Wandelen in Engeland met wie er niet is

Op 21 september arriveerde ik op All Nations Christian College, waar ik een schooljaar ga doorbrengen. Het was alsof ik een sprookje binnenstapte: een Engels landhuis omringd door beboste heuvels en glooiende velden. De staf en de leerlingen zijn allemaal zo aardig dat het bijna onnatuurlijk is. En toch… na een paar dagen verlang ik naar wat en wie er niet is.

Alles is opeens anders. Geen eigen huis meer, niet meer je vertrouwde eten, niet meer je vertrouwde mensen. Allemaal nieuwe mensen: een 24-jarige die al vier jaar in Madagaskar heeft gewerkt, een 37-jarige die in drie verschillende landen projecten heeft opgezet – ik voel me nederig.

Nederig én overweldigd. Het is verrassend dat ook als iedereen geweldig is, je op een gegeven moment gewoon behoefte hebt aan rust. Na drie dagen vol introductie en interactie, ga ik op zondagmiddag wandelen. Ik ben blij dat ik in mijn eentje ga. Alhoewel… het voelt of er mensen meelopen.

Ik loop eerst langs de bosrand en dan door landbouwvelden. De zon schijnt warm voor het begin van de herfst. Het pad ligt vol steentjes die in Engeland ouder lijken dan in Nederland – en harder voelen aan de voeten.

Bij een grote eik waar een bord wijst op verre bestemmingen, sla ik linksaf. Ik voel mij tot rust komen, en denk aan wandelingen in Zeeland met een goede vriendin. Ik herinner me een plekje heb bij een grote eik waar we graag stilhouden.

Als ik weer linksaf moet slaan loop ik even naar rechts, om een doorkijkje door de velden te hebben. Net op dat moment vliegt er een grote roofvogel op – of eigenlijk een “rofo”, zoals een andere goede vriendin en ik altijd zeggen tijdens wandelingen.

Zodra ik aan die vriendin denk, scherp ik mijn ogen. Er zitten hier in de omgeving veel herten, en voor deze vriendin is een wandeling pas compleet als ze herten of reeën heeft gezien. De herten hier kent ze waarschijnlijk niet: muntjac, een heel kleine soort. Ze hebben een aparte gang, met opgetrokken schouders, zodat ze heimelijk lijken te vluchten. De dagen ervoor heb ik er al een paar gezien. Helaas: deze zondag verstoppen ze zich voor me.

Verder loop ik – keurig links houdend op lege wegen, waar ik één vrouw met een hond tegenkom, en één mountainbiker. De velden vol gewassen doen bekend aan, hoewel ik niet weet wat er geteeld wordt. De Zeeuwse vriendin, met boerderijervaring, zou het wel weten. Steeds meer denk ik aan mensen die er niet zijn. Hoewel de wereld glooiender is, zouden we bijna in Nederland kunnen zijn.

Alhoewel… Er zijn geluiden die ik in Nederland niet veel hoor. Het is hier erg druk met fazanten, die zich luid en duidelijk laten horen, met een klokkend geluid. Nog wel: we zijn gewaarschuwd om in de herfst op de paden te blijven, omdat er dan jagers op de fazanten komen schieten. Ik heb in een verre haag ook een witte vogel gezien, maar ik heb geen idee van welke soort.

Het laatste stukje van mijn wandeling wandel ik in bosrijker gebied. Er komen verschillende kleine vliegtuigen over, en later ook een helikopter. Ik vraag me af of er belangrijke mensen in de omgeving wonen.

Bij een cottage sla ik af, terug de heuvel op naar All Nations. En even lijkt het alsof ik in Eden ben. Aan beide kanten van het pad dwalen fazanten, maar geen enkele wil voor me vluchten. Een grijze eekhoorn huppelt vlak voor me over het pad. Gelukkig zie ik vlak daarna ook een rode eekhoorn, die in Engeland steeds zeldzamer worden doordat de grijze (die eigenlijk Amerikaans zijn, en ooit door een dwaas zijn uitgezet) sterker zijn.

Plots zie ik wat verderop en grote witte vogel, midden op het pad. Van een afstandje denk ik even dat het een pauw is, maar dat zou te onwaarschijnlijk zijn. Ik kom dichterbij en de witte vogel blijft rustig zitten. Het is een fazant – ik wist niet eens dat er witte bestonden. Pas als ik een foto heb gemaakt verdwijnt hij statig in het struikgewas.

Ik loop verder, naar All Nations. Ik ben niet meer in Nederland, weet ik weer.

Beige en blauw

Ik word opgehaald om ergens te gaan eten. Om half zes sta ik klaar, al buiten, omdat het eindelijk eens niet lijkt te gaan regenen. Ik verbaas me erover dat de altijd zo stipte collega’s deze keer op zich laten wachten. Ik kijk op WhatsApp naar ons gesprek over het tijdstip. O. We hadden een kwartier later afgesproken dan ik dacht.

Ik ga maar even zitten op een bankje aan het water. Ik vraag me af of het me zal lukken om te ontspannen. De laatste tijd ben ik daar niet zo goed meer in (of misschien was ik het ook nooit). Zodra ik mijn hoofd niet meer afleid, leidt mijn hoofd mij af met zwarte scenario’s waarbij ik werkloos en dakloos ben. Mijn baan opgeven en bijna mijn huis opgeven, maakt meer los dan ik had kunnen bedenken. Ik wist dat ik best creatief was, maar op dit moment wens ik dat mijn hoofd wat minder verbeeldingskracht had.

Vlak voor mij ligt een vrachtschip aangemeerd. Ik kijk er niet al te bewust naar: ik zie wolken, meeuwen, een schip verderop waarvan ik denk: ‘Hé, dat was het drijvende podium waarvan de laatste weken zoveel geluidsoverlast kwam; blijkbaar is dat nu over.’ Mijn gedachten zijn in Engeland, in Japan, of op de plek waar ik straks ga eten (‘Wat zou er op het menu staan?’).

Ik kijk toch weer naar dat vrachtschip. Het kraakt als de wind en de golfslag het van zijn plek proberen te duwen. Maar het kraakt niet alsof het onder de indruk is van de krachten die op hem worden uitgeoefend. Het drijft niet weg.

Ik kijk nog eens beter naar dat vrachtschip. Het ligt aan een lange beige kabel. Soms trekt de kabel helemaal strak, dan komt er weer wat ruimte en hangt de kabel losjes langs het schip. Op zulke momenten wordt een blauwe kabel strak getrokken, die om een andere aanmeerpaal hangt.

Ik kijk en blijf kijken. Beige kabel trekt strak, beige kabel viert en blauwe kabel trekt strak, blauwe kabel viert, beige kabel trekt strak. En zo opnieuw en opnieuw. Ik voel in mijn eigen spieren het straktrekken en weer vieren, maar ik voel vooral dat vieren: dat loslaten van al wat strak staat. Ik probeer het écht te voelen: ontspanning.

Het lukt zo’n beetje. Als ik wegkijk, de lucht in, surft er een meeuw voorbij op de wind. Zijn vleugels zijn wijd gespreid, alsof hij de wind in en onder zijn vleugels ontvangt. Hij vraag zich vast niet af of hij zal vallen. Hij weet dat er voor hem wordt gezorgd. Hij waait weg in de lucht, samen met de wolken, tot voorbij de horizon.

Ik weet het weer: op een dag zal ik meevliegen.

Bijna omver geblazen?

Laatst voelde ik me bijna Elia toen ik uit het werk kwam. Net voordat ik de deur uitstapte zag ik blauwbeurse wolken opbollen boven de polder. Ik begon al te twijfelen of ik droog thuis zou komen. Voordat ik halverwege was, waren de wolken zwart. Elia holde vanaf de berg Karmel voor de storm en de koning uit. Ik vroeg me af of ik hard genoeg kon hollen om droog thuis te komen.

Vlak voordat ik thuis ben moet ik één verkeerslicht voorbij. De regen viel toen nog steeds niet, hoewel er ook geen sprankje zonlicht meer te bekennen was. De wind had alle licht weggeblazen. Ikzelf werd bijna omver geblazen.

Even voelde ik die kick die ik altijd ervaar als de wind aan me trekt: dat gevoel dat de natuur zelf zich met je wilt meten en jij misschien kunt winnen. Ik wankelde en bleef staan. Misschien is dat waar ik het blijst van word: dat ik niet omval. En toen vroeg ik me af: is het echt leuk om te blijven staan? Ik loop, wandel, ren in mijn eigen kracht. Maar wat als ik nou wegwaai? Waar kom ik dan terecht?

Ik kwam droog thuis – daar was ik blij mee. Maar de vraag liet me niet los. De wind smeet water tegen de ruiten; meeuwen waaiden door de lucht; wolken werden beren en steigerende paarden. En ik vroeg me af of ik ertussen wilde vliegen. Bijna deed ik het raam open, in de hoop dat een onzichtbare arm me de lucht in zou buitelen, voor een reis naar Wolkenstein, Verrezee of Darkness-upon-Water. Maar mijn verstand greep in, of mijn angst. Wat als ik me écht omver laat blazen, in plaats van bijna? Wat gebeurt er dan?

Ik zette mijn computer uit na de vragen die ik hierboven stelde. Ik wist geen antwoorden, In het pinksterweekend erna was ik bij een goede vriendin in Enschede. Op vrijdag wandelden we in de velden bij Oldenzaal. De wind deed weer vele pogingen om de aandacht te vangen: de wind danste wild door de velden. Het gras boog diep onder de kracht ervan en het viel me op hoe wondermooi die buiging was. De groene velden leken bijna geel. Toen we daarna onder bomen op beschutte paadjes liepen, worstelden we met de modder – we sprongen over plassen en vermeden maar net dat we weggleden. Het werd alsmaar aantrekkelijker om in de wind te lopen.

Op zondagavond zaten we samen bij Het Rutbeek, een recreatieplas in Enschede. Zwaluwen buitelden door de lucht, niet gedreven door de wind, maar door hun eigen geest. Wij zaten op een bankje. Ik had alle tijd om eens goed naar de zwaluwen te kijken, en vast te stellen hoe mooi ze dansen, dartelen, dwalen. Waarom had ik dat in 48 jaar nooit écht gezien? Intussen rees de maan bleek en statig hoger in de nog blauwe lucht. Ik was me ervan bewust hoe klein ik was. Ik ben op aarde ook niet meer dan een zwaluw, die even vliegt en dan ergens voorbij de horizon verdwijnt.

Klein maar niet onbelangrijk – onbelangrijke mensen bestaan niet. De Bijbel zegt dat zelfs mussen niet ongezien door God ter aarde vallen. Ik denk dat God juist ook wil zien dat we niet vallen, maar eindelijk gaan vliegen. Maar die eerste sprong de lucht in, die eerste vleugelwiek… Wat spannend zijn die toch. Tijdens dat pinksterweekend, terwijl de uitstorting van de Heilige Geest werd gevierd, dacht ik soms dat ik het liefst maar geen Heilige Geest ervaar. Dan kan ik lekker negeren dat de wind – dat God – me blijft influisteren naar Engeland en Japan te waaien.

Maar de Geest liet zich natuurlijk niet negeren. De Geest was zelfs best streng. Dit las ik in de Basisbijbel: “Toen wilden ze uw prachtige land niet binnengaan. Ze geloofden niet wat U hun had beloofd. Ze mopperden en klaagden in hun tenten. Ze luisterden niet naar wat U zei.” Ik wil het prachtige land ingaan. Ik wil naar Japan – ik wil naar het land dat mij beloofd is, het land waarvan ik weet dat ik er moet zijn. Ik spreid mijn armen en hoop dat ik mezelf omver durf te laten blazen.

Vleugels voor de vermoeide verbeelding

Als ik te weinig slaap en te veel doe strompelt mijn lichaam, maar vliegt mijn verbeelding. Laatst liep ik na een wandeling van bijna twintig kilometer het park in. Even dacht ik een vrouw twee kraaien te zien uitlaten.

Natuurlijk was er geen sprake van kraaien aan de lijn – dat zouden kraaien niet toelaten. Er was slechts een vrouw met een hond aan de riem; de kraaien hupten voor haar uit. Ik liep door en mijn hoofd vloog verder. Ik zag een gans zitten in een hoge tak en zelfs dat vond ik raar; alsof ganzen alleen kunnen zwemmen. Het werd hoog tijd om rust te nemen.

Jammer genoeg is slapen momenteel… complex. Bijna iedere nacht word ik bezweet wakker. Ik weet niet of het de leeftijd is of dat ’s nachts mijn verbeelding dreigende vormen aanneemt die vervliegen zodra ik wakker word (ik herinner me geen nachtmerries).

Ook woensdagmorgen begint zo. Vier uur is het, en de slaap is bij me vandaan gevlucht. Dan maar vroeg aan het werk. Om half zes loop ik op straat. Er zijn nog haast geen auto’s; ik hoor alleen vogels. Eentje waarvan ik de naam niet ken, klinkt als een belletje van een hotelgast die aandacht wil bij de balie – in de tijd dat het nog niet bijzonder was om in een hotel te mogen zijn.

Ik loop langs het water; de lucht is er koel en fris. Ik ben niet fris. Ik wandel langs fluitenkruid en raapzaad en snuif diep, hopend dat hun geur van lente en vernieuwing ook mij vernieuwt. Maar als ik verderloop, slof ik nog steeds.

De vogels maken me uiteindelijk wakker. Als ik aan kom lopen, neemt een jonge ekster niet eens de moeite om weg te vliegen. Hij houdt zijn kop scheef en kijkt meewarig. Ik houd mijn hoofd scheef en grijp de kans aan om een ekster van zo dichtbij te bekijken.

Nog geen honderd meter verder zit een aalscholver op een lantaarnpaal. Hij spreidt zijn vleugels als een popster die applaus in ontvangst neemt van zijn grootste fans, of als een ziel die het eindelijk aandurft zich aan de wereld te tonen. Of misschien wil hij zich simpelweg opwarmen aan de zon. Maar de zon is nog onzichtbaar, en de aalscholver kijkt naar het westen, niet naar het oosten.

Nog een vogel vangt mijn aandacht. Een paar lantaarnpalen verder zit een gedistingeerde kraai: hij heeft zilver in zijn vleugel, als een witte golvende lijn op een zwarte sportwagen. Langzaam draait hij zijn kopje naar me toe, nog kritischer dan de ekster. Even denk ik dat hij een betoverde tovenaar is, die erin zal slagen iets tegen mij te zeggen. Dan wendt hij zich af. Ik voel me gewogen en te licht bevonden – of te zwaar om met hem mee te kunnen vliegen.

Ik sla verslagen het laatste stukje dijk in. Hier groeit weer fluitenkruid, nu niet vermengd met raapzaad maar met de hoge loten van uitgezaaide fluweelbomen. Fluweelbomen… Die doen me denken aan een scène uit een boek dat ik heb geschreven. Opeens wordt mijn verbeelding aardser, minder zweverig – ik kan denken aan dingen die ik zelf heb verzonnen in plaats van dingen die zich aan me opdringen.

Net voordat ik de dijk verlaat, laat de zon een rode gloed boven de horizon verschijnen. Het lijkt of er een oven wordt ontstoken. Gelijk denk ik aan een ander zelfgeschreven boek, waar in hoofdstuk één de zon precies zo verschijnt, op de dag dat het leven van de hoofdpersoon voorgoed zal veranderen.

Bijna op het werk: alleen nog een klein industrieel terreintje over, via de Sikkelstraat. Daar zie ik de eend dood op straat liggen. Ik denk – hoop – dat mijn verbeelding iets onschuldigs (een weggegooide doos, wat verfrommelde doeken) een vorm geeft die er niet is. Een dode vogel is een wat al te nadrukkelijk einde van deze blog die tijdens het wandelen in mijn hoofd is opgekomen. Maar het is waar. Met zijn poten omhoog ligt hij daar, vanbuiten schijnbaar volledig ongeschonden, maar toch dood. Mijn verbeelding wordt met een sikkel afgesneden.

Kijk maar uit voor de meerkoet

‘Ik vrat hem in één keer op,’ schreeuwt de stem. ‘En jij hebt het gezien, hè?’ Er klinkt een tikkende lach, alsof een blindengeleidestok een nogal agressief eigen leven is gaan leiden. Maar als ik me omdraai zie ik slechts een meerkoet, dobberend in de vijver van het Wantijpark.

Doen of ik hem niet gehoord heb is zinloos. Er zijn geen mensen in de buurt: geen kerels met pitbulls; geen jongens die stoer willen lijken. En ik weet waar de meerkoet het over heeft. Ik zag hem inderdaad, toen hij gisteren een enorme vis in één onelegante, effectieve haal naar binnen schrokte.

Meerkoeten beginnen me wat te verontrusten. Toen ik vorige zomer langs de vijver liep, vluchtten ze voor me weg over de waterlelies. Toen leken ze sprookjesfiguren uit iets als de Efteling, alleen al omdat ze op waterlelies kunnen lopen. Nu begin te geloven dat ik al die tijd meerkoeten en waterhoentjes door elkaar heb gehaald.

Afgelopen winter begon het me op te vallen hoe groot meerkoeten eigenlijk zijn. Ik kwam er een paar tegen die bij elkaar stonden te mopperen langs een bevroren waterkant. Ze leken een nieuw ras, de ninja’s onder de watervogels. Nooit was het me opgevallen hoe wit hun snavel is vergeleken met de rest van hun lijf. Dat contrast benadrukte gelijk hoe spits de snavel was: als een uitgestoken zwaard.

Zijn meerkoeten eigenlijk wel te vertrouwen? Die vis die ik de meerkoet gisteren zag verorberen, zo groot alsof ik een hele tonijn naar binnen zou werken, ontnam mij mijn laatste illusies. Waarom heb ik gedacht dat dit onschuldige kroos- en grasgrazers waren? Dit zijn sluwe jagers. Zij vluchten niet weg over waterleliebladeren. Ze zoeken een plek om hun tactiek door te spreken.

Een nieuwe tikkende lach (dat viel me ook dit jaar pas op – dat tikken van meerkoeten, dat even dreigend is als het naderen van de manke slechterik in een horrorfilm). Ik kijk nonchalant en dan tikt de meerkoet harder, alsof hij al mijn gedachten heeft gehoord.

‘De onschuld is voorbij,’ schreeuwt hij. ‘Wij meerkoeten worden meer, niet minder. We laten ons niet meer onderdrukken. Wij eisen de meerderheid op, van ieder meer, van steeds meer rivieren –’

‘Niet te vaak het woord “meer” gebruiken,’ raad ik aan. ‘Dat klinkt overdreven – “meer en meer belachelijk” zou ik bijna zeggen.’

Die poging tot nonchalance wordt me bijna noodlottig. De meerkoet richt zich op in het water, spreidt zijn zwarte gestroomlijnde vleugels waar iedere druppel van vlucht, priemt met zijn snavel mijn kant uit. ‘Heb je nog meer te zeggen,’ schreeuwt hij. Het is geen vraag; het is een dreigement.

‘Niks meer,’ mompel ik. Dat laatste woord wilde ik niet gebruiken. Ik heb het opeens warm. Het zal wel komen omdat na alle regen de zon nu doorkomt. Dat wil ik in ieder geval graag geloven.

De meerkoet klettert terug in het water, zwemt een agressief rondje, verjaagt een eend die te dicht in de buurt komt en… tikt. De engerd uit die slechte film heeft nu bijna zijn 18e slachtoffer meegelokt, de mist in naar een bloederige dood. ‘Jullie lachen nooit meer over meerkoeten,’ sist hij. ‘Nooit meer.’

‘Nooit meer,’ beaam ik.

‘Vind merels maar meegaand, of zwanen zwierig. Kwijl maar over kauwen en –’

‘Ik denk niet dat mensen snel zullen kwijlen over kauwen, niet als je bedoelt dat zij ze schattig vinden. Je moet uitkijken met alliteratie; het wordt snel –’

‘Ik hoef niks meer wat mensen mij opdragen,’ schreeuwt de megalomane meerkoet. ‘Nooit meer. Hoor je me!’

‘Ik hoor je,’ mompel ik. En dan is de audiëntie opeens voorbij: de meerkoet dobbert weg. Er schiet een schacht zonlicht op het water, die zijn zwarte vacht grijs en zacht doet lijken.

Ik loop door en vertel mezelf dat ik me alles heb verbeeld. Maar onwillekeurig kijk ik naar het nest van een meerkoet. Het ligt midden in de vijver, onder de takken van een overhellende boom. Ik realiseer me opeens dat in het groene park die boom als enige nog helemaal kaal is. Misschien is hij dood. En meerkoetenjongen… zijn die zo rood omdat het bloed van toekomstige slachtoffers al hen kleeft? Haastig loop ik door.

Van kersenbloesem en beschavingen, die dingen die voorbij gaan

Photo by AJ on Unsplash

Het is geen nieuws dat we een nogal koud voorjaar hebben. Ik geloof dat ik nooit eerder in mei nog in mijn winterjas liep. Soms word ik er wat filosofisch van, soms bijna dichterlijk. En ik kan helemaal niet dichten!

Tijdens de kou in april blies, terwijl ik onderweg was naar een bidstond, sneeuw spottend mijn gezicht in. Ik wilde chagrijnig worden, maar toen rook ik een magnolia. Onmiddellijk werd ik overspoeld door het gevoel dat ik heb als ik wegkruip met een boek vol haiku’s. Het zal wel door mijn plannen komen: een haiku is een Japans gedicht (niet rijmend, maar met als uitgangspunt dat het drie regels heeft, van achtereenvolgens 5, 7 en 6 lettergrepen).

Japanse zaken bleven me bezighouden toen het wat warmer werd en de kersenbloesem teer en stil haar schoonheid ontvouwde. Ik hield mijn adem in. Eén flinke bries en de bloesem zou als sneeuwvlokken verstrooid worden. Voor de Japanners is die kwetsbaarheid symbool van de vergankelijkheid van het bestaan.

En toch… terwijl ik de eerste bleekroze blaadjes zag vallen, stelde ik me voor dat een mens zo weg dwarrelde uit het leven. Ik vond het lastig te geloven dat een mensenblaadje zomaar vergaat. Ik kon me voorstellen dat de ziel die tijdens het leven kwetsbaar was voor storm en scherpe nagels, na het neerdwarrelen een steen wordt. Geen grafsteen, maar een steen waarin de ziel veilig opgeborgen blijft tot een dag waarop hij weer tot leven wordt gewekt.

Een mensenziel is weerbarstig. Ik las het weer bij Viktor E Frankl, de psychiater die Auschwitz overleefde en er stellig van overtuigd was dat we alles kunnen verdragen, zolang we maar een doel hebben om voor te blijven leven. Dat doel kan het schrijven van een boek zijn, maar ook schoonheid kunnen zien en de liefde voor andere mensen.

Ik las ook In de schaduw van Byzantium, van William Dalrymple. Een boek dat bijna nog confronterender was dan dat van Frankl. Het is een reisboek waarin Dalrymple niet alleen door het Nabije Oosten reist, maar ook door 1.500 jaar beschavingen in Turkije, Libanon, Syrië, Israël en Egypte. Turken moorden christenen uit, christenen slachten joden af en joden doden islamieten. Een moedeloos makende vicieuze cirkel. Beschavingen blijken even kwetsbaar te zijn als kersenbloesem. Hoeveel miljoenen mensen zijn daardoor al voortijdig weg gedwarreld van de levensboom?

Afgelopen vrijdag liep ik langs begraafplaats de Essenhof. Het had veel geregend en het was weer koud, maar de zon straalde en ik zag bladeren zich uitvouwen die storm weerstaan en pas in de herfst rimpels krijgen en losgetrokken worden van de takken die hen hebben gevoed. Over een gracht heen staarde ik naar de begraafplaats, maar de grafstenen hielden mijn aandacht niet vast. In het water lag een klein eilandje waar kleuren met elkaar wedijverden. Een sering tooide zich met allerlei tinten paars; een gouden regen blonk in de zon. En ik wist weer dat al hun pracht voorbij zou gaan, zou verdwijnen in het donkere water van de gracht.

De dag erna was de zon al weg. In kille regen liep ik op de brug naar Papendrecht. Over het brede, onaangedane water waarin alles kan verdwijnen naderde een rivieraak. Ik keek toe terwijl hij onder me door gleed, terwijl ik wist dat ik daar duizelig van zou worden, net als altijd. Ik keek weg over de rivier, naar de extreem Hollandse landschap en voelde even tranen: ook dit gaat voorbij; binnenkort zal ik het niet meer zien. Ik was onderweg naar een goede vriendin, en huilde even omdat ik dan ook niet meer bij haar op bezoek kan gaan. Ik heb een levensdoel dat me drijft, en tegelijkertijd pijn doet.

Daar op de brug leidde ik mezelf af door alsnog die haiku te componeren over sneeuw en de geur van magnolia’s, terwijl ik niet kan dichten:

Lopend in de sneeuw
ruik ik plots magnolia’s
Het wordt toch lente

Een windvlaag trok bijna de paraplu uit mijn handen, en de haiku uit mijn hoofd. Toen dacht ik eraan dat ze beweren dat het zondag 25 graden wordt. Alles blijft veranderen. En ik zal leren de veranderingen te verwelkomen, ook als ze een windvlaag in mijn leven zijn.

Sneeuwpret?

Tijdens de eerste lockdown is de wc-papierschande aan mij voorbij gegaan, maar afgelopen zaterdag besloot ik toch maar eens extra boodschappen te doen. Er werd sneeuw verwacht. Shit.

Ik moet het toegeven: ik heb een fobie. Nou ja, een fobietje, want ik probeer het kleiner te maken dan het is: ik ben bij gladheid doodsbenauwd. Vallen voelt als iets vreselijks. Ik ben in mijn leven een paar keer flink onderuit gegaan en… heb daar nooit een schrammetje aan overgehouden. Dus waarom ik zo bang ben? Geen idee. Mijn psychologiserende hoofd vreest dat ik te graag de controle houd.

Ik heb gebeden – nog net niet op mijn blote knieën – dat er op zondag berichten zouden zijn van ongeveer deze strekking: ‘Heel Nederland ligt onder een dik pak sneeuw. Heel Nederland? Nee, één plaatsje is… etc.’ Die berichten waren er, maar ze gingen over Groningen en Maastricht.

Sneeuw. Het lag echt in Dordrecht – en het blijft voorlopig. En ’s nachts vorst, zodat het opvriest en nog enger wordt. Ik wist het zeker: ik zou een week binnenblijven. Alleen ging mijn hoofd na een dag protesteren. Hoeveel angsten had ik ook alweer overwonnen in 2020? En nu zou ik terugdeinzen bij het eerste obstakel van 2021? Het was mijn eer te na. En tegelijk ook niet. Want vallen… het is zo ERG.

Ik bad – nog steeds niet op mijn blote knieën, maar erg oprecht: God, geef me kracht dit obstakel aan te gaan. En daarna liep ik 500 meter naar de brievenbus. Nog nooit zo dankbaar geweest dat ik een kaartje had gepost. Het viel nogal mee met de sneeuw (misschien weggewaaid) en met de gladheid ook. Ik vroeg me af of ik vandaag weer naar buiten durfde en écht te wandelen.

Ik heb het gedaan. En na tien meter wilde ik terug. Op de stoep lag een laagje sneeuw dat precies leek op een ijsbaan. In gedachten ben ik tegen tien auto’s aan gevallen. Ik keerde om – en besloot toen over de kade verder te lopen. In gedachten ben ik tien keer in het water gevallen, maar de kade was niet glad. Ik waagde me verder. Toen was ik opeens bij Villa Augustus. En vervolgens stond ik tot mijn eigen verrassing in het Wantijpark.

Er wordt gesnoeid in het park – door de auto’s van de gemeente waren de paden gladder dan verwacht. Maar toch kreeg ik langzaam het lef om net te doen of ik aan het wandelen was. Ik genoot van de witte vergezichten. Ik stelde vast dat zwanen die op het water zitten in plaats van erin, opeens minder wit zijn. Ik genoot van de vrouw die de kraaien voerde. Zwarte vogels worden alleen maar mooier in de sneeuw. Daar kunnen we vast een geestelijke les uit peuren.

Ik had vooraf bedacht dat als ik aan de andere kant het park uit kwam, ik naar huis zou gaan, maar het fietspad dat ik gewoonlijk volg zag er redelijk begaanbaar uit. Verder op mijn normale route dan maar? Ik kreeg er even spijt van, want ik moest ook over een stukje waar auto’s rijden. Zij hadden van de sneeuw ijs gemaakt. Op een klein kruispunt kon ik vier kanten uit vallen. Bijna smakte ik naar het noorden, maar het ging net goed: ik bleef staan. En ik had zo weinig stress van de gladheid dat ik zelfs kon genieten van merels, hun veren dik uitgezet tegen de kou.

Het fietspad weer op, huiswaarts. Hier had de zon geholpen met sneeuwschuiven: sneeuw was weer water. En ik trok echt een geestelijke les uit wat er nu gebeurde: mijn weg was weer normaal begaanbaar, maar… daar werd ik bang van. Want waren die dunnen stroompjes echt water, of was het stiekem ijs? Mijn weg was zoals hij anders ook is, maar durfde ik dat te vertrouwen? Het smalle pad was blijkbaar nog steeds te breed.

Gelukkig werd andere dingen snel normaal: wat verderop was ik niet meer gefixeerd op mijn eigen angst, maar kon ik me ergeren aan joggers die holden alsof er geen sneeuw lag en verwachtten dat anderen snel voor hen opzij gingen. Ik drukte de ergernis maar snel weg, en genoot van wat er niet was: vrees. Dank U, Heer! Morgen maar opnieuw naar buiten. Misschien. Hopelijk.

Geboren in een stal (3)

Photo by Debby Hudson on Unsplash

Vorige keer lazen we dat Freek midden in de oorlog een joodse man tegenkomt en onderdak biedt. Lees hier het slot van het verhaal.

De man holt naar de bomen. Even later komt hij terug met een vrouw. Haar ogen zijn net zo blauw als die van Dina. Haar buik is dik. Er zit een grote baby in. Ze kreunt en fluistert woorden die Freek niet verstaat. Haar man houdt zijn arm om haar heen en kijkt naar Freek. “Waar gaan we heen?”

Freek slikt. Het is nog nooit zo spannend geweest om naar huis te gaan. “Kom maar mee,” zegt hij.

Ze lopen langzaam. De vrouw blijft kreunen en staat soms stil, met haar handen op haar rug. Maar ze komen bij de boerderij en ze hebben geluk: Benny holt hen tegemoet en blaft wel, maar hij doet het maar één keer, alleen om te zeggen dat hij blij is om Freek te zien. Hij snuffelt aan de joodse mensen, kijkt naar Freek en houdt zijn kop scheef alsof hij wil vragen wie dat zijn.

Freek hijgt van opluchting. “Brave Benny,” fluistert hij. “ Hij wenkt de joodse mensen naar de schuur en legt zijn vinger op zijn mond: ze moeten nu héél stil zijn. Bij iedere stap die ze zetten hoort Freek zijn hart bonken. Hij probeert heel goed te luisteren. Is pa nog buiten? In de schuur? Op het erf? Of is hij al binnen, bij mama?

Héél zachtjes doet Freek de schuur open. Het is er donker. Het kan haast niet dat pa hier is. Alleen de schapen zijn er, met hun dikke winterwol, en hun warme adem. Het is niet koud in de schuur. Maar Freek twijfelt. Dit is geen plek om mensen achter te laten. Er is geen lamp, geen tafel en geen stoel. Hij heeft niet eens wat te eten voor ze.

De joodse man loopt langs hem heen. “Dit is een goede plek. Bedankt, jongen. Laat ons nu maar alleen, zodat Mirjam kan doen wat nodig is.”

Freek gaat naar de boerderij. Benny loopt naast hem en raakt met zijn snuit Freeks hand aan, maar Freek reageert er niet echt op. Freek denkt na. Hij moet ervoor zorgen dat pa de schuur niet in gaat. En hij denkt aan Stijn. Stijn zal zijn mond toch wel houden? Hij heeft gehoord dat mensen die joden verstoppen, worden opgepakt door de Duitsers. Sommige worden zelfs doodgeschoten.

Freek heeft een rare kerstavond. De hele tijd houdt hij pa in de gaten. Soms gaat pa na het eten nog bij de schapen kijken. Wat zal hij doen als hij de joden ziet? Zal hij ze aangeven bij de politie? Maar pa blijft zitten. Hij drinkt een glaasje jenever, en dan nog eentje. Bij zijn derde glaasje begint hij te snurken. Freek ademt rustiger; zijn hart klopt niet meer zo snel.

Mama loopt naar de keuken. Ze komt terug met lucifers en steekt de kaarsjes in de boom aan. Ze knipogen weer naar Freek. Freek voelt zich opeens heel moe; de dag was lang. Maar hij staat op en pakt zijn moeders hand. Hij weet dat hij nog niet naar bed kan.

“Wat is er, jongen?” vraagt mama.

Zonder iets te zeggen, neemt Freek haar mee naar de schuur. Daar slaat mama haar handen voor haar mond. Midden tussen de schapen ligt de joodse mevrouw in het hooi. In haar armen houdt ze een baby’tje. Het huilt niet. Het lijkt wel of het weet dat het stil moet zijn.

Freek weet niet zo goed meer wat er daarna gebeurt. Hij is opeens zo moe. Maar hij gelooft dat de joodse mensen schrikken en dat mama fluistert dat ze niet bang hoeven zijn. Ze holt weg, om eten te halen, of kleren voor de baby.

Freek blijft bij de joodse mensen staan. Hij heeft vreselijk veel slaap, maar hij merkt nog net dat de joodse mensen naar hem glimlachen. De man zegt iets, maar Freek hoort hem niet. Hij kijkt naar het baby’tje dat is geboren. Het is echt kerstmis, denkt hij.

Geboren in een stal (2)

Photo by Антон Дмитриев on Unsplash

Vorige keer vertrok Freek net naar huis. Lees wat er onderweg met hem gebeurt.

Freek is net in het veld als iemand zijn pet van zijn hoofd gooit. “Hé uk,” roept Stijn. “Waarom wachtte je niet op mij?”

Freek holt achter zijn pet aan. Hij drukt hem stevig op zijn hoofd en loopt door.

Stijn houdt hem makkelijk bij, met zijn lange benen. “Nou?”

“Jij was met Dina aan het praten.”

Stijn lacht. Freek kijkt niet, maar toch weet hij dat Stijn zijn hoofd achterover gooit, en zijn mond heel ver opent. Dat doet Stijn altijd. Freek loopt nog harder door. Het wordt nu echt donker, en de monsterbomen komen dichterbij.

Stijn loopt nog naast hem; terwijl Freek bijna holt, loopt Stijn normaal. “Ben je jaloers?” vraagt Stijn. “Jij vindt Dina leuk, hè?”

Freek haalt zijn schouders op. “Ik wil snel naar huis. Het is kerstvakantie.”

Stijn lacht weer. “Je pa laat je de hele vakantie werken.”

Dat is waar. Pa laat hem vast iedere dag de mest van de schapen opruimen. En als Freek niet opschiet zal pa schreeuwen. Maar ’s avonds is het fijn. Dan heeft pa zijn jenever op en valt hij in slaap. Als pa snurkt, zingt mama zacht de kerstliedjes over stille nacht en dan is heel de wereld mooi. Freek zegt: “Ik heb zin in Kerst. Het is fijn.”

Stijn lacht weer, nog harder dan de vorige keren. “Je weet niet eens wat Kerst is.”

Freek plet zijn pet steviger op zijn hoofd. “Dat Jezus is geboren.”

“Jezus is niet geboren in de winter,” zegt Stijn. “Mijn pa zegt dat de geleerde heren weten dat het geeneens winter was toen Jezus werd geboren. Heb je goed geluisterd naar Oldekamp? Hij vertelde niets over sneeuw en kou. En zie jij weleens herders in de winter? Natuurlijk niet! In de winter zijn de herders niet in het veld! Er klopt niets van.”

Freek voelt zich een beetje duizelig. Hij ziet de hoge monsterbomen staan. Het lijkt net of ze Kerst opeten. Hij stampt verder, over de harde, koude grond. Hij voelt zich vanbinnen ook koud. De bomen komen dichterbij, en dat is bijna niet eens meer eng. Maar als ze er langs lopen…. grijpt een hand Freek heel hard vast.

Freek gilt, want het is niet Stijn. Een man heeft hem gegrepen. Een lange man, die heel mager is, met een brilletje op met blinkende glazen waarachter Freek zijn ogen niet kan zien. “Hulp,” sist de man. “Geef ons hulp. Zeg het tegen niemand of ik…” De man grijpt met zijn andere hand Freek ook vast en kijkt even naar Stijn. “Ik wil jullie kunnen vertrouwen. Want anders…”

Hij maakt zijn zin niet af. Tussen de bomen klinkt een schreeuw, hoog en bang. De man krimpt ineen.

“Dat is mijn vrouw. Zij moet een baby krijgen. We hebben een plek nodig. Geen dokter, alleen een plek waar we warm en veilig zijn. Geef ons die plek.” De man kijkt naar Freek, en dan weer naar Stijn. Freek is niet meer bang. Hij kan nu door de blinkende brillenglazen kijken. Hij ziet dat de man huilt.

Stijn doet een stap weg. “Jij bent een jood. Mijn pa zegt dat we joden niet kunnen helpen. Dat is te gevaarlijk. Joden moeten zich melden bij de Duitsers.”

“En dan worden we gearresteerd en in kampen gezet,” zegt de man. “Sommige mensen fluisteren dat ze ons doden. Wij willen niet dood. Wij willen een veilige plek voor ons kindje.”

Stijn doet nog een stap weg. “Kom, Freek, we gaan.”

Freek zegt, heel rustig: “Ga maar vast, Stijn.” Terwijl hij het zegt, denkt hij heel snel na. Pa wil vast geen joden op de boerderij. Maar er is een grote stal… Als hij zorgt dat Benny niet begint te blaffen als hij de vreemdelingen ziet, hoeft niemand te weten dat er mensen zijn. En als pa zijn jenever heeft gedronken, slaapt hij en heeft hij niets meer in de gaten. Voor mama is hij niet bezorgd. Sommige mensen verraden joden, maar dat zou mama nooit doen.

Stijn loopt weg, zo snel dat Freek hem niet eens bij zou kunnen houden. De joodse man kijkt naar Freek, heel lang. “Jij helpt ons, hè?”

Freek knikt. “Tuurlijk.”

Lees volgende keer hoe het afloopt.

Geboren in een stal (1)

Photo by Kimon Maritz on Unsplash

Recent vroeg een collega of ik een kerstverhaal wilde schrijven. Het was in eerste instantie bedoeld voor kinderen, maar ik deel het ook met jullie.

Het is winter, in een jaar dat er in Nederland oorlog was. Freek wordt wakker en wil het liefst zijn deken helemaal over zich heen trekken, om zijn koude neus warm te maken. Maar hij haalt diep adem, gooit zijn deken opzij en springt zijn bed uit. Hij holt naar de badkamer, doet een plas en wast zich zo snel mogelijk. Het water is zooooo koud!

Tijd om te ontbijten. In de kamer is het donker. Alleen het licht boven de tafel is aan. Mama heeft zijn bord met pap op tafel gezet en zit klaar om zijn thee in te schenken. Ze bidden, en Freek begint snel te eten. Als zijn buik warm is geworden en hij minder snel eet, ziet hij dat er toch nog meer licht is. In de hoek staat de kerstboom, met echte kaarsjes. Het lijkt of ze naar hem knipogen.

Mama aait over zijn haar. “Eet eens door, jongen. Je moet naar school. De kerstvakantie begint vanmiddag pas.”

Tien minuten later loopt Freek buiten, het pad af van hun boerderij. Ergens hoort hij zijn vader schreeuwen naar Benny, de hond: “Schiet eens op, lui beest!” Freek loopt wat harder. Het is een half uur lopen naar school, dwars over kale grond, waar in de zomer hei en struiken groeien, maar nu bijna niets. De maan schijnt nog, alsof het midden in de nacht is. Overal zijn sterren. Net als de kaarsen van de kerstboom knipogen ze naar hem.

Freek loopt door de velden. Hij wil vaart maken, maar vlakbij staan er reuzen op de vlakte. Niet echt natuurlijk, maar in het donker lijkt het zo: hoge dennenbomen, met takken die in het maanlicht net armen van monsters lijken. Freek haalt diep adem. Soms verstopt zijn vriend Stijn zich tussen de bomen en springt plots tevoorschijn. Freek probeert er altijd om te lachen, maar soms… is het eng. Dan denkt Freek dat er een Duitse soldaat tevoorschijn springt, die naar hem schreeuwt dat hij mama zal arresteren en Benny zal doodschieten.

Freek heeft de dennenbomen bereikt. Hij loopt nog harder, maar hij tuurt tussen de bomen of hij Stijn ziet. Maar er gebeurt niets. Freek is de bomen voorbij. Hij loopt stevig door, op naar school.

Als Freek het schoolplein opkomt is Stijn er al. Stijn leunt tegen het hek en staat te praten met Dina, het mooiste meisje van de klas, met blauwe ogen als de lucht in de zomer. Stijn is lang, veel langer dan Freek. Hij zegt iets tegen Dina, en ze lachen samen.

Freek gaat de klas in. Hij zit achter zijn houten tafeltje en de les begint. Meester Oldekamp vertelt over breuken. Freek houdt van rekenen, maar toch is het lastig om te luisteren. Toen hij liep had hij het warm; nu voelt hij pas hoe koud het was. Monstertjes met ijskoude tanden proberen in zijn tenen te bijten, en zijn vingers voelen als ijspegels. Mama heeft gezegd dat ze nieuwe wanten voor hem zal breien, maar nieuwe schoenen kan ze niet kopen. Nu het oorlog is, zijn schoenen duur geworden. Pa heeft gezegd dat hij minder snel groot moet worden, maar hij weet niet hoe hij klein kan blijven.

Het is de laatste dag voor de kerstvakantie, maar meester Oldekamp lijkt het vergeten te zijn. Ze oefenen zolang de topografie van Groningen dat Freek zeker weet dat hij nooit naar Hoogezand of Sappemeer wil. Maar ’s middags pakt meester Oldekamp een dik boek: de Bijbel. “En het geschiedde in die dagen…” begint hij. Meester vertelt over Jozef en Maria, die van Nazareth naar Bethlehem reizen, waar geen plek voor hen is in de herberg. Maria krijgt een baby in de stal, een heel bijzondere baby. Drie koningen komen hem eerbied geven, en herders in de velden vertellen dat de engelen over de baby zingen. De baby is Jezus.

Als de schoolbel klingelt en Freek naar buiten holt, wordt het alweer een beetje donker. Hoog in de lucht ziet Freek de eerste ster naar hem knipogen. Zijn lange tocht begint weer. Even nog kijkt hij om of Stijn met hem meeloopt, maar hij staat weer bij Dina, en Dina lacht zo lief dat Freek harder loopt, snel naar huis.

Maar onderweg gebeurt er van alles. Wat precies, lees je de volgende keer.