Van kersenbloesem en beschavingen, die dingen die voorbij gaan

Photo by AJ on Unsplash

Het is geen nieuws dat we een nogal koud voorjaar hebben. Ik geloof dat ik nooit eerder in mei nog in mijn winterjas liep. Soms word ik er wat filosofisch van, soms bijna dichterlijk. En ik kan helemaal niet dichten!

Tijdens de kou in april blies, terwijl ik onderweg was naar een bidstond, sneeuw spottend mijn gezicht in. Ik wilde chagrijnig worden, maar toen rook ik een magnolia. Onmiddellijk werd ik overspoeld door het gevoel dat ik heb als ik wegkruip met een boek vol haiku’s. Het zal wel door mijn plannen komen: een haiku is een Japans gedicht (niet rijmend, maar met als uitgangspunt dat het drie regels heeft, van achtereenvolgens 5, 7 en 6 lettergrepen).

Japanse zaken bleven me bezighouden toen het wat warmer werd en de kersenbloesem teer en stil haar schoonheid ontvouwde. Ik hield mijn adem in. Eén flinke bries en de bloesem zou als sneeuwvlokken verstrooid worden. Voor de Japanners is die kwetsbaarheid symbool van de vergankelijkheid van het bestaan.

En toch… terwijl ik de eerste bleekroze blaadjes zag vallen, stelde ik me voor dat een mens zo weg dwarrelde uit het leven. Ik vond het lastig te geloven dat een mensenblaadje zomaar vergaat. Ik kon me voorstellen dat de ziel die tijdens het leven kwetsbaar was voor storm en scherpe nagels, na het neerdwarrelen een steen wordt. Geen grafsteen, maar een steen waarin de ziel veilig opgeborgen blijft tot een dag waarop hij weer tot leven wordt gewekt.

Een mensenziel is weerbarstig. Ik las het weer bij Viktor E Frankl, de psychiater die Auschwitz overleefde en er stellig van overtuigd was dat we alles kunnen verdragen, zolang we maar een doel hebben om voor te blijven leven. Dat doel kan het schrijven van een boek zijn, maar ook schoonheid kunnen zien en de liefde voor andere mensen.

Ik las ook In de schaduw van Byzantium, van William Dalrymple. Een boek dat bijna nog confronterender was dan dat van Frankl. Het is een reisboek waarin Dalrymple niet alleen door het Nabije Oosten reist, maar ook door 1.500 jaar beschavingen in Turkije, Libanon, Syrië, Israël en Egypte. Turken moorden christenen uit, christenen slachten joden af en joden doden islamieten. Een moedeloos makende vicieuze cirkel. Beschavingen blijken even kwetsbaar te zijn als kersenbloesem. Hoeveel miljoenen mensen zijn daardoor al voortijdig weg gedwarreld van de levensboom?

Afgelopen vrijdag liep ik langs begraafplaats de Essenhof. Het had veel geregend en het was weer koud, maar de zon straalde en ik zag bladeren zich uitvouwen die storm weerstaan en pas in de herfst rimpels krijgen en losgetrokken worden van de takken die hen hebben gevoed. Over een gracht heen staarde ik naar de begraafplaats, maar de grafstenen hielden mijn aandacht niet vast. In het water lag een klein eilandje waar kleuren met elkaar wedijverden. Een sering tooide zich met allerlei tinten paars; een gouden regen blonk in de zon. En ik wist weer dat al hun pracht voorbij zou gaan, zou verdwijnen in het donkere water van de gracht.

De dag erna was de zon al weg. In kille regen liep ik op de brug naar Papendrecht. Over het brede, onaangedane water waarin alles kan verdwijnen naderde een rivieraak. Ik keek toe terwijl hij onder me door gleed, terwijl ik wist dat ik daar duizelig van zou worden, net als altijd. Ik keek weg over de rivier, naar de extreem Hollandse landschap en voelde even tranen: ook dit gaat voorbij; binnenkort zal ik het niet meer zien. Ik was onderweg naar een goede vriendin, en huilde even omdat ik dan ook niet meer bij haar op bezoek kan gaan. Ik heb een levensdoel dat me drijft, en tegelijkertijd pijn doet.

Daar op de brug leidde ik mezelf af door alsnog die haiku te componeren over sneeuw en de geur van magnolia’s, terwijl ik niet kan dichten:

Lopend in de sneeuw
ruik ik plots magnolia’s
Het wordt toch lente

Een windvlaag trok bijna de paraplu uit mijn handen, en de haiku uit mijn hoofd. Toen dacht ik eraan dat ze beweren dat het zondag 25 graden wordt. Alles blijft veranderen. En ik zal leren de veranderingen te verwelkomen, ook als ze een windvlaag in mijn leven zijn.

Sneeuwpret?

Tijdens de eerste lockdown is de wc-papierschande aan mij voorbij gegaan, maar afgelopen zaterdag besloot ik toch maar eens extra boodschappen te doen. Er werd sneeuw verwacht. Shit.

Ik moet het toegeven: ik heb een fobie. Nou ja, een fobietje, want ik probeer het kleiner te maken dan het is: ik ben bij gladheid doodsbenauwd. Vallen voelt als iets vreselijks. Ik ben in mijn leven een paar keer flink onderuit gegaan en… heb daar nooit een schrammetje aan overgehouden. Dus waarom ik zo bang ben? Geen idee. Mijn psychologiserende hoofd vreest dat ik te graag de controle houd.

Ik heb gebeden – nog net niet op mijn blote knieën – dat er op zondag berichten zouden zijn van ongeveer deze strekking: ‘Heel Nederland ligt onder een dik pak sneeuw. Heel Nederland? Nee, één plaatsje is… etc.’ Die berichten waren er, maar ze gingen over Groningen en Maastricht.

Sneeuw. Het lag echt in Dordrecht – en het blijft voorlopig. En ’s nachts vorst, zodat het opvriest en nog enger wordt. Ik wist het zeker: ik zou een week binnenblijven. Alleen ging mijn hoofd na een dag protesteren. Hoeveel angsten had ik ook alweer overwonnen in 2020? En nu zou ik terugdeinzen bij het eerste obstakel van 2021? Het was mijn eer te na. En tegelijk ook niet. Want vallen… het is zo ERG.

Ik bad – nog steeds niet op mijn blote knieën, maar erg oprecht: God, geef me kracht dit obstakel aan te gaan. En daarna liep ik 500 meter naar de brievenbus. Nog nooit zo dankbaar geweest dat ik een kaartje had gepost. Het viel nogal mee met de sneeuw (misschien weggewaaid) en met de gladheid ook. Ik vroeg me af of ik vandaag weer naar buiten durfde en écht te wandelen.

Ik heb het gedaan. En na tien meter wilde ik terug. Op de stoep lag een laagje sneeuw dat precies leek op een ijsbaan. In gedachten ben ik tegen tien auto’s aan gevallen. Ik keerde om – en besloot toen over de kade verder te lopen. In gedachten ben ik tien keer in het water gevallen, maar de kade was niet glad. Ik waagde me verder. Toen was ik opeens bij Villa Augustus. En vervolgens stond ik tot mijn eigen verrassing in het Wantijpark.

Er wordt gesnoeid in het park – door de auto’s van de gemeente waren de paden gladder dan verwacht. Maar toch kreeg ik langzaam het lef om net te doen of ik aan het wandelen was. Ik genoot van de witte vergezichten. Ik stelde vast dat zwanen die op het water zitten in plaats van erin, opeens minder wit zijn. Ik genoot van de vrouw die de kraaien voerde. Zwarte vogels worden alleen maar mooier in de sneeuw. Daar kunnen we vast een geestelijke les uit peuren.

Ik had vooraf bedacht dat als ik aan de andere kant het park uit kwam, ik naar huis zou gaan, maar het fietspad dat ik gewoonlijk volg zag er redelijk begaanbaar uit. Verder op mijn normale route dan maar? Ik kreeg er even spijt van, want ik moest ook over een stukje waar auto’s rijden. Zij hadden van de sneeuw ijs gemaakt. Op een klein kruispunt kon ik vier kanten uit vallen. Bijna smakte ik naar het noorden, maar het ging net goed: ik bleef staan. En ik had zo weinig stress van de gladheid dat ik zelfs kon genieten van merels, hun veren dik uitgezet tegen de kou.

Het fietspad weer op, huiswaarts. Hier had de zon geholpen met sneeuwschuiven: sneeuw was weer water. En ik trok echt een geestelijke les uit wat er nu gebeurde: mijn weg was weer normaal begaanbaar, maar… daar werd ik bang van. Want waren die dunnen stroompjes echt water, of was het stiekem ijs? Mijn weg was zoals hij anders ook is, maar durfde ik dat te vertrouwen? Het smalle pad was blijkbaar nog steeds te breed.

Gelukkig werd andere dingen snel normaal: wat verderop was ik niet meer gefixeerd op mijn eigen angst, maar kon ik me ergeren aan joggers die holden alsof er geen sneeuw lag en verwachtten dat anderen snel voor hen opzij gingen. Ik drukte de ergernis maar snel weg, en genoot van wat er niet was: vrees. Dank U, Heer! Morgen maar opnieuw naar buiten. Misschien. Hopelijk.

Geboren in een stal (3)

Photo by Debby Hudson on Unsplash

Vorige keer lazen we dat Freek midden in de oorlog een joodse man tegenkomt en onderdak biedt. Lees hier het slot van het verhaal.

De man holt naar de bomen. Even later komt hij terug met een vrouw. Haar ogen zijn net zo blauw als die van Dina. Haar buik is dik. Er zit een grote baby in. Ze kreunt en fluistert woorden die Freek niet verstaat. Haar man houdt zijn arm om haar heen en kijkt naar Freek. “Waar gaan we heen?”

Freek slikt. Het is nog nooit zo spannend geweest om naar huis te gaan. “Kom maar mee,” zegt hij.

Ze lopen langzaam. De vrouw blijft kreunen en staat soms stil, met haar handen op haar rug. Maar ze komen bij de boerderij en ze hebben geluk: Benny holt hen tegemoet en blaft wel, maar hij doet het maar één keer, alleen om te zeggen dat hij blij is om Freek te zien. Hij snuffelt aan de joodse mensen, kijkt naar Freek en houdt zijn kop scheef alsof hij wil vragen wie dat zijn.

Freek hijgt van opluchting. “Brave Benny,” fluistert hij. “ Hij wenkt de joodse mensen naar de schuur en legt zijn vinger op zijn mond: ze moeten nu héél stil zijn. Bij iedere stap die ze zetten hoort Freek zijn hart bonken. Hij probeert heel goed te luisteren. Is pa nog buiten? In de schuur? Op het erf? Of is hij al binnen, bij mama?

Héél zachtjes doet Freek de schuur open. Het is er donker. Het kan haast niet dat pa hier is. Alleen de schapen zijn er, met hun dikke winterwol, en hun warme adem. Het is niet koud in de schuur. Maar Freek twijfelt. Dit is geen plek om mensen achter te laten. Er is geen lamp, geen tafel en geen stoel. Hij heeft niet eens wat te eten voor ze.

De joodse man loopt langs hem heen. “Dit is een goede plek. Bedankt, jongen. Laat ons nu maar alleen, zodat Mirjam kan doen wat nodig is.”

Freek gaat naar de boerderij. Benny loopt naast hem en raakt met zijn snuit Freeks hand aan, maar Freek reageert er niet echt op. Freek denkt na. Hij moet ervoor zorgen dat pa de schuur niet in gaat. En hij denkt aan Stijn. Stijn zal zijn mond toch wel houden? Hij heeft gehoord dat mensen die joden verstoppen, worden opgepakt door de Duitsers. Sommige worden zelfs doodgeschoten.

Freek heeft een rare kerstavond. De hele tijd houdt hij pa in de gaten. Soms gaat pa na het eten nog bij de schapen kijken. Wat zal hij doen als hij de joden ziet? Zal hij ze aangeven bij de politie? Maar pa blijft zitten. Hij drinkt een glaasje jenever, en dan nog eentje. Bij zijn derde glaasje begint hij te snurken. Freek ademt rustiger; zijn hart klopt niet meer zo snel.

Mama loopt naar de keuken. Ze komt terug met lucifers en steekt de kaarsjes in de boom aan. Ze knipogen weer naar Freek. Freek voelt zich opeens heel moe; de dag was lang. Maar hij staat op en pakt zijn moeders hand. Hij weet dat hij nog niet naar bed kan.

“Wat is er, jongen?” vraagt mama.

Zonder iets te zeggen, neemt Freek haar mee naar de schuur. Daar slaat mama haar handen voor haar mond. Midden tussen de schapen ligt de joodse mevrouw in het hooi. In haar armen houdt ze een baby’tje. Het huilt niet. Het lijkt wel of het weet dat het stil moet zijn.

Freek weet niet zo goed meer wat er daarna gebeurt. Hij is opeens zo moe. Maar hij gelooft dat de joodse mensen schrikken en dat mama fluistert dat ze niet bang hoeven zijn. Ze holt weg, om eten te halen, of kleren voor de baby.

Freek blijft bij de joodse mensen staan. Hij heeft vreselijk veel slaap, maar hij merkt nog net dat de joodse mensen naar hem glimlachen. De man zegt iets, maar Freek hoort hem niet. Hij kijkt naar het baby’tje dat is geboren. Het is echt kerstmis, denkt hij.

Geboren in een stal (2)

Photo by Антон Дмитриев on Unsplash

Vorige keer vertrok Freek net naar huis. Lees wat er onderweg met hem gebeurt.

Freek is net in het veld als iemand zijn pet van zijn hoofd gooit. “Hé uk,” roept Stijn. “Waarom wachtte je niet op mij?”

Freek holt achter zijn pet aan. Hij drukt hem stevig op zijn hoofd en loopt door.

Stijn houdt hem makkelijk bij, met zijn lange benen. “Nou?”

“Jij was met Dina aan het praten.”

Stijn lacht. Freek kijkt niet, maar toch weet hij dat Stijn zijn hoofd achterover gooit, en zijn mond heel ver opent. Dat doet Stijn altijd. Freek loopt nog harder door. Het wordt nu echt donker, en de monsterbomen komen dichterbij.

Stijn loopt nog naast hem; terwijl Freek bijna holt, loopt Stijn normaal. “Ben je jaloers?” vraagt Stijn. “Jij vindt Dina leuk, hè?”

Freek haalt zijn schouders op. “Ik wil snel naar huis. Het is kerstvakantie.”

Stijn lacht weer. “Je pa laat je de hele vakantie werken.”

Dat is waar. Pa laat hem vast iedere dag de mest van de schapen opruimen. En als Freek niet opschiet zal pa schreeuwen. Maar ’s avonds is het fijn. Dan heeft pa zijn jenever op en valt hij in slaap. Als pa snurkt, zingt mama zacht de kerstliedjes over stille nacht en dan is heel de wereld mooi. Freek zegt: “Ik heb zin in Kerst. Het is fijn.”

Stijn lacht weer, nog harder dan de vorige keren. “Je weet niet eens wat Kerst is.”

Freek plet zijn pet steviger op zijn hoofd. “Dat Jezus is geboren.”

“Jezus is niet geboren in de winter,” zegt Stijn. “Mijn pa zegt dat de geleerde heren weten dat het geeneens winter was toen Jezus werd geboren. Heb je goed geluisterd naar Oldekamp? Hij vertelde niets over sneeuw en kou. En zie jij weleens herders in de winter? Natuurlijk niet! In de winter zijn de herders niet in het veld! Er klopt niets van.”

Freek voelt zich een beetje duizelig. Hij ziet de hoge monsterbomen staan. Het lijkt net of ze Kerst opeten. Hij stampt verder, over de harde, koude grond. Hij voelt zich vanbinnen ook koud. De bomen komen dichterbij, en dat is bijna niet eens meer eng. Maar als ze er langs lopen…. grijpt een hand Freek heel hard vast.

Freek gilt, want het is niet Stijn. Een man heeft hem gegrepen. Een lange man, die heel mager is, met een brilletje op met blinkende glazen waarachter Freek zijn ogen niet kan zien. “Hulp,” sist de man. “Geef ons hulp. Zeg het tegen niemand of ik…” De man grijpt met zijn andere hand Freek ook vast en kijkt even naar Stijn. “Ik wil jullie kunnen vertrouwen. Want anders…”

Hij maakt zijn zin niet af. Tussen de bomen klinkt een schreeuw, hoog en bang. De man krimpt ineen.

“Dat is mijn vrouw. Zij moet een baby krijgen. We hebben een plek nodig. Geen dokter, alleen een plek waar we warm en veilig zijn. Geef ons die plek.” De man kijkt naar Freek, en dan weer naar Stijn. Freek is niet meer bang. Hij kan nu door de blinkende brillenglazen kijken. Hij ziet dat de man huilt.

Stijn doet een stap weg. “Jij bent een jood. Mijn pa zegt dat we joden niet kunnen helpen. Dat is te gevaarlijk. Joden moeten zich melden bij de Duitsers.”

“En dan worden we gearresteerd en in kampen gezet,” zegt de man. “Sommige mensen fluisteren dat ze ons doden. Wij willen niet dood. Wij willen een veilige plek voor ons kindje.”

Stijn doet nog een stap weg. “Kom, Freek, we gaan.”

Freek zegt, heel rustig: “Ga maar vast, Stijn.” Terwijl hij het zegt, denkt hij heel snel na. Pa wil vast geen joden op de boerderij. Maar er is een grote stal… Als hij zorgt dat Benny niet begint te blaffen als hij de vreemdelingen ziet, hoeft niemand te weten dat er mensen zijn. En als pa zijn jenever heeft gedronken, slaapt hij en heeft hij niets meer in de gaten. Voor mama is hij niet bezorgd. Sommige mensen verraden joden, maar dat zou mama nooit doen.

Stijn loopt weg, zo snel dat Freek hem niet eens bij zou kunnen houden. De joodse man kijkt naar Freek, heel lang. “Jij helpt ons, hè?”

Freek knikt. “Tuurlijk.”

Lees volgende keer hoe het afloopt.

Geboren in een stal (1)

Photo by Kimon Maritz on Unsplash

Recent vroeg een collega of ik een kerstverhaal wilde schrijven. Het was in eerste instantie bedoeld voor kinderen, maar ik deel het ook met jullie.

Het is winter, in een jaar dat er in Nederland oorlog was. Freek wordt wakker en wil het liefst zijn deken helemaal over zich heen trekken, om zijn koude neus warm te maken. Maar hij haalt diep adem, gooit zijn deken opzij en springt zijn bed uit. Hij holt naar de badkamer, doet een plas en wast zich zo snel mogelijk. Het water is zooooo koud!

Tijd om te ontbijten. In de kamer is het donker. Alleen het licht boven de tafel is aan. Mama heeft zijn bord met pap op tafel gezet en zit klaar om zijn thee in te schenken. Ze bidden, en Freek begint snel te eten. Als zijn buik warm is geworden en hij minder snel eet, ziet hij dat er toch nog meer licht is. In de hoek staat de kerstboom, met echte kaarsjes. Het lijkt of ze naar hem knipogen.

Mama aait over zijn haar. “Eet eens door, jongen. Je moet naar school. De kerstvakantie begint vanmiddag pas.”

Tien minuten later loopt Freek buiten, het pad af van hun boerderij. Ergens hoort hij zijn vader schreeuwen naar Benny, de hond: “Schiet eens op, lui beest!” Freek loopt wat harder. Het is een half uur lopen naar school, dwars over kale grond, waar in de zomer hei en struiken groeien, maar nu bijna niets. De maan schijnt nog, alsof het midden in de nacht is. Overal zijn sterren. Net als de kaarsen van de kerstboom knipogen ze naar hem.

Freek loopt door de velden. Hij wil vaart maken, maar vlakbij staan er reuzen op de vlakte. Niet echt natuurlijk, maar in het donker lijkt het zo: hoge dennenbomen, met takken die in het maanlicht net armen van monsters lijken. Freek haalt diep adem. Soms verstopt zijn vriend Stijn zich tussen de bomen en springt plots tevoorschijn. Freek probeert er altijd om te lachen, maar soms… is het eng. Dan denkt Freek dat er een Duitse soldaat tevoorschijn springt, die naar hem schreeuwt dat hij mama zal arresteren en Benny zal doodschieten.

Freek heeft de dennenbomen bereikt. Hij loopt nog harder, maar hij tuurt tussen de bomen of hij Stijn ziet. Maar er gebeurt niets. Freek is de bomen voorbij. Hij loopt stevig door, op naar school.

Als Freek het schoolplein opkomt is Stijn er al. Stijn leunt tegen het hek en staat te praten met Dina, het mooiste meisje van de klas, met blauwe ogen als de lucht in de zomer. Stijn is lang, veel langer dan Freek. Hij zegt iets tegen Dina, en ze lachen samen.

Freek gaat de klas in. Hij zit achter zijn houten tafeltje en de les begint. Meester Oldekamp vertelt over breuken. Freek houdt van rekenen, maar toch is het lastig om te luisteren. Toen hij liep had hij het warm; nu voelt hij pas hoe koud het was. Monstertjes met ijskoude tanden proberen in zijn tenen te bijten, en zijn vingers voelen als ijspegels. Mama heeft gezegd dat ze nieuwe wanten voor hem zal breien, maar nieuwe schoenen kan ze niet kopen. Nu het oorlog is, zijn schoenen duur geworden. Pa heeft gezegd dat hij minder snel groot moet worden, maar hij weet niet hoe hij klein kan blijven.

Het is de laatste dag voor de kerstvakantie, maar meester Oldekamp lijkt het vergeten te zijn. Ze oefenen zolang de topografie van Groningen dat Freek zeker weet dat hij nooit naar Hoogezand of Sappemeer wil. Maar ’s middags pakt meester Oldekamp een dik boek: de Bijbel. “En het geschiedde in die dagen…” begint hij. Meester vertelt over Jozef en Maria, die van Nazareth naar Bethlehem reizen, waar geen plek voor hen is in de herberg. Maria krijgt een baby in de stal, een heel bijzondere baby. Drie koningen komen hem eerbied geven, en herders in de velden vertellen dat de engelen over de baby zingen. De baby is Jezus.

Als de schoolbel klingelt en Freek naar buiten holt, wordt het alweer een beetje donker. Hoog in de lucht ziet Freek de eerste ster naar hem knipogen. Zijn lange tocht begint weer. Even nog kijkt hij om of Stijn met hem meeloopt, maar hij staat weer bij Dina, en Dina lacht zo lief dat Freek harder loopt, snel naar huis.

Maar onderweg gebeurt er van alles. Wat precies, lees je de volgende keer.

Een blinde wandeling door de echte wereld

Laatst liep ik in het Wantijpark langs taxussen. Toen ik mijn ogen wat dichtkneep dacht ik bijna een weg naar een andere wereld te zien. Maar het was onzin. Toen ik een paar dagen later weer door het park liep zag ik dat de echte wereld een heel andere wereld kan zijn.

Ik wandel graag ’s morgens vroeg. In de zomer liep ik om zes uur, of nog eerder, al buiten. In december is dat niet handig. Alle enge mensen schijnen vooral in het donker actief te zijn. Dus mopperend ga ik later, maar meestal is zeven uur mijn uiterste grens. Ik loop eerst over de dijk, zodat tegen de tijd dat ik in het park kom, het daar licht is.

Behalve op zaterdag. Dan doe ik na het wandelen boodschappen en is het handiger dat ik andersom wandel: vanaf de dijk sta ik met een kleine afslag bij de supermarkt. En ik wil daar graag om acht uur zijn, voor de drukte uit, dus ik wandel even na zeven uur het park in. Iedere keer zeg ik dat ik dat niet moet doen, en iedere keer doe ik het toch. Ik laat me betoveren in het duister, en ik ben bang.

Vorige week deed ik een keer op vrijdag boodschappen. Toen was alles opeens anders in het park. Het eerste stuk is het meest bijzonder – daar ben ik alleen betoverd en is er geen ruimte voor onrust. Er staan hoge, kale bomen, en eromheen is de lucht ijlwit. Dat komt natuurlijk door de lichtvervuiling van de stad, maar het lijkt alsof ik in een besneeuwde wereld loop, ergens rond het avonduur, als de sneeuw reflecteert in maanlicht. Of misschien loop ik heel ergens anders: tussen de kale bomen dwaalt de verbeelding, de mogelijkheid dat de wereld heel anders is dan we zien.

De vogels zijn al druk bezig om zeven uur. Reigers schreeuwen naar elkaar als Italiaanse familieleden, kauwen krassen als chagrijnige oude mannen, mussen en andere kleine vogeltjes piepen als kleuters in hun spel. Het lijkt wel of vogels zich vrijer laten horen als mensen zwijgen, alsof ze kunnen zijn wie ze echt zijn als de mensen hen met rust laten. Ze zijn niet bang voor me, of zich niet bewust van me. Alleen de waterhoentjes vluchten nog steeds voor me weg, met spetterende haast.

Op zaterdag is er om zeven uur bijna nooit iemand in het park, maar deze vrijdag is het anders. Ergens hoor ik de flard van een vrouwstem, en dan de echo van een hond die blaft. Maar ik zie niemand. Als ik verderloop, richting het bruggetje, komt er een rood licht me tegemoet. Vaag ontwaar ik een grote hond. De mens ernaast is een schaduw. Ik zeg blind goedemorgen. Een mannenstem wenst mij hetzelfde.

Het park uit. Stiekem adem ik toch wat gemakkelijker als ik beter zicht heb. Alhoewel: ook op de dijk is het nog niet erg licht. Op zaterdag kom ik hier zelden iemand tegen. Op vrijdag is het duidelijk drukker. Ook hier zie ik bewegende lichtjes in het donker. Het zijn geen honden: joggers zorgen ervoor dat ze opvallen, of hebben lichtgevende apparatuur om hen te helpen met hun prestaties. Ik kom erachter dat joggers niet erg spraakzaam zijn. Ik zeg goedemorgen. Zij hollen hijgend verder, naar onbekende vertes. Bij één man hoor ik wel wat: ‘Over driehonderd meter rechtsaf.’ Het is een vrouwenstem, die hem blijkbaar helpt de weg te vinden in het duister.

Eén iemand heeft geen licht op: een gestalte die ik pas ontdek als hij vlak bij me is. Een slungelige jongen met warrig haar. Als hij me voorbij is, ruik ik de wietlucht. Hij loopt blind een andere wereld in, terwijl ik er weer achter ben dat de echte wereld al bijzonder genoeg is. Ik loop op de dijk richting de supermarkt en zie boven de stad een rode waas, alsof Sodom en Gomorra nog maar net verwoest zijn en de vuren nog branden.

Wat later doe ik boodschappen. Onderweg naar huis ga ik opzij voor iemand die opzichtig angstig afstand probeert te houden. Ik glij uit over modder en val op de stoep. Ik ben weer geland in de normale wereld.

Mevrouw Duyster op reis in het Ondermaanse

Een paar weken geleden wandelde ik langs een huis waar op de deur ‘Familie Duyster’ geschilderd stond. Ik peinsde erover dat die naam te nadrukkelijk zou zijn als ik hem voor een personage in een boek gebruikte. Maar hij liet me niet los.

Het wordt duister om ons heen. In de zomer denken we dat we de wereld naar onze hand kunnen zetten. Dan is het bijna altijd licht, en is het donker aangenaam – een tijd waarin de hitte even wijkt.

Maar nu is het herfst. Het is langer donker dan het licht is. En in het donker is het koud. Ik denk plots aan “het Ondermaanse”. Dat is slechts een ouderwetse formulering voor ons leven op aarde, maar in de herfst is de maan wel opvallend aanwezig, een koel oog dat ons vaker in de gaten houdt. Een oog dat ziet dat wij klein zijn en weinig te betekenen hebben.

Vorige week ging ik op bezoek bij vrienden, om met hen te bidden (we waren ons bewust van onze kleinheid). Op de heenweg was het nog licht. De zon schilderde: ze mengde roze en andere pasteltinten met haar eigen stralen. De avond was mild.

Toen ik terugkwam was alles donker. De wind was koud en ik ook (ondanks het gezelschap waar ik me aan had gewarmd). De straten waren eenzaam – iedereen behalve ik was er uit weg gevlucht. Nou ja, dat was niet helemaal waar, maar de mensen die er nog waren, waren schaduwen waarvan ik niet wist of ik ze kon vertrouwen. Ik was in het Ondermaanse – en de maan keek alleen maar toe.

Ik liep snel. Ik deed of ik me weer eens verbaasde over mijn goede conditie, maar ik was niet helemaal eerlijk. Angst, al is hij mild of goed verborgen, geeft snelheid. Terwijl ik liep dacht ik niet over wat er kon gebeuren in het donker. Ik dacht over de toekomst, over vage plannen, die soms ook duister lijken. Ik was me ervan bewust dat in mijn eigen hoofd te veel verborgen is voor mezelf. Zoals bijvoorbeeld de vraag wat ik echt wil. Die vraag dreef me misschien nog meer voort dan de angst.

Ik was bijna thuis – en er was niks engs gebeurd. Ik stond bij het Wantij, keek uit over de nieuwe wijk aan de overzijde van het water, maar richtte me vooral op de wolken die erboven voorbij waaiden. Ondanks het duister waren ze opvallend wit, alsof er een scherp licht in ze was aangestoken. Ik kon goed zien hoe hard het waaide. Ik voelde bijna hoe ik meewaaide. De wind was dan wel koud, maar toch voelde de wind als de adem van God, die alles onder controle heeft, ook als Hij mensen weg blaast van alles dat vertrouwd voor ze is. Ik ging rustig naar bed, en sliep in het duister van mijn onderbewuste.

De volgende ochtend ging ik weer vroeg op weg. Het was nog duister, en de maan staarde nog naar me. Er waren vele sterren in de leeggeblazen lucht die langzaam blauwer werd. Maar onder de populieren van de Noordendijk, hoog en nog bebladerd, was het donker en wist ik dat ik klein was. Ik liep weer flink door.

Pas vlak bij het werk hield ik mijn pas in. Het is walnotenseizoen en na de wind van de afgelopen nacht was de oogst op de dijk groot. Ik vind een paar walnoten wel lekker, maar ik had er uiteindelijk veel meer dan een paar – het was goed dat ik een plastic tasje bij me had.

Toen ik het terrein van mijn werk op liep, was de lucht sereen blauw. Het duister was weggevaagd, en de meeste sterren waren uitgefloept. Eén ster was er nog over – vast een planeet: Venus of Mars. Ze staarde me aan alsof zij nu het oog was dat me in de gaten zou houden. Maar dat is het voordeel als je veel in het duister bent. Je weet niet alleen dat je afhankelijk en klein bent, maar ook dat je niet hoeft te luisteren naar iedere stem die tot je spreekt over duisternis, zelfs niet als ze zich vermomt als een stralende ster.

Ik ben eigenlijk een meeuw!

Negeer iedere blog waarin ik mopperde op de wind. Ik bedoelde er niets mee – ik ben verkeerd begrepen. De wind is mijn vriend. En mijn vriend is terug van weggeweest!

Ik ben geen heet-weer-mens. Warme zon op mijn gezicht ben ik heel snel zat; op een strand hangen heeft weinig charme voor me. Dus de laatste weken, met die eindeloze lome dagen, met die drukkende hitte die me zelfs in mijn slaapkamer niet verliet, deden me verlangen naar de vriend waar ik zo graag over zeur. Waar was de wind om wolken voor de zon te schuiven? Waarom blies de wind die saaie warmte niet weg naar Spanje?

Maandag op het werk viel het me op dat mensen die gewoonlijk na mij naar huis gaan, allemaal voor mij vertrokken. Een collega kwam vragen waarom ik nog niet naar huis ging. ‘Wil je die bui niet voor zijn?’ vroeg hij. Bui? Ik wist van niets. Maar inderdaad: Buienradar gaf blauwe uitschieters aan voor Dordrecht. Ik besloot maar snel mijn pc af te sluiten – door de hitte was mijn verstand toch al enigszins afgesloten.

Buiten sloeg de zon me in het gezicht – die doet nog steeds niet aan social distancing. Mijn verstand ging op de spaarstand. Maar ik was me nog net bewust van de wolkenkastelen die de wind aan het bouwen was. De wind gebruikte er donkerblauwe, bijna zwarte blokken voor.

Voordat ik een paar honderd meter van het werk vandaan was – ik had nog maar net de eerste dijk bereikt – verdween de zon. Mijn vriend de wind waaide langs mij heen. Het was niet weer een klap in mijn gezicht, maar de wind liet wel merken dat mijn gemengde gevoelens over diens karakter bij de wind bekend zijn. De walnotenbomen langs de dijk probeerden eerbiedige buigingen voor de wind te maken. De reactie van de wind daarop was… koud. Gelukkig was die kou aangenaam.

Verder dan maar, met een toch wat zorgelijke blik op de zwarte luchten die de wind als dikke pap door elkaar roerde. Vlak bij mij morste de wind de nodige regen: ik zag de vlagen naar beneden vallen. Ik keek eens welke kant de wind uit blies. Ik begon te denken dat de bui misschien precies voor mij langs zou gaan. Ik bad er zelfs voor. Het was geen schietgebedje – het was oprechter. Afkoelen is fijn, maar verkild worden door de regen is dat niet.

Verder op de dijk liet de wind de nodige creativiteit zien. De takken van de fluweelbomen waaiden verschillende kanten uit. Bladeren, door de hitte in augustus al geel en afgevallen, dansten over de straat in het rond, nog net niet hand in hand. Druppels vielen, maar de wind blies zo hard dat ze bijna niet de kans kregen me te raken.

Onderaan de dijk, onder het viaduct, vonden mensen het nodig om te schuilen. Drie jongens op de stoep, van wie er eentje zijn regenjas zocht. Een meisje ging midden op het fietspad op zoek naar de hare. Ik wilde zeggen dat de regen voor hen uit zou waaien, maar de wind blies onder het viaduct door en nam mijn woorden mee. Toen ik onder het viaduct uitstapte trok de wind nog net niet mijn gezicht weg.

Wat verderop, voorbij de rotonde, liep ik de dijk weer op. De wolkenkastelen waren nu wolkenkrabbers – zo zwart als een dreigende terroristische aanslag. Ik begon bijna te lachen toen een meeuw schreeuwend richting de wolken vloog. ‘Geweldig!’ riep ik zonder woorden.

En de wind riep: ‘Je vindt het nog steeds erg als je nu natregent!’

‘Ik ben een meeuw!’ riep ik terug. ‘Ik wil naar je toe komen!’

De wind blies door de populieren, om te laten merken wat de wind van me vond. Alle blaadjes begonnen door elkaar heen te ritselen. Misschien moest het dreigend zijn, maar ik voelde vrolijkheid ritselen in mezelf. Toen een Aziatisch stel, zij in een keurige rok, hij met twee dozen eieren in de hand, me tegemoet jogden, lachte ik bijna. En de wind spaarde me: ik kreeg geen bui op mijn hoofd. Voordat ik aan het einde van de dijk was, verscheen er lichtblauwe lucht. De zon keerde terug, en nam hitte met zich mee. Ik begon de wind alweer te missen.

‘Je kunt ook mooi zijn zonder dat je gesnoeid wordt’

Afgelopen dagen logeerde ik in Zeeuws-Vlaanderen bij een goede vriendin. Ik kom er al jaren, en al jaren wandelen we dan. Dit jaar deden we dat ergens waar we nog nooit waren geweest: in natuurgebied Braakman-Zuid. Het was er zo mooi dat we de volgende dag dezelfde wandeling nog een keer maakten.

We begonnen langs een weiland waar ’s avonds vleermuizen rondscheren en liepen een jong bos in, met dunne, groene bomen en net genoeg schaduwen om te dromen van verborgen sprookjesfiguren die op ons wachtten.

Na een grote draai liepen we tussen een waterstroom en een bosrand. We zagen een eendenmoeder met jonkies en hoorden een meerkoet krijsen. Daarna waagden we ons ouder, donkerder bos in. We werden er stil van, maar toen we op een plek kwamen waar het lichter was, werden we nog stiller: hoge populieren stonden ver genoeg van elkaar om de zon door te laten, maar ze leken hun handen op te heffen in eerbied voor hun Schepper. We voelden zelf eerbied.

Wat later stapten we een bruggetje over, langs een weiland waar het zo warm was dat de eerbied week. Daarna stapten we een volgend bos in. Dit keer dwaalden we onder de naaldbomen. Hun geur maakte ons rustig, hun hoogte en stilte noopten ons weer tot bescheidenheid.

We maakten een bocht, zochten even naar het volgende paaltje van onze route en liepen weer een veld in. De zon was weg. We keken stil naar een nog redelijk jonge eik die helemaal in het midden van het veld zijn armen uitstrekte. Hij was ongesnoeid en had takken tot aan de grond: zijn bladeren waren als een bol om hem heen. Ik glipte door de bladeren, stond naast hem en voelde me bijna onderdeel van de boom.

Tijdens onze tweede wandeling hielden we een pauze bij de eik. De goede vriendin en ik hoeven niet altijd te praten. We zwegen en keken. Hoe langer we stil bleven hoe meer ik hoorde en zag. Steeds meer insecten zoemden hun lied. Op het veld om de eik heen stond jacobskruiskruid. Sommige van de gele planten waren klein, andere juist hoog en groot. Sommige waren schuin gegroeid, andere kaarsrecht. Maar op iedere plant zag ik insecten nectar verzamelen.

Onwillekeurig, bijna angstig, stelde ik vast dat ik naar de hele wereld keek: dat dat veld met bloemen, met de eik in het midden, de schepping was. God stond centraal en al die bloemen waren mensen die bloeiend anderen voeden.

De goede vriendin doorbrak de stilte: ‘Je kunt ook mooi zijn zonder dat je gesnoeid wordt,’ zei ze. We praatten over haar gedachten, die ik niet zal herhalen, omdat ze privé en van haar zijn. Ik kan alleen maar zeggen dat ik het met haar eens was. En dat die wetenschap bijna pijn deed, want zo vaak word ik wel gesnoeid – of snoei ik mezelf terwijl het niet nodig is. Ik zou vaker jacobskruiskruid willen zijn. De goede vriendin vertelde dat het giftig is voor paarden, maar het bloeit zonder daarover na te denken.

We liepen verder, door een stuk bos waar het al herfst leek: vol oude bomen en gele bladeren, waar ik me thuis voelde en wilde blijven. Maar we liepen het bos weer uit, velden in vol braamstruiken waar de bramen zoet waren en de doornen mij spaarden. We kwamen bijna aan het einde van de onze tocht, maar slaagden er de eerste keer toch in nog even in te verdwalen (terwijl als we vijf stappen verder hadden gelopen we de parkeerplaats hadden gezien). De tweede keer stapten we nog even het bos in, omdat we nog geen afscheid van de schoonheid konden nemen.

Na die tweede keer zat ik uiteindelijk bij de goede vriendin in de tuin, met uitzicht op populieren waarvan haar man me vertelde dat hij sommige zelf geplant had, meer dan veertig jaar geleden. Ze waren nu duizelingwekkend hoog. Een andere was honderd jaar oud en had een blikseminslag overleefd. Dichterbij stond een kastanje, waar tientallen libellen omheen vlogen. Even vroeg ik me af of ik weer naar de mensheid keek, wier zielen uiteindelijk opzweven naar iets wat wij ons nog nauwelijks kunnen voorstellen.

Jaloers op de vogels in Eden

Omdat ik zo dol ben op gezellig tussen andere mensen wandelen, begin ik tegenwoordig vaak al voor zes uur mijn rondje over de dijk en door het park. De stilte is verrukkelijk. Jammer alleen dat ik daardoor wel meer gelegenheid om gruwelijk jaloers te worden op vogels.

De Noordendijk is meestal nog verlaten als ik tegenwoordig op pad ga. Laatst liep ik er al om kwart over vijf. Toen kreeg ik wel gezelschap: een politiebusje reed achter me aan over het fietspad en twee politiemannen staarden me wantrouwig aan. Ik wenste ze goedemorgen. Toen bromden ze iets dat misschien een soortgelijke wens was en gaven snel gas.

Als ik afsla richting het Wantij heb ik nog geen reden tot jaloezie op vogels. De enige vogels die ik hoor zijn kauwen, die naar elkaar schreeuwen alsof ze elkaar aan het uitschelden zijn. Puberjonkies hippen achter hun ouders aan en bedelen krijsend om eten. De enige andere vogels die hier in grote getale aanwezig zijn, zijn ganzen. Ook bij hen zijn de kinderen al bijna volwassen. Ze zijn bijna even groot als hun ouders; alleen hun snavels zijn nog bruin in plaats van oranje. Als ik eraan kom, lijken ze te twijfelen of de enige mens in hun wereld te vertrouwen is – of in het Eden van vandaag de zondeval nog moet plaatsvinden of dat het toch al gebeurd is. Ze waggelen iets bij me vandaan.

Ik wandel om het Jeugddorp heen en passeer de snelweg, waar op welk tijdstip dan ook auto’s razen en gedachten aan Eden ver weg zijn. Maar dan sla ik af en loop ik langs het Wantij, met vroeg, zacht licht op het stille water. Ik word dankbaarder dat ik zo vroeg ben.

Wat later loop ik in het Wantijpark, en ben ik nog dankbaarder. Achter donkere bomen zie ik gouden licht op lage struiken en denk ik bijna dat ik naar een mysterieuze wereld kijk die ik bijna in kan lopen. Er zijn geen honden die blaffen, geen mensen die gillen. Alleen de vogels houden hun concert. De kauwen proberen hen te overschreeuwen, maar ik hoor de melodieuzere vogels. Ik weet wel dat ze zingen om vijanden te intimideren of partners te lokken, maar het klinkt of ze God loven om zijn schepping. Ik wou dat ik zo kon zingen.

Ik loop langs een boom die helemaal over het water hangt, zijn laatste takken er zelfs bijna in. Zoals zo vaak zie ik hier een waterhoentje over de takken bij me vandaan hollen, totdat hij tussen de bladeren net boven de waterlinie een veilige plek vindt om het water in te glijden. Ik smelt bijna bij het idee dat te kunnen: zo licht te zijn dat een tak je gewicht draagt, zo dicht bij de natuur te zijn zonder je een vreemdeling te voelen.

Ik passeer mijn favoriete kastanje, waar, verscholen in bladeren die lijken op dakpannen van een liefdevol huis, vogels een plekje vinden om vrijelijk te zingen. De kastanje staat vlak bij de grote vijver van het Wantijpark; ik zie een waterhoentje over de waterlelies hollen en zucht eens diep. Wat verderop drijven meerkoeten onder overhangende elzen. Ik stel me voor dat ik daar in het water dobber onder mijn naamgenoten, in een aangename koelte en zucht dieper.

Nog een stukje verder zie ik drie eendjes zitten op een grote tak die half in het water ligt. Die tak doet me al heel lang denken aan de tijd dat ik jong genoeg was om niet na te denken over risico’s en zelf over zulke takken liep. Nu kijk ik, ongegeneerd jaloers, naar de drie jonge eenden die hun vacht afborstelen en deel zijn van Eden zonder dat ze dat zelf in de gaten hebben. Ik kan er alleen maar een foto van maken en dromen.

Later in het weekend zit ik op mijn balkon. Vlakbij wordt er eten in het water gegooid, wat – natuurlijk – onmiddellijk wordt ontdekt door meeuwen. Meestal vind ik meeuwen agressieve schreeuwlelijken. Maar terwijl ik het boek dat ik aan het lezen was vergeet en toekijk hoe ze door de lucht scheren, duiken en weer opvliegen, kan ik niet anders dan vaststellen dat ze eigenlijk heel elegant zijn. In gedachten zweef ik met hen mee de hemel in.