De Schaduw

Photo by Steve Halama on Unsplash

Een donderdag in februari. Ik wil me deze vrije dag een keurig christen wanen: ik interview twee mensen uit de kerk. Maar als ik ’s morgens op de fiets zit voor interview één striemt de regen me. In mijn hoofd klinken woorden die daar niet horen. Helaas moet ik van mijn noordelijke Dordtse kade helemaal naar het zuiden, waar de stad eindigt in weilanden. Ik keer zonder regen terug, maar tegen de tijd dat mijn tweede gesprek nadert, grinniken harde druppels tegen mijn ruiten.

Ik trek mijn jas aan die na een halve dag bij de radiator nog steeds wat vochtig is. Ik schiet in mijn schoenen, stroef omdat ook zij niet helemaal droog zijn. Naar buiten. Ik stap over diepe plassen. De regen begint wat af te nemen. Niettemin trek ik mijn capuchon diep over mijn hoofd.

Bij een bruggetje over de haven waar het schip Vertrouwen ligt, komt een fietser me tegemoet. Ik wacht even tot hij voorbij is. Voor de zekerheid draai ik me om: zijn er fietsers uit mijn richting die voorrang willen op het smalle bruggetje? Maar ik zie alleen de fietser op wie ik heb gewacht. Ik kijk hem in het donker na. Of ik houd hem in de gaten. Die gedachte verandert mijn stemming. Opeens ben ik in een film noir. De kade is van de Seine – of van de Theems: de regendruppels op de stenen zijn de uiteenspattende tranen van een heldin, of het geluid van een naderende vijand.

Ik loop door. De waterbus naar Papendrecht schommelt in bozige golven. De lantaarnpalen die hem nog net zichtbaar maken in het duister schijnen wantrouwend: ze houden het licht zo dicht mogelijk bij zich, zodat alleen de waterbus zichtbaar is. Ik denk aan de Schaduw, de hoofdpersoon uit oude boekjes van Havank. De kaften waren van Dick Bruna, zodat je dacht dat de Franse detective een soort Nijntje in vermomming was, maar de boeken waren spannend. De detective zag altijd meer dan een gewoon mens.

Ik zie ook steeds meer. Ik loop de stad in en ben een detective. Dat stel dat mijn kant uitloopt fluistert zacht over snode plannen. Soms loer ik opzij. Het is jammer dat het met een capuchon op best lastig is om de boel in de gaten te houden.

Aan het begin van de Wijnstraat zie ik achter een verlichte ruit een vrouw in pyjama zitten. Het beeld is nu niet gewoon gênant – het is verdacht, al ziet de pyjama eruit als een herenpyjama van dertig jaar terug. Wat verderop naderen twee zwarte gedaantes me over de smalle stoep. Ik steek over. Boven de kerk is de lucht vaal van lichtvervuiling, grauw van wantrouwen. Ik zie trouwens dat bij die kerk op de eerste verdieping licht brandt, is hel als van een tl-balk. Welke boeven maken daar plannen? Zijn er valsemunters bezig?

Dan kijk ik een etalage in, of eigenlijk de hele winkel, die gesloten is maar baadt in een zacht licht. Er staan globes en allerlei oude instrumenten. Plots denk ik aan Dombey & Son, mijn favoriete roman van Charles Dickens. Het huis van Solomon Gills, een instrumentenmaker, wordt aan het einde van het verhaal tijdelijk het veilige thuis voor Florence, een van de hoofdpersonen, als haar vader haar hun huis heeft uitgejaagd. Ik denk aan iets dat ik las op Facebook: “Als je je verlaten voelt, is je thuis als het huis van een onbekende.” Ik voel me niet meer de Schaduw. Ik voel eerder een verlangen om in dat huis van Solomon Gills te zijn.

Ik probeer mijn Schaduwstemming nog terug te krijgen. Als ik langs de coffeeshop loop, kan ik vast wel wat verdachte figuren spotten. Maar net er voorbij zie ik een auto met de belettering van De Hoop, mijn werkgever. Ik tuur om te zien wie de bestuurder is. Ik herken haar niet, maar zij zwaait naar me. Knap dat ze me herkent terwijl ik mijn capuchon op heb. Wie ze ook is, ze is een betere detective dan ik.

Even later ben ik op mijn bestemming. Ik krijg een lachende baby in mijn armen gedrukt. De wereld is weer solide.

‘Ik heet niet Ciara!’

Photo by Tom Barrett on Unsplash

Zondag. Mijn badkamer. De wind loeit naar binnen door de leiding waardoor gewoonlijk de stoom naar buiten gaat. Als de wind oren had, zou ik denken dat bij de wind de stoom uit de oren kwam.

‘Ik heet niet Ciara,’ schreeuwt de wind.

Ik trek de tandenborstel uit mijn mond, maar de wind is me voor:

‘En ook niet Sabine, ongeacht wat de Duitsers en Zwitsers vinden!’

‘In Noorwegen heet je Elsa,’ zeg ik, als ik mijn tandpasta heb uitgespuugd. ‘Mooie naam.’

‘Nee!’ schreeuwt de wind.

‘Let it go,’ gaap ik.

Maar de wind is niet goed in loslaten. De wind stompt tegen mijn schouder terwijl ik naar de kerk loop. De wind blaast in mijn gezicht als ik een hoek omga, alsof de wind nog steeds chagrijnig is over mijn achteloosheid over de naam die de wind heeft – of niet heeft.

In de kerk hoor ik de wind niet. Geen geloei langs hoge ramen, geen tocht onder de deur. Ik probeer me te richten op de wind van de Geest. Alleen tijdens de collecte kijk ik even op mijn telefoon. Geen nieuwe berichten gelukkig. Gisteren wezen verschillende mensen mij erop dat ik eens met ‘mijn vriend de wind’ moest praten over de storm die verwacht werd. Is de wind echt mijn vriend, vraag ik mij op mijn kerkbankje af.

De vraag laat mij niet los als ik weer buiten sta. Ik loop naar de rivier. Het water dat anders blauw lijkt is vandaag bruingrijs, zo ongeveer als mijn humeur. Aan de overzijde staan twee hoge kranen, aan elkaar vastgemaakt alsof ze steun bij elkaar zoeken. Bij wie zoek ik steun? Dat is zo’n vraag die ik mezelf soms rustig stel, en die soms al mijn emoties door elkaar blaast.

Ik maak een klein rondje, voordat volgens de verwachtingen de wind gevaarlijk wordt. Ik ga tegen de wind in, op een weg waar recent gewerkt is: zand snijdt in mijn huid; ik knijp mijn ogen half dicht. Ik hel voorover om niet achterover te waaien.

Een kwartiertje later kom ik terug langs dezelfde weg. Ik voel heel af en toe een vage rukwind, alsof de wind nog steeds klaagt over de namen die aan de wind zijn gegeven. Maar ik voel geen steuntje in de rug. Waarom merken we tegenwind meer dan wind mee?

De wind geeft geen antwoord. Daar heeft de wind het veel te druk voor (of de wind is nog steeds chagrijnig). Op plekken waar gebouwen de wind storen in een vrije gang de wereld over, dwarrelt de wind rond alsof de wind probeert tornado’s aan te blazen. Bladeren dansen, lege bierblikjes rollen mee, met zo veel kabaal dat het me niet onwaarschijnlijk lijkt dat over een tijdje de wind er zelfs in zal slagen om dronkenmannen van straat te laten rollen.

Ik wacht dat moment niet af – ik ga naar huis. Eigenlijk zou ik liever buiten blijven. De wind weet dat: de wind ratelt aan mijn ramen, spuugt hagel tegen de ruiten, schreeuwt naar me om te komen spelen. Maar ze zeggen dat het echt gevaarlijk is.

‘Kom nou,’ schreeuwt de wind. ‘Kom nou! Ik heb geen naam, maar ik ben er altijd. Ik zal je omhelzen, we gaan samen boos zijn. Houd er nou eens mee op om verstandig te zijn! Toe!’

Ik lees een boek. Ik leer een nieuwe “kanji”: het Chinese teken dat de Japanners gebruiken om het woord “eindigen” te schrijven. Het is een van de moeilijkste kanji die ik tot nu toe heb geleerd, maar het gaat me verrassend gemakkelijk af. Geen idee waarom ik onvoldaan naar bed ga. Geen idee waarom ik niet gemakkelijk slaap. Zou het zijn omdat de wind van zuid naar west is geschoven en niet meer tegen mijn raam slaat?

Maandag. De wind is terug: hagel tegen de ramen. Zucht. Niet handig  vlak voordat ik naar het werk ga. Maar ik ben bijna blij. De wind is in mijn rug terwijl ik wandel, maar blaast soms loeiend door kale bomen, om stoer te doen. En als ik een afslag neem en de wind vol in mijn gezicht slaat, blaast de wind tegelijk een wolk weg zodat ik even, heel even, de volle maan zie, die stil en rustig is. Ik glimlach.

Eindelijk storm?

Photo by Pieter De Malsche on Unsplash

Een trouwe meelezer van deze blogs sprak me vandaag aan via Facebook. ‘Het is hier wel weer onrustig met al die wind,’ schreef ze. ‘Gisteravond ging het flink tekeer 😱, toen heb ik zelfs de rolgordijnen dicht gedaan om het enigszins uit te sluiten. Dus als je de wind soms spreekt 🙄?’ De wind sprak zeker. En ik dácht dat ik dat wel leuk vond.

Een paar maanden geleden waren er nieuwsberichten over: de wind hield zich zo rustig. In de herfst bleven de bladeren maar aan de bomen hangen. Geen storm die ze er vanaf zwiepte. En de winter – zover je van een winter kunt spreken – is grauw en regenachtig en zo saai dat de wind niet eens de moeite neemt om te gapen.

Behalve de laatste dagen! De wind beukte een welkom toen ik gisteren buiten stapte, zowel ’s morgens als ’s middags. Er was op de terugweg uit mijn werk zelfs een moment dat de wind me bijna onderuit schoffelde op de Noordendijk. Het lukte de wind net niet. Misschien was dat de reden dat afgelopen nacht de wind langs mijn raam jankte, op zoek naar een plek om binnen te komen.

Ik ben niet opgestaan om een raam te openen. Ik vind de wind leuk, maar de wind heeft wel de neiging om mijn huis totaal over te nemen als de wind de kans krijgt. Vanmorgen lees ik, behaaglijk in bed, een beschrijving over een onweersstorm. Heerlijk om me voor te stellen, maar fijn om er niet in te zitten – of te liggen.

Ik had kunnen weten dat de wind niet geamuseerd zou zijn over mijn houding. Zodra ik buiten stap, weer op weg naar het werk, zoemt de wind langs mij heen. Het is niet koud genoeg om te laten huiveren, maar ik heb de indruk dat het om mij heen wel duisterder wordt. Wolken pakken zich samen en krijgen kracht: ze drukken tegen mijn huid alsof ze me willen laten krimpen. Onzin natuurlijk, houd ik mij – bijna overtuigd – haastig voor.

Op weg naar het werk. Bij de enige kruising waar ik moet wachten op groen licht, slaan vrachtwagens af die heipalen vervoeren. Hun ladingen wijken zo uit dat ik dankbaar ben dat het vroeg is en ze niet per ongelijk tegen ander verkeer rijden. In mijn gedachten gaat het helemaal mis: de heipalen schieten los en de eerste mist me nog maar net. De tweede valt, eindeloos langzaam, ook van de vrachtwagen. En ik ben te laat: ik wil wegstappen, struikel, val – de paal verplettert me. Er blijven niet eens kruimels van me over.

Haastig steek ik over – haastig loop ik verder. De wind jankt langs me heen, schudt aan de hoge populieren op de Noordendijk en laat al hun takken bibberen. In mij bibbert ook iets. Ik denk aan de vulkaan op de Filipijnen waar ik gisteren zoveel beelden van zag. Een bruidspaar in een tuin, hand in hand bij de voorganger, met achter hen alsmaar hoger oprijzende zwarte wolken. Kolkende lavastromen, wolken waar de bliksem in rondgaat  – apocalyptische beelden. Ik bibber harder, van een kou in mezelf.

De vulkaan heet Taal en in mijn eigen taal verzint mijn hoofd een vulkaan in Dordrecht. Krakend breekt het asfalt van de dijk open: hier ontstaat de krater. Onder mijn voeten stroomt de lava, die een berg omhoog zal stuwen, waaruit as en hitte gebraakt gaan worden. En voordat de wind zelfs maar de kans heeft om mijn fantasie aan te blazen, zie  ik nog meer beelden: die bus in China die op het punt staat weg te rijden en dan in een sinkhole verdwijnt. De aarde die zich gewoon opent en alles verslindt. Mensen schieten te hulp, maar de aarde opent zich verder en zij verdwijnen ook. Geen kans op redding: onmiddellijk erna volgt een explosie.

De wind jankt nog steeds. Het geluid vermengt zich met het geluid van de auto’s op de snelweg die boven mijn hoofd op het viaduct voorbij gaan. Ik hoor het geluid van botsingen die er niet zijn.

Even vraag ik me af of ik te veel koffie op heb. Maar ik heb nog helemaal niets gedronken. Er is niet eens een storm, behalve dan in mijn hoofd. Het waait alleen een beetje. En dat wordt al minder. Heus…

De schone schijn van een mandarijn

Photo by Robin Kumar Biswal from Pexels

De mandarijn giechelt als ik hem oppak. ‘Je bent erg vrij met me.’ Ik zucht. Ik heb altijd gedacht dat mandarijnen meisjes waren. Sinds ik recent hoorde dat ze mannelijk zijn, heeft het gegiechel een andere lading gekregen.

‘Ga je mij uitkleden?’ De stem van de mandarijn wordt zwoeler. ‘Zal ik je helpen?’

Ik zucht opnieuw. ‘Ik ga je afpellen. En mandarijnen kunnen niet praten.’

Weer dat gegiechel. De falsetstem doet zeer aan mijn zenuwen. ‘Echt niet?’ vraagt de mandarijn. ‘Ook niet als ik iets liefs in je oor fluister?’

Ik zet mijn nagel in zijn huid en peuter zijn schil een stukje los.

Het gegiechel gaat door. ‘Je bent zo ondeugend. Wil je meer van me zien?’

‘Ik ga je opeten,’ zeg ik. ‘Straks blijft alleen je vel over. Je schil, bedoel ik.’

De mandarijn zegt niets, maar het lijkt of hij zich dichter tegen mijn hand aan drukt. Er zijn momenten dat ik wens dat ik een hoofd had dat geen mandarijnen, kippen of bomen hoort praten. ‘Ik vind het fijn dat je me opeet,’ zegt hij. Zijn stem klinkt opeens minder hoog.

‘Fijn?!’ De mijne wordt juist wel hoog.

De mandarijn nestelt zich alsmaar warmer in mijn hand. ‘Mijn schil is slechts schone schijn, weet je.’

‘Helemaal niet. Je schil is wat je nodig hebt om te overleven.’ Ik weet niet waarom ik mijn stem nog steeds hoog is. En waarom ik die stomme mandarijn in de prullenbak wil gooien.

‘Mijn echte ik zit onder de schil.’ De mandarijn fluistert, maar hij klinkt niet dubieus meer. Hij klinkt walgelijk oprecht.

‘Ik hoop niet dat we nu een verhaal krijgen over ruwe bolster, blanke pit en meer van dat fraais. Dat zijn allemaal clichés.’ Mijn stem blijft hoog.

‘Geen ruwe bolster,’ zegt de mandarijn, die een beetje wiebelt, zodat zijn schil vanzelf los komt. ‘Want ik ben niet sterk. Zwak zijn is ook mooi.’

‘Nee,’ zeg ik.

‘O jawel.’ Het schilletje gaat nog iets verder open. Ik zou willen schrijven dat de mandarijn een striptease voor me opvoert. Zou een grappig verhaal kunnen zijn. Maar ik zie de witte draadjes op het oranje vlees en heb het gevoel dat ik naar kloppende aders kijk.

Met één vinger probeer ik de open huid dicht te schuiven, maar de mandarijn staat het niet toe. Overal in zijn vel – schil – kraken barsten. Zijn vel – schil! schil! – valt van hem af. Ik houd het kloppende hart van de mandarijn vast.

Onzin natuurlijk: er is geen kloppend hart. Ik zie geen aderen. Ik heb een mandarijn beet, verdraaid! Ik moet het alleen zelf geloven.

‘Eet me maar,’ nodigt de mandarijn uit.

Ik leg hem neer. ‘Geen trek meer. Sorry.’

‘Zou je me na afloop missen?’ De stem van de mandarijn is nu een warm briesje na een zomeronweer; ik voel de laatste druppels van de bui op mijn wangen.

‘Ik ben geen kannibaal,’ mopper ik. En als de mandarijn weer wat zegt, leg ik hem op de fruitschaal en vergeet ik mezelf in een boek over verdwenen familieleden en paarden die maar net een moord voorkomen. Dat laatste klinkt onnozel, maar dat doet er nu even niet toe.

Wat er toe doet is dat ik uiteindelijk weer bij de mandarijn sta. Hij ligt nog steeds klaar, zonder schone schijn, zonder ruwe bolster, helemaal zoals hij is. Hij schaamt zich niet. Ik deel hem rap in partjes en probeer te vergeten dat de mandarijn een hij en hem is geworden; ik wil me niet herinneren dat hij tegen me praatte.

De partjes breken in mijn mond; het zoete, scherpe vocht ketst tegen mijn gehemelte. Het doet bijna zeer, zoals tranen als je echt van streek bent. Vitaminen komen naar me toe, water dat mijn lichaam nodig heeft, vezels voor mijn darmen. Ik word versterkt, omdat de mandarijn het niet erg vindt om zich te geven.

En ik weet wel dat hij vraagt of ik mezelf ook durf te geven. Ik hoor de stem niet meer, maar de zachte aansporing is er nog: dat ik mijn schilletje afleg, of barstjes in mijn huid durf toe te staan. Ik zal er anderen mee voeden. Maar in mij vraagt mijn eigen stem nog steeds wat er gebeurt met degene die voedt.

Nooit begrepen

De training over leertechnieken

Ik zit al zo’n acht jaar in het thuisfrontteam van Nick en Marleen, zendelingen in Zuid-Afrika. In oktober ging ik een paar weken bij ze op bezoek. Prompt vroeg ik me af of ik ooit echt had begrepen wat zij allemaal doen.

Ik arriveer in Pretoria op 30 september. De dag erna ga ik met Marleen op pad. Ze geeft op de trainingsbasis van Operatie Mobilisatie les over “storytelling”. Marleen legt deelnemers van de MDT (Mission Discipelship Traing) uit hoe je een Bijbelverhaal aan kinderen kunt overbrengen. Dat het Bijbelverhaal niet wordt aangepast, vindt ze belangrijk. Als de leerlingen aan het eind van de les verhalen vertellen aan de “kinderen” (medeleerlingen) en er hard wordt gelachen om een nogal dramatische versie van de val van Jericho, zegt ze: ‘Het is niet de bedoeling dat je iets toevoegt aan het Bijbelverhaal. Het gaat niet om entertainment.’ Zo had ik het nog nooit bekeken.

De volgende dag bezoeken we Meetse a Bopbelo. Onderweg naar de township Mamelodi worden de straten armoediger. Soms zien de huizen er heel normaal uit; soms zijn het hutjes van tin. Meetse a Bophelo biedt vier dagen per week naschoolse opvang aan kinderen die extra aandacht nodig hebben. Na schooltijd stroomt het snel vol. Schoenen worden uitgetrapt, handen gewassen; het is tijd om te voetballen. Een paar meisjes spelen met de jackrussellterriër Easy. Na het eten wordt er gebeden en gezongen. Het zingen wordt dansen, met geweldige overgave. Daarna is het tijd om de kinderen in kleinere groepen te helpen bij hun huiswerk. Marleen helpt mee. Nick pakt de auto om voedsel op te halen dat supermarkten doneren aan Meetse.

Als we teruggaan naar Pretoria is het al donker. Mensen lopen langs de weg en steken onverwacht over. Er is geen straatverlichting; ik vind het een wonder dat er niet constant ongelukken gebeuren. Nick vertelt intussen dat hij het eten ophaalt echt als zijn bediening ziet. De kinderen krijgen iedere dag bij Meetse a Bophelo een maaltijd en op donderdag krijgen ze ook eten mee voor thuis. Dan worden ze ook thuis afgezet, omdat de tas zo zwaar is (en het misschien niet veilig is om er mee over straat te lopen).

De volgende dag valt het me op hoeveel Nick allemaal doet. We zijn op The Link, het gebouw van OM Africa. Ik hoor verhalen over wat voor kosten Nick bespaart door dingen zelf uit te voeren. Waar vroeger een aannemer kwam, huurt hij een steiger en vervangt lampen die zo hoog hangen dat niemand durft toe te kijken.

We hebben deze ochtend een gebedsbijeenkomst waarbij voor allerlei aandachtsgebieden wordt gebeden, zoals een medewerkster in Irak en twee vermisten in Nepal. Marleen houdt een presentatie over haar werk. Ze vertelt over de reizen van de laatste tijd: bijvoorbeeld naar Tanzania om leesonderwijs te geven. Ze vertelt over Jacqueline die in Namibië kinderwerk opzet en die wordt begeleid door Marleen. Jacqueline zorgt voor kinderen van illegale immigranten, die door hun ouders vaak slecht worden behandeld door de stress waaronder die staan.

We horen dat de meeste christenen als kind de keuze voor Christus maken. Des te belangrijker dus om kinderen te bereiken! Zoals Marleen zegt: ‘Het gaat niet alleen om een programma, het gaat om aandacht voor kinderen.’ Ze vertelt ook dat de Lees Vakantie Club die zeheeft ontwikkeld steeds verder wordt verspreid. Er zijn nu zelfs mensen die het in het Frans willen vertalen. Aan het eind wordt er gebeden voor Marleen en haar team.

Na de lunch doe ik mee aan een training van Marleen over het overbrengen van leertechnieken. We spelen onder andere met duplo. Er wordt veel gelachen: als ik iets niet verwacht had, was het wel dat ik in Afrika terug zou gaan naar mijn kindertijd! Het lachen vergaat ons een paar dagen later als bekend wordt dat een van de vermisten in Nepal dood gevonden is, en uit Dordrecht kwam. Zo kwetsbaar kan het zijn om zendeling te zijn.

Na die eerste week volgen er nog twee weken, zo veel indrukken dat het te ver voert om alle details hier op te schrijven. Eén ding is duidelijk: ik weet nu beter dan ooit hoe belangrijk het werk van Marleen en Nick is.

Niet negatief in november

Photo by Johannes Plenio on Unsplash

November. Mist. Koud. Donker. Iemand al depressief aan het worden bij deze fijne lijst van woorden? Het schijnt niet waar te zijn dat de meeste zelfdodingen plaatsvinden in de herfst, maar je kunt je voorstellen dat het wel zo is. Meestal dan. Maar er zijn dagen in november dat het – ondanks de omstandigheden – onmogelijk is om oprecht somber te worden.

Afgelopen weekend, en de week ervoor, hoorde ik over het ene sterfgeval na het andere. Jonge mensen, iemand die door geweld stierf, oude mensen die al gemist worden… De pijn raakte me meer dan ik zelf wilde; hij omringde me als een grauwe wolk.

En dan loop ik maandag na het werk de diepe herfst in. Het heeft zo veel geregend dat de druppels als nevel door de wereld dwalen, op zoek naar de weg terug naar de hemel. Ik klim op naar de Noordendijk, de fietsbrug over, naar het klein stukje dijk waar de walnotenbomen heersen. Het lijkt of de bomen gehuild hebben, uit de ogen in hun stam. Er zijn mensen die beweren dat die ogen plekken zijn waar takken ooit zijn weggesnoeid. Ik geloof dat niet: daarvoor kijken de ogen mij te ernstig aan.

De walnotenbomen staan bewegingsloos. De druppels blijven dwalen, want er is geen wind die ze op weg naar huis kan helpen. Zelfs de bruingele bladeren die twijfelen of ze zullen vallen, blijven verbonden met hun takken. Alleen in mij trilt iets. Ik voel mijn ziel zich bewegen naar die plek (buiten of buiten mezelf?) waar wat ik voel en zie niet meer aards is maar… anders. Op zulke momenten is er opeens vreugde, maar ook stil ontzag.

Voorzichtig loop ik verder, door een wereld die bijna de poort opent naar de wereld voorbij de wereld. Ik laat de walnotenbomen achter me. Er is nog een klein stukje Noordendijk dat echt dijk is, waar bijna geen auto’s en mensen komen. Een haag kleurt bruin, de wind durft niet te waaien maar sluipt stil naast me. Ondanks dat geven toch een paar gele bladeren hun strijd tegen de dood op: ze zeggen hun boom voor eeuwig gedag en fladderen krachteloos naar de straat. Hun sterven is zonder pijn. De beige hemel boven ons doet me denken aan een deken die ons allemaal veilig toedekt.

Nog iets verderop krijgen de hagen kleuren die ik geen namen meer kan geven. Herfsttinten gaan menselijke woorden voorbij. Ik laat in mijzelf iets toe dat ook menselijke woorden voorbij gaat. Een besef dat ons bestaan meer is dan waar we over praten of kunnen weten. Maar tegelijk weet ik dat de gewone wereld alweer vlakbij is.

Een bocht, onder het viaduct door, en de gewone wereld is er weer. Een rotonde met snelle auto’s, nog steeds de Noordendijk, die opeens een weg is met bijna kale populieren. Hier is geen weten zonder woorden. Hier is saaie vertrouwdheid.

Ik ben niet onderweg naar huis, maar naar een afspraak met iemand die meer weet over dingen die ik in Afrika hoorde en waar ik woorden en daden aan probeer te geven. Ik kom op de Oranjesingel, die ik gewoonlijk haastig oversteek als de verkeerslichten – te kort – op groen staan. Ik probeer niet te grommen als iemand het niet nodig vindt om mij ruimte te geven op de stoep. Nog net vermijd ik een ontmoeting met een heg.

Maar aan het eind van de Oranjesingel kom ik langs oude huizen, met diepe donkere tuinen, het soort tuinen dat mij doet dromen dat ik er mag dwalen. Of thuis mag zijn. De schaduwen worden dieper en veranderen bijna in nacht.

Weer een bocht, langs Park Merwestein. Ik loop nu onder de hoge platanen van de Vrieseweg. Deze bomen zijn plechtiger dan walnoten. Ze kijken mij niet aan. Ze zijn in hun eigen wereld, of heffen hun takken op naar de wereld waarvan ik weet dat die er is. Ik ben nu bijna in de “echte” stad. Jammer.

Ik stap een donker portiek in en bel aan bij mijn bestemming. Er gebeurt niets. Maakt niet uit: ik geniet van de stilte. Nog een keer bel ik aan. Weer niets. Tijd om mijn telefoon te gebruiken om te bellen. Even later gaat de deur open en stap ik een warm, veilig huis in.

Eén kleine wolk

Zondagmiddag en eindelijk schijnt de zon. Uitbundig zelfs, al is het november. Hoewel ik extreem lui ben, voel ik me verplicht er zo lang mogelijk van te genieten. Ik maak een wandeling van drie uur – mijn rug en voeten klagen er nog over.

Eerst wandel ik natuurlijk door het Wantijpark. Ik ben er al te lang niet geweest. Beetje jammer dat half Dordrecht hetzelfde plan heeft bedacht. Honden hollen, kinderen krijsen. Zwanen glijden onverschillig verder. Er loopt een allochtoon bruidspaar in het park. De bruid draagt een tooi die ik graag langer had bekeken dan de beleefdheid me toestaat. En wow, een van de gasten – of een erg moderne fotograaf – zet een drone in. Ik feliciteer het stel en loop door.

In het laatste stukje park bewonder ik een kale boom, die zijn prachtig uitwaaierende takken allemaal aan me laat zien. Ik geniet, maar vind wel dat hij zich nogal kwetsbaar opstelt. Zelfs als je mooi bent, is het eng om geen bladeren te hebben om je achter te verbergen.

Dan ga ik de dijk op. Het Wantij is glad, alsof het water geen zin heeft om te bewegen. Of misschien is de wind net zo lui is als ik. Jammer dat ook op de dijk de fietsers, wandelaars, scooterrijders en honden niet lui zijn. Ik richt me maar op de lucht, die blauw en leeg is.

Nou ja, niet helemaal leeg. Boven hoge populieren die ook al bijna helemaal kaal zijn, behalve kronen van goud in hun hoogste takken, dwaalt één kleine wolk. De wolk is zilver en dun. Zoals dat soms gaat als je ontspannen bent, zeg ik de wolk gedag. En de wolk is zo ontspannen dat zij me gedag terugzegt.

‘Hoe bevalt het je daar boven in de lucht, wolk?’ vraag ik.

‘Ach,’ zegt ze, en laat dan ruimte voor de stilte van een dag zonder wind. ‘Daar denk ik eigenlijk niet over na. Ik zie mijzelf niet als wolk. Ik ben kleine stukjes druppels en stof. Straks val ik uit elkaar.’

Denk je dat de wolk verdrietig klinkt? Somber? Depressief? Nee. Ik kan niet echt uitleggen hoe de wolk wel klinkt. Wolken maken eigenlijk geen geluid natuurlijk, behalve onweerswolken, maar die praten niet met mensen – die houden harde monologen.

‘Ben je blij?’ vraag ik verder. Hé, ik ben niet voor niets een interviewer.

De wolk giebelt. ‘De zon wil mijn water verdampen, en mijn water wil zich vastzuigen aan mijn stukjes stof. En ik weet dat alles anders zal gaan dat zij willen. Straks ben ik – zijn wij – onderdeel van iets…’ Opeens praat de wolk niet meer – haar woorden zijn opgelost.

Ik loop door, ontspannen, zondagachtig. De zon blijft schijnen, zo vaardig dat ik mijn jas opendoe. Als ik even later omkijk zie ik geen dunne, zilveren wolk meer. Op haar plek cirkelt een groep meeuwen. Hun bladeren blinken in de zon. Wat verderop glanzen naast de reguliere populieren een paar populieren waarvan de laatste blaadjes zilver zijn.

Ik loop verder, negeer dat ik eigenlijk moet plassen, negeer al die mensen om me heen (zucht) en loop Dubbeldam in, de prachtigste wijk van Dordrecht. Hier uiten de bomen vlammend hun dankbaarheid voor het seizoen dat voorbij is. Rood en geel overweldigen ze me met hun schoonheid.

Waar de takken kalend zijn, zie ik opvallend vaak kauwen zwart en plechtig bij elkaar zitten. Ik ben als in mijn kindertijd jaloers op ieder wezen dat deel kan zijn van een boom, maar de kauwen glimlachen niet. Misschien zijn zij zich deze zonnige zondag bewust van de druilerige december die komt. Of ze maken plannen om de winter te overleven. Of ze zien dingen die ik niet overzie. Mijn gedachten dwalen af naar kauwen die erin slagen hun kennis over te dragen aan mensen, die rondspeuren naar mannen of vrouwen die ze kunnen vertrouwen met hun geheimen.

Dan worden mijn gedachten minder vaag. Ik geniet van mussen in de struiken, die elegant voor me vluchten. Ik laat de zon me kussen. Ik geniet. Totdat ik in het Land van Valk loop en ik een parkiet zie zitten in een struik. Samen met een maat vliegt hij snel bij mij vandaan, de straat over. Dit past niet in mijn herfstplaatje. De betovering is verbroken.

Kijk uit: overstekende koeien. Of mensen. Of geiten of slangen of apen.

Op de Long Tom Pass

Met mijn gastvrouw in Zuid-Afrika ben ik op weg naar Hazyview. Op de snelweg zien we regelmatig waarschuwingsborden voor overstekende koeien. En inderdaad: na een tijdje staat er een auto van de Zuid-Afrikaanse Rijkswaterstaat langs de weg. Een man zwaait met een rode vlag terwijl koeien aan bermgras snuffelen. Ik vraag me af of stieren opgefokt raken van die rode vlag.

Opvallend is dat er ook borden zijn die waarschuwen voor overstekende mensen. In Nederland zou het verkeer stilgelegd worden, maar hier wandelen tientallen mensen langs de snelweg. Sommige lopen er drie generaties: vrouwen met een kind op de rug en een oudere vrouw bij hen. Ze steken ook over, heel op hun gemak.

Bij ons beginpunt Pretoria waren de velden dor van de lange droge winter die nu lente aan het worden is. Wij zijn inmiddels in de buurt van Dullstroom. De heuvels worden hoger en groener. Er zijn veel Nederlandse namen op de borden, maar het landschap doet aan als Welsh, Frans of Duits. Even moeten we inhouden voor overstekende geiten. Dat voelt Afrikaans.

We naderen de Long Tom Pass. Op een smalle weg waar vrachtwagens moeizaam voortsukkelen, maken we hoogte. Ik zie bokken langs de kant, met ertussen één aap. Ik zeg het maar niet tegen mijn gastvrouw: ik vrees dat de hitte me in de bol is geslagen.

Hoger klimmen we, alsmaar hoger. Ik kijk dieptes in die lijken op Amerikaanse canyons; even later is het landschap weer Europees: eindeloze naaldbossen op heuvels die nu Oostenrijks of Zwitsers aandoen.

We klimmen tot twee kilometer hoog en stoppen even. Lager is het dertig graden, maar hier verkoelt mijn vriend de wind me. Ik kijk uit over heuvels waar al mensen liepen toen Europa nog een woeste leegte was.

We dalen af. Alles lijkt plots anders. Nog steeds naaldbossen, maar langs de weg groeit manshoge aloë vera. Mijn gastvrouw vertelt me dat we nu in subtropisch gebied zijn. ‘Je kunt hier apen zien oversteken.’ Aha, ik ben toch niet gek! Langs de weg verschijnen bananenplantages en koffiestruiken. Hier groeien ook mango’s. Het klinkt lekker allemaal.

We reizen naar Lone Creek Waterval. De naam klopt: mijn gastvrouw zegt dat het hier altijd druk is, maar wij zien maar één stel, dat al snel verdwijnt. De waterval is hoger dan meerdere flatgebouwen. Hij stort zich neer over scherpe rotsen die bedekt zijn met groen. Even vergelijk ik – met dank aan CS Lewis – de waterval met Christus die zich uitstort om ons allen leven te brengen. Als we terugkeren denk ik de beek waarin de waterval uitkomt bruisend te horen juichen.

Nog een uurtje rijden we. Een groene boomslang midden op de weg richt zich dreigend op. De gastvrouw rijdt net niet over hem heen. En dan rent er een aap de weg over. We zien hem gelukkig allebei. Het is geen fantasie van mij.

Het hotel waar we arriveren is ook geen fantasie, maar wel bijna: appartementen omringd door hoge palmbomen die wiegen in komen warmte. Op een terras zien we het donker worden in de bergen. Lampen fonkelen als sterren. Het is maandag 7 oktober, het is nog warm, krekels kletsen met elkaar, een kikker brult om aandacht, vogels schreeuwen. Wat een droom.

Turbulente vakantie

Op het moment dat ik dit schrijf ben ik nog geen drie hele dagen in Zuid-Afrika. En ik heb het gevoel dat ik hard toe ben aan vakantie.

Ik landde maandagavond laat, na de nodige vertraging en turbulentie. Maar de echte turbulentie moest nog beginnen. Eerst is het wennen aan het appartement dat ik tot mijn beschikking heb: voor de deuropening zitten tralies en ook voor het raam. Mijn gastvrouw waarschuwt me om nietemin niets te dicht in de buurt van het raam te laten liggen.

Dinsdagmorgen zit ik moe in de auto. Ik probeer te wennen aan linksrijdend, druk verkeer, waarvan ik de indruk heb dat het een logica volgt, maar wel eentje die ik nog niet begrijp. Langs de weg beginnen jacarancabomen te bloeien, in prachtig paars. Het gras is dor, de huizen luxeus en de hekken eromheen hoog en intimiderend.

Langs de weg zie ik veel zwarte mensen te voet op weg. Sommige hollen, anderen lopen traag en gracieus. Tussen de auto’s door, bij verkeerslichten, lopen ook mensen, bedelend of reclamefolders uitdelend waarvan ik niet de indruk heb dat iemand ze aanpakt. Achterin open pick-up trucks zitten zwarte mannen, op weg naar hun werk. Hun blikken zijn ver weg, hun ogen ondoorgrondelijk. Overal zijn er ook standjes van wat voor mij prullaria zijn. Ik zie een vrouw met een kleuter onder een parasol bezems verkopen. Anderen leunen in de zon tegen die hoge muren. Dat van die zon klinkt misschien aangenaam. Maar niet als je op zand zit, zonder beschutting, tussen het afval van anderen.

Woensdag wordt het nog turbulenter. We gaan naar Mamelodi, een township van Pretoria met meer dan twee miljoen mensen. Onderweg zie ik een hele gemeenschap langs de weg: weer overal standjes; zelfs kappers doen hun werk naast voorbijrazende auto’s. Naarmate we dichter bij Mamelodi komen, wordt het steeds drukker. Het wordt ook steeds armoediger. Ik zie huisjes van metaal. Die kende ik tot nu toe alleen van tv. Waar wel “echte” huizen staan, zijn de hekken weer hoog.

We rijden Mamelodi in. Soms lijken de huizen op de huizen van woonwagenkampen in Nederland. Mijn gastvrouw zegt: ‘Dat betekent niet dat de bewoners het nu goed hebben, alleen dat ze ooit geld hadden. Misschien hebben ze nu niets te eten.’ Ze vertelt over een vrouw die ze ooit bezocht in Mamelodi, die lag te sterven op een matras op de grond, onder een deken bedekt met kots.

De straten worden smaller, er zijn steeds meer mensen, allemaal zwart. Ik vraag me plots af of ik medelijden heb met de armoede of dat ik me stiekem bedreigd voel tussen allemaal mensen die anders zijn dan ik. Ik zie een meisje van een jaar of zeven, in een rood schooluniform, en vraag me af of zij veilig is.

En dan rijden we Meetse a Bophelo op, wat zoiets betekent als: Stromen van levend Water. Het voelt alsof we een oase inrijden: het hoge hek sluit achter ons, er is groen gras, nette, schone huizen. Hier is de naschoolse opvang van kinderen die extra zorg nodig hebben. Al snel komen de kinderen binnen: kleine jongens, stoere jongens, een basisschoolmeisje met het postuur van een 16-jarige, kinderen die nog maar net kleuter af zijn.

Schoenen worden uitgetrapt, sokken volgen. Er wordt gespeeld. De kinderen krijgen een warme maaltijd, moeten hun tanden poetsen, krijgen de kans om nog even door te spelen. Er ontstaat een voetbalwedstrijd die spannender en leuker is dan alles in de Champions League. Bloedfanatiek gooien de spelers zich in de strijd. Een van de keepers ligt in zijn doel, blijkbaar als enige ontspannen, maar zodra de tegenstanders dichterbij komen, houdt hij iedere bal tegen. Zijn doeltrap leidt uiteindelijk tot de enige goal.

Het officiële programma begint met bidden en zingen. Zingen wordt al snel dansen, met een energie en elegantie waar ik kippenvel van krijg. Dan is het tijd voor de les en hulp bij het huiswerk van school. Ik weet dat sommige kinderen hiv hebben. En de kinderen die het niet hebben, hebben allemaal familie die het heeft. Maar ik heb steeds minder medelijden. Mijn gastvrouw zegt: ‘Ze hebben kracht, juist in de moeilijke omstandigheden. Ze zijn niet zo bezig met dromen voor de toekomst; ze zijn bezig met het nu.’

Als we teruggaan naar Pretoria, is het al donker. Langs de weg (zonder straatverlichting) doemen steeds opnieuw lopende, bijna onzichtbare mensen op. Het blijft druk, ook in het duister. Ik denk: Deze mensen zijn wel samen, niet alleen, zoals zoveel Europeanen. Mijn gastvrouw zegt: ‘Je kunt ook arm zijn als je geen vrienden hebt en alleen maar bezig bent met geld verdienen.’ Ze heeft gelijk. Maar ik voel me nog steeds turbulent. Ik ben stiekem blij dat ik de komende dagen toerist mag spelen: dat ik gebouwen of wilde dieren mag bekijken in plaats van mensen.

PS: Meer weten over Meetse a Bophelo? Klik dan hier.

Op de Voorstraat

Eind augustus begon mijn Japanse les weer. Eindelijk. Het is geweldig – en frustrerend – om woorden te leren die zo ver van je af staan dat je geen enkel kader hebt om ze gemakkelijk te onthouden. En het is nog geweldiger – en frustrerender – om te proberen om die woorden ook echt te gebruiken.

De wandeling naar en van Japanse les is ook de moeite waard. Mijn docente, Mamiko, zit helemaal aan het begin van de Voorstraat, zo dicht bij de Grote Kerk dat het gebeier bijna onheilspellend hard is (alsof God je een laatste kans geeft voordat Hij het oordeel aankondigt). Ik loop zo’n beetje heel de Voorstraat af om er te komen.

Op de Voorstraat (zo zegt een echte Dordtenaar het; niet IN de Voorstraat) is er altijd leven; er gebeuren vaak dingen die ik niet verwacht. Vooral ’s avonds voel ik me er niet extreem veilig, maar dan zijn wel de meest interessante dingen te zien.

Na de eerste les in augustus is het nog licht als ik om negen uur op weg naar huis ga; de warmte hangt nog in de straat. Ik kom twee jongen vrouwen tegen, gehuld in kogelwerende vesten. Ze hebben het vast vreselijk warm. Werken bij Handhaving moet een vreselijke baan zijn. Wat je naar je hoofd geslingerd krijgt als je auto’s controleert, gaat dwars door je kogelwerende vest heen.

Rond negen uur sluiten alle snackbars. Heel fijn, want ik ben vaak in de verleiding geweest om er binnen te stappen. De bars zijn allemaal nog open. Deze avond zijn de terrassen vol. Maar mijn blik gaat een café in. Daar zit Johannes Vermeer. Of is het Rembrandt van Rijn? Echt, daar zit een clichébeeld van een schilder van een paar eeuwen geleden: lang krullend haar, spitse baard, intense blik. Alleen het pallet ontbreekt.

Verder maar weer. Het zou raar zijn als ik dat café in stap en de schilder vraag sinds wanneer we tijdmachines hebben. Er wandelen mij wat Oost-Europeanen tegemoet. Ik vind mezelf walgelijk bevooroordeeld als ik in hen pogromleiders zie.

Deze week, bij de laatste les voor mijn vakantie, is het al helemaal donker als ik om negen uur naar buiten stap. ‘Regent het nog, Els?’ roept mijn medecursist achter mij aan. Gelukkig is het droog.

Bijna onmiddellijk loopt er iemand achter me, onrustig, te dicht bij me. Ik zeg tegen mezelf dat ik ontspannen ben, maar ik ontspan pas echt als hij me voorbij snelt. Een jonge jongen in trainingspak. Zonder woorden verontschuldig ik me voor nieuwe vooroordelen.

De snackbars zijn weer allemaal al dicht, maar her en daar lopen nog wat mensen. Zoals altijd verbaas ik me erover dat ik het wel nodig vind om opzij te gaan, maar de meeste andere mensen niet. In Japan houden mensen op straat een stuk meer rekening met elkaar.

Vlak voorbij de Augustijnenkerk staat een man met een fiets op de stoep. Weer eentje die niet opzij gaat, denk ik. En terwijl ik dat denk, ziet de man me en schuift zijn fiets opzij. Hij glimlacht naar me, bijna verlegen, of trots, omdat hij ook rekening houdt met anderen. Ik glimlach terug.

Ik ben hem bijna voorbij als hij zegt: ‘Mag ik u wat vragen, mevrouw?’

Mijn grapje naar vrienden zou zijn: ‘Dat doe je al,’ maar ik zeg: ‘Dat hangt ervan af wat u gaat vragen.’

De man heeft kroezend haar en prachtige donkere ogen, groot, glanzend maar ook weemoedig. Als hij praat zie ik dat hij zijn voortanden mist. ‘Hebt u misschien wat geld over voor een dakloze?’

‘Ja,’ wil ik zeggen, maar ik heb nooit contant geld bij me. Dat vind ik slim van mezelf, want zo word ik niet verleid tot impulsieve snoepaankopen. Nu baal ik van mezelf. ‘Nee,’ zeg ik. ‘Het spijt me.’ Ik meen het echt, vooral als ik de teleurstelling in zijn ogen zie, teleurstelling die hij vast heel goed kent.

Ik loop door. Ik zie een jonge vrouw richting een café lopen, op hoge laarzen waarvan ik zelfs in het donker zie dat ze geel zijn. Haar pas is aarzelend, haar gezicht drukt walging uit, alsof ze iets gaat doen dat ze helemaal niet wil. Vreselijke scenario’s gaan door mijn hoofd.

Ik loop door. Het regent weer.