Mevrouw Duyster op reis in het Ondermaanse

Een paar weken geleden wandelde ik langs een huis waar op de deur ‘Familie Duyster’ geschilderd stond. Ik peinsde erover dat die naam te nadrukkelijk zou zijn als ik hem voor een personage in een boek gebruikte. Maar hij liet me niet los.

Het wordt duister om ons heen. In de zomer denken we dat we de wereld naar onze hand kunnen zetten. Dan is het bijna altijd licht, en is het donker aangenaam – een tijd waarin de hitte even wijkt.

Maar nu is het herfst. Het is langer donker dan het licht is. En in het donker is het koud. Ik denk plots aan “het Ondermaanse”. Dat is slechts een ouderwetse formulering voor ons leven op aarde, maar in de herfst is de maan wel opvallend aanwezig, een koel oog dat ons vaker in de gaten houdt. Een oog dat ziet dat wij klein zijn en weinig te betekenen hebben.

Vorige week ging ik op bezoek bij vrienden, om met hen te bidden (we waren ons bewust van onze kleinheid). Op de heenweg was het nog licht. De zon schilderde: ze mengde roze en andere pasteltinten met haar eigen stralen. De avond was mild.

Toen ik terugkwam was alles donker. De wind was koud en ik ook (ondanks het gezelschap waar ik me aan had gewarmd). De straten waren eenzaam – iedereen behalve ik was er uit weg gevlucht. Nou ja, dat was niet helemaal waar, maar de mensen die er nog waren, waren schaduwen waarvan ik niet wist of ik ze kon vertrouwen. Ik was in het Ondermaanse – en de maan keek alleen maar toe.

Ik liep snel. Ik deed of ik me weer eens verbaasde over mijn goede conditie, maar ik was niet helemaal eerlijk. Angst, al is hij mild of goed verborgen, geeft snelheid. Terwijl ik liep dacht ik niet over wat er kon gebeuren in het donker. Ik dacht over de toekomst, over vage plannen, die soms ook duister lijken. Ik was me ervan bewust dat in mijn eigen hoofd te veel verborgen is voor mezelf. Zoals bijvoorbeeld de vraag wat ik echt wil. Die vraag dreef me misschien nog meer voort dan de angst.

Ik was bijna thuis – en er was niks engs gebeurd. Ik stond bij het Wantij, keek uit over de nieuwe wijk aan de overzijde van het water, maar richtte me vooral op de wolken die erboven voorbij waaiden. Ondanks het duister waren ze opvallend wit, alsof er een scherp licht in ze was aangestoken. Ik kon goed zien hoe hard het waaide. Ik voelde bijna hoe ik meewaaide. De wind was dan wel koud, maar toch voelde de wind als de adem van God, die alles onder controle heeft, ook als Hij mensen weg blaast van alles dat vertrouwd voor ze is. Ik ging rustig naar bed, en sliep in het duister van mijn onderbewuste.

De volgende ochtend ging ik weer vroeg op weg. Het was nog duister, en de maan staarde nog naar me. Er waren vele sterren in de leeggeblazen lucht die langzaam blauwer werd. Maar onder de populieren van de Noordendijk, hoog en nog bebladerd, was het donker en wist ik dat ik klein was. Ik liep weer flink door.

Pas vlak bij het werk hield ik mijn pas in. Het is walnotenseizoen en na de wind van de afgelopen nacht was de oogst op de dijk groot. Ik vind een paar walnoten wel lekker, maar ik had er uiteindelijk veel meer dan een paar – het was goed dat ik een plastic tasje bij me had.

Toen ik het terrein van mijn werk op liep, was de lucht sereen blauw. Het duister was weggevaagd, en de meeste sterren waren uitgefloept. Eén ster was er nog over – vast een planeet: Venus of Mars. Ze staarde me aan alsof zij nu het oog was dat me in de gaten zou houden. Maar dat is het voordeel als je veel in het duister bent. Je weet niet alleen dat je afhankelijk en klein bent, maar ook dat je niet hoeft te luisteren naar iedere stem die tot je spreekt over duisternis, zelfs niet als ze zich vermomt als een stralende ster.

Ik ben eigenlijk een meeuw!

Negeer iedere blog waarin ik mopperde op de wind. Ik bedoelde er niets mee – ik ben verkeerd begrepen. De wind is mijn vriend. En mijn vriend is terug van weggeweest!

Ik ben geen heet-weer-mens. Warme zon op mijn gezicht ben ik heel snel zat; op een strand hangen heeft weinig charme voor me. Dus de laatste weken, met die eindeloze lome dagen, met die drukkende hitte die me zelfs in mijn slaapkamer niet verliet, deden me verlangen naar de vriend waar ik zo graag over zeur. Waar was de wind om wolken voor de zon te schuiven? Waarom blies de wind die saaie warmte niet weg naar Spanje?

Maandag op het werk viel het me op dat mensen die gewoonlijk na mij naar huis gaan, allemaal voor mij vertrokken. Een collega kwam vragen waarom ik nog niet naar huis ging. ‘Wil je die bui niet voor zijn?’ vroeg hij. Bui? Ik wist van niets. Maar inderdaad: Buienradar gaf blauwe uitschieters aan voor Dordrecht. Ik besloot maar snel mijn pc af te sluiten – door de hitte was mijn verstand toch al enigszins afgesloten.

Buiten sloeg de zon me in het gezicht – die doet nog steeds niet aan social distancing. Mijn verstand ging op de spaarstand. Maar ik was me nog net bewust van de wolkenkastelen die de wind aan het bouwen was. De wind gebruikte er donkerblauwe, bijna zwarte blokken voor.

Voordat ik een paar honderd meter van het werk vandaan was – ik had nog maar net de eerste dijk bereikt – verdween de zon. Mijn vriend de wind waaide langs mij heen. Het was niet weer een klap in mijn gezicht, maar de wind liet wel merken dat mijn gemengde gevoelens over diens karakter bij de wind bekend zijn. De walnotenbomen langs de dijk probeerden eerbiedige buigingen voor de wind te maken. De reactie van de wind daarop was… koud. Gelukkig was die kou aangenaam.

Verder dan maar, met een toch wat zorgelijke blik op de zwarte luchten die de wind als dikke pap door elkaar roerde. Vlak bij mij morste de wind de nodige regen: ik zag de vlagen naar beneden vallen. Ik keek eens welke kant de wind uit blies. Ik begon te denken dat de bui misschien precies voor mij langs zou gaan. Ik bad er zelfs voor. Het was geen schietgebedje – het was oprechter. Afkoelen is fijn, maar verkild worden door de regen is dat niet.

Verder op de dijk liet de wind de nodige creativiteit zien. De takken van de fluweelbomen waaiden verschillende kanten uit. Bladeren, door de hitte in augustus al geel en afgevallen, dansten over de straat in het rond, nog net niet hand in hand. Druppels vielen, maar de wind blies zo hard dat ze bijna niet de kans kregen me te raken.

Onderaan de dijk, onder het viaduct, vonden mensen het nodig om te schuilen. Drie jongens op de stoep, van wie er eentje zijn regenjas zocht. Een meisje ging midden op het fietspad op zoek naar de hare. Ik wilde zeggen dat de regen voor hen uit zou waaien, maar de wind blies onder het viaduct door en nam mijn woorden mee. Toen ik onder het viaduct uitstapte trok de wind nog net niet mijn gezicht weg.

Wat verderop, voorbij de rotonde, liep ik de dijk weer op. De wolkenkastelen waren nu wolkenkrabbers – zo zwart als een dreigende terroristische aanslag. Ik begon bijna te lachen toen een meeuw schreeuwend richting de wolken vloog. ‘Geweldig!’ riep ik zonder woorden.

En de wind riep: ‘Je vindt het nog steeds erg als je nu natregent!’

‘Ik ben een meeuw!’ riep ik terug. ‘Ik wil naar je toe komen!’

De wind blies door de populieren, om te laten merken wat de wind van me vond. Alle blaadjes begonnen door elkaar heen te ritselen. Misschien moest het dreigend zijn, maar ik voelde vrolijkheid ritselen in mezelf. Toen een Aziatisch stel, zij in een keurige rok, hij met twee dozen eieren in de hand, me tegemoet jogden, lachte ik bijna. En de wind spaarde me: ik kreeg geen bui op mijn hoofd. Voordat ik aan het einde van de dijk was, verscheen er lichtblauwe lucht. De zon keerde terug, en nam hitte met zich mee. Ik begon de wind alweer te missen.

‘Je kunt ook mooi zijn zonder dat je gesnoeid wordt’

Afgelopen dagen logeerde ik in Zeeuws-Vlaanderen bij een goede vriendin. Ik kom er al jaren, en al jaren wandelen we dan. Dit jaar deden we dat ergens waar we nog nooit waren geweest: in natuurgebied Braakman-Zuid. Het was er zo mooi dat we de volgende dag dezelfde wandeling nog een keer maakten.

We begonnen langs een weiland waar ’s avonds vleermuizen rondscheren en liepen een jong bos in, met dunne, groene bomen en net genoeg schaduwen om te dromen van verborgen sprookjesfiguren die op ons wachtten.

Na een grote draai liepen we tussen een waterstroom en een bosrand. We zagen een eendenmoeder met jonkies en hoorden een meerkoet krijsen. Daarna waagden we ons ouder, donkerder bos in. We werden er stil van, maar toen we op een plek kwamen waar het lichter was, werden we nog stiller: hoge populieren stonden ver genoeg van elkaar om de zon door te laten, maar ze leken hun handen op te heffen in eerbied voor hun Schepper. We voelden zelf eerbied.

Wat later stapten we een bruggetje over, langs een weiland waar het zo warm was dat de eerbied week. Daarna stapten we een volgend bos in. Dit keer dwaalden we onder de naaldbomen. Hun geur maakte ons rustig, hun hoogte en stilte noopten ons weer tot bescheidenheid.

We maakten een bocht, zochten even naar het volgende paaltje van onze route en liepen weer een veld in. De zon was weg. We keken stil naar een nog redelijk jonge eik die helemaal in het midden van het veld zijn armen uitstrekte. Hij was ongesnoeid en had takken tot aan de grond: zijn bladeren waren als een bol om hem heen. Ik glipte door de bladeren, stond naast hem en voelde me bijna onderdeel van de boom.

Tijdens onze tweede wandeling hielden we een pauze bij de eik. De goede vriendin en ik hoeven niet altijd te praten. We zwegen en keken. Hoe langer we stil bleven hoe meer ik hoorde en zag. Steeds meer insecten zoemden hun lied. Op het veld om de eik heen stond jacobskruiskruid. Sommige van de gele planten waren klein, andere juist hoog en groot. Sommige waren schuin gegroeid, andere kaarsrecht. Maar op iedere plant zag ik insecten nectar verzamelen.

Onwillekeurig, bijna angstig, stelde ik vast dat ik naar de hele wereld keek: dat dat veld met bloemen, met de eik in het midden, de schepping was. God stond centraal en al die bloemen waren mensen die bloeiend anderen voeden.

De goede vriendin doorbrak de stilte: ‘Je kunt ook mooi zijn zonder dat je gesnoeid wordt,’ zei ze. We praatten over haar gedachten, die ik niet zal herhalen, omdat ze privé en van haar zijn. Ik kan alleen maar zeggen dat ik het met haar eens was. En dat die wetenschap bijna pijn deed, want zo vaak word ik wel gesnoeid – of snoei ik mezelf terwijl het niet nodig is. Ik zou vaker jacobskruiskruid willen zijn. De goede vriendin vertelde dat het giftig is voor paarden, maar het bloeit zonder daarover na te denken.

We liepen verder, door een stuk bos waar het al herfst leek: vol oude bomen en gele bladeren, waar ik me thuis voelde en wilde blijven. Maar we liepen het bos weer uit, velden in vol braamstruiken waar de bramen zoet waren en de doornen mij spaarden. We kwamen bijna aan het einde van de onze tocht, maar slaagden er de eerste keer toch in nog even in te verdwalen (terwijl als we vijf stappen verder hadden gelopen we de parkeerplaats hadden gezien). De tweede keer stapten we nog even het bos in, omdat we nog geen afscheid van de schoonheid konden nemen.

Na die tweede keer zat ik uiteindelijk bij de goede vriendin in de tuin, met uitzicht op populieren waarvan haar man me vertelde dat hij sommige zelf geplant had, meer dan veertig jaar geleden. Ze waren nu duizelingwekkend hoog. Een andere was honderd jaar oud en had een blikseminslag overleefd. Dichterbij stond een kastanje, waar tientallen libellen omheen vlogen. Even vroeg ik me af of ik weer naar de mensheid keek, wier zielen uiteindelijk opzweven naar iets wat wij ons nog nauwelijks kunnen voorstellen.

Jaloers op de vogels in Eden

Omdat ik zo dol ben op gezellig tussen andere mensen wandelen, begin ik tegenwoordig vaak al voor zes uur mijn rondje over de dijk en door het park. De stilte is verrukkelijk. Jammer alleen dat ik daardoor wel meer gelegenheid om gruwelijk jaloers te worden op vogels.

De Noordendijk is meestal nog verlaten als ik tegenwoordig op pad ga. Laatst liep ik er al om kwart over vijf. Toen kreeg ik wel gezelschap: een politiebusje reed achter me aan over het fietspad en twee politiemannen staarden me wantrouwig aan. Ik wenste ze goedemorgen. Toen bromden ze iets dat misschien een soortgelijke wens was en gaven snel gas.

Als ik afsla richting het Wantij heb ik nog geen reden tot jaloezie op vogels. De enige vogels die ik hoor zijn kauwen, die naar elkaar schreeuwen alsof ze elkaar aan het uitschelden zijn. Puberjonkies hippen achter hun ouders aan en bedelen krijsend om eten. De enige andere vogels die hier in grote getale aanwezig zijn, zijn ganzen. Ook bij hen zijn de kinderen al bijna volwassen. Ze zijn bijna even groot als hun ouders; alleen hun snavels zijn nog bruin in plaats van oranje. Als ik eraan kom, lijken ze te twijfelen of de enige mens in hun wereld te vertrouwen is – of in het Eden van vandaag de zondeval nog moet plaatsvinden of dat het toch al gebeurd is. Ze waggelen iets bij me vandaan.

Ik wandel om het Jeugddorp heen en passeer de snelweg, waar op welk tijdstip dan ook auto’s razen en gedachten aan Eden ver weg zijn. Maar dan sla ik af en loop ik langs het Wantij, met vroeg, zacht licht op het stille water. Ik word dankbaarder dat ik zo vroeg ben.

Wat later loop ik in het Wantijpark, en ben ik nog dankbaarder. Achter donkere bomen zie ik gouden licht op lage struiken en denk ik bijna dat ik naar een mysterieuze wereld kijk die ik bijna in kan lopen. Er zijn geen honden die blaffen, geen mensen die gillen. Alleen de vogels houden hun concert. De kauwen proberen hen te overschreeuwen, maar ik hoor de melodieuzere vogels. Ik weet wel dat ze zingen om vijanden te intimideren of partners te lokken, maar het klinkt of ze God loven om zijn schepping. Ik wou dat ik zo kon zingen.

Ik loop langs een boom die helemaal over het water hangt, zijn laatste takken er zelfs bijna in. Zoals zo vaak zie ik hier een waterhoentje over de takken bij me vandaan hollen, totdat hij tussen de bladeren net boven de waterlinie een veilige plek vindt om het water in te glijden. Ik smelt bijna bij het idee dat te kunnen: zo licht te zijn dat een tak je gewicht draagt, zo dicht bij de natuur te zijn zonder je een vreemdeling te voelen.

Ik passeer mijn favoriete kastanje, waar, verscholen in bladeren die lijken op dakpannen van een liefdevol huis, vogels een plekje vinden om vrijelijk te zingen. De kastanje staat vlak bij de grote vijver van het Wantijpark; ik zie een waterhoentje over de waterlelies hollen en zucht eens diep. Wat verderop drijven meerkoeten onder overhangende elzen. Ik stel me voor dat ik daar in het water dobber onder mijn naamgenoten, in een aangename koelte en zucht dieper.

Nog een stukje verder zie ik drie eendjes zitten op een grote tak die half in het water ligt. Die tak doet me al heel lang denken aan de tijd dat ik jong genoeg was om niet na te denken over risico’s en zelf over zulke takken liep. Nu kijk ik, ongegeneerd jaloers, naar de drie jonge eenden die hun vacht afborstelen en deel zijn van Eden zonder dat ze dat zelf in de gaten hebben. Ik kan er alleen maar een foto van maken en dromen.

Later in het weekend zit ik op mijn balkon. Vlakbij wordt er eten in het water gegooid, wat – natuurlijk – onmiddellijk wordt ontdekt door meeuwen. Meestal vind ik meeuwen agressieve schreeuwlelijken. Maar terwijl ik het boek dat ik aan het lezen was vergeet en toekijk hoe ze door de lucht scheren, duiken en weer opvliegen, kan ik niet anders dan vaststellen dat ze eigenlijk heel elegant zijn. In gedachten zweef ik met hen mee de hemel in.

Dordts Genoegen

Het is vrijdagavond. Ik heb om zeven uur een afspraak om te eten bij Dordts Genoegen. Hoewel ik weet dat mijn disgenoot meestal net iets te laat is, ben ik iets te vroeg. Een gewoonte die ik niet kan doorbreken. Ik probeer niet te kijken naar al die mensen op de volle terrassen. Uiteindelijk app ik de disgenoot. ‘Ben je er bijna?’ De reactie is: ‘Het was toch half acht?’ Ik slik.

De afspraak was echt om zeven uur – dat is fijn, want anders zou ik ernstig chagrijnig zijn geworden. Ik vlucht Dordts Genoegen vast in. Gelukkig is het er rustig: we hoeven straks niet snel te eten omdat de volgende gasten staan te wachten. Als mijn disgenoot aanschuift, vertelt ze zo enthousiast over haar woeste plannen om al om zeven uur te vertrekken zodat ze te vroeg zou zijn, dat ik steeds harder moet lachen.

Mijn disgenoot is bijzonder, een collega en een vriendin, die als ik haar iets vertel over wat me bezighoudt, echt meedenkt en altijd iets suggereert wat ik zelf nooit bedacht zou hebben en waar ik echt wat aan heb. Daarnaast heeft ze gevoel voor humor, dat je al ziet in haar alerte, vrolijke ogen. Als ik bij haar ben lijkt de tijd sneller te gaan.

We delen ook – zeer belangrijk – een passie voor schrijven. Ik ben nog maar twee weken bezig met mijn nieuwe boek, maar ik lees aan mijn disgenoot de eerste pagina voor. Zo snel heb ik nog nooit iets gedeeld van een verhaal, en toch is het nauwelijks eng. Wat is het heerlijk om bemoedigd te worden, en alweer zinnig commentaar te krijgen. De disgenoot leest ook voor, uit het boek waar zij mee bezig is. Ik loop met haar door de wereld die zij heeft geschapen, ik ontmoet de personages die in haar brein geboren zijn.

We drinken een wijntje, eten heerlijk maar niet te veel, sluiten af met een goede kop koffie – en kunnen dan onmogelijk al naar huis gaan. De avond is zwoel en licht en wij zijn nog niet uitgepraat. Ik leid mijn disgenoot door wat rondjes door Dordt. Eerst over de pleinen waar die dag en morgen de markt was en weer zal zijn. De skeletten van kramen staan stil te wachten op drukte. Een rozeblauwe lucht laat zich onmogelijk vastleggen op mijn camera.

Dan dwalen we door de straten rond de Grote Kerk. De straten zijn leeg en imposant: hoge huizen richten zich stil op, zelfverzekerd door een eeuwenlang bestaan. De Grote Kerk beiert tien slagen. Wij lopen langs haar heen, staan stil bij huizen die tegen de kerk staan aangebouwd, waar stokrozen opbloeien uit minieme kieren in tegels. Wat is Dordrecht tot prachtig.

We maken foto’s van de smalle grachten, en zien op de achtergrond blauwzwarte wolken waarin wit licht pulseert. Er komt onweer aan. Maar haast hebben we nog steeds niet: het onweer lijkt ver weg. We praten over boeken en ik ben geschokt dat mijn disgenoot Rebecca, van Daphe du Maurier, niet kent. Ik ben bijna jaloers op iedereen die dat boek nog niet gelezen heeft, omdat je de verpletterende openingsscène nooit meer onbevooroordeeld tot je neemt als je de rest van het verhaal kent. De disgenoot lacht dat ze inmiddels een document heeft aangelegd: Tips van Els.

Als we terugkomen bij Dordts Genoegen en de disgenoot haar fiets pakt, vallen de eerste druppels. We zeggen een paar keer gedag en nemen dan echt afscheid. Ik loop door de Voorstraat. Het begint te regenen. Ik loop nog een paar meter en het hoost. Om mij heen schreeuwen mensen luid, alsof dat zal helpen: het onweer is luider. Al snel ben ik zo doorweekt dat ik besluit geen plek te zoeken om te schuilen. Het water spoelt uit de lucht, het spoelt over straat. De bliksem flitst, de donder schreeuwt, maar nog steeds voel ik genoegen over Dordt. De regen is bijna warm. In de Voorstraat hangen lampen aan kabels boven de weg. Ik waan me bijna in een andere tijd, een tijd die ik waardeer. Dansen in de regen gaat me te ver, maar ik geniet nog steeds.

Geweldig grauw?

Mooi weer tijdens de coronacrisis – dat gaat ook na zes weken niet vervelen. Maar toch begon ik me een beetje zorgen te maken over het groen van de bomen en de bloemetjes in het gras. Hoe lang gingen ze dat volhouden zonder regen? Gelukkig werd er afgelopen week het nodige aangevuld.

Wat is het toch dat regen wel snel verveelt? Ik probeer het gevoel niet toe te laten. Buienradar is mijn nieuwe oude vriend: ik houd hem goed in de gaten en wandel in verscholen uurtjes als de wolken elders aan het rollebollen zijn.

En ik probeer de schoonheid te zien van regen. De bladeren worden nog groener (denk ik). Als na de regen de zon haar stralen zacht te voorschijn tovert, klemmen druppels zich tegen mijn ramen alsof ze geen afscheid willen nemen. Ze blinken alsof ze heel goede vrienden zijn.

En toch… in het weekend voel ik me onbestendig. Ik heb twee maanden Bookchoice cadeau gekregen van mijn energieleverancier en heb een hele stapel boeken gedownload. Op vrijdagmiddag en zaterdagmorgen begin ik in vier verschillende boeken en stel ik vast dat ik niet geïnteresseerd ben in iemand die verraden wordt door haar vriend en beste vriendin. Ik wil ook niet weten wat er nou gebeurd is met die moeder die spoorloos verdween toen de hoofdpersoon twee was. Ik ben zelfs niet geïnteresseerd in het 18-jarige meisje dat naar Batavia wordt gestuurd om te trouwen met een onbekende en kinderen te baren.

Op zaterdagmorgen hagelt het. De hagelkorrels zijn geen goede vrienden; ze slaan dan wel op het raam, maar ik peins er niet over ze binnen te laten. Er klinkt een harde vloek: één onweersdonder. Ik ben niet onder de indruk. De wolken verdwijnen, nog steeds geïrriteerd. Ik denk over wandelen, check met mijn vriend Buienradar en de wolken komen snel terug, om nog wat tranen op de ramen te plakken.

Een uur later, als ik mijn ereader walgend terzijde heb geschoven, wandel ik alsnog. Ik zeg gedag tegen een vrouw uit de kerk, een collega, de voorzitter van een bestuur waar ik weleens contact mee heb, en ik maak een praatje met een postbode die ik ken. Dit alles in het eerste kwartier dat ik onderweg ben. De grauwe wolken dwalen met mij mee, maar regen krijgen ze niet meer uit zichzelf geperst.

Over een dijk loop ik naar een andere dijk. Wat is het heerlijk rustig – bijna geen onbekenden om me aan te ergeren. Misschien vind ik daarom al die boeken niet leuk: omdat ik mensen momenteel vaak echt niet leuk vind. Die gedachte laat ik natuurlijk meestal niet toe in mijn hoofd, maar het is wel zo. En nu, tijdens corona, als wandelen vaak Tetris spelen is, als je opzij moet gaan voor mensen die je wat neerbuigend aankijken terwijl zij naast elkaar lopen en niet voor jou opzij gaan, nu zijn mensen nog irritanter dan anders. Daar – ik heb het hardop opgeschreven.

Wat later loop ik naar de Amaliabrug, vlak voordat ik “mijn” Wantijpark inga. Even kijk ik achter me: er loopt niemand op de dijk. Voor me loopt niemand me tegemoet over de brug. Over het zijweggetje loopt heel ver weg één jogger. Echt, die dreiging van regen is heerlijk! Bijna juich ik.

In het park zeggen mijn vrienden me zonder woorden gedag. De ceders wuiven. Een els staat naar het water te staren en mompelt iets over Psalm 1. De meerkoet op haar nest, die ik iedere dag zie, toont me haar roodpluizige kuikens. Vader zwemt naar me toe om te horen hoe mooi ik ze vind. Een vriendin die snapt wat ik voel in een park appt en ik vertel wat er gebeurt en zij geniet mee. Ik adem diep in en voel fluitenkruid-en-verse-bladeren-rust. Ik sta even stil onder de kastanje om me daar nog meer bewust van te zijn.

Dan loop ik verder. Een vrouw met een hond loopt me tegemoet. Ik zeg haar vriendelijk gedag. Ze kijkt langs me heen en roept haar hond. Ik vraag me af of er een mogelijkheid is om te veranderen in een els, of een eik, of een kastanje. Ik wil ook wel een golfje zijn in de vijver, die nooit ergens over nadenkt en niet weet dat er mensen bestaan.

De geur van fluitenkruid

Veld met fluitenkruid

De wind is een aso. Dat heb ik al vaak gezegd, en meestal zorgt de wind er dan voor dat ik spijt krijg van mijn vrijmoedigheid. Maar dit weekend zorgde de wind ervoor dat ik bevestigd werd in al mijn vooroordelen.

Het is afzien met corona, maar over het weer mogen we natuurlijk niet klagen (mensen met hooikoorts uitgezonderd). De wind blaast warmte naar ons toe. We leven qua natuur in een niet al te slechte imitatie van die welbekende tuin in Eden.

Maar dit weekend was er opeens erg weinig meer te merken van de warmte die de wind geregeld had. Ik had een afspraak om koffie te drinken, keurig op anderhalve meter afstand, bij een bankje aan de haven. Dat klinkt paradijselijk, maar toen we er zaten huiverde mijn gezelschap in haar jas, en ik huiverde omdat ik had aangenomen dat ik geen jas nodig had. Af en toe ranselde de wind me met koude druppels in mijn nek, voordat er goedgunstig een verlegen zonnetje werd toegelaten.

Op zondag zat ik tot mijn eigen verrassing op datzelfde bankje. Goede vrienden die ik al veel te lang mis, waren de afwezigheid over en weer ook beu, dus we spraken daar af. De avondzon gooide haar laatste stralen op het bankje, maar ze verdween snel. De wind liet alvast voelen hoe de nacht zou zijn. We warmden ons aan elkaars gezelschap, maar een stevige potkachel was effectiever geweest.

Maandag had ik het voorrecht om naar kantoor te mogen. Ik had vorig jaar – of twee maanden geleden – niet kunnen bedenken hoe heerlijk ik dat zou gaan vinden. Wat fijn om tussen collega’s te werken. Oké, iedereen zit in een andere kamer, maar in deuropeningen heb je in ieder geval écht contact.

Toch bibberde ik weer toen ik aan het einde van de dag naar buiten stapte. Niet omdat ik mijn collega’s al zo miste – ook ik moet niet te melodramatisch doen. Ik had weer de keuze gemaakt om geen jas aan te doen, en dat was alweer niet slim. De wind lachte snerpend. De wind trok aan mijn trui, betastte hem en stelde vast dat hij dikker had moeten zijn.

De wind had met niemand veel geduld. Geïrriteerd trok de wind de laatste bloesem van kersenbomen, alsof de wind genoeg had van al die tere schoonheid. Pijnlijk. Voor de Japanners is de kersenbloesem symbool voor de vergankelijkheid van schoonheid. Zij genieten ervan zolang het er is. Ik vind het ieder jaar weer lastig om er afscheid van te nemen.

Maar gelukkig had de drukdoenerij van de wind ook voordelen. Toen de wind zich op een paardenwei vol fluitenkruid stortte, werd de geur van het veld als een overdosis aangenaam aroma mijn neus in geduwd. Ik liep opeens rechter op. Ik voelde me gelijk enthousiaster, alsof ik lente in mijn aderen had gespoten.

Ik maakte een omweggetje naar het Kruidvat en voelde me zo opgefrist dat ik me er niet aan kon ergeren dat ik daar voor de zoveelste keer niet vond wat ik zocht (en dat er allerlei klanten rondliepen die het niet belangrijk vonden om afstand te houden). Het enige wat ik jammer vond is dat ze er de geur van fluitenkruid niet verkopen, in een flink grote spuitbus.

Terug op de dijk was ik weer alert. Mijn humeur moest niet te mild worden: de wind was dat namelijk ook nog steeds niet. Aan de voeten van populieren zag ik dikke takken liggen, op elkaar als in ongepaste openbare intimiteit, maar in werkelijkheid voor altijd dood.

Wat verderop, hoger op de dijk, behandelde de wind mij alsof ik kersenbloesem was. De wind trok, blies, klaagde en zeurde. Of was dat mijn interpretatie? Was de geur van fluitenkruid uitgewerkt? Nodigde de wind me juist uit om mee buitelen? Wilde de wind me plekken laten zien waar ik nooit zal komen zolang ik mijn voorzichtige instinct volg?

Ik had geen antwoord. Maar ’s avonds, thuis in een warme woonkamer, keek ik naar de haagbeuk voor mijn raam. De wind leek nog toegenomen: de takken zwiepten alsof ze iemand wilden slaan. Maar op een van die takken was een nest gemaakt, en in dat nest zat een duif op haar eieren, heel gerust in de wind.

De laatste dag in een winterjas

Zaterdag. Ze zeggen dat het zondag warm wordt, twintig graden maar liefst. Maar ik ben in mijn winterjas op weg naar het park. Langs het Wantij huiver ik: de wind die over het water geblazen wordt is onvriendelijk.

Als ik bijna bij het park ben, denk ik niet meer aan kilte en kou. In de laatste straat voordat ik er binnenga wuift een ribes haar zoete lucht naar me vanaf haar roze bloemen. Wat verderop zie ik bomen waarvan de knoppen bijna exploderen, als geel en rood vuurwerk.

Ik stap het Wantijpark in. De poort is al prachtig, onderverdeeld in metalen vakken waarop gestileerde planten en vogels staan afgebeeld. De schoonheid erachter is nog mooier: een kort laantje met statige kastanjes die me plechtig welkom heten. Dan naaldbomen die er nog oud en winterachtig uitzien, maar waarin de vogels al lente vieren.

Gisteren was ik ook in het park, maar er is weer meer groen en de geuren zijn sterker. Het is echt lente aan het worden! Bij mij is het ook lente. Ik zing – inwendig – een dankliedje voor mijn Schepper. Dan vieren mijn ogen feest terwijl ze het milde blauwe vijverwater bekijken, waarop zwanen zweven, al net zo plechtig als de kastanjes. Mijn hart voelt zich niet plechtig.

Een stukje voor me uit loopt een gezin: vader helemaal rechts op het pad, moeder helemaal links, en twee meisjes in identieke roze jassen ertussen in. Tegemoetkomende hardlopers moeten door het gras om “social distancing” in stand te houden. Ik erger me de laatste weken wat te veel aan allerlei mensen die denken dat alleen anderen de regels in stand moeten houden (vooral nadat een man me bijna overhoop liep en me toesnauwde dat ik aan de verkeerde kant van de weg liep), maar vandaag weiger ik geïrriteerd te raken. Ik kijk naar de blauwe lucht. Ze is anders blauw dan de afgelopen dagen: niet het blauw van koude nachten, maar het blauw van warmer wordende dagen.

Gewoonlijk loopt mijn dagelijkse rondje het park uit, de dijk op. Ik overweeg dit keer in het park te blijven, dat voelt als een bos waarin ik kan verdwalen. En op de dijk zijn meestal irritante mensen. Maar ik wil groter blauw water zien, dus ik doe toch mijn vaste rondje maar. Het is gelukkig best stil op de dijk. Een uitzondering is een stel op de fiets – een dochtertje voorop bij papa – dat half over het pad staat met hun fietsen, zodat niemand die wil passeren afstand kan houden. Ze zeggen zo vriendelijk goedendag dat ik maar teruglach. Als ik al zou durven commentaar te geven, vergaat de moed me nu.

Ik sla de dijk af, het punt waar de terugweg begint. Ik kom langs het Jeugddorp. Ik zie een stel dat niet aan social distancing doet: hun lichamen tegen elkaar aan, hun lippen op elkaar. Jeugd, denk ik. Maar als ik dichterbij kom, zie ik dat de man kaal is. En waarom heeft hij een fiets bij zich en zij niet? De vrouw wendt haar hoofd naar me toe. Haar haren zijn lang en blond, maar haar ogen zijn niet jong. Ze kijken me zorgelijk aan. Plots heb ik allerlei verhalen in mijn hoofd over heimelijke ontmoetingen.

Sowieso bloesemen de verhalen in me op deze ochtend. Ik denk aan het boek dat al te lang niet de schrijfaandacht heeft gehad die het verdient. Ik denk ook aan heel nieuwe verhalen, die al te lang wachten in de grond van mijn hersenen. Ik denk zelfs dat ik me niet meer zal ergeren aan mensen.

Er holt een klein hondje aan me voorbij, in de berm. Voor me komt een auto zacht de hoek op. ‘Stop, stop,’ wordt er achter me geroepen. De eigenaresse van de hond holt me voorbij en tilt haar hond op. Ze begint een tirade tegen de automobilist die niet zo belachelijk hard de hoek om moet rijden. Ik loop harder door.

Het laatste stuk van de route loopt langs de Noordendijk. Ik heb het warm in mijn zwarte winterjas, alsof ik een huid draag waarvan het tijd is dat hij vervelt. Thuis stop ik mijn jas tevreden in de was. Waar is mijn voorjaarsjas eigenlijk?

Wat de kastanje ervan vond

Ik probeer voordelen te zien aan de coronacrisis. Zo was ik de afgelopen weken iedere dag in het Wantijpark. Ik heb een relatie opgebouwd met een kastanje die ik steeds passeer. Toen ik net langskwam zag ik het begin van zijn knoppen. Nu verschijnen er al bladeren.

Al die ontwikkelingen maken me blij, dus ik stop maar eens om een foto te maken van de baby’s aan de boom. Terwijl ik daar sta word ik stil genoeg om de boom te horen spreken. Er is geen stem, geloof ik, maar er is een gedachte in mijn hoofd, milder dan mijn gedachten zijn in deze tijden van onrust en onzekerheid. In mijn hart ontluikt een blad, groen en perfect, mooier dan mijn hart is. Het lijkt of er een vriend tegen me praat, een vriend die me compleet doorziet en toch van me houdt. Dat is de manier waarop de kastanje me goedemorgen wenst.

Ik wens de kastanje ook een goede morgen, of een goede dag, of een goede lente. Ik heb de indruk dat bomen niet zo bezig zijn met dagen.

‘Dat klopt wel,’ zegt de kastanje. ‘De dagen glijden in elkaar over. Alleen de stille nachten maken wij bomen bewuster mee.’

‘Maar in de lente geniet je toch hopelijk wel wat meer dan in de winter?’ vraag ik. ‘Slapen bomen niet in de winter, om krachten te sparen in de kou en het donker?’

‘O nee,’ zegt de kastanje. ‘In de winter, als onze bladeren ons verlaten hebben, zuigen we diep vanuit de grond water en kracht op voor de lente die weer komt. En als dat seizoen gearriveerd is, versnelt ons wezen. We gebruiken alles van ons en in ons om op te bloeien, om ieder blad te laten worden wat het moet zijn. Bruine vogeltjes nestelen in mijn takken, maar ik ben te druk bezig om zelfs maar jeuk van hen te krijgen. Als ik me bewust van hen word, hebben hun achterkleinkinderen al achterkleinkinderen.’

‘Jammer,’ mompel ik. ‘Musjes zijn best leuk om naar te kijken. Ik zou het wel leuk vinden als er eentje nestelde op mijn arm.’

‘Heten ze zo?’ vraagt de kastanje. ‘En zou je het echt leuk vinden?’

Ik overpeins de laatste vraag terwijl in mijn hart dat ontluikende blad groter en groener wordt en bijna pijn doet. ‘Misschien niet,’ mompel ik. Ik denk eraan dat ik graag bewegingsvrijheid heb. Zo’n nest op je arm is vast hartstikke irritant. En piepende kuikens zijn na een half uur al niet meer aangenaam om aan te horen. Ik denk dat zelfs dat groene blad in mijn hart soms onaangenaam zou worden.

‘Je zei dat je de nachten bewuster meemaakt,’ zeg ik haastig. ‘Hoezo dan?’

‘Vanwege de hemel.’ Het lijkt of kastanje plots zoet gebeurt, alsof zijn bloesem al zichtbaar is. ‘ Zeker in deze heldere dagen.’

Ik probeer wijs te knikken. ‘Ja, het is prachtig. Die mooie kleuren in de avond, en ’s nachts zoveel sterren. Je kijkt zo hoog de hemel in.’

De geur van de kastanje wordt zoeter, sterker, nadrukkelijker. ‘Nee, de hemel kijkt in ons. Dat is niet beangstigend meer als je eraan went. Het is troostend.’

Dat prachtige blad binnenin me wordt echt hinderlijk; het prikt in mijn geweten. ‘Je weet dat je niet alleen bent, bedoel je?’ kuch ik.

‘Het is zoveel meer dan dat. Ik weet dat ik gezien en doorzien ben. Voor bomen is dat niet erg, Els. Els is ook de naam van een boom, hè?’

Ik voel me niet bepaald een boom, maar dat zag ik maar even niet. Ik zeg niets.

De kastanje zegt: ‘Een boom is nooit alleen, ook overdag niet. Wist je dat? Alle bomen zijn met elkaar verbonden.’

Ik denk even dat hij een metafysische opmerking maakt, totdat ik me realiseer dat ik daar laatst wat over gelezen hebt: als een boom het zwaar heeft sturen andere bomen via hun wortels sappen naar de boom. Het gebeurt niet alleen tussen bomen van de eigen soort, maar ook tussen verschillende soorten. Dat is weer eens wat anders dan een virus overdragen.

Nederiger dan daarvoor zeg ik de kastanje gedag. Ik loop verder, om bruine vogeltjes te bewonderen, en de laatste narcissen die nog niet verlept zijn.

Het park is weer jong

Ik ga niet te veel over corona zeggen, want daar wordt al zo veel over gezegd. Maar ik werk dus thuis. En ik merk dat ik mijn collega’s (nog) meer mis dan ik had verwacht. Beweging mis ik ook.

Het probleem met de collega’s wordt geweldig opgelost: ze bellen me vaak en ik bel hen. Ik was nooit voor videobellen, maar heb het nu omhelsd: wat is het leuk om even bekende gezichten te zien als je hele dagen achter je bureau (eh, pardon: keukentafel) hangt. Net belde nog een collega die haar telefoon neerzette en heerlijk ontspannen met de handen in het hoofd en vrolijke ogen tegen me aan zat te kletsen. Ik vergeet spontaan dat ik alleen in huis ben, en dat dat nog weken gaat duren.

Eén nadeel heeft videobellen wel: ik zie ook mezelf. Ja, ik weet heus wel dat ik 47 ben. Maar ik heb het nu zo goed in de gaten. Lijnen die dwars over mijn gezicht vallen, alsof er een mes in gezet is, een vaalheid die ik niet helemaal aan de lange winter kan toeschrijven… Ik las laatst een romantisch verhaal, maar realiseer me: de tijd voor, of de kans op, romantiek is verkeken. Natuurlijk wist ik dat al, maar ik hoef het niet zo nodig écht te weten, te doorleven, te voelen in mijn darmen en in mijn steeds meer krakende lichaam, dat protesteert als ik opsta (of te lang aan die keukentafel blijf zitten).

De telefoon leg ik maar snel weg. Tijd voor de beweging. Ik heb met mijn teamleider afgesproken dat ik tussen de middag wat langer pauzeer. Dan is het een stuk fijner om even door het park te lopen dan ’s avonds, als de drukke Oranjelaan oversteken spelen met je leven is.

Het is lente aan het worden in het park. Zo lang heb ik er op gewacht! Al voordat ik het park binnenstap, zie ik dat de wilgen niet meer bruine tranen laten hangen: hun lange slierten zijn groen en fris, alsof je ermee zou kunnen touwtjespringen.

Toch ben ik nog niet dat nare bijeffect van het videobellen kwijt. Ik denk: ik zal nooit meer touwtjespringen. Ik ben echt niet meer jong. Vroeger als ik het speenkruid groen en geel zag worden, werd ik vervuld met verwachting: dan dacht ik dat dit het jaar was waarin alles anders werd, waarin de zomer niet alleen overdaad voor de natuur zou brengen, maar ook voor mij. En nu ben ik oud aan het worden en zijn er wel wonderbaarlijke dingen gebeurd, maar niet de dingen die ik het liefst wilde. Ik zie mijn gezicht weer voor me, klein onderin mijn telefoonscherm, maar groot genoeg om niet te vergeten.

Dan ben ik echt het park in en hoor ik reigers schreeuwen. Die statige vogels die gewoonlijk onverschillig langs het water staan, vliegen nu naar nesten hoog in bomen en kwetteren alsof ze mijn collega’s zijn. Ik zie een enorme boomtak die over het water ligt en weet dat ik daar vroeger overheen gelopen zou willen hebben. Ik wil het nu eigenlijk ook. De zon schijnt op mijn niet meer zo jonge huid, maar toch is alles mogelijk. Ik word pas weer volwassen als er iemand kucht. Het geluid dat ik anders niet eens bewust zou horen, roept nu allerlei associaties op.

Ik dwaal door het park. Je kunt er niet snel doorheen lopen, want alle paadjes zijn krom. Bij de boom die zo ver naar een vijver overhelt dat een tak het water raakt, bouwt een meerkoet een nest. De narcissen verwelken al, maar allerlei bomen bloeien op. Bij een kastanje waar ik gisteren knoppen zag, zie ik nu een groen blad. Het park is weer jong. Ik voel me ook jonger.

Als ik het park uit ben, loop ik nog een stukje langs het water. Dan draai ik om, want er moet nog wel gewerkt worden. Onderweg zoekt een collega contact. We gaan weer videobellen, maar ik kijk vooral naar haar. Wat leuk dat ze belt. En ze zegt: ‘Lekker, dat je buiten bent. Straks heb je zeker een nieuwe blog?’ Ik glimlach. Wat leuk dat ze me zo goed kent. En zolang ik schrijf, word ik nooit helemaal oud.