De gedachten van een mus

Photo by Wolfgang Hasselmann on Unsplash

Een tijdje geleden liep ik langs een struik – of eigenlijk was het een struikje. De takken waren dun – of eigenlijk iel. Maar een volwassen mus greep zich aan zo’n takje vast en viel niet. Hij was zo licht dat het takje zelfs nauwelijks boog onder zijn gewicht.

Soms wil ik zo licht als een mus zijn. Ik bedoel niet dat ik mezelf te zwaar vind. Ik bedoel: wat is het lekker als niets om je heen zwaar is – of zwaar lijkt; als je omgeving of jijzelf niet buigen onder je eigen gedachten.

Mijn gedachten de afgelopen week waren zwaar. Ik zit volop in mijn proces van loslaten: werk en huis opgeven, voorbereiden op de bijbelschool in Engeland en daarna de grote reis naar Japan, ver weg van iedereen die me lief is. Door Brexit heb ik nu een visum nodig voor Engeland, en daarvoor moest ik een taaltoets doen. Die haalde ik met prachtige cijfers. En toen kwam erachter dat ik de verkeerde taaltoets had gedaan. Een echtpaar met hetzelfde probleem vertelde dat we de goede niet meer in Nederland konden doen. De dichtstbijzijnde locatie was Parijs – of anders Bern.

Het bleek uiteindelijk allemaal wat minder zwaar: de toets kon toch wel in Nederland. Maar… pas in augustus, terwijl ik in september al naar Engeland moet. Blijft er wel tijd genoeg over om het visum aan te vragen, en vooral: te krijgen? Mijn gedachten werden weer zwaarder. Ze lagen ’s nachts op mijn hart, of op mijn longen. Het was lastig om te blijven ademen. Ik wenste weer dat ik een mus was. De hersenen van een mus zijn zo klein en licht dat hij niet kan piekeren.

Maar God sprak dwars door mijn eigen gedachten – of (waarschijnlijker) door die van Hem. Volgende maand mag ik een keer spreken in de kerk. Toen ik ervoor werd gevraagd, wist ik gelijk waar ik het over wilde hebben, maar ik had het nog niet uitgewerkt. Ondanks de onrust begon ik daar maar eens aan. En de conclusie van “mijn” eigen preek was: benoem je zorgen naar God toe, zoals Elia, die durfde uitspreken dat hij het leven moe was. Wees niet als Saul, die zich groot hield voor zijn leger en offers bracht die hij helemaal niet moest brengen. Saul sneuvelde; Elia zag God op de berg Horeb. Ik huilde bij God uit, benoemde hoe spannend ik alles vind – hoe doodsbang ik soms ben voor al die veranderingen.

De volgende dag had ik een fotoshoot. Nou, voor mij is dat een zin die ik niet had verwacht ooit te zullen schrijven. Maar dat zijn van die dingen die soms gebeuren bij grote veranderingen: anderen willen daarover kunnen lezen, en bij een artikel horen foto’s (beweren ze). Ik zag er echt tegenop. Ik krijg gewoonlijk kaakpijn als ze me willen fotograferen, zeker als het langer duurt dan drie seconden. Meestal herken ik mezelf nauwelijks in het resultaat – of wíl ik mezelf niet hoeven herkennen.

Maar… de fotoshoot was geweldig. Samen met de fotografe stond ik in een ultiem Hollands landschap: hoge wolkenluchten, elegante hoge halmen, uitbundige bloemen. En het waaide: een frisse wind in mijn gezicht, om mij heen, tegen mij aan, kriebelend, strelend, geruststellend. Ik dacht opeens: God weet hoeveel ik van de wind houd. Is het echt toeval dat ik straks allemaal foto’s heb waarop de wind zichtbaar aanwezig zal zijn?

Bij de laatste locatie waar de fotografe de wind en mij vastlegde, vlogen zwaluwen af en aan. Ik moest in de camera glimlachen, maar ik glimlachte naar de lucht. Ik was een beetje jaloers op die zwenkende vogeltjes, maar ook gewoon blij dat ik naar ze mocht kijken.

Daarna ging ik naar een korte bidstond. Terwijl ik bad moest ik opeens huilen. Maar het was niet van de stress. Het was omdat ik eindelijk weer even rustig was. Mijn gedachten waren licht als van een mus. Ik wist dat ik mee kon vliegen, met God, naar de bestemming die Hij voor mij in gedachten heeft. Toen ik ’s nachts wakker werd, lagen mijn gedachten al weer voelbaar op mijn longen, maar ik draaide me om en sliep verder.

Bijna omver geblazen?

Laatst voelde ik me bijna Elia toen ik uit het werk kwam. Net voordat ik de deur uitstapte zag ik blauwbeurse wolken opbollen boven de polder. Ik begon al te twijfelen of ik droog thuis zou komen. Voordat ik halverwege was, waren de wolken zwart. Elia holde vanaf de berg Karmel voor de storm en de koning uit. Ik vroeg me af of ik hard genoeg kon hollen om droog thuis te komen.

Vlak voordat ik thuis ben moet ik één verkeerslicht voorbij. De regen viel toen nog steeds niet, hoewel er ook geen sprankje zonlicht meer te bekennen was. De wind had alle licht weggeblazen. Ikzelf werd bijna omver geblazen.

Even voelde ik die kick die ik altijd ervaar als de wind aan me trekt: dat gevoel dat de natuur zelf zich met je wilt meten en jij misschien kunt winnen. Ik wankelde en bleef staan. Misschien is dat waar ik het blijst van word: dat ik niet omval. En toen vroeg ik me af: is het echt leuk om te blijven staan? Ik loop, wandel, ren in mijn eigen kracht. Maar wat als ik nou wegwaai? Waar kom ik dan terecht?

Ik kwam droog thuis – daar was ik blij mee. Maar de vraag liet me niet los. De wind smeet water tegen de ruiten; meeuwen waaiden door de lucht; wolken werden beren en steigerende paarden. En ik vroeg me af of ik ertussen wilde vliegen. Bijna deed ik het raam open, in de hoop dat een onzichtbare arm me de lucht in zou buitelen, voor een reis naar Wolkenstein, Verrezee of Darkness-upon-Water. Maar mijn verstand greep in, of mijn angst. Wat als ik me écht omver laat blazen, in plaats van bijna? Wat gebeurt er dan?

Ik zette mijn computer uit na de vragen die ik hierboven stelde. Ik wist geen antwoorden, In het pinksterweekend erna was ik bij een goede vriendin in Enschede. Op vrijdag wandelden we in de velden bij Oldenzaal. De wind deed weer vele pogingen om de aandacht te vangen: de wind danste wild door de velden. Het gras boog diep onder de kracht ervan en het viel me op hoe wondermooi die buiging was. De groene velden leken bijna geel. Toen we daarna onder bomen op beschutte paadjes liepen, worstelden we met de modder – we sprongen over plassen en vermeden maar net dat we weggleden. Het werd alsmaar aantrekkelijker om in de wind te lopen.

Op zondagavond zaten we samen bij Het Rutbeek, een recreatieplas in Enschede. Zwaluwen buitelden door de lucht, niet gedreven door de wind, maar door hun eigen geest. Wij zaten op een bankje. Ik had alle tijd om eens goed naar de zwaluwen te kijken, en vast te stellen hoe mooi ze dansen, dartelen, dwalen. Waarom had ik dat in 48 jaar nooit écht gezien? Intussen rees de maan bleek en statig hoger in de nog blauwe lucht. Ik was me ervan bewust hoe klein ik was. Ik ben op aarde ook niet meer dan een zwaluw, die even vliegt en dan ergens voorbij de horizon verdwijnt.

Klein maar niet onbelangrijk – onbelangrijke mensen bestaan niet. De Bijbel zegt dat zelfs mussen niet ongezien door God ter aarde vallen. Ik denk dat God juist ook wil zien dat we niet vallen, maar eindelijk gaan vliegen. Maar die eerste sprong de lucht in, die eerste vleugelwiek… Wat spannend zijn die toch. Tijdens dat pinksterweekend, terwijl de uitstorting van de Heilige Geest werd gevierd, dacht ik soms dat ik het liefst maar geen Heilige Geest ervaar. Dan kan ik lekker negeren dat de wind – dat God – me blijft influisteren naar Engeland en Japan te waaien.

Maar de Geest liet zich natuurlijk niet negeren. De Geest was zelfs best streng. Dit las ik in de Basisbijbel: “Toen wilden ze uw prachtige land niet binnengaan. Ze geloofden niet wat U hun had beloofd. Ze mopperden en klaagden in hun tenten. Ze luisterden niet naar wat U zei.” Ik wil het prachtige land ingaan. Ik wil naar Japan – ik wil naar het land dat mij beloofd is, het land waarvan ik weet dat ik er moet zijn. Ik spreid mijn armen en hoop dat ik mezelf omver durf te laten blazen.

Het eerste licht

Ik betrapte er dit weekend op: ik wilde weer een blog over wandelen schrijven. Net op tijd realiseerde ik me dat ik er al zo veel geschreven heb. Ik moest maar eens wat anders schrijven. Eigenlijk heb ik inspiratie genoeg, want de afgelopen maanden heb ik aan een boek gewerkt. Maar dat hou ik nog maar even stil. Alhoewel: stil…

Er ritselt iets. Ik weet niet waar. In een kastje waarvan ik de deur niet goed gesloten heb, of in mijn hoofd. Het is een geluid waarvan ik net zo blij word als van dat eerste licht dat ik laatst op de dijk zag. Dat lage licht dat ieder detail van een boom laat zien: iedere knoest, iedere beginnende knop, iedere verweerde tak, ieder pril blaadje. Dat eerste licht waarin bloesems van de kersenboom blinken als sierraden, terwijl vlakbij de vorst ook fonkelt.

Er ritselt iets. Misschien toch niet in een kast of in mijn hoofd. En misschien is ruisen een beter woord. Ik zag een filmpje dat ze in de stille week in mijn kerk gaan gebruiken. Een echtpaar vertelt over een groot verdriet, maar ook over hoe het oude lied ‘Daar ruist langs de wolken’ hen zo vaak bemoedigde. Er ruist iets, ja, iets dat altijd in de buurt is, ook al voelen we het niet altijd, iets dat altijd het goede met ons voorheeft, ook al geloven we dat niet.

Er ritselt en ruist iets. In mijzelf en om mij heen. Misschien is het creativiteit. Maar dan niet (alleen) die van mijzelf. Onze Maker heeft zo veel meer creativiteit. Die legt Hij in ons en mogen wij gebruiken. Maar wij zijn ook onderdeel van Zíjn creativiteit. Terwijl ik zelf schrijf en meeleef met mijn personages, ben ik benieuwd wat voor plotwendingen Hij voor mij op het oog heeft.

Toch even terug naar dat eerste licht, en naar wandelen. Vanmorgen was ik er belachelijk vroeg uit, en was ik belachelijk vroeg onderweg naar het werk (terwijl ik tot na 21:00 uur bezig ben, dus slim was het niet). Ik zag het eerste licht en vroeg me af waarom het zo’n gevoel van verwachting bij me oproept, waarom als teder roze, verlegen geel en ijl blauw zich vermengen ik altijd denk dat er ieder moment wonderen kunnen gebeuren. Iedere heldere morgen lijkt de hele wereld vol nieuwe kansen. Soms verbaas ik me erover dat ik er nog steeds in geloof.

Er ligt nevel over de dijken, als een bruidssluier waarvan de zoom bijna in het water druipt. Wat verder ligt rijp op de velden, al net zo wit en puur. Bomen strekken stil hun armen op naar de hemel. Hun takken zijn nog kaal, maar ik zie de knoppen, die groot en sterk zullen worden. Ik realiseer me dat ik misschien niet alleen geniet van dat eerste licht, maar ook van het eerste stuk van het herboren worden van het jaar. Alles, alles, alles is nieuw.

Alleen blijft het niet nieuw. Zodra de zon op is en blauw gewoon blauw wordt, als de gloed van het begin is verdwenen, is het lastig om nog in wonderen te geloven. En dat begin van de lente wordt normaal. Straks klaag ik dat het te warm is – sneller dan ik nu wil geloven. Straks is het ook alweer zo vroeg licht dat ik het eerste licht niet meer zie – behalve als ik heel slecht slaap. En als ik slecht slaap geloof ik niet in wonderen.

Ze zeggen dat als je wakker ligt je geen schaapjes moet tellen, maar met de Herder moet praten. Waarom is dat vaak zo lastig in het donker? Ik sta dan liever op, zet mijn pc aan en verlies me in mijn eigen creativiteit. Op zulke momenten wil ik vaak niet denken aan de creativiteit van de Enige die echt schept. Maar nu het weer bijna Pasen is, ben ik me er beter van bewust dat dat geen slimme keuze is.

Christus durfde wel in het donker aan zijn Vader te denken. Hij was bang voordat Hij in de nacht werd overgeleverd aan de mensen die Hem zouden kruisigen. Maar Hij onderging zijn angst. En op Paasmorgen werd Hij het echte Licht. Ik hoop dat ik me daarover zal blijven verwonderen.

De wind waait waar hij wil

Bijna iedere nacht schiet ik even wakker. ‘Japan!’ denk ik dan, en ik schrik iedere keer weer van de beslissing die ik heb genomen. Ik twijfel of ik niet wat anders moet beslissen. In het weekend erna doe ik dingen die ik niet op durf te schrijven omdat ik er te veel voor schaam. Iemand van wie ik hoop dat solidariteit belangrijker is dan zijn mening, mailt meerdere keren dat God niet bestaat.

Dinsdag ga ik met een collega op pad om in twee bedrijven filmpjes op te nemen. We gaan onder andere naar Stolwijk. De dag is grauw, met wolken zonder fantasie of gevoel voor humor. Het landschap zo plat dat het bijna cliché Nederlands is. Ik denk – haast ontroerd: ‘Dit ga ik niet meer zien.’ Ik denk ook: ‘Jawel hoor. Want ik ga niet weg! Ik doe het niet!’

Op donderdag lees ik in het evangelie van Johannes over de wind die waait waar hij wil. Ik kijk naar buiten. Op het Wantij raast de wind over het wateroppervlak, met vingervlugge tekeningen die gelijk weer worden uitgewist. Ik grijns vrolijker dan me de laatste dagen lukte.

Natuurlijk ga ik naar buiten. De wind is geen beletsel – eerder een uitnodiging. Tijdens mijn wandeling waaien duiven uit de lucht; musjes lijken op losgetrokken bladeren. Op het hoogste stuk van de dijk heb ik gelukkig wind mee, hoewel dat zijn eigen gevaren oplevert: ik word bijna omver geblazen. Beneden aan de dijk kreunen de bomen. Ik maak een rondje waardoor ik uiteindelijk weer op een dijk kom. Ik bedenk me dat ik op de meest open stukken geen tegenwind heb. En dan denk ik dat ik dat misschien geestelijk moet zien. De wind onthoudt zich van commentaar; die heeft het te druk met waaien.

Ik loop het park in vanaf de dijk. Als ik zo loop kom ik eerst langs ceders. Ze doen me al een paar jaar denken aan Japan. Ik glimlach naar ze en ben even terug in Japan, in een enorme graftuin, of meer een grafbos, waar overal ceders stonden, honderden jaren oud, stil en plechtig als de grafstenen. En dan ben ik weer in Nederland: ik erger me aan een jogger die denkt dat, aan welke kant van het pad hij ook loopt, anderen voor hem opzij moeten gaan.

De ergernis is bijna onmiddellijk voorbij. De zon schiet door de wolken: de kale maartbomen worden verlicht met een gloed die te prachtig is voor de aarde. En wat gek: terwijl ik de vreugde voel, denk ik niet dat ik de rest van mijn leven deze bomen wil blijven zien. Ik denk aan de botanische tuin van Sapporo, waar ik in 2018 rondliep en me een middag lang in het paradijs waande. Als alles doorgaat, zal ik de eerste jaren in Japan in Sapporo wonen. Ik zal de tuin – even groot als het Wantijpark – regelmatig zien. En het eiland Hokkaido, waarvan Sapporo de hoofdstad is, heeft veel schoonheid die ik nog moet ontdekken.

De wind waait luchtiger terwijl ik doorloop. De zon verdwijnt, maar niet uit mijn hoofd. Wat verderop staat een man bij een vijver. Met een stok probeert hij iets uit het water te vissen. Als ik dichterbij kom lukt het hem net. Het blijkt zijn pet te zijn.

Ik lach naar de man. ‘Die wind toch…’

De man grinnikt als een jongen die een geintje heeft uitgehaald, maar eigenlijk is hij bejaard. ‘Ik zal hem maar niet meer opzetten!’

De vrolijkheid groeit, in mij en om me heen. Weer worden de wolken opengerukt. Ik vind nauwelijks woorden voor het licht dat ik zie. Het is on-Nederlands; even waan ik me weer in de botanische tuin van Sapporo. Ik weet weer dat ik echt ga, hoe eng ik het ook vind en nog zál vinden.

De hele middag schrijf ik, en leef ik in mijn eigen wereld. Af en toe zie ik mailtjes van OMF, met dingen die ik moet gaan doen om de Bijbelschool en mijn visum te regelen. Stress, ja, die is er weer. Maar de wind is er ook. De wind gaat met me mee, waarheen ik ook ga. Johannes had natuurlijk gelijk.

Ik ga (via Engeland) verhuizen naar Japan

Photo by JJ Ying on Unsplash

Eindelijk mag ik het dan vertellen: ik word zendeling in Japan. Tjonge, wat voelt het goed dat te kunnen/mogen schrijven. Ik sta nog aan het begin van de weg, maar het voelt alsof ik al een heel pad heb afgelegd. Loop je even mee?

In oktober 2019 (je weet wel, toen we nog alle bewegingsvrijheid hadden) was ik in Zuid-Afrika, bij zendelingen bij wie ik in het thuisfrontteam zit. De laatste week was ik met hen op een zendingsconferentie. Voordat de conferentie goed en wel begon zat ik in de tuin van het complex. Het was het einde van de droge tijd: het gras was doods en knisperde onder mijn voeten als sneeuw.

Ik had twee geweldige weken achter de rug, was net terug uit het Kruger National Park, en wilde nog meer ontspanning. Ik had geen zin meer in die conferentie. Ik wilde weg. En ik geloof dat God op dat moment tegen me sprak. ‘Hoe lang ga je je nog verstoppen achter je excuses?’ zei Hij. ‘Wordt het niet eens tijd dat jij je gaat laten zien?’ Au. De rest van de week heb ik lopen bedenken waarom ik niet geschikt was als zendeling. En tijdens de hele conferentie was er iedere morgen bij de dagopening iemand die zonder dat hij of zij mijn gedachten kende, mijn bezwaren wegblies. God roept niet wie capabel is; Hij maakt capabel wie geroepen is. En tot mijn eigen verrassing lijk ik geroepen te zijn.

Om zeker te weten dat ik niet weg zou hollen voor die roeping heb ik gelijk bij terugkomst in Nederland in mijn kerk verteld wat er was gebeurd. Een paar maanden later zat ik bij OMF, een zendingsorganisatie voor Zuidoost Azië. En zij… wisten het zo net nog niet. Ze vonden mijn verleden heftig, en wisten niet of ik er klaar voor was.

In 2020 heb ik gewerkt aan mezelf. Ik durf het bijna niet te zeggen terwijl het voor zo veel mensen een zwaar, of zelfs te zwaar jaar was, maar ik vond 2020 geweldig. Ik heb mijn grenzen gezien en heb ze verlegd. Ik ben de confrontatie aangegaan met mezelf en met anderen, het spannendste dat er bestaat voor mij. Ik heb op mijn werk dingen gedaan waarvan ik dacht dat ik ze niet zou kunnen. En ik bleek ze wel te kunnen – en te durven. Vanaf de eerste maandag van de eerste lockdown besloot ik dat het nu echt klaar moest zijn met het vluchten in eten in plaats van vluchten naar God. Ik ben in 2020 zo 40 kilo afgevallen.

Maar bovenal: ik heb God ervaren. Zijn liefde was er steeds opnieuw. Hij heeft sommige dingen heel nadrukkelijk tegen me gezegd, en ook onmiddellijk bevestigd. In andere zaken heeft Hij me uitgedaagd om Hem te vertrouwen. Ik ben gaan staan, zichtbaar geworden, onder andere via een uitzending van De Verandering. Hopelijk heb ik daarin ook God laten zien. Ik ben anders geworden, of misschien geworden wie ik echt ben (ik hoop dat laatste).

Bij OMF hebben ze gezien dat ik de uitdaging ben aangegaan. En zij durven het met mij aan. In september hoop ik naar Engeland te vertrekken voor een jaar Bijbelschool. En daarna… hoop ik in Japan mensen te vertellen over de liefde van Christus.

Waarom Japan? Wie mij kent weet dat ik het een geweldig land vind, maar ik ga niet om permanent in mijn favoriete vakantiebestemming te wonen. De twee keer dat ik er ben geweest heb ik me er bizar thuis gevoeld. Ik wist dat ik iets “moest” met dit land.

De afgelopen jaren heb ik me ingelezen over de vreemde contrasten in de cultuur. De mensen wonen dicht opeen (het is een bergachtig land; de ruimte die bewoonbaar is, is slechts twee keer zo groot als Nederland, maar er zijn 120 miljoen Japanners). In de maatschappij wordt erg rekening met elkaar gehouden, vaak zonder woorden maar met veel verwachtingen, en er wordt er veel inzet geëist. Er is weinig ruimte voor fouten. Wie niet past mag zelfmoord plegen. Dat is een acceptabele uitweg in Japan. In het Japans bestaat geen woord voor “genade”. Hoe mooi om die genade er wel te kunnen laten zien.

Binnenkort natuurlijk meer!

Eerste licht en wietlucht

Een collega heeft me uitgenodigd een ochtend bij haar te komen werken. Dus loop ik in het eerste licht door Dordrecht. Eind februari, iets meer dan een week na ijs en sneeuw, twijfelde ik voor het weggaan of ik mijn winterjas nodig had. Ik droom van licht met warmte erin.

Maar het is nog maar kwart over zeven – het is niet meer donker, maar het echte licht verbergt zich onder de horizon. Ik peins over mijn route. Ik loop graag door parken, maar schat in dat het Merwestein Park nog dicht is: het gaat na zonsondergang tot aan zonsopkomst op slot. Maar de poort is open (de sleutel is niet gebroken). Ik glip door de poort en geniet.

Wat is dat toch met het eerste licht, of met parken? De wereld lijkt nieuw gemaakt, het licht is het eerste licht van de eerste dag. Ik tuur naar bomen langs een donker watertje en het voelt alsof ik mijn ogen moet scherpstellen, of eigenlijk alsof de bomen nog scherp moeten worden, alsof ze nog niet helemaal te voorschijn zijn gekomen uit het Eden waar ze ’s nachts gemaakt zijn, of waar ze zich terugtrekken als de duisternis over de aarde ligt.

En dan ruik ik wiet. De wereld is door de verdovende lucht gelijk normaal. Want wie is er aan het roken – en waar? Ik zie nog niemand.

Ah – daar, bij een bankje. Donker haar, een slungelige gestalte, wat gebogen, zodat ik niet weet of er een tiener staat of iemand die veel ouder is. Ik kom dichterbij. Er wordt een gezicht naar me opgeheven en dan weet ik het nog niet. Ik zeg gedag en er is stilte. Ik loop door en de wereld is nog steeds normaal.

Nou ja, bijna normaal. Want dat Merwestein Park is toch wel bijzonder – ik moet er vaker komen. Er staat een boom waarvan de stronk zich vertakt als een boeket, waarvan de takken zich rechtstreeks vanuit de wortels lijken uit te spreiden. De stronk is compleet omringd door steen, alsof mensen zonder fantasie bang zijn dat haar bijzonderheid zich te ver verspreidt. De herten van het park liggen allemaal bij elkaar rondom één boom, bewegingsloos. Ze staren me aan alsof mijn komst de hertentovenaar heeft verdreven. Haastig loop ik door – misschien heb ik net iets te veel wiet opgesnoven.

Ik passeer weer een poort en loop terug de wereld in. Vlak bij het station bel ik aan bij mijn collega. Die ochtend hoor ik goederentreinen en maar liefst drie brandweerwagens. Maar ik zit in het mooie interieur van mijn creatieve collega, waardoor de wereld toch bijzonder blijft, en ik geniet van haar licht. Gewoonlijk zit ik tegenover haar op kantoor. Nu ben ik me weer veel meer bewust hoe waardevol dat is. Ze is niet meer vanzelfsprekend. Ik voel mezelf lichter worden, meer mezelf, gewoon omdat ik er iemand tegenover me zit zonder schermen tussen ons in. Die lockdown doet toch meer met me dan ik had gedacht.

Even peins ik over de dagopening die ik aan het voorbereiden ben voor de volgende dag. Ik heb laatst een mooi stukje gehoord over Jesaja 60: Sta op en schitter – of: Sta op en word verlicht. Die tekst die bijna een cliché is geworden voor christelijke vrouwenbijeenkomsten is weer voor me gaan leven. Ik heb er een mooie stuk over gevonden (lees het hier), waarin het wordt gekoppeld aan Jezus’ opdracht om ons licht te laten schijnen zodat onze Vader verheerlijk wordt. Het verlangen om dat te doen wordt steeds sterker. Ik voel het fonkelen in me.

Aan het eind van de morgen loop ik terug door het Merwestein Park. Er wordt gesnoeid en iemand leegt vuilnisbakken – ik snuif de geur op van achtergebleven energydrank. Van betovering is weinig sprake meer, behalve dan door externe invloeden. Er fietst iemand achter me. Hij spreekt iets Oost-Europees en zit nogal wankel op zijn fiets. Wat verderop loopt een moeder die in een soortgelijke taal spreekt. Naast haar drentelt een kleuter, die dingen optilt uit het grindpad. Misschien ziet zij juwelen waar wij steentjes zien. Ik bid haar toe dat zij haar hele leven de schoonheid van de wereld zal zien zonder er stukken van zichzelf voor hoeven te verdoven.

Toekomst, wat is dat?

In de laatste week van juli liet ik de grenzen van Nederland achter me. Vier dagen dwaalde ik over Duitse heuvels en door Duitse bossen. Ik was samen met een goede vriendin. Zij had een overzicht gevonden met wandelingen in de buurt van ons hotel; ik zou kaartlezen. Dat is niet mijn kracht, dus ik was trots dat we in één keer het begin van de wandeling vonden. Helaas hing daar een spandoek over het pad met “Entschuldigungen” omdat het verboden was om in het bos te wandelen: er was “Waltarbeit” aan de gang.

Het was half tien maar al heet; we zweetten toen we elkaar aankeken. De verleiding om terug naar het hotel te gaan en rest van de dag in een terrasstoel te liggen was aanzienlijk. Wij bogen ons niettemin over nieuwe mogelijkheden. Wat later stonden we hoog in de Duitse heuvels. De witte, beige huizen van het plaatsje Ney blonken zo hard in de zon dat het zeer deed aan onze ogen. Wij liepen het dorp uit, naar kaalgeschoren heuvels, waar gras en tarwe al binnengehaald waren.

Het kaartlezen werd een drama. Volgens ons minieme kaartje moesten we links, links, rechts, links, rechts, en twee keer links. Maar er waren geen straatnamen: we wandelden over graspaden. Gewoonlijk zijn de goede vriendin en ik spraakzaam, maar deze ochtend niet. We wisten dat we aan het verdwalen waren, maar zeiden dat niet tegen elkaar.

Gelukkig realiseerden we ons dat er een bron op de route lag. Door die als routebestemming te nemen werd weer duidelijk welke richting we uit moesten. We kwamen langs een gehucht dat lag te hijgen in de zon en stapten toen een schaduwvol bos in – wij ademden wat gemakkelijker. Toen we bij het Stahlbrünchen stonden, herademden we pas echt. Er stond een groot bord met een uitgezette route, die bijna volledig overeenkwam met de route die wij wilden lopen. De goede vriendin en ik waren opeens een stuk spraakzamer.

Voorbij de bron voerde de route ons over een bruggetje verder het bos in. Ik kon me niet aan de indruk onttrekken dat het bruggetje (half in de schaduw van oude bomen, over een spetterend beekje dat glad gesleten stenen plaagde) ons regelrecht sprookjesland in voerde. De goede vriendin en ik werden weer stil. Het bos was ook stil. Als we dicht naast het beekje liepen kwamen er mugjes om ons heen vliegen, maar zelfs zij zwegen. Alleen een verre roofvogel schreeuwde af en toe.

De bomen werden groter en ouder; ze bogen zich beschermend over ons heen. Er waren dennen waaronder het leek te sneeuwen als heel even de wind blies: bruine naalden dansten naar de aarde en werden deel van het zachte pad onder onze voeten. We klauterden langs een smal paadje naar een kasteel waar alleen een ruïne van over was. Ik had niet het gevoel dat ik op weg was naar iets uit een andere tijd. Er leek geen tijd meer te zijn. Alleen groene bomen, die niet onder de indruk zijn van tijd, omdat ze volgend jaar weer net zo groen zullen zijn als nu en er geen weet van hebben dat er brand kan komen – of een man met een bijl.

De tocht zou maar tien kilometer zijn, maar we waren blij dat we rond de middag midden in het bos een herberg aantroffen. Ik had nog steeds mijn twijfels over de tijd: de herbergier stond op zijn terras aardappelen te poffen en braadworsten te bakken alsof we niet meer in 2020 waren. We aten forel en waren erg tevreden met het leven. Daarna slaagden we er ondanks de goed uitgezette route toch nog even in om verkeerd te lopen.

Later in de middag werden we weer stiller – door vermoeidheid of omdat het ook tussen de bomen heter werd. We begonnen weer te klimmen, en waren blij met een bankje in de schaduw. Zwijgend dronken we water; zwijgend dronken we het uitzicht in. De dennen sneeuwden weer, en twee populieren wiegden in een vlaagje wind; hun bladeren fonkelden als sterren. Ik droomde van wat mijn leven nog kon brengen in de toekomst. En toen dacht ik dat ik de wind hoorde praten, heel zachtjes: ‘Toekomst, wat is dat?’ Zonder woorden vertelde ik de wind over mijn dromen en desillusies en over alles wat ik beter wilde doen in een tijd die hopelijk nog komt.

Ik geloof niet dat de wind me begreep. De wind blies van heel ver weg, niet uit een andere tijd, maar uit andere plaatsen. Plaatsen waar mensen God niet kennen en van Hem moeten horen voordat de toekomst die Hij aan christenen heeft beloofd heden wordt. Ik had plots nieuwe kracht. We liepen het laatste stuk van het pad, het schaduwvolle bos uit, het helle licht weer in. We stonden weer tussen de kale heuvels van Ney. Onwillekeurig dacht ik aan Mattheüs 5: Jullie zijn het licht van de wereld. Een stad die boven op een berg ligt, kan niet verborgen blijven. Men steekt ook geen lamp aan om hem vervolgens onder een korenmaat weg te zetten, nee, men zet hem op een standaard, zodat hij licht geeft voor ieder die in huis is. Zo moet jullie licht schijnen voor de mensen, opdat ze jullie goede daden zien en eer bewijzen aan jullie Vader in de hemel.

Een ster in de ruit

Photo by Ivan Vranić on Unsplash

Het is weer die tijd van het jaar. Er hangen sterren voor de ramen, sterren van papier, met lichtjes erin. Vanavond gaan er duizenden kaarsjes aan. Overal wordt over Kerst gezongen, door zangers die we ieder jaar eindeloos opnieuw horen, of door engelenkoren die net iets te menselijk klinken. Ik trek dezelfde conclusie die ik in vele voorgaande jaren trok: Kerst is zoet.

Dat is niet altijd zo geweest. Het christendom heeft militantere tijden gekend. En dan denk ik niet aan liederen als “Onwards Christian Soldiers.” Ik bedoel dat we uit naam van God joden vervolgd hebben die we verantwoordelijk hielden voor de kruisiging van Christus. We hebben “wilden” gedwongen bekeerd en ze gedood als ze niet wilden. De excessen zijn nooit helemaal verdwenen. Sommige hongerende vluchtelingen schijnen nog steeds te horen: ‘We zullen je te eten geven, maar pas nadat jij…’ De boodschap die christenen voor de wereld hebben is te mooi om hem op een dergelijke manier over te brengen.

Maar Kerst is ook niet wat het nu lijkt te zijn: opgelegde gezelligheid en een kans om je mooiste kleren aan te trekken. Kerst gaat over Jezus Christus, over God die in de vorm van een kind naar de aarde komt. Een kind? Dat is nog niet duidelijk genoeg: Hij komt als een zuigeling, als een wezentje dat niets kan, dat voor alles afhankelijk is van de mensen om Hem heen. Hij durfde dat blijkbaar aan, om net zo kwetsbaar te worden als wij. Hij heeft ons begin zo gemaakt, en Hij heeft er vast een reden voor.

God weet wat het is om kwetsbaar te zijn, en Hij weet wat het is om gekwetst te worden. Na Kerst volgt Pasen. De mensen voor wie Hij gekomen is kruisigen Hem. Jammer dat al die kruisbeelden aan muren niet bewegen, dat ze nooit helemaal kunnen tonen hoe zijn gemartelde lichaam daar wanhopig heen en weer geschuurd heeft, hoe Hij zijn hoofd heeft geheven, geschreeuwd heeft naar de hemel. Uit liefde voor ons. Laatst ervaarde die liefde een paar secondes lang. Mijn hart barstte bijna. Ik snap nu dat je pas helemaal bij God kunt zijn als je dood bent. Je lichaam kan zijn liefde niet verdragen. Daar is het te kwetsbaar voor.

Maar goed, we zijn nog niet dood. Wat gaan we tot die tijd doen met Kerst? Die ster voor de ruit is een te bescheiden signaal van de komst van God. Het wordt tijd voor een ster ín de ruit. Laten we maar weer militant worden. Niet militant met haat of dwang, maar met overtuiging. We mogen de barricaden op en onze overtuigingen tonen. We mogen laten zien hoe overstelpend de liefde is die God voor ons heeft. Hij heeft zich geofferd aan het kruis zodat iedereen die dat wil bij Hem kan komen.

Gaan we de barricaden echt op? Ik weet het niet. De christenen in het westen lijken te bang om te wijzen naar een mystieke God die met ons verstand onmogelijk compleet te verklaren is. Te bang om uitgelachen te worden? Als ik voor mezelf spreek: ik ben dat vaak wel. We leven in een wereld waar gevoelens leidend zijn, maar waarin je niet wordt verondersteld te zeggen dat de jouwe meer kloppen dan die van een ander. Er zijn ook momenten dat ik zwijg omdat ik schrik van de militantheid van anderen, van broeders en zusters die niet over liefde spreken, maar over hel en verdoemenis. Zij verheugen zich op het oordeel dat volgens hen iedereen wacht die niet precies doet wat in hun ogen juist is.

En toch is mijn goede voornemen voor 2020 om vaker maar eens een steen over de barricade te gooien. Het kan geen kwaad. Ik denk dat God het toejuicht als we een steen gooien in een hart dat bevroren lijkt, maar waar dan een barst in het ijs verschijnt, een opening naar het water eronder – naar de opgesloten ziel. Als we een wond hebben, merken we dat er een God is die de pijn wil aanraken en transformeren. Echt. Probeer het eens.

Het dagboek van Maria Magdalena (3)

We zijn de vorige keer geëindigd toen Christus in het graf werd gelegd. Nu het slot.

De hele sabbat maakt de leegte me misselijk. De discipelen hebben zich ergens verzameld, maar ik kan maar beter wennen aan de eenzaamheid. Zodra het licht wordt, zoek ik echter toch gezelschap op. Samen met de andere Maria keer ik terug naar het graf. Er zijn bewakers; de Romeinen lijken nog steeds bang voor de liefde en genade die de Rabbi bracht. En dan… klinkt er kabaal dat lijkt op naderend onweer. Maar het is geen onweer. De aarde schudt en de steen rolt van de opening van het graf weg. De bewakers vallen van angst om.

Een gestalte zit op de grafsteen. Zijn gedaante is als een bliksem en zijn kleding is zo wit dat het pijn doet aan mijn ogen. De engel spreekt: ‘U hoeft niet bevreesd te zijn, want ik weet dat u Jezus zoekt, Die gekruisigd was. Hij is hier niet, want Hij is opgewekt, zoals Hij gezegd heeft. Kom, zie de plaats waar de Heere gelegen heeft. En ga haastig heen en zeg tegen Zijn discipelen dat Hij opgewekt is uit de doden; en zie, Hij gaat u voor naar Galilea; daar zult u Hem zien. Zie, ik heb het u gezegd.’

We rennen weg van het graf. De Heer leeft! We moeten het aan de discipelen vertellen! We zullen het aan iedereen vertellen! Maar voordat we ver zijn, struikelen we over onze voeten. Daar staat Hij: de Rabbi. Nee, zo moet ik Hem niet meer noemen. Hij is veel meer: Hij is de Redder, de Opgestane Heer. ‘Wees gegroet!’ zegt Hij. Het is zijn stem! Hij is het echt! Ik kan niet in zijn ogen kijken – daar is zoveel liefde dat ik aan zijn voeten val. Ik grijp ze vast en voel zijn levende huid. De Heer is er en zal er altijd zijn. Ik ben niet alleen.

Jezus zegt, boven mijn hoofd en in mijn hart: ‘Wees niet bevreesd; ga heen, bericht Mijn broeders dat zij naar Galilea moeten gaan, en daar zullen zij Mij zien.’ Ik doe wat Hij zegt – ik hol naar de stad, naar de discipelen. Ik zal zeggen dat ze naar Galilea moeten gaan om Hem te zien. Maar ik heb Hem al gezien. Ik zal Hem altijd zien. Hij laat mij nooit alleen. Ook met mij is Hij een nieuw verbond begonnen.

Het dagboek van Maria Magdalena (2)

Deel twee uit het dagboek van Maria Magdalena. We zijn de vorige keer geëindigd bij de arrestatie van Jezus.

Het is alsof de demonen terug zijn. De hele nacht hebben ze mijn hart aan stukken gescheurd. De Rabbi, mijn meester, is gearresteerd. De Romeinen hebben hem gegeseld, zegt Johanna. Ik zie het nu met eigen ogen. Ik sta bij het paleis van Stadhouder Pilatus, achter de leiders van het volk. Geronnen bloed en blauwe plekken vervormen het gezicht van de Rabbi. Zijn handen zijn gebonden. Hoe durven ze?! Als ik me maar door die menigte van belangrijke mannen durfde te persen, zou ik Hem lossnijden, zoals Hij mij heeft losgesneden.

De Stadhouder zit op zijn stoel en roept: ‘Wie wilt u dat ik voor u zal loslaten, Barabbas of Jezus, Die Christus genoemd wordt?’ Hoe kan dat een vraag zijn?! ‘Jezus,’ gil ik, ‘Jezus!’ Maar mijn stem is blind en doof. Voor mij schreeuwen alle kelen: ‘Barabbas.’ Het geluid is als onweer. De stadhouder fronst, bijna zoals Judas fronste. ‘Wat zal ik dan doen met Jezus, Die Christus genoemd wordt?’ vraagt hij. Weer klinkt uit alle kelen tegelijk een antwoord, een vreselijk antwoord: ‘Laat Hem gekruisigd worden!’ Ik weet niet wat er dan gebeurt. Ik geloof dat ik flauwval. Alles is zwart – in mijn hoofd dondert het.

Dat moment is het enige moment dat ik de Rabbi in de steek laat. De rest van de dag ben ik vlak bij Hem, maar toch altijd te ver weg. Ik zie hoe ze Hem door de straten jagen met het kruis op zijn rug, als een dief. Het voelt alsof ze mij door de straten jagen. Ik probeer me door de menigte te duwen, maar de mensen duwen me terug. Ik ben veel te ver weg als de Rabbi omvalt en Romeinen tegen Hem aan trappen. En ik weet dat het nog veel erger zal worden. De Rabbi die mijn leven en dat van zoveel anderen genas, zullen ze doden. Ik schreeuw naar de hemel. Ik schreeuw naar Adonai dat Hij moet ingrijpen voordat het te laat is.

Maar de Almachtige grijpt niet in. We staan bij Golgotha – Schedelplaats. Ze slaan spijkers door Zijn armen en benen. Ik hoor Hem schreeuwen. Ik probeer naar Hem toe te rennen, Hem te bevrijden. Maar voor de derde keer houdt een menigte me weg van Hem. Het kruis wordt opgericht, de Rabbi hangt tussen twee misdadigers. Boven Zijn hoofd is een opschrift: DIT IS JEZUS, DE KONING VAN DE JODEN. Dat is de waarheid, maar het is als een beschuldiging bedoeld. De omstanders lachen. ‘U Die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, verlos Uzelf,’ roepen ze. ‘Als U de Zoon van God bent, kom dan van het kruis af!’

Hij komt niet van het Kruis af. Ik hoor Hem kreunen; ik zie Hem kronkelen van de pijn. Onder Hem kijken de Romeinse bewakers onverschillig toe. En dan… even denk ik dat ik weer ga flauwvallen, want om mij heen wordt alles donker. Maar de duisternis is niet in mij. Ook andere mensen kijken verbaasd rond: midden op de dag komt er duisternis over de stad. Gaat het dan toch onweren? De lucht voelt weer klam; duizend onzichtbare gestalten drukken zich tegen me aan. In de stilte van het plotselinge duister roept de Rabbi: ‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?’ In mijzelf fluister ik de woorden na. De Rabbi sterft. Ik ben alleen. De hele wereld is alleen.

Als ik eindelijk bij de Rabbi ben, kan Hij mijn zorg voor Hem niet meer voelen. Jozef van Arimathea heeft van Pilatus het lichaam van de Rabbi gekregen. Ik help om het voor te bereiden op het graf. Ik raak de huid aan waar doornen in Zijn hoofd en spijkers in Zijn armen en benen zijn gedrongen. Ik was Hem met mijn tranen. Alles is leegte. Zo was mijn leven vroeger. Daarom konden de demonen komen: omdat ik dacht dat zij de leegte zouden vullen die bestaat als geen mens om je geeft. Met nog meer tranen was ik de Rabbi. Ik bedank Hem, want Hij hief de leegte op. Waar Hij was, kon leegte niet bestaan.

Komt nu de leegte terug? Ik denk over die vraag na als de Rabbi in het nieuwe graf van Jozef is gelegd, uitgehakt in de rots. Jozef is weggegaan nadat de grote steen voor het graf gewenteld is. Ik blijf er zitten, samen met een van de andere vrouwen, die ook Maria heet. Het liefst zou ik er voor eeuwig blijven zitten, maar het is bijna sabbat. We moeten Hem alleen laten.

Volgende week het laatste deel.