Onverwacht bezoek

‘Ik denk dat je ervan af ziet.’ De stem sist net vanachter mijn oor. Terwijl ik alleen thuis zou moeten zijn.

Ik klem mijn hand tegen mijn borst. ‘Laat me niet zo schrikken!’

De stem krijgt een lichaam. Matthew Fontaine staat bij me, vanuit Noord-Engeland opeens in mijn werkkamer, waar een intensief seizoen uit zijn leven vorm kreeg op een scherm. Hij kijkt nu naar datzelfde scherm. ‘Ik geloof niet dat dit een bijzonder inspirerend begeleidend schrijven is,’ zegt hij. Zijn stem is als een kil, nat bos na een herfststorm.

‘Je bent bevoordeeld,’ waag ik te zeggen. Ik zeg niet dat ik misselijk en trillerig was toen het moment was aangebroken om dat begeleidend schrijven in elkaar te zetten. En dat ik, toen ik van tevoren boodschappen deed, bang was dat ik op straat zou gaan staan kotsen. Matthew vindt het van slechte smaak getuigen om over fysieke ervaringen te praten.

Hij snuift. De lange, krachtige gestalte lijkt nog wat langer te worden – en sterker. Hij fronst terwijl hij mijn bescheiden werkkamer bekijkt. Eén bureau en één stoel. De schilderijen aan de muur komen van Leen Bakker. Hij heeft in zijn kamer een jachttafereel hangen dat een paar eeuwen oud is. De leren stoelen bij zijn bureau zullen niet veel jonger zijn. Ik doe of ik de trek van weerzin niet zie als hij op een randje van mijn logeerbed plaatsneemt.

‘Er worden bijna geen romans meer uitgegeven.’ Zijn stem is nu redelijk. De herfststorm is voorbij – het is het allereerste begin van de lente. Nog wel koud, maar her en der wagen zich sneeuwklokjes de grond uit. ‘De kans dat er iets met jouw verhaal gedaan wordt is… nihil.’ Even denk ik dat hij zal zeggen dat hij dat jammer voor me vindt, maar Matthew is geen huichelaar. In de blauwe ogen die hij op mij richt is het nog geen lente. Ik zie een gletsjer die geen last heeft van de klimaatsverandering.

‘Als die kans nihil is, waarom ben je hier dan?’

Hij gaapt, hand beleefd voor zijn mond. ‘Ik ben hier zo vaak.’ Allebei kijken we even naar het scherm.

‘Je bent bang, hè?’

Stomme vraag: Matthew is dan wel geen huichelaar, maar hij gaat nooit bevestigen dat hij bang is. ‘Ik ben bezorgd om mijn gezin.’ De niet-smeltende gletsjer ademt koude uit. ‘Vind je niet dat ze genoeg hebben meegemaakt?’

‘Meer dan genoeg.’ Ik tuur naar zijn leren schoenen. Ik vraag me af hoe duur ze zijn. Raar eigenlijk dat ik dat niet weet. Dan tuur ik – omzichtiger – naar zijn kostuum. Zelfs als hij als een soort spookbeeld verschijnt draagt die man een kostuum.

‘Ik kan je veel vaker komen lastigvallen,’ snauwt hij. ‘Op momenten waarop je het het minst verwacht.’

Ik glimlach en probeer nog steeds zijn blik te vermijden. Hij snapt niet dat hij altijd welkom is, zelfs als hij dreigt. Hij is bijna familie – heel goede familie. En waar hij is, is zijn gezin vlak in de buurt. Straks hoor ik Anna lachen, ergens beneden. Zoë zal misschien de trap op hollen.

‘Laat ons los.’ Hij gaat staan, vouwt zijn handen op zijn rug. Hij wordt nog meer de graaf van Northend zoals hij was voordat Anna hem mildheid bijbracht. ‘Hoe je aan ons hangt is onnatuurlijk. Je mag op bezoek komen op Northend Abbey, zo vaak als je wilt’ – het aanbod wordt op onenthousiaste toon gedaan – ‘maar geef ons de kans om door te gaan met onze levens.’

‘Dat is precies wat ik wil, ook voor mezelf.’ Het liefst zou ik net als Matthew gaan staan, maar de kamer is klein en hij lijkt hem te vullen met zijn stille gletsjer-aanwezigheid. Ik waai wat met mijn handen. ‘En dat lukt pas echt als ik jullie verhaal deel met de wereld. Dat snap je toch wel?’

Matthew bijt zijn tanden steviger op elkaar. Zelfs al was zijn gezin er, dan zouden ze nu niet naar ons toe komen.

‘Misschien zullen andere mensen ervan genieten om jullie te leren kennen,’ mompel ik.

Matthew is verdwenen. Ik werk verder aan mijn begeleidend schrijven voor de uitgeverij. Voordat ik op vakantie ga, wil ik dat mijn verhaal ook op reis gaat. En wie weet waar de reis stopt…

Zoë is zo moe

Foto: Tom Swinnen

Een augustusmorgen in Nederland. Het fietspad is nog nat van alle regen van de afgelopen nacht. Niemand rijdt er. Over de dijk lopen geen mensen met honden. Het is zo stil dat ik me afvraag of ik een uur te vroeg ben opgestaan. Er zijn alleen vogels. Op een verkeersbord zitten twee natte kraaien depressief voor zich uit te staren.

Zoë is er wel. Soms huppelt ze, soms slentert ze. Dan pakt ze mijn hand en hangt eraan. ‘Ik ben zo moe,’ zucht ze.

Ik ben ook moe. Drie nachten heb ik inmiddels half wakend doorgebracht, vanwege dat boek waarin Zoë een hoofdrol speelt. De eerste nacht dacht ik dat er met een bepaald stuk iets helemaal mis was. Daardoor zat ik om middernacht nog achter mijn pc – waar ik vaststelde dat ik me had aangesteld. Het stuk was veel beter dan ik dacht.

De dag erna concludeerde ik dat mijn boek af is. De afgelopen maand schrapte ik bijna twintig procent van de tekst. Ik heb nu nog 70.026 woorden over. Eigenlijk kan ik niet uitstaan dat ik niet onder die 70.000-woorden-grens zit. Niettemin zou ik blij moeten zijn dat ik klaar ben. Alleen denk ik nu aan uitgeverijen en alle manieren waarop ze mijn manuscript kunnen afwijzen. ’s Nachts zie ik toekomsten waarin ik geen schrijver ben. Ik heb geen idee wat ik dan ga doen.

We komen bij het viaduct en lopen onder de rondweg door. Daar zoemt net als altijd wel verkeer. Zoë laat mijn hand los, hinkelt over de tegels, zucht dan weer. Ik snap dat zij ook moe is. De afgelopen maand heeft ze steeds opnieuw dezelfde avonturen beleefd. Ze heeft gehinkeld met Sophie op de dag dat dat meisje verdween, ze is bang geweest in haar eigen huis omdat ze niet meer begreep wat er allemaal gebeurde. Mr Prince heeft haar in de tuin steeds opnieuw vragen gesteld waarop ze geen antwoord had. Arm kind.

En arme ik. Een directe collega komt vandaag voor het eerst weer werken na vier weken. Een andere directe collega zie ik voor het laatst voordat zij op vakantie gaat. Zij hecht aan afscheid nemen. Als dat allemaal niet aan de orde was, zou ik in mijn bed zijn gebleven. Denk ik. Als het me gelukt was mijn verantwoordelijkheidsgevoel compleet uit te schakelen.

We draaien over de rotonde en lopen onder het treinviaduct door. Op het fietspad is het nog steeds stil. De enige die er gebruik van maken zijn naaktslakken. Zij genieten natuurlijk van de natte, grauwe morgen. Zoë hurkt (zoals alleen kinderen dat kunnen; zonder dat het moeite kost) en bestudeert ze. Als ze er een vinger naar uitsteekt roep ik: ‘Nee, nee. Afblijven.’ Dat pientere meisje dat veel te veel ziet, is soms gewoon een kind.

Verder maar weer. We komen langs de oude schuur, overwoekerd met bruidssluier, waar een vlierbessenstruik staat. Vorig jaar augustus zag ik daar een kat zitten en verscheen plots de eerste scène van het verhaal dat nu af is. Welke andere dimensie ging daar op een kiertje open?

Vandaag is er geen kat. Er zit een piepjonge ekster bij de schuur, nat, zijn veertjes in de war, alsof hij te vroeg uit het nest is gevallen. Zoë zegt hem gedag. De ekster maakt een minuscuul hupje, maar besluit niet weg te vliegen.

Wij slenteren verder.

‘Ik wil niet werken,’ simpt Zoë. ‘Ik wil naar papa en mama.’

‘Dat snap ik.’ Ik lach een beetje, maar het klinkt alsof ik verkouden aan het worden ben. Ik wil ook wel naar de ouders van Zoë. Plaatsnemen in de grote salon van Northend Abbey, kijken naar het enorme schilderij van Florence Fontaine die in haar avondjurk al meer dan een eeuw de salon domineert, een kopje thee drinken en wegdutten. Ik ben alleen bang dat Zoë plekken weet in Northend Abbey die ik niet ken en ook nooit zal vinden. Dat als ik haar nu laat gaan, ik haar nooit terugvind.

Maar ze vraagt mijn toestemming niet. Zoë is al weg. Wat verderop zie ik een lieve collega zwaaien, die soms me tegemoet loopt om even bij te kletsen. De werkdag begint bijna.

De warmste dag ooit

Foto: Pixabay

Donderdag was de warmste dag ooit in Nederland. Weinig mensen zullen dat niet weten. Zelfs al sloot je je op in een kelder met airconditioning, dan nog schreeuwden alle media het je toe. Iedere vriend op Facebook vond het nodig om te zeggen hoe warm ze het hadden. Ik durfde er niet te schrijven dat ik nauwelijks last had van de hitte. En al helemaal niet dat ik de dag ervoor de wind frisjes had gevonden.

Donderdag had ik een afspraak bij de kapper. Ondanks dat de zon me niet deerde en ik ’s nachts heerlijk had geslapen (zonder hulp van slaappillen of ventilators) twijfelde ik toch of ik, zoals gebruikelijk, te voet zou gaan. Ik probeerde verstandig te zijn. Maar uiteindelijk stopte ik een flesje water in mijn tas en ging ik op pad. Alleen de brug naar Zwijndrecht was hoger dan anders.

Ik was voor het eerst sinds een half jaar weer bij mijn vertrouwde kapster. Hoera! De aanblik in haar spiegel was minder geweldig. Wat zag ik onder mijn rechteroog? Een vouw in mijn huid die er permanent uitzag. Hij heeft de vorm van een traan, niet door mij gelaten maar door de tijd. Confronterend. Ik dacht aan dagcrèmes, nachtcrèmes en net niet aan facelifts. Ik dacht aan jaren die voorbij zijn, aan mijn jeugd en sommige dromen. Geen gezin. Nooit. Echt nooit.

Maar de laatste tijd weiger ik somber te worden. Dat ben ik al te veel geweest. Twee weken geleden heb ik de film Tolkien gezien. De jonge man die maar net de Eerste Wereldoorlog overleefde en daarna miljoenen inspireerde met The Hobbit en Lord of the Rings, maakte me strijdlustig. Voor iemand die schrijft ligt de hele wereld open.

Ik heb toch immers mijn eigen boek? Steeds meer wordt het zoals ik het altijd gewenst heb. Ik heb het twee maanden weggelegd en werk er nu weer aan met nieuwe energie. De rustpauze was zinvol. Ik zie beter hoeveel zinnen totaal onnodig zijn. Waar ik twee bijvoeglijke naamwoorden in een zin gebruikte, schrap ik er eentje en plots verschijnt uit de klomp klei de vaas die ik in gedachten had. Nog even en ze is geglazuurd.

Donderdagavond ging ik alweer naar de film, met iemand van het werk. We keken elkaar alleen maar aan toen, vlak voor aanvang, een vrouw met een kruk binnenstapte die in haar vrije hand een stok voor een dweil vasthield. In mijn hoofd begonnen synapsen spontaan te jeuken. In kleine dingen komt een wereld aan fantasie vrij. Ik dacht aan die keer toen ik een collega tegenkwam die, op de dijk, onderweg naar het werk, een boek tevoorschijn haalde en begon voor te lezen over hoe de zon opkwam. De inspiratie ligt op straat. Of loopt de bioscoop in.

We zagen overigens Yesterday. Geen slechte film, maar de trailer beloofde meer dan hij waarmaakte. Toen ik na afloop de bioscoop uitliep dacht ik even dat ze een hittescherm hadden opgehangen. Maar nee, dat was de buitentemperatuur, die leek op die van een oven waarin iets zachtjes wordt ontdooid. Oké, de warmte viel me nu toch wel op.

Het was half elf, het was donker, mijn gezelschap holde naar de bus en ik liep naar huis. Ik dacht weer aan Tolkien, die een hele wereld schiep die mensen liet dromen. Hij werd geïnspireerd werd door de nachtmerrie van een oorlog, maar ook door alles wat mooi was aan zijn jeugd. Ik geloof dat mijn eigen boek ook mensen kan meevoeren een andere wereld in. Voilà, ik heb het geschreven en ik zal het niet haastig of onzeker wissen.

Ik maakte een kleine omweg zodat ik even langs de oever van de Merwe liep, waar een frisse wind blies, die dromen meevoerde. En dat zou een mooie afsluiting van dit verhaal geweest zijn, maar ik moet nog vertellen dat iemand aan wie ik feedback op mijn boek had gevraagd, na vele maanden wachten twee dagen later eindelijk begon te reageren op het eerste stuk. Hij gaf feilloos aan wat er nog niet aan klopt. Dat was waardevol. Maar zijn opmerking ‘Ik vind je personages een beetje lijken op die van The Little House on the Prairie’ was erg. Er is nog meer te doen dan ik dacht.

De zeventiende graaf van Northend

De laatste keer dat ik bij Northend Abbey was, vluchtte ik samen met Zoë voor een onweer. Net toen de regen striemend zijn energie op ons af begon te reageren, holden we de zijdeur in van het landhuis. Waarom weet ik niet, maar daar verloor ik Zoë uit het oog.

Nu sta ik alleen op de zwart-witte tegels van een gang met hoge, kleine ramen. Er is bijna geen licht: de tegels lijken grijs. Ik glibber verder het huis in en de stilte tuurt naar me vanuit de stille gang, waar ze overal op me wacht of me juist afweert.

Ik kom in de grote hal van Northend Abbey. Een imposant brede trap leidt naar schaduwen, alsof wie hem betreedt op kan klimmen naar het onweer dat ik nog steeds hoor grommen, onvriendelijk on ongenuanceerd. De vele voorvaders en -moeders van de familie Fontaine die op schilderijen staan afgebeeld, schuilen voor de regen: ik zie ze nauwelijks in de doffe lijsten. Het harnas dat op de begane grond staat glanst niet. Alleen op de hellebaard valt licht, misschien van de bliksem, zodat het snijvlak dodelijk scherp lijkt.

Dan staat hij opeens naast me, opgedoemd vanuit de schaduwen, of afgedaald vanuit het onweer. Matthew Fontaine, de zeventiende graaf van Northend. Mijn hart slaat even wat sneller, omdat het zo’n knappe man is, of toch uit angst. Zijn gezicht is marmer, glad en koud (ik weet het zonder dat ik hem aanraak). Zijn ogen zijn gletsjermeren. Ik snap niet altijd waarom zijn vrouw zo gek op hem is.

‘Dat hoef je ook niet te begrijpen,’ zegt hij, en dan realiseer ik me pas dat ik hardop heb gedacht (hoop ik).

Ik doe een stapje bij hem weg en struikel nog net niet tegen het harnas. ‘Hoe gaat het?’ stamel ik.

‘Weet je dat ook niet?’ Hij glimlacht en zijn gezicht is als een reclame voor een mannenparfum, of een droom van perfectie. Zijn ogen worden meren in de zomer, warm en uitnodigend.

Hij ís ook warm en uitnodigend – echt. Maar alleen voor zijn vrouw en zijn kinderen. En misschien voor de mensen die op bezoek komen in het rustoord dat hij en Anna hebben gevestigd in Northend Abbey. Maar het liefst wil hij dat buitenstaanders hem met rust laten.

‘Zeg,’ mompel ik heldhaftig, ‘ik dacht dat ik jouw gedachten kon bepalen. Het is niet de bedoeling dat jij de mijne –’

‘Volgens mij lijken we meer op elkaar dan jij wilt. Of ben ik wat jij wil zijn.’ Iets dichter komt Matthew bij me staan. ‘Jij wilt toch ook een rots zijn op volle zee, waar de noordenwind op blaast zonder dat je huivert? Jij wilt toch ook niets voelen? Of wil je juist wel voelen, maar dan zonder dat het pijn doet?’

Ik kijk weg, naar het harnas, dat nu helemaal in het duister gehuld is. Het lijkt of het onweer terugkomt. Zijn handen strekken zich door de ramen naar ons uit.

Matthew staat nog steeds vlak naast me, een pilaar in zijn paleis. Ik hoor hem niet eens ademen. Ik hoor alleen mezelf – ik voel mijn adem in mijn longen alsof ik gerend hebt.

‘Wel?’ zegt Matthew. Ik heb nooit geweten dat zijn stem kan zijn als van de eerste bries van een naderende storm. Dat moet ik misschien eens in een boek gebruiken, of zou dat te theatraal zijn?

‘Wel?’ herhaalt Matthew. Ik voel klamheid. De storm nadert; zo zal het opnieuw regenen.

‘Laat me met rust,’ snauw ik.

‘Zo moet jij niet tegen mijn papa praten!’ Opeens is Zoë er weer. Ze dringt haar kleine, sterke gestalte tegen ons in. ‘Papa is lief!’

Ik wil iets zeggen, over wat papa echt is, maar Zoë trekt Matthew mee aan een hand, bij mij vandaan. Hij laat zich leiden en even denk ik dat ik zijn glimlach voor zijn dochter voel, ergens vanbinnen. Dan draait Zoë zich om. Een bliksem flitst uit haar ogen naar me toe.

Ze is solidair met haar vader – dat is mooi. Toch wil ik roepen: ‘Kijk maar uit. Solidariteit doet pijn.’ Maar ik zwijg. Solidariteit is als onkruid. Je roeit het niet uit, en misschien is dat goed.

Het gruwelijke gromgriezelgedrocht

Zoë en ik lopen samen in de tuin van Northend Abbey. Het landhuis zien we slechts in de verte, achter kastanjebomen die uitbotten en walnotenbomen die nog kaal zijn. We zijn in de oude tuin, waar de vogels eerbiedig fluisteren en de waar deze zonnige dag het water van de oude vijver stil en zwart blijft.

Zoë trekt me aan mijn vingers mee. We komen op een klein veld. ‘Kijk,’ roept ze. Ze spreidt haar armen en vingers breed uit. ‘Kijk!’

Ik kijk. Ik zie niets. Er is een grasveldje met aan het einde braamstruiken die net hun nieuwe blaadjes hebben. Hun stekels voor dit jaar lijken nog onzichtbaar. Een musje vlucht tussen de takken door het duister in.

‘Kijk nou!’ roept Zoë.

Ik kijk naar haar.

‘Kijk nou!’ Zoë valt op haar knieën, en dan zie ik de paardenbloemen. Ze zijn al niet geel meer: ze wachten bolrond wit op het eerste zuchtje van de wind om uit elkaar geblazen te worden. ‘Mooi, hè?’

Een paardenbloem mooi…? Ik blijf rechtop staan, maar Zoë’s ogen als ze naar me opkijkt zijn zo glanzend dat dat moeilijk is.

‘Al die kleine witte puntjes zitten allemaal ietsie pietsie preciezie helemaal op ietsie pietsie preciezie de juiste plek,’ fluistert ze eerbiedig. ‘Dat is echt knap!’

Ik kniel naast haar neer, grijp een stengel van een paardenbloem en blaas. Witte monstertjes waaien van me weg.

En naast me is het even heel stil. ‘Wat doe je nou?’ hijgt Zoë.

Dit wordt een educatief momentje. ‘Ik help de wind,’ leg ik uit. ‘Het zaad van de paardenbloem wordt verspreid en –’

‘Nou is de paardenbloem stuk!’

Dit wordt géén educatief moment. Zoë’s ogen glanzen weer, maar van onverwacht en vreselijk vocht. Haastig zeg ik: ‘Nee, er komen juist alleen maar meer paardenbloemen. De wind neemt ze –’

‘Daar komt de wind! De wind is boos omdat jij zijn werk doet. Nou is de wind het gruwelijke gromgriezelgedrocht geworden!’

Ik volg Zoë’s wijzende vinger. Wat is er met de zonnige dag gebeurd? De halve hemel wordt gevuld door opzwellende wolken, blauw, grauw, zwart als het bewijs van een voorbije klap in je gezicht. In de stille bomen beginnen alle nieuwe bladeren te fluisteren. Dan is er een vlaag van de wind die voelt als een nieuwe klap: pasgeboren blaadjes en verse twijgjes worden losgescheurd van hun ouders.

‘Eh…’ zeg ik.

Zoë is vergevingsgezinder dan ik meestal ben: ze neemt weer mijn hand en lacht. ‘De wind is leuk als hij het gruwelijke gromgriezelgedrocht wordt. Maar we gaan wel naar binnen, hè? Want anders maakt de wind ons helemaal nat!’

‘Eh…’

Er wordt gelukkig niet echt antwoord van me verwacht. Aan de hand die Zoë om mijn wijsvinger heeft geslagen hol ik met haar mee de tuin door. De nog kale walnootbomen zwiepen alsof ze willen dansen, de wind holt met ons mee en probeert ons in te halen. Tegelijk vult hij de hele hemel boven ons met een zwarte koepel van kolkende wolken.

‘Zwarte slagroom!’ lacht Zoë. Haar tranen zijn alweer verdwenen. We staan nu bij een van de stompe torens van Northend Abbey. De wereld is zijn schaduw zwart van de naderende donkerte, maar Zoë houdt stil, vlak bij de deur naar veiligheid, en kijkt verliefd op naar de hemel. De zwarte slagroom is overal, als van een taart die een miljoen kilo weegt en ons ieder moment kan verpletteren. De wind zwiept om ons heen, maar niet alsof de wind nog in een feestelijke stemming is. De wind kan ons ieder moment tegen de muren gooien. En die muren zijn honderden jaren ouder dan wij; wij zullen uiteenspatten in duizenden schilfertjes en kiezeltjes en zij zullen onverschillig blijven staan.

‘Nu snel naar binnen, Zoë,’ roep ik – probeer ik te roepen, maar mijn woorden vliegen weg.

Lachend heft Zoë haar handen op. De eerste druppels spetten op haar wangen, als nieuwe tranen. ‘Dag gruwelijk gromgriezelgedrocht,’ roept ze naar de wind. ‘Jij bent zo spannend dat ik jou leuk vind en niet eng.’

Heel even valt ieder boomblad stil. Een briesje streelt langs ons heen. De wind is stiekem een softie.

Dan gromt de eerste donder en vluchten we naar binnen.

Als u niet wordt als een kind, dan…

Ik stap in mijn woonkamer door het fotobehang van het beukenbos in de lente en dwaal door het bos vol heuvels met mos en zonverlichte velden met blue bells. Dan open ik de grote poort (mopperend krakend komt hij onder mijn vingers in beweging) en loop ik de lange afrijlaan af, naar het landhuis dat grauw de lente ondergaat.

‘Jaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaa!’ De kreet onderbreekt de statige stemming. Een kleuterjochie laat zich op het grasveld vallen, zijn borst vooruit, zijn armen wijd gespreid. Ik geloof dat hij verwacht dat hij als een neerstortend vliegtuig een lange voor zal maken in het gras. In plaats daarvan krijgt hij de kans om de geur van dat hoge gras op te snuiven, van heel dichtbij. Zijn identieke broertje doet het anders: die grijpt de punten van zijn geopende jas en holt de rondjes die een stuntpiloot vliegt.

Wat verderop staat een meisje. Haar licht opgetrokken wenkbrauwen en getuite lippen (geen imitatie van een kus, maar iemand die zich bewust wordt van een vieze geur) maken duidelijk dat zij een oudere zus is.

‘En toen stortte ik ook neer!’ roept het hollende jongetje. Hij maakt een scherpe draai, zodat hij zijn liggende broertje nadert, dat heel behulpzaam met zijn voeten trappelt zodat het andere broertje wel moet struikelen en neerstorten.

‘Maar wij leefden nog,’ roept het eerst neergestorte broertje. ‘En toen gingen wij –’

Het zusje komt naast mij staan en zucht hoopvol. ‘Ga je mee?’

‘Oké.’

Zoë is niet aanrakerig, maar toch pakt ze twee van mijn vingers vast terwijl wij naar Northend Abbey lopen. ‘Jij bent hier lang niet geweest. Mama vroeg zich af of jij altijd weg zou blijven, maar ik wist wel dat jij dat niet kon. Mama wist het eigenlijk ook, maar ze was bezorgd.’

Ik werp een blik op Zoë, om zo heimelijk mogelijk in te schatten hoe oud ze is. Dat probeerde ik bij haar broertjes – Michael en Silas – ook. De tweeling leek me jonger dan ik hoopte: drie in plaats van vier. Het is nu voorjaar. Betekent dat dat het verhaal dat hun door mijn schuld zal overkomen nog voor hen ligt?

‘Hoe gaat het met Dolly?’ vraag ik zo achteloos mogelijk.

‘Dolly?’ Zoë’s vorsende ogen (ogen als die van haar vader) kijken kritisch naar me op.

Ik ben bang dat Zoë zal voelen dat die twee vingers die ze vast heeft beginnen te zweten. ‘Ach, ik ben in de war,’ lach ik.

Zoë trekt mij steviger mee, aan vier vingers. Ze zou ook mijn duim grijpen als mijn hele hand niet te groot voor haar was. ‘Jij hebt ons gemist!’ roept ze. ‘En jij hebt de tuin gemist. Jij wilt naar achter het hek, hè? Dan kun je de walnotenbomen zien, en de bruidssluier die over de oude schuur groeit, en de vlierbessenstruik, maar daar zitten nu geen vlierbessen aan hoor.’

Even zweet ik harder. Die vlierbessen en de bruidssluier over de oude schuur bestaan ook in “mijn” wereld, die zogenaamd de echte is. Toen ik daar op een dag langsliep werd ik op ideeën gebracht die Zoë het heel moeilijk zullen maken in de herfst. Ik kan nog terug, bedenk ik. Of ik kan nu haar hand loslaten en doen of ik dit allemaal maar droom.

Maar haar vingers, warm en vol vertrouwen, voelen zo fijn aan de mijne. Het is bijna of ik plots, onverwacht en met diepe blijdschap, toch nog moeder ben geworden.

We staan bij de oude schuur, waar kippen rondscharrelen. Als ze mij zien hollen ze weg, met uitgespreide vleugels en waggelende billen. Zoë lacht. ‘Kippen zijn niet slim, maar ze hebben wel veel vertrouwen. Ze denken altijd weer dat zij kunnen vliegen.’

We staan ook bij de oude vijver. Die vijver is net zo oud als de rest van de tuin, maar hij heet zo omdat zijn zwarte water stil en somber lijkt. Zoë kijkt ernstiger. ‘Blijf jij nou altijd bij ons?’ vraagt ze.

Ik wou dat ik kon worden als een kind, en ook zulke eerlijke vragen kon stellen. Of beantwoorden. Ik denk weer aan de herfst, die voor Zoë nog gaat komen. Ik wil haar plots beschermen.

Wordt – op de een of andere manier – vervolgd.

Gelukkig gaat het met Anna goed


We zitten samen in een bunker, Anna Fontaine en ik. Het doet er niet toe dat ik Anna bedacht heb. Het is fijn om niet in mijn eentje in de bunker te zitten. Met Anna erbij is het niet erg dat de lucht muf is, en dat nu ik de deur heb afgesloten het donker zwarter lijkt dan de nacht. Ik hoor haar zachte, regelmatige ademhaling. Zij is niet bang.

Ik ben eigenlijk ook niet bang. Ik werk en ik kan het bijbenen, al is het flink druk. Ik heb vijf weken allerlei vage lichamelijke klachten gehad, maar die zijn nu over. Ik heb niets te klagen. Ik heb alleen het rare gevoel dat ieder woord dat mensen tegen me gaan zeggen een geweer zal zijn. Ik verwacht constant een dodelijke schotwond in mijn ziel, hoewel bijna iedereen om mij heen vriendelijk is.

Anna pakt mijn hand. Haar handpalm is niet plakkend zweterig, en ook niet afstotend droog. Haar vingers zijn geruststellend op de mijne. Dat is zo fijn als je iemand zelf bedenkt: die reageert altijd precies goed. Toch zit ik bijna te huilen – misschien wel ómdat ze precies goed reageert.

‘Het gaat weer voorbij,’ zegt ze. ‘Dat weet je. Dan gaan we de bunker weer uit en maken we ons nergens meer druk om.’

‘Verveel je je?’ vraag ik haastig. ‘Had ik niet moeten vragen of je –’

‘Sst…’ zegt ze.

‘De kinderen wachten natuurlijk op je. En Matthew. Ze zullen zich wel afvragen waar je –’

‘Jij hebt hen toch ook bedacht? Ze weten waar ik ben. Ze vinden het niet erg.’

Ze vinden het niet erg omdat ze niet echt bestaan, al lijkt het wel zo. Mijn zenuwen staan strakker. Ik ben alleen. Niet in die bunker waar geen pistoolschot kan doordringen. Ik ben… ergens. Waar eigenlijk? Tussen onbekenden die ik niet kan inschatten? Die dingen kunnen zeggen die me zullen doorzeven met –?

‘Weet je dat de uitgever van “De Schreeuw van de Pauw” failliet is?’ hijg ik. ‘De rechten van het boek liggen weer helemaal bij mij. Het bestaat officieel niet meer. Ik kan het verhaal opnieuw schrijven. Ik kan iedere dag bij jullie op Northend Abbey zijn terwijl ik dat doe. Ik gebruik die tien jaar extra ervaring die ik nu heb om het verhaal compacter te maken, beter, precies goed. Het zal exact worden zoals wij het bedoeld hadden.’

Anna houdt mijn hand iets steviger vast. ‘Wel heftig om al die ellende weer te moeten beleven.’

Ik heb niet gelijk antwoord. Ik denk – natuurlijk, want mijn hoofd is gewend negatief te interpreteren – dat Anna zegt: “Blijf weg uit mijn huis, laat me eindelijk met rust.” Ik probeer anders te denken. Ik zeg: ‘Jij hebt echt flair om te leven. Er gebeuren je de heftigste dingen – omdat ik je ze laat overkomen; sorry – en toch lach je altijd weer. Hoe doe je dat?’

Anna lacht, zodat het even licht is in de zwarte bunker. ‘Dat heb jij me geleerd. Wie anders?’

Ik heb weer niet gelijk antwoord. Ik lach ook veel, maar de laatste tijd denk ik dat mijn gevoel voor humor onderdeel uitmaakt van mijn bunker: ik houd er mensen mee van me weg. Anna doet het een stuk beter dan ik. We kennen elkaar nu zo’n jaar of vijftien. Destijds voelden we ons allebei wanhopig alleen. Maar Anna had ergens ver weg nog een echtgenoot die ze had verlaten. Zij is naar hem teruggegaan. Ze hebben elkaar vergeven. Inmiddels heeft ze drie kinderen: een schoolgaande dochter en twee kleuterjongens, een tweeling.

Ik ben blij dat het met Anna goed gaat. Maar ik vraag me af of het met mij ooit goedkomt. Ik functioneer, maar het voelt nog altijd alsof ik een tweederangsburger ben die nooit heeft begrepen waar het leven echt over gaat.

‘Je bent meer dan welkom op Northend Abbey,’ zegt Anna. ‘Schrijf gewoon weer een boek over ons. Gezellig.’

‘Het zijn inderdaad wel heftige verhalen,’ mompel ik. ‘De laatste moet ik nog steeds naar een uitgever durven sturen. Ik wil zo graag dat mensen jou leren kennen. Maar misschien moet ik een keer een luchtig verhaal schrijven. Al is het maar voor mezelf. Of voor jullie.’

‘Voor jezelf,’ zegt Anna. Ze heeft nog steeds mijn hand vast.