik doorweekt raak. Ik dank God dat we eindelijk regen hebben. En die storm lijkt wel een beetje op mijn leven, al wil ik daar niet te dramatisch over doen. Misschien kan ik mijn leven beter met de Merwe vergelijken: hij stroomt door geulen die ik nooit had verwacht maar gaat wel gewoon door. Hij past zich aan.

Gek hoe ik sinds de diagnose kanker in een heel nieuw bestaan terecht ben gekomen. Ik woon in een huis dat helemaal niet in mijn planning stond, en alles wat wel in mijn planning stond is opgeschoven naar een datum in de toekomst waar ik niet eens met zekerheid een jaartal bij kan zetten.

Als ik al bij dat jaartal kom. Ook zoiets van kanker: de confrontatie met sterfelijkheid, het besef dat ik geen water ben dat altijd ten diepste water blijft. Mijn huidige vorm is eindig. Dat wist ik natuurlijk al, maar zoals een van mijn docenten uit Engeland zei: ‘We stoppen dat besef allemaal in een doosje. Bij jou is dat doosje opengegaan en nu krijg je het niet meer dicht.’

Maar ook gewoon in het leven van alledag lijkt alles anders, bevreemdend, onvermoed. Ik heb best wel wat mensen in mijn omgeving gehad die met kanker te maken kregen. Maar niemand heeft me ooit de details ingefluisterd. De overweldigende vermoeidheid bijvoorbeeld. Dat beangstigende gevoel dat alle energie op is en je geen stap verder kunt (terwijl je in een van de drukste winkelstraten van Dordt staat).

En alle rare praktische details. Je tanden schijnen nogal te kunnen lijden onder chemo, dus heb ik nu mondwater in huis. Het is zo goor dat het lijkt of ik chemo in mijn mond heb (oké, overdrijven is ook een vak). Je bent opeens in gesprek met een pruikenmaker en een vriendin kijkt kritisch naar je hoofd en stelt vast dat het kaal waarschijnlijk heel mooi is. Bedankt voor het compliment, maar ik wil er niet achter komen of ze gelijk heeft.

Sowieso kijk ik naar mijn lichaam met een aandacht die mij vreemd is. De eerste dagen na de eerste chemo was ik me hyperbewust van alles wat het deed. Waarom had ik opeens die reflex om naar adem te happen? Hadden die spierkrampen iets met de chemo te maken? Regelmatig strijk ik door mijn haar, met weemoed. Ik heb het nooit eerder zo mooi gevonden, totdat ik wist dat ik het kan verliezen.

Tegelijk wil ik geen hypochonder worden. Ik wil interesse houden in de wereld, in de natuur, in mensen, in God. Ik moet mezelf maar niet met water vergelijken. Jezus noemt zichzelf het Levende Water. Hij vormt en voedt de wereld. Het gras lijk al groener na die eerste nacht vol regen.

Hij is God, even almachtig als altijd, of ik nu ziek ben of niet, of mijn plannen nu verstoord zijn of niet. Hij voedt ook mij, vormt mij. Het is vreemd en fijn hoe weinig boosheid ik voel rondom mijn diagnose. Ik voel Hem naast me zitten, buiten in de tuin. Hij glimlacht, zonder woorden. En ik glimlach ook.

Schoonheid uit stoffige as

Photo by Edward Kucherenko on Unsplash

Toen ik terugkwam in Nederland had ik de ambitie een column te schrijven met de titel ‘Hoi Nederland’.  Dat leek me een aardige aansluiting op de column ‘Doei Engeland’. In plaats daarvan kan ik nu een column schrijven met de titel ‘Hoi kanker’. Dat klinkt me alleen net iets te vrolijk in de oren. Hoewel ik blij ben met hoe hard ik nog kan lachen te midden van deze… eh… erg onverwachte ontwikkelingen.

Op 21 juli ging ik naar de dokter omdat een zwelling in mijn nek maar niet wegging (en omdat ik nadat ik de afspraak had gemaakt ook plots een plek in mijn oksel voelde). Mijn huisarts, normaal bijna irritant luchthartig, zei: ‘Ik ben niet blij.’ Dat is iets wat je je huisarts niet wilt horen zeggen. Jammer genoeg zei iedere arts die ik daarna ontmoette soortgelijke dingen.

Precies vijf weken (bijna op de minuut af; het scheelde maar een kwartier) na het bezoek aan de huisarts kreeg ik de bevestiging dat ik non-hodgkin heb, oftewel lymfeklierkanker. Er zitten zes plekken in mijn lichaam die daar niet horen, in mijn nek, oksel en in mijn benen (daar op plekken die nogal ongebruikelijk zijn). Op 30 augustus begint de chemotherapie/immuuntherapie.

Ik zou naar Japan gaan, maar die reis maak ik voorlopig niet. Ik heb mijn huis opgegeven en zou nu graag een veilige plek hebben om ziek te zijn. Ik heb geen baan meer. Dat zijn de feitelijke zaken. En dan zijn er nog andere dingen die me bezighouden. De vraag waarom dit juist nu gebeurt, terwijl ik bijna bij de gate stond voor vertrek. Of God er een reden mee heeft of dat het genetische pech is? Er is de angst als ik ’s nachts wakker schiet. Hoe ga ik lichamelijk reageren op de chemo? Hoe zal ik reageren als ik mezelf zonder haar zie? Word ik weer beter of ga ik misschien dood?

De afgelopen weken heb ik zo veel emoties gehad, en tegelijkertijd voel ik me afgesloten van mijn gevoel, alsof het niet echt over mij gaat. Alsof ik naar een film zit te kijken, een film waar ik een beetje mijn neus voor optrek omdat hij te dramatisch is. Serieus zeg: het is nog wel interessant om te zien hoe een bangerik haar moed bij elkaar raapt, zekerheden opgeeft en naar Engeland vertrekt voor een jaar bijbelschool als voorbereiding op zending. Maar om er dan net voor vertrek naar Japan een kankerdiagnose in te gooien is te veel van het goede. Zoals mijn lieve vriendin in Engeland zou roepen: ‘Drama lama!’

Maar goed, het schijnt echt waar te zijn. En over mij te gaan. Oké, toch maar wat mee doen dan. De afgelopen weken ben ik overspoeld met de liefde van mensen. Maar ik kijk met een schuin oog naar de Heer. Hoe zit het met zijn liefde voor mij? Is die er echt? En houd ik van Hem in deze omstandigheden? Ik heb er geen gemakkelijke antwoorden op. Nou ja, wel op de eerste vraag. Ik weet dat Hij van mij houdt. En ik geloof dat ik weet dat ik van Hem hou. Maar ik ben ook… boos – verontwaardigd – teleurgesteld – gruwelijk bang.

De afgelopen week sprak ik twee mensen die door het ziekteproces zijn gegaan waar ik nu voor sta, en ik praatte met iemand die chronisch ziek is. Twee van hen zeiden dat hun relatie met God enorm veranderd was. De eerste zei dat ze met God een berg was op gestrompeld en nooit meer het uitzicht vanaf de top kon vergeten. Haar perspectief is voor altijd veranderd. De tweede zei dat ze het ziekteproces niet had willen missen. God was zo reëel voor haar geworden.

Hun woorden gaven me een verlangen. Het verlangen dat er schoonheid zal voortkomen uit deze stoffige as. Dat ik het aandurf om naar God te gaan als ik midden in de nacht angstig wakkerschiet in plaats van naar mijn telefoon of een boek te grijpen. Het verlangen dat ik mijn lieve Vader veel beter zal leren kennen, en – ik schat het in – ook mezelf, dat ik zal zien wie ik werkelijk ben in zijn ogen, die ook nu, misschien wel nadrukkelijker dan ooit, op mij gericht zijn.

Geen Jane

‘Denkend aan Holland…’

Ben je een jong tienermeisje en lees je graag? Dan heb ik een gouden tip voor je: lees Jane Eyre de komende tien jaar even niet. Of wacht er twintig jaar mee – nog veiliger.

Ik was 13 toen ik kennis maakte met Jane en haar “meester” Mr Rochester. Het is het enige boek (naast de Bijbel, bedenk ik me nu) waaruit ik zonder moeite hele passages kan citeren. In het Nederlands én het Engels. Het verhaal heeft een grote plaats in mijn herinneringen, en – hoe weergaloos goed het boek ook geschreven is – dat vind ik nu jammer.

Jane is een wees, die opgroeit te midden van de familie van haar moeder, die haar als een criminele leprapatiënt behandelt omdat ze anders is dan de andere kinderen. Daarna wordt ze een leerling op een school onder een hardvochtig beleid. Als 18-jarige wordt ze gouvernante. Haar baas is Mr Rochester. Hij verschijnt pas in hoofdstuk 10, maar vanaf dan is alle aandacht op hem gevestigd.

Zoals ik al zei: het boek is geweldig geschreven. Charlotte Brontë kan een middagwandeling naar het postkantoor zo verwoorden dat je ieder moment een engel met een zwaard verwacht. De dromen die Jane heeft en de schilderijen die ze maakt, zijn xtc voor de verbeelding van iedere lezer. Maar Brontë is ook gefixeerd op de liefde. Iedere plicht en al het gezond verstand wordt er ondergeschikt aan gemaakt.

Ik kan een plechtige blog schrijven over hoe ongezond het is dat meisjes de boodschap krijgen dat heel hun leven in orde komt als ze maar een goede man vinden. Ik kan spreken over het feit dat hun uiterlijk daarbij een nog veel grotere rol is gaan spelen dan in mijn jeugd al het geval was (waarbij ik moet aantekenen dat Charlotte Brontë wel zo origineel is om zowel Jane als Mr Rochester niet fysiek aantrekkelijk te maken). Ik kan het hebben over emancipatie, of ik kan het christelijk bekijken: dat onze aandacht meer op de liefde van God dan die van mensen gericht moet zijn, maar dat het dat bijna nooit is, en dat boeken als Jane Eyre daarbij niet helpen.

Ik denk dat de voorgaande alinea genoeg is om alle mogelijke gezichtspunten duidelijk te maken. Ik hou het maar persoonlijk. Ik heb jarenlang Jane Eyre herlezen. Mijn Nederlandstalige exemplaar was het eerste boek dat ik ooit kocht. Toen ik op de middelbare school Engelse boeken moest gaan lezen, was Jane Eyre bijna het eerste boek waar ik me aan waagde. Ik wilde ook een Jane zijn, een vrouw van wie een man zo veel hield dat hij na haar verdwijning bijna sterft van ellende. In de jaren dat ik depressief was, veel te dik was, droomde dat ik dood was, geloofde ik dat als ik maar een relatie kreeg alles goed kwam. Dat was ook zo, maar dat was toch echt de relatie met God. Ik houd niet zo van vrome praatjes, maar dit meen ik.

Nadat ik christen werd, verdwenen Jane en Edward Fairfax Rochester langzaam uit mijn leven. Ik herlas het boek een paar jaar geleden en was oprecht geschokt over de fixatie op romantische liefde. Wat misschien hielp was dat Mr Rochester, zo lang mijn ultieme held, nu jonger is dan ik. Door de plannen die ik zelf maak, ben ik ook heel anders gaan kijken naar St John Rivers, Janes neef die met haar wil trouwen – niet omdat hij van haar houdt, maar omdat hij haar hulp goed kan gebruiken als zendeling in India. De eerste twintig keer dat ik het boek las, had ik nooit kunnen denken dat ik zelf zendeling zou willen worden. Janes argumenten om nee tegen hem te zeggen, houden nog wel steek, maar minder dan vroeger.

Ik ben geen Jane geweest en zal het ook nooit worden. Ik hoop ook niet echt Rivers te worden, die al zijn emoties voor zich houdt, alles wat hem lief is genadeloos afsnijdt om maar zendeling te worden. Maar als ik nu terugdenk aan hoe hij in een passage in stilte voor het laatst zijn vaderland in zich opneemt, slik ik en snap ik bijna hoe verraderlijk verrukkelijk het kan zijn te vluchten in liefde en comfortabel thuis te blijven.

In de bijna-winternacht

Photo by David Dibert on Unsplash

“En dan zeggen ze dat ik ‘gewoon’ op Jezus moet vertrouwen,” zucht de vriendin die bij me op bezoek is. “Dat wil ik wel, maar hoe dan?”

Ik tuur in mijn kopje en zucht ook. Ik heb een wolkje melk in de koffie, maar alles lijkt nogal zwart. Ik heb mijn huis opgegeven dit jaar, mijn werk en mijn vrienden achtergelaten om naar bijbelschool in Engeland te gaan. Nu ben ik voor de kerstvakantie terug in Nederland en vind ik het nog steeds lastig om op Jezus te vertrouwen. Ik voel me een nomade in eigen land, en in mijn eigen ziel. De afgelopen weken heb ik dingen over mezelf geleerd waar ik niet blij van word. Ik vraag me af of mensen mij tekort doen en ik vraag me af of ik hen tekort doe.

Het is de één na kortste dag van het jaar, de laatste dag van de herfst. Ik stap vroeg in de avond het duister in, onderweg naar een bidstond. Genoeg gebedspunten, en niet alleen in mezelf. Ik zie mensen samen aan tafel zitten die allemaal naar hun eigen telefoon kijken.

In een tunneltje hoor ik achter me twee vrouwen spreken. Even maken de woorden me hoopvoller. “Als dit geen tijd van verbondenheid is, dan weet ik het niet meer,” zegt de een, en als de ander instemmend mompelt, zegt ze: “We moeten er voor elkaar zijn. We moeten onszelf aan elkaar laten zien.”

Ik denk even dat het nog mooier zou zijn als we Iemand anders aan elkaar zouden laten zien. En dan, als de tweede vrouw weer instemmend mompelt, zegt Vrouw Eén monter: “Ik heb vandaag voor mezelf gekozen.”

Opeens blijkt Vrouw Twee werkelijk te kunnen praten: “Echt?” vraagt ze enthousiast. “Wat heb je dan gedaan?” En de eerste vrouw begint iets te vertellen over dat ze tot zes uur heeft gewerkt, maar toen…

Ik weerhoud me er net van om me om te draaien en te vragen of Vrouw Eén nou echt niet doorheeft dat ze nogal tegenstrijdig is. Ik ben het tunneltje uit en sla haastig af. Ik kijk omhoog en probeer me te concentreren op de hemel. Er dwalen nachtwolken in, die helder verlicht worden door een maan die nog verborgen is achter grotere wolken. Ik adem eens diep in en loop verder, door straten die stinken naar wiet van schaduwen die voor me uit lopen.

Ik heb nooit wiet gebruikt, maar even kan ik me voorstellen waarom mensen dat wel doen. Dan kun je in ieder geval dromen. En dan… droom ik misschien ook. Er verschijnt weer een tunnel, vlak voor mijn ogen, donker draaiende lucht waarin al mijn irritatie en twijfel kolkt. Er rijdt een elektrische scooter doorheen, naar mij toe, volledig geluidloos – totdat de gehelmde bestuurder vol in de remmen gaat en omvalt, over het stuur heen. Als ik toesnel om hem te helpen staat hij alweer op. “Vrees niet!” roept hij. En er is iets in zijn stem waardoor ik weet dat hij geen ‘gewone’ bestuurder is. Ik kijk even naar de tunnel, die hij is verdwenen. De avondlucht is opeens ook helderder. De wolken zijn verdwenen – de maan schijnt. De wiet ruik ik niet meer – ik ruik wierook.

Als ik me naar de bestuurder draai, is ook hij verdwenen. De plek waar hij stond lijkt lichter dan de rest van de straat – alsof alle stralen van de maan daarin geconcentreerd zijn. “Vrees niet,” brom ik, licht geïrriteerd. Dat is de tekst van engelen, voordat ze hun echte boodschap beginnen te vertellen. Maar wat is die boodschap dan? Ik kijk nog eens om me heen, maar scooter en berijder zijn echt verdwenen. Alleen een echo lijkt achter te blijven. Ik spits mijn middelbare oren en denk te horen: “Hij is allang geboren.” Misschien moet ik concluderen dat ook als ik Jezus niet altijd bemerk, Hij er toch is.

Ik loop door en zie drie jongens met een Arabisch uiterlijk een bus in stappen. Op reis naar…? De vergelijking met de drie wijzen dringt zich aan me op. Als de bus wegrijdt (geluidloos, ook elektrisch) hoor ik gezang. Geen engelen, nee, maar twee tienermeisjes. “O baby, baby!” galmen ze, en dan giechelen ze. En ik glimlach. Jezus is allang geboren.

Zonder (veel) woorden

Drie weken ben ik nu in Engeland en woorden schieten tekort. Nogal letterlijk. In het Engels kan ik me een stuk minder precies uitdrukken dan in het Nederlands.

Op mijn gang ga ik steeds meer om met Clare. Ze is een stuk jonger dan ik, maar wel een stuk wijzer. Ze heeft jarenlang in verre buitenlanden gewoond en kan met een stille diepte praten over waar ze tegenaan liep, en wat God doet als je zelf in beweging komt. Ze heeft ook een sprankelend, onverwacht gevoel voor humor. Ik geniet als ze praat. En baal als ik antwoord. Mijn Engels is niet slecht, maar als ik voel me een onbehouwen tiener die opzettelijk zo asociaal mogelijk reageert op haar lerares. Waar zijn de dagen gebleven dat ik mijn werkuren mocht besteden aan schrijven – en ik daar in mijn vrije tijd mee verderging?

Zuchtend ga ik een blokje om. In de natuur zijn niet veel woorden nodig. Bij kastanjes en bij beuken vallen lege bolsters op de grond, hoewel er geen wind staat: daar zijn eekhoorns aan het werk. Een groep duiven fladdert op: angst. Fazanten hollen voor me uit: nog meer angst. In het struikgewas bewegen bladeren in de nog steeds windloze dag: onzichtbare dieren verstoppen zich voor me. Een roofvogel suist voorbij zonder één enkel geluid.

Ik probeer stil te worden, zonder woorden de God te zoeken voor wie ik zeg hier gekomen te zijn. In deze eerste weken in Engeland heb ik me regelmatig afgevraagd of ik Hem wel goed verstaan heb. Dat schijnt normaal te zijn, maar het is een angstige ervaring. Al je schepen verbranden en er dan achter komen dat er geen nieuw schip is dat je over de diepe oceaan gaat brengen? Op de Bijbelschool wordt er veel nagedacht over God, maar veel zekerheden worden ook kritisch bekeken. Zelfs God lijkt anders.

In de stilte voel ik mijn angst nog beter. En ik weet het: ik verstop me ook in het struikgewas, verberg me onder bladeren, wil opfladderen en wegvliegen, hoewel ik geen thuis meer heb waar ik heen kan. Ik heb alleen nog God en het vertrouwen in Hem. Ik wil denken dat ik dat besef veel te groot maak – maar het is echt waar.

Vluchten. Hoe aanlokkelijk is dat. Een boek waarin ik helemaal kan opgaan (en dan even geen studieboek, maar iets spannends om te lezen – of te schrijven) of een doos met heerlijke chocolade – hoewel ik gelukkig Engelse chocolade niet meer zo lekker vind als vroeger.

Er zijn geen uitvluchten meer. Ik probeer mijn woorden te stillen, mijn gedachten te sussen zoals ik een baby zou sussen. Misschien zijn woorden toch niet altijd zo fijn. Misschien moet ik maar helemaal stoppen met denken – als ik wist hoe dat moest.

Ik kijk om me heen. Het is een stille herfstdag. In de hagen zie ik rozebottels en één bloesem van een braamstruik. De boerenvelden zijn kaal; de horizon is vaag met onbestemde bewolking. Maar het is nog warm, en soms kust de zon me alsof het zomer is. Ik weet het: het zal winter worden, sneller dan ik op deze oktoberdag denk. Ook in mij. En dat is waarschijnlijk goed.

Een paar dagen geleden bad ik samen met een aantal andere mensen voor de toekomst van Project Deshima, mijn plannen in Japan. Tijdens het gebed zag ik in mijn gedachten een deur die openging. Ik dacht dat het betekende dat er nieuwe mogelijkheden zouden komen. Maar toen snapte ik het: die deur is in mijzelf. Voordat ik aan de slag kan met mijn toekomst zal ik eerst in mijzelf moeten rondwandelen, in alles wat ik geloof en niet geloof over God. Ik denk dat mijn vertrouwen nog gesnoeid wordt de komende tijd, zodat het de winter aankan, en kan bloeien als het nodig is.

Ik slenter verder over het pad terug naar All Nations, de Bijbelschool. Het is vol stenen, en het valt me op dat zelfs die soms in tweeën zijn gesneden. Welke hand kan dat doen? En vindt de steen het fijn om een stuk van wat zijn binnenkant was nu te laten zien aan wind en lucht en kou?

De gedachten van een mus

Photo by Wolfgang Hasselmann on Unsplash

Een tijdje geleden liep ik langs een struik – of eigenlijk was het een struikje. De takken waren dun – of eigenlijk iel. Maar een volwassen mus greep zich aan zo’n takje vast en viel niet. Hij was zo licht dat het takje zelfs nauwelijks boog onder zijn gewicht.

Soms wil ik zo licht als een mus zijn. Ik bedoel niet dat ik mezelf te zwaar vind. Ik bedoel: wat is het lekker als niets om je heen zwaar is – of zwaar lijkt; als je omgeving of jijzelf niet buigen onder je eigen gedachten.

Mijn gedachten de afgelopen week waren zwaar. Ik zit volop in mijn proces van loslaten: werk en huis opgeven, voorbereiden op de bijbelschool in Engeland en daarna de grote reis naar Japan, ver weg van iedereen die me lief is. Door Brexit heb ik nu een visum nodig voor Engeland, en daarvoor moest ik een taaltoets doen. Die haalde ik met prachtige cijfers. En toen kwam erachter dat ik de verkeerde taaltoets had gedaan. Een echtpaar met hetzelfde probleem vertelde dat we de goede niet meer in Nederland konden doen. De dichtstbijzijnde locatie was Parijs – of anders Bern.

Het bleek uiteindelijk allemaal wat minder zwaar: de toets kon toch wel in Nederland. Maar… pas in augustus, terwijl ik in september al naar Engeland moet. Blijft er wel tijd genoeg over om het visum aan te vragen, en vooral: te krijgen? Mijn gedachten werden weer zwaarder. Ze lagen ’s nachts op mijn hart, of op mijn longen. Het was lastig om te blijven ademen. Ik wenste weer dat ik een mus was. De hersenen van een mus zijn zo klein en licht dat hij niet kan piekeren.

Maar God sprak dwars door mijn eigen gedachten – of (waarschijnlijker) door die van Hem. Volgende maand mag ik een keer spreken in de kerk. Toen ik ervoor werd gevraagd, wist ik gelijk waar ik het over wilde hebben, maar ik had het nog niet uitgewerkt. Ondanks de onrust begon ik daar maar eens aan. En de conclusie van “mijn” eigen preek was: benoem je zorgen naar God toe, zoals Elia, die durfde uitspreken dat hij het leven moe was. Wees niet als Saul, die zich groot hield voor zijn leger en offers bracht die hij helemaal niet moest brengen. Saul sneuvelde; Elia zag God op de berg Horeb. Ik huilde bij God uit, benoemde hoe spannend ik alles vind – hoe doodsbang ik soms ben voor al die veranderingen.

De volgende dag had ik een fotoshoot. Nou, voor mij is dat een zin die ik niet had verwacht ooit te zullen schrijven. Maar dat zijn van die dingen die soms gebeuren bij grote veranderingen: anderen willen daarover kunnen lezen, en bij een artikel horen foto’s (beweren ze). Ik zag er echt tegenop. Ik krijg gewoonlijk kaakpijn als ze me willen fotograferen, zeker als het langer duurt dan drie seconden. Meestal herken ik mezelf nauwelijks in het resultaat – of wíl ik mezelf niet hoeven herkennen.

Maar… de fotoshoot was geweldig. Samen met de fotografe stond ik in een ultiem Hollands landschap: hoge wolkenluchten, elegante hoge halmen, uitbundige bloemen. En het waaide: een frisse wind in mijn gezicht, om mij heen, tegen mij aan, kriebelend, strelend, geruststellend. Ik dacht opeens: God weet hoeveel ik van de wind houd. Is het echt toeval dat ik straks allemaal foto’s heb waarop de wind zichtbaar aanwezig zal zijn?

Bij de laatste locatie waar de fotografe de wind en mij vastlegde, vlogen zwaluwen af en aan. Ik moest in de camera glimlachen, maar ik glimlachte naar de lucht. Ik was een beetje jaloers op die zwenkende vogeltjes, maar ook gewoon blij dat ik naar ze mocht kijken.

Daarna ging ik naar een korte bidstond. Terwijl ik bad moest ik opeens huilen. Maar het was niet van de stress. Het was omdat ik eindelijk weer even rustig was. Mijn gedachten waren licht als van een mus. Ik wist dat ik mee kon vliegen, met God, naar de bestemming die Hij voor mij in gedachten heeft. Toen ik ’s nachts wakker werd, lagen mijn gedachten al weer voelbaar op mijn longen, maar ik draaide me om en sliep verder.

Bijna omver geblazen?

Laatst voelde ik me bijna Elia toen ik uit het werk kwam. Net voordat ik de deur uitstapte zag ik blauwbeurse wolken opbollen boven de polder. Ik begon al te twijfelen of ik droog thuis zou komen. Voordat ik halverwege was, waren de wolken zwart. Elia holde vanaf de berg Karmel voor de storm en de koning uit. Ik vroeg me af of ik hard genoeg kon hollen om droog thuis te komen.

Vlak voordat ik thuis ben moet ik één verkeerslicht voorbij. De regen viel toen nog steeds niet, hoewel er ook geen sprankje zonlicht meer te bekennen was. De wind had alle licht weggeblazen. Ikzelf werd bijna omver geblazen.

Even voelde ik die kick die ik altijd ervaar als de wind aan me trekt: dat gevoel dat de natuur zelf zich met je wilt meten en jij misschien kunt winnen. Ik wankelde en bleef staan. Misschien is dat waar ik het blijst van word: dat ik niet omval. En toen vroeg ik me af: is het echt leuk om te blijven staan? Ik loop, wandel, ren in mijn eigen kracht. Maar wat als ik nou wegwaai? Waar kom ik dan terecht?

Ik kwam droog thuis – daar was ik blij mee. Maar de vraag liet me niet los. De wind smeet water tegen de ruiten; meeuwen waaiden door de lucht; wolken werden beren en steigerende paarden. En ik vroeg me af of ik ertussen wilde vliegen. Bijna deed ik het raam open, in de hoop dat een onzichtbare arm me de lucht in zou buitelen, voor een reis naar Wolkenstein, Verrezee of Darkness-upon-Water. Maar mijn verstand greep in, of mijn angst. Wat als ik me écht omver laat blazen, in plaats van bijna? Wat gebeurt er dan?

Ik zette mijn computer uit na de vragen die ik hierboven stelde. Ik wist geen antwoorden, In het pinksterweekend erna was ik bij een goede vriendin in Enschede. Op vrijdag wandelden we in de velden bij Oldenzaal. De wind deed weer vele pogingen om de aandacht te vangen: de wind danste wild door de velden. Het gras boog diep onder de kracht ervan en het viel me op hoe wondermooi die buiging was. De groene velden leken bijna geel. Toen we daarna onder bomen op beschutte paadjes liepen, worstelden we met de modder – we sprongen over plassen en vermeden maar net dat we weggleden. Het werd alsmaar aantrekkelijker om in de wind te lopen.

Op zondagavond zaten we samen bij Het Rutbeek, een recreatieplas in Enschede. Zwaluwen buitelden door de lucht, niet gedreven door de wind, maar door hun eigen geest. Wij zaten op een bankje. Ik had alle tijd om eens goed naar de zwaluwen te kijken, en vast te stellen hoe mooi ze dansen, dartelen, dwalen. Waarom had ik dat in 48 jaar nooit écht gezien? Intussen rees de maan bleek en statig hoger in de nog blauwe lucht. Ik was me ervan bewust hoe klein ik was. Ik ben op aarde ook niet meer dan een zwaluw, die even vliegt en dan ergens voorbij de horizon verdwijnt.

Klein maar niet onbelangrijk – onbelangrijke mensen bestaan niet. De Bijbel zegt dat zelfs mussen niet ongezien door God ter aarde vallen. Ik denk dat God juist ook wil zien dat we niet vallen, maar eindelijk gaan vliegen. Maar die eerste sprong de lucht in, die eerste vleugelwiek… Wat spannend zijn die toch. Tijdens dat pinksterweekend, terwijl de uitstorting van de Heilige Geest werd gevierd, dacht ik soms dat ik het liefst maar geen Heilige Geest ervaar. Dan kan ik lekker negeren dat de wind – dat God – me blijft influisteren naar Engeland en Japan te waaien.

Maar de Geest liet zich natuurlijk niet negeren. De Geest was zelfs best streng. Dit las ik in de Basisbijbel: “Toen wilden ze uw prachtige land niet binnengaan. Ze geloofden niet wat U hun had beloofd. Ze mopperden en klaagden in hun tenten. Ze luisterden niet naar wat U zei.” Ik wil het prachtige land ingaan. Ik wil naar Japan – ik wil naar het land dat mij beloofd is, het land waarvan ik weet dat ik er moet zijn. Ik spreid mijn armen en hoop dat ik mezelf omver durf te laten blazen.

Het eerste licht

Ik betrapte er dit weekend op: ik wilde weer een blog over wandelen schrijven. Net op tijd realiseerde ik me dat ik er al zo veel geschreven heb. Ik moest maar eens wat anders schrijven. Eigenlijk heb ik inspiratie genoeg, want de afgelopen maanden heb ik aan een boek gewerkt. Maar dat hou ik nog maar even stil. Alhoewel: stil…

Er ritselt iets. Ik weet niet waar. In een kastje waarvan ik de deur niet goed gesloten heb, of in mijn hoofd. Het is een geluid waarvan ik net zo blij word als van dat eerste licht dat ik laatst op de dijk zag. Dat lage licht dat ieder detail van een boom laat zien: iedere knoest, iedere beginnende knop, iedere verweerde tak, ieder pril blaadje. Dat eerste licht waarin bloesems van de kersenboom blinken als sierraden, terwijl vlakbij de vorst ook fonkelt.

Er ritselt iets. Misschien toch niet in een kast of in mijn hoofd. En misschien is ruisen een beter woord. Ik zag een filmpje dat ze in de stille week in mijn kerk gaan gebruiken. Een echtpaar vertelt over een groot verdriet, maar ook over hoe het oude lied ‘Daar ruist langs de wolken’ hen zo vaak bemoedigde. Er ruist iets, ja, iets dat altijd in de buurt is, ook al voelen we het niet altijd, iets dat altijd het goede met ons voorheeft, ook al geloven we dat niet.

Er ritselt en ruist iets. In mijzelf en om mij heen. Misschien is het creativiteit. Maar dan niet (alleen) die van mijzelf. Onze Maker heeft zo veel meer creativiteit. Die legt Hij in ons en mogen wij gebruiken. Maar wij zijn ook onderdeel van Zíjn creativiteit. Terwijl ik zelf schrijf en meeleef met mijn personages, ben ik benieuwd wat voor plotwendingen Hij voor mij op het oog heeft.

Toch even terug naar dat eerste licht, en naar wandelen. Vanmorgen was ik er belachelijk vroeg uit, en was ik belachelijk vroeg onderweg naar het werk (terwijl ik tot na 21:00 uur bezig ben, dus slim was het niet). Ik zag het eerste licht en vroeg me af waarom het zo’n gevoel van verwachting bij me oproept, waarom als teder roze, verlegen geel en ijl blauw zich vermengen ik altijd denk dat er ieder moment wonderen kunnen gebeuren. Iedere heldere morgen lijkt de hele wereld vol nieuwe kansen. Soms verbaas ik me erover dat ik er nog steeds in geloof.

Er ligt nevel over de dijken, als een bruidssluier waarvan de zoom bijna in het water druipt. Wat verder ligt rijp op de velden, al net zo wit en puur. Bomen strekken stil hun armen op naar de hemel. Hun takken zijn nog kaal, maar ik zie de knoppen, die groot en sterk zullen worden. Ik realiseer me dat ik misschien niet alleen geniet van dat eerste licht, maar ook van het eerste stuk van het herboren worden van het jaar. Alles, alles, alles is nieuw.

Alleen blijft het niet nieuw. Zodra de zon op is en blauw gewoon blauw wordt, als de gloed van het begin is verdwenen, is het lastig om nog in wonderen te geloven. En dat begin van de lente wordt normaal. Straks klaag ik dat het te warm is – sneller dan ik nu wil geloven. Straks is het ook alweer zo vroeg licht dat ik het eerste licht niet meer zie – behalve als ik heel slecht slaap. En als ik slecht slaap geloof ik niet in wonderen.

Ze zeggen dat als je wakker ligt je geen schaapjes moet tellen, maar met de Herder moet praten. Waarom is dat vaak zo lastig in het donker? Ik sta dan liever op, zet mijn pc aan en verlies me in mijn eigen creativiteit. Op zulke momenten wil ik vaak niet denken aan de creativiteit van de Enige die echt schept. Maar nu het weer bijna Pasen is, ben ik me er beter van bewust dat dat geen slimme keuze is.

Christus durfde wel in het donker aan zijn Vader te denken. Hij was bang voordat Hij in de nacht werd overgeleverd aan de mensen die Hem zouden kruisigen. Maar Hij onderging zijn angst. En op Paasmorgen werd Hij het echte Licht. Ik hoop dat ik me daarover zal blijven verwonderen.

De wind waait waar hij wil

Bijna iedere nacht schiet ik even wakker. ‘Japan!’ denk ik dan, en ik schrik iedere keer weer van de beslissing die ik heb genomen. Ik twijfel of ik niet wat anders moet beslissen. In het weekend erna doe ik dingen die ik niet op durf te schrijven omdat ik er te veel voor schaam. Iemand van wie ik hoop dat solidariteit belangrijker is dan zijn mening, mailt meerdere keren dat God niet bestaat.

Dinsdag ga ik met een collega op pad om in twee bedrijven filmpjes op te nemen. We gaan onder andere naar Stolwijk. De dag is grauw, met wolken zonder fantasie of gevoel voor humor. Het landschap zo plat dat het bijna cliché Nederlands is. Ik denk – haast ontroerd: ‘Dit ga ik niet meer zien.’ Ik denk ook: ‘Jawel hoor. Want ik ga niet weg! Ik doe het niet!’

Op donderdag lees ik in het evangelie van Johannes over de wind die waait waar hij wil. Ik kijk naar buiten. Op het Wantij raast de wind over het wateroppervlak, met vingervlugge tekeningen die gelijk weer worden uitgewist. Ik grijns vrolijker dan me de laatste dagen lukte.

Natuurlijk ga ik naar buiten. De wind is geen beletsel – eerder een uitnodiging. Tijdens mijn wandeling waaien duiven uit de lucht; musjes lijken op losgetrokken bladeren. Op het hoogste stuk van de dijk heb ik gelukkig wind mee, hoewel dat zijn eigen gevaren oplevert: ik word bijna omver geblazen. Beneden aan de dijk kreunen de bomen. Ik maak een rondje waardoor ik uiteindelijk weer op een dijk kom. Ik bedenk me dat ik op de meest open stukken geen tegenwind heb. En dan denk ik dat ik dat misschien geestelijk moet zien. De wind onthoudt zich van commentaar; die heeft het te druk met waaien.

Ik loop het park in vanaf de dijk. Als ik zo loop kom ik eerst langs ceders. Ze doen me al een paar jaar denken aan Japan. Ik glimlach naar ze en ben even terug in Japan, in een enorme graftuin, of meer een grafbos, waar overal ceders stonden, honderden jaren oud, stil en plechtig als de grafstenen. En dan ben ik weer in Nederland: ik erger me aan een jogger die denkt dat, aan welke kant van het pad hij ook loopt, anderen voor hem opzij moeten gaan.

De ergernis is bijna onmiddellijk voorbij. De zon schiet door de wolken: de kale maartbomen worden verlicht met een gloed die te prachtig is voor de aarde. En wat gek: terwijl ik de vreugde voel, denk ik niet dat ik de rest van mijn leven deze bomen wil blijven zien. Ik denk aan de botanische tuin van Sapporo, waar ik in 2018 rondliep en me een middag lang in het paradijs waande. Als alles doorgaat, zal ik de eerste jaren in Japan in Sapporo wonen. Ik zal de tuin – even groot als het Wantijpark – regelmatig zien. En het eiland Hokkaido, waarvan Sapporo de hoofdstad is, heeft veel schoonheid die ik nog moet ontdekken.

De wind waait luchtiger terwijl ik doorloop. De zon verdwijnt, maar niet uit mijn hoofd. Wat verderop staat een man bij een vijver. Met een stok probeert hij iets uit het water te vissen. Als ik dichterbij kom lukt het hem net. Het blijkt zijn pet te zijn.

Ik lach naar de man. ‘Die wind toch…’

De man grinnikt als een jongen die een geintje heeft uitgehaald, maar eigenlijk is hij bejaard. ‘Ik zal hem maar niet meer opzetten!’

De vrolijkheid groeit, in mij en om me heen. Weer worden de wolken opengerukt. Ik vind nauwelijks woorden voor het licht dat ik zie. Het is on-Nederlands; even waan ik me weer in de botanische tuin van Sapporo. Ik weet weer dat ik echt ga, hoe eng ik het ook vind en nog zál vinden.

De hele middag schrijf ik, en leef ik in mijn eigen wereld. Af en toe zie ik mailtjes van OMF, met dingen die ik moet gaan doen om de Bijbelschool en mijn visum te regelen. Stress, ja, die is er weer. Maar de wind is er ook. De wind gaat met me mee, waarheen ik ook ga. Johannes had natuurlijk gelijk.

Ik ga (via Engeland) verhuizen naar Japan

Photo by JJ Ying on Unsplash

Eindelijk mag ik het dan vertellen: ik word zendeling in Japan. Tjonge, wat voelt het goed dat te kunnen/mogen schrijven. Ik sta nog aan het begin van de weg, maar het voelt alsof ik al een heel pad heb afgelegd. Loop je even mee?

In oktober 2019 (je weet wel, toen we nog alle bewegingsvrijheid hadden) was ik in Zuid-Afrika, bij zendelingen bij wie ik in het thuisfrontteam zit. De laatste week was ik met hen op een zendingsconferentie. Voordat de conferentie goed en wel begon zat ik in de tuin van het complex. Het was het einde van de droge tijd: het gras was doods en knisperde onder mijn voeten als sneeuw.

Ik had twee geweldige weken achter de rug, was net terug uit het Kruger National Park, en wilde nog meer ontspanning. Ik had geen zin meer in die conferentie. Ik wilde weg. En ik geloof dat God op dat moment tegen me sprak. ‘Hoe lang ga je je nog verstoppen achter je excuses?’ zei Hij. ‘Wordt het niet eens tijd dat jij je gaat laten zien?’ Au. De rest van de week heb ik lopen bedenken waarom ik niet geschikt was als zendeling. En tijdens de hele conferentie was er iedere morgen bij de dagopening iemand die zonder dat hij of zij mijn gedachten kende, mijn bezwaren wegblies. God roept niet wie capabel is; Hij maakt capabel wie geroepen is. En tot mijn eigen verrassing lijk ik geroepen te zijn.

Om zeker te weten dat ik niet weg zou hollen voor die roeping heb ik gelijk bij terugkomst in Nederland in mijn kerk verteld wat er was gebeurd. Een paar maanden later zat ik bij OMF, een zendingsorganisatie voor Zuidoost Azië. En zij… wisten het zo net nog niet. Ze vonden mijn verleden heftig, en wisten niet of ik er klaar voor was.

In 2020 heb ik gewerkt aan mezelf. Ik durf het bijna niet te zeggen terwijl het voor zo veel mensen een zwaar, of zelfs te zwaar jaar was, maar ik vond 2020 geweldig. Ik heb mijn grenzen gezien en heb ze verlegd. Ik ben de confrontatie aangegaan met mezelf en met anderen, het spannendste dat er bestaat voor mij. Ik heb op mijn werk dingen gedaan waarvan ik dacht dat ik ze niet zou kunnen. En ik bleek ze wel te kunnen – en te durven. Vanaf de eerste maandag van de eerste lockdown besloot ik dat het nu echt klaar moest zijn met het vluchten in eten in plaats van vluchten naar God. Ik ben in 2020 zo 40 kilo afgevallen.

Maar bovenal: ik heb God ervaren. Zijn liefde was er steeds opnieuw. Hij heeft sommige dingen heel nadrukkelijk tegen me gezegd, en ook onmiddellijk bevestigd. In andere zaken heeft Hij me uitgedaagd om Hem te vertrouwen. Ik ben gaan staan, zichtbaar geworden, onder andere via een uitzending van De Verandering. Hopelijk heb ik daarin ook God laten zien. Ik ben anders geworden, of misschien geworden wie ik echt ben (ik hoop dat laatste).

Bij OMF hebben ze gezien dat ik de uitdaging ben aangegaan. En zij durven het met mij aan. In september hoop ik naar Engeland te vertrekken voor een jaar Bijbelschool. En daarna… hoop ik in Japan mensen te vertellen over de liefde van Christus.

Waarom Japan? Wie mij kent weet dat ik het een geweldig land vind, maar ik ga niet om permanent in mijn favoriete vakantiebestemming te wonen. De twee keer dat ik er ben geweest heb ik me er bizar thuis gevoeld. Ik wist dat ik iets “moest” met dit land.

De afgelopen jaren heb ik me ingelezen over de vreemde contrasten in de cultuur. De mensen wonen dicht opeen (het is een bergachtig land; de ruimte die bewoonbaar is, is slechts twee keer zo groot als Nederland, maar er zijn 120 miljoen Japanners). In de maatschappij wordt erg rekening met elkaar gehouden, vaak zonder woorden maar met veel verwachtingen, en er wordt er veel inzet geëist. Er is weinig ruimte voor fouten. Wie niet past mag zelfmoord plegen. Dat is een acceptabele uitweg in Japan. In het Japans bestaat geen woord voor “genade”. Hoe mooi om die genade er wel te kunnen laten zien.

Binnenkort natuurlijk meer!