De Stooplaan in september

Photo by Gian Guinto on Unsplash

De eerste maandag en dinsdag van september liep ik in de avondschemering door straten die ik mooi vind, maar waar ik te weinig kom.

Op beide avonden dwaalde ik vanaf het Halmaheiraplein naar huis. Ik kwam door de Bankastraat, waar de bomen en de huizen niet meer jong zijn. De bomen hellen over, misschien door hun leeftijd. Sommige lijken te groot voor een stad. De huizen uit de jaren dertig zijn bescheiden en de tuinen zijn klein, maar ze geven een gevoel van geborgenheid. Je gelooft dat je er een mus kunt zijn die onder een dakpan een veilige slaapplek vindt. Dat gevoel heb ik niet in de Vogelbuurt die zich rechts achter de Bankastraat uitstrekt, waar de straten vuil zijn en waar dingen gebeuren die opkomen in de gedachten van vervuilde zielen. Maar links van de Bankastraat heb ik het gevoel ook niet, in de nettere Indische buurt. Die buurt lijkt vaak onverschillig.

Aan het einde van de Bankastraat steek ik de nieuwe rotonde op de Oranjelaan over. Gelijk er voorbij houd ik stil bij dieporanje Afrikaantjes. Ik voel me opeens duizelig: aan het eind van hun bloei zijn hun bloemen overdadiger, uitbundiger, mooier dan ik dacht dat Afrikaantjes kunnen zijn. Wat aarzelend stap ik de Stooplaan in. Ik heb al een voorgevoel van wat er gaat gebeuren: nu de zon werkelijk onder is maar de nacht de wereld nog niet opeist, nu het laatste licht tovenaarskracht krijgt, wil de wereld me betoveren.

De Stooplaan heet met recht een laan. De tuinen zijn groter, de bomen statiger; het laatste licht is plechtig, eerbied opeisend. Ik geef het die eerbied: nu de herfst nadert, het licht niet meer hard is en de hitte verdwenen is, lijken de ranke takjes van bloemen als elfjes die echter zijn dan wat de Efteling op dat gebied produceert. Heel stilletjes loop ik verder. Als ik af moet slaan naar rechts, kijk ik naar links. Ik sta nu echt op de grens van dag en nacht: in de ernstige schemering lijken de kastanjes van de dijk pilaren van een poort naar een andere wereld. Ik geloof niet echt dat zich achter de Groenedijk alleen het Merwestein Park uitstrekt. Duizelig maar gelukkig zoek ik mijn eigen straat en huis op. Ik weet weer waarom de herfst me verrukt.

En dan wordt het gewoon woensdag, met werk en een slecht humeur (die twee hebben overigens niets met elkaar te maken). Als ik in de middag naar huis loop, holt de wind voor mij uit door de populieren door de Noordendijk. De wind die de populieren lastigvalt kan een fijn geluid zijn, maar mijn hoofd vindt dat vandaag niet. Ik neurie een zelfgemaakt liedje: ‘Let me fly away, like a leaf in autumn.’ Het liedje escaleert al snel. Ik fluister: ‘Let me be like a snowflake in spring.’

Maar ik wil geen blad meer zijn dat zich willoos laat meevoeren door de wind. Ik wil de somberheid in mezelf beheersen. Stel dat ik een afgevallen blad ben, dan gaat het er niet om dat ik voor eeuwig wegwaai en verdwijn in een wolk die boven zee uiteenvalt als een bui. Als ik een blad ben, dan kan ik me maar beter voorstellen dat ik langs de stoep neerval op vruchtbare aarde en een insect mij kan gebruiken als een deken om onder te overwinteren. En als ik tot een nerf verga, wat te aanlokkelijk kan lijken, dan dien ik me te herinneren dat ik zo voeding word voor de planten van het nieuwe jaar.

Al snel voel ik me wat beter. Willoos meewaaien met je gevoel is minder aantrekkelijk dan het jarenlang heeft geleken. Of het nu mijn calvinistische aard is of niet, ik vind het aangenaam dat ik er in slaag mezelf tot de orde te roepen. Met stevige tred loop ik door. Maar mijn gevoel loopt sneller – al snel haalt het me in, met zijn zelfde dreinende deuntje over weggewaaide bladeren en gesmolten sneeuw. En dan denk ik aan de maandag en dinsdag. Ik denk aan de Stooplaan in september, aan de glorie van de Groenedijk. Mijn gevoel glimlacht. Het blad is werkelijk aan de wind ontkomen.

De wereld voorbij de grenzen van de slaap

Foto: Zdeněk Macháček on Unsplash

Ik sta in mijn pyjama in de deuropening, mijn telefoon in handen. De zon verheft zich uit het water en eist dat ik haar fotografeer. Ik wil niet anders. Wat is ze mooi: gigantisch groot en rood als de prachtigste rozen. Dan knipper ik met mijn ogen: de zon verblindt me.

En ik ben wakker. Het is half 4. Om half 3 was ik eindelijk in slaap gevallen. Dit is de negende nacht waarin de vergetelheid niet naast me wil liggen op mijn bed. Ik tuur met zere oogleden naar het zwarte plafond.

Ondanks het slaaptekort gaat werken die dag best aardig. Ik doe zelfs meer dan ik had gedacht. Als iemand doorvraagt naar hoe het met me gaat voel ik even tranen in mijn ogen, maar die knipper ik weg.

Onderweg naar huis merk ik dat de wereld mooier is geworden. Op de dijk praten alle blaadjes. Niet met elkaar: ze kletsen met miljoenen door elkaar heen en ik zie ze allemaal individueel bewegen. Verderop staat frisgroen onkruid. Het is maar een paar centimeter hoog en toch sta ik eronder, naast een muisje dat een gesprekje met me voert. Bijna ben ik terug in mijn kindertijd.

Ik dwaal verder en geniet: zonnestralen die door de frisse wind alle kanten uit worden geblazen, de geplukte braam die heerlijker is dan gebak. Ik begin me langzaam te realiseren dat slaaptekort voordelen heeft: je wordt er high van. Op dat moment knal ik tijdens het oversteken bijna tegen een fietser die ik totaal niet heb gezien – dat dan weer wel. Maar even verderop hoor ik de wind als een vriendelijke draak door de populieren ruisen en droom ik verder.

Ergens weet ik wel dat ik niet mezelf ben. Mijn ringtone voor WhatsApp klinkt alsof ik iemand het tweede woord hoor zeggen van: ‘Nanika nomimasenka’ (‘Wil je iets drinken?’ in beleefd Japans). Ik heb ’s avonds thuis een vergadering over een magazine van de kerk. De aanwezigen zijn gezellig, maar misschien vind ik het wat té leuk. Ik lach te hard en vind het bijna onmogelijk om daarmee te stoppen. En waarom kan ik een eenvoudig woord als “bordje” niet meer uit mijn mond krijgen? Het is vast goed om te gaan slapen.

En dat slapen lukt zowaar. Twee uur lang. Dan is het middernacht en hoor ik buitenlandse muziek. Vast van de jongeren die vaak ’s avonds in de straat in hun auto’s chillen. Even ben ik zo kwaad dat ik me kan voorstellen dat ik op Geert Wilders zou stemmen. De slaap is weg en iets anders komt er voor in de plaats: de donkere uren waarin ik niet high ben, de uren waarin mijn hoofd eindeloos met zichzelf discussieert. Over boeken die klaar zijn om naar uitgeverijen te gaan terwijl mijn zenuwen daar nog niet klaar voor zijn.

Uiteindelijk, na half twee, slaap ik toch nog even. Ik word wakker van de wekker en stel me voor dat er een politieke partij wordt opgericht die alle wekkers het land wil uitzetten.

De zon is net op als ik buiten stap, wel groot, maar niet rood: ze is zo bleek als ik me voel. Op de kade liggen blikjes, omhulsels van gegeten noten en verpakkingen van McDonald’s. Kauwen pikken eraan. Er dwaalt ook een collectie jonge Egyptische ganzen over de kade, mager en met hoog opgetrokken poten, alsof lopen nog nieuw voor ze is. Ze gaan schuchter voor me opzij, maar er is er slechts één die echt opvliegt.

Ik loop verder en hoor eksters. Voor het eerst valt het me op dat die Chinees praten. Ik moet nog moeier zijn dan ik me voel. Op de Noordendijk lukt het me niet eens meer om te denken. Dat is op zich niet erg – lekker rustig als er niemand tegen me praat. Bij het Vlij (wat een geweldige naam is dat toch) dwaalt er lichte mist op het water. Dat geeft precies weer hoe het er in mijn hoofd aan toegaat. Voor het eerst sinds al die jaren dat ik er loop valt het me op dat de stoep heuvelachtig is: ik moet uitkijken dat ik niet struikel over oneffenheden – of grassprietjes. Op een verkeersbord zit een kraai, die toekijkt terwijl ik stuntel. Dan lacht hij en vliegt weg. Het wordt denk ik een lange dag.  

Een onzichtbaar, zichtbaar, gesloten of toch open boek

Komende december ben ik tien jaar in dienst bij (Vrienden van) De Hoop. Er is één iemand die tien jaar geleden al op dezelfde afdeling werkte als ik en dat nu nog steeds/weer doet. En juist die collega vroeg zich af of ik in staat zou zijn over haar een column te schrijven. Ha! Een boek zou me ook lukken, Ellen Brouwer.

Eigenlijk kwam ik al elf jaar geleden naar de afdeling Media, als cliënt van De Hoop die “een paar maanden” werkervaring zou opdoen. Maar toen was Ellen met zwangerschapsverlof. Ze was een onzichtbare collega. In de jaren erna bleef ze dat een beetje. Ellen is een vormgever. Vormgevers zijn ook mensen, maar ze zijn… anders.

Er waren in mijn begintijd twee vormgevende cliënten, en die waren zo temperamentvol dat ik bang voor ze was. Ze gaven ook aan hun emoties nogal duidelijk vorm. De professionals waren vriendelijk, maar stonden niet dicht bij me. Ik trok meer op met de schrijvers. Er was één uitzondering, een oudere man met wie ik goed kon praten. Maar juist hij zei ooit iets tegen een cliënt dat me zo raakte dat ik mijn geringe moed bij elkaar verzamelde en hem vertelde dat hij zoiets niet kon maken. Ellen zat erbij. Haar enige opmerking was: ‘Ik vind dat hij gelijk heeft.’ Ellen is een Zeeuwse, en ik ken de Zeeuwse leus over dat worstelen en boven water komen. Ik had het niet erg gevonden om haar even onder water te laten worstelen. Ik ademde diep in en hield me voor dat Zeeuwen stug zijn. Of bot.

Mijn veilige-nest-jaren bij Media kwamen ten einde. Mensen met verder reikende blikken dan ik vonden dat ik voortaan het magazine van De Hoop bij Vrienden van De Hoop moest gaan schrijven. Vreselijk vond ik het. Ik ging weg bij mensen die me nader stonden dan sommige familieleden. Het werd nog erger: de afdeling Media werd opgeheven. Mijn familie ging verhuizen naar een ver land, en ik mocht niet mee.

Ellen werd ook achtergelaten. Ze ging voortaan vormgeven bij Vrienden. Daar werd ze niet blij van. Dat wist ik wel, ook al zei ze er niet er veel over. Ze zei sowieso niet veel toen ze eenmaal op de afdeling zat. Ik zag vanaf mijn eigen werkplek nog net haar kuif boven het grote Apple scherm waarachter ze zich verborg.

O, wacht, even een kleine zijweg in. Voor de duidelijkheid: die kuif is heel stijlvol. Dat is zo irritant aan Ellen, dat alles bij haar altijd een mooie vorm heeft. Ellen gaat naar een winkel vol tweedehands spullen waar ik alleen lelijkheid zie en komt terug met een prachtig plantenpotje. Ellen draagt prints en leer, en wat bij een ander kitsch zou zijn is bij haar stijlvol. Planten die bij mij doodgaan, groeien als zij ze aandacht geeft. Zij geeft tegenwoordig de planten water op de hele afdeling, en we werken nog net niet in een oerwoud.

Ellen bleek ook te kunnen praten. Wow, een Zeeuw die grapjes maakte (over heksen, dat wel, met de suggestie dat een bezem best een goed vervoersmiddel voor mij zou zijn). En toen – nog een keer wow – ging ze ook af en toe over zichzelf praten. Bijvoorbeeld over hoe moeilijk ze verandering vond. Het werd me duidelijk dat ze niet een botte maar een verlegen, soms angstige Zeeuw was.

Ik zag Ellen werken met cliënten. Dat deed ik zelf ook, en ik werd er soms moedeloos van, maar Ellen gaf het energie. Zij heeft een diepe passie om ze verder op weg te helpen. Dat is het uitgangspunt bij alles wat we doen, en dient belangrijker te zijn dan de dagelijkse drukte. Bij haar is het echt zo.

Ellen werd steeds eerlijker. Ze vertelde dat ze het niet leuk vond als ik fronsend op haar af kwam lopen – het riep associaties bij haar op die niet aangenaam waren. Ze praatte over haar gezin. Ze vertelde over haar zorgen, maar ik zag ook haar nuchterheid. Ze liet zich niet meeslepen door stress, kwam in actie voor haar kinderen en kon nog steeds lachen. Ze is geen stugge Zeeuw. Ze is een eerlijke Zeeuw, en daardoor een machtig mooi mens.

Verbeeldingskracht

De meeuwen scheren door de lucht als de wapens die een messenwerper willekeurig weg werpt. Als Zoë ze ziet, rent ze met gespreide armen rondjes om me heen en gilt: ‘Ik kan vliegen!’ Ik hef mijn hoofd naar de zon en glimlach.

We lopen naar de berging, voor mijn fiets. Zoë is een verzinsel van mijn verbeelding (hoewel ik een aai kan geven over haar blonde haar, en ik haar lach in mijn oren duidelijk hoor, ijl als van een kwetterende vogel), maar mijn verbeelding is vreemd genoeg niet in staat een kinderzitje te verzinnen. Zoë zit op de bagagedrager. In mijn straat liggen de stenen nogal ongelijk en achteloos, dus Zoë stottert als ze roept:

‘I-i-ik vind het l-le-le-leuk achterop. Het-t-t is – au!’ (een wat grotere, bottere steen) ‘Het-t-t is leuker dan met de auto!’

‘Mooi zo!’

Rechts en nog eens rechts en we rijden de Noordendijk op, waar asfalt ligt. Plots zoeven we. Naast ons stuiven nog veel snellere auto’s voorbij; Zoë grijpt zich steviger vast. Dan kijk ik of er geen auto’s te dichtbij zijn en gaan we naar links; we racen de dijk af. Zoë juicht en trekt haar handen los. Ik zie het niet, maar ik weet dat ze ze de lucht in gooit. ‘We vliegen!’

‘Houd je vast, Zoë! Anders is het gevaarlijk!’

‘Nee hoor,’ roept ze. ‘Ik zit prima-pal-perfect achterop en jij kijkt uit, hè Els?’

‘Vasthouden, Zoë,’ roep ik, al zijn we allang weer in platte straten.

Het zijn niet de beste straten: smal en vuil, ook op zonnige dagen vol schaduwen en grauwigheid. We komen in de straat waar het Leger des Heils een opvang heeft. Een man met haar dat te lang geen kapper heeft gezien, steekt vlak voor me over. Ik knijp in de remmen – en knijp mijn lippen op elkaar om niet te roepen dat ook als je bij het Leger zit, je kunt uitkijken waar je loopt.

‘Je moet bellen met je fietsbel, Els!’ roept Zoë. ‘Dan let hij op als wij hallo zeggen. Hallo, meneer, hallo! Wij zijn aan het fietsen!’ Maar de man hoort het verzinsel van mijn hoofd niet. Hij sloft verder, met het obligate bruine blik goedkoop bier in zijn hand.

Wat later lopen we in de supermarkt. Ik wil dat Zoë mijn hand vasthoudt, maar mijn verbeelding gaat haar eigen gang. Bij de groenteschappen knielt ze neer bij een stuk gember, waar ze aandachtig naar tuurt. Ik wil zeggen dat ze met haar vingers overal vanaf moet blijven, maar ik vind mezelf onderhand een zeur. En niemand ziet Zoë. Dat scheelt.

Ik dwaal door de winkel. Champignons. Diepvriesspinazie. Brood. Kaasblokjes? Bonbons? Andere dingen die mijn gezonde ik zou willen mijden en ook weer niet?

Opeens glijden Zoë’s vingers in de mijne. ‘Een bonbon is lekker, hè? Zomaar eentje, die precies op je tong past en die je dan lang-lang-allerlangst op je tong laat smelten en waar je de hele dag nog aan denkt.’

Als ik een bonbon eet, denk ik aan de rest van de doos. Maar dat zeg ik niet. Ik leg de doos bonbons terug en loop met Zoë naar de kassa. Ik overweeg om met haar naar een chocolaterie te gaan en ons daar te trakteren op allebei één bonbon. Alleen zijn we dan te lang in de stad en ontdooit mijn diepvriesspinazie.

We gaan terug naar huis. Bij het Leger des Heils zie ik dezelfde man als van de heenweg tegen een muur geleund staan. ‘Goedemorgen,’ roep ik, voordat Zoë dat kan doen.

De man zegt niets terug, maar zijn zwarte ogen worden lichter. Zijn hand zwaait even, als een trage vogel.

Als ik weer bij de berging ben, zie ik dat Zoë niet meer achterop zit. Even die vreselijke schrik: ik heb haar toch niet bij de supermarkt laten staan? Maar nee, ik weet dat Zoë overal is, en tegelijk nergens. Helaas.

Later lig ik op de bank en heb ik er spijt van dat ik die bonbons niet heb gekocht. Het is zo stil in huis. Ik denk aan de woorden van Zoë. Ik vraag me af hoe het mogelijk is dat mijn verbeelding wijzer kan zijn dan ikzelf.

Wat de muis ervan vond

In mei zijn bomen het weelderigst. Hun bladeren zijn groot, maar nog zo nieuw en fris dat de bomen er uitbundig mee pronken. Hun bladerdak is – of lijkt – breder dan in de zomer, als het groen donker en normaal is geworden. Onder de bomen wuift of juicht het gras. De boterbloemen glanzen mooier dan ieder boeket bij de bloemist.

De hernieuwde levendigheid van de natuur zorgt helaas wel voor enige zaken waar ik niet blij van word. Als ik op een zonnige middag naar huis loop en net bedenk dat het leven prachtig is, zie ik op de Oudendijk een kat waarvan ik even denk dat hij een sprongetje van vreugde maakt. Dan komt mijn menselijk realisme terug. De kat holt de dijk over en voor hem uit holt een zwart miniwezentje.

Ik loop verder, in de richting van de kat, en zet me schrap voor wat ik zal zien. Het moment dat de kat net de muis bespringt? Of nog erger: de kat al aan de maaltijd?

Maar het gaat anders: kat en muis zijn in gesprek, of kijken elkaar in ieder geval rustig aan. Dan trippelt de muis weg, in de richting van hoog gras bij een kastanjeboom. Ik hoop dat ze onzichtbaar wordt voordat de kat zich zijn normale gedrag herinnert en loop intussen haastig verder. Ik hoef de uitkomst niet te weten. Ik kom op een stukje dijk waar lindes staan. Genieten.

Dan trippelt er wat naast me. Eén van mijn oren werkt niet meer zo goed, maar ik hoor toch duidelijk voetstapjes op het asfalt. ‘Ben je blij voor mij?’ piept de muis. Vanaf mijn grote hoogte zie ik haar oogjes nog net glanzen.

Ik zeg niets. Ik loop door. Ik praat niet met muizen, ook niet in mijn gedachten. Daar krijg je – juist, je had het al geraden – muizenissen van.

‘Jij hielp mij niet, maar ik vond het toch leuk dat je bezorgd om me was,’ roept de muis naar mij omhoog. ‘Wij wilde dieren zijn meestal alleen bezorgd om onze eigen familie. Ben jij stiekem een muis?’

Ik kijk de dijk af, naar een veld waar paarden en pony’s onbekommerd grazen. De zon schijnt op hen.

‘Ja, hè?’ piept de muis. ‘Toch? Nou?’

‘Ga nu maar naar je hol. En kijk uit met katten.’

Even is het stil. Geen gepiep, geen getrippel. Dan jeukt mijn enkel plots. Bijna schud ik met mijn been, maar ik realiseer me nog net of tijd dat ik dat niet moet doen. De muis holt over mij heen omhoog. Even later zit ze op mijn schouder. ‘Mooi uitzicht!’ piept ze verzaligd.

‘Heb je geen jongen waar je voor moet zorgen?’ Ik probeer mijn schouder stil te houden, maar de kleine pootjes van de muis kietelen mijn huid, of misschien zijn het de vlooien die ze vast bij zich draagt. ‘Als je te lang bij me blijft, is het een enorm eind teruglopen.’

De muis is even stil. Dan kruipt ze dichter bij mijn (goede) oor. ‘Jij bent toch geen muis. Jij denkt heel veel na.’

Ik zucht en zwijg. De muis zucht ook, maar dan alsof ze zonnestraaltjes uitademt.

‘Serieus,’ zeg ik. ‘Je bent klein, en je –’

De muis knabbelt aan mijn oor – liefdevol, denk ik. ‘Maak je niet dik.’ Ze piept weer een paar keer, en de zonnestralen kriebelen in mijn gehoorgang.

‘Niet grappig.’ Ik schud een beetje met mijn schouder.

‘Dat was geen commentaar op jou.’ De muis knabbelt wat verder; ik voel rillingen tot in het kleinste kootje van mijn kleinste teen. ‘Jij denkt echt te veel na, hoor. Geniet gewoon van de zon, en van de bomen en van –’

‘Dat deed ik. Totdat jij kwam. En nadenken is goed. Zo zorgen mensen ervoor dat ze niet door beesten worden opgegeten. Denk daar maar eens over na.’

Misschien doet de muis dat: het is even heel stil. Ik voel zelfs niets kriebelen. Ik denk ook na. Ik voel me plots schuldig over mijn onaardige woorden. Maar ik schud mijn schuldgevoel van me af. Ik kijk niet eens om om te zien of de muis wel goed landt. Ik loop snel verder. En toch denk ik – ondanks mijn slechte oor – dat ik een iel stemmetje hoor roepen: ‘Wat kattig van je!’

De eerste indrukken van Porto

Goede Vriendin en ik zijn in Porto. Ik weet niet of het aan ons ligt dat de serveerster begint te huilen terwijl ze onze koffie inschenkt en meeuwen bij een kathedraal spontaan poseren. Sommige mensen – mensen die ons goed kennen – nemen waarschijnlijk aan van wel.

Soms heb je van die reizen dat alles goed gaat. Mooi op tijd de auto bij de parkeerplaats, waarna je mooi op tijd naar Zaventem wordt gebracht. Daar heb je mooi de tijd om je te ergeren aan al die mensen die voordringen in verschillende rijen, waarna je bijna mooi op tijd door de regen een vliegtuigtrap opholt. In Porto snel de metro in, maar één keer zoeken naar een perron en eenmaal bovengronds gelijk je “residencia” zien. Mooi. Heel mooi.

Dus we beginnen ontspannen aan 7 mei, de eerste volle dag in Porto. We dalen door kronkelstraatjes vol vale gebouwen af richting de oude stad, maar al snel besluiten we dat we koffie nodig hebben voordat we verder kunnen. Geen probleem: de stad stikt van de “confiterias”: kleine koffiebarretjes met kwijlveroorzakende uitstallingen vers gebak. De serveerster neemt vriendelijk onze bestelling op (we wijzen aan welk gebak we willen), maar terwijl ze op knopjes drukt voor de koffie, zien we stille tranen over haar gezicht rollen. Ze begint te mompelen naar een man achter de balie (Portugees klinkt trouwens alsof een Rus zich waagt aan een Romaanse taal). De man legt een arm om haar heen, mompelt dingen terug, dirigeert ons naar een tafeltje en zorgt ervoor dat we ons bijna schuldig voelen. Gelukkig is de “americano” zo sterk dat die al snel onze aandacht afleidt.

We dwalen verder, door een stad die chiquer en kleurrijker wordt. Smalle straatjes, bonte huizen, brede lanen, uitbundige kerken. De eerste kerk die we van binnen zien, Clerigos, is een shock. In Porto hebben ze de barok uitgevonden. Wij als twee protestanten kunnen niet anders dan vaststellen dat we ons ongemakkelijk voelen als een altaar eruitziet als een gigantische suikertaart met daar bovenop een gedaante die lijkt op een operadiva. Is het toeval dat ik als ik ga zitten bijna een kerkbank omgooi, of is het een niet zo stil protest? Overigens is er in de kerk wel een indrukwekkend beeld van Christus nadat Hij van het kruis is gehaald, waarbij zijn wonden zo “levensecht” zijn dat je ervan huivert. Bij zijn tenen zie je het begin van de ontbinding.

We wandelen (nou ja, we kruipen hijgend) verder door smalle, steile straatjes, waar we stilhouden bij een muurtekening van een gigantische blauwe kat, of doorkijkjes bewonderen van eindeloze balkons en muren die bekleed zijn met geglazuurde tegeltjes die je bij ons aan de binnenkant van gebouwen ziet in plaats van aan de buitenkant.

We arriveren bij de kathedraal van Porto, waar een meeuw op een muurtje poseert met toeristen. Ik denk eerst dat hij toevallig blijft zitten voor iemand, maar als Goede Vriendin naar hem toe loopt, houdt hij zijn kopje schuin alsof hij wil zeggen: ‘Ik ga wel met je op de foto, maar alleen als ik een boterham van je krijg.’ Wij bewonderen kloostergangen bij de kathedraal die bekleed zijn met schilderijen van Delfts blauw, komen weer naar buiten en zien dat de meeuw inmiddels liggend op de foto gaat.

Wij dalen af richting de rivier, nog steeds door onmogelijk smalle, steile straatjes. Op balkons, op straatstoepen, overal waar maar plek is, groeien planten. Op andere plekken hangen Portugezen, die gapend de wereld nastaren of in gesprek zijn met hun buren.

Bij de rivier ruiken we de Atlantische oceaan. We steken over naar de andere oever, waar we lunchen en voelen hoe moe we al zijn. O, trouwens, in Portugal liggen de borden omgekeerd op tafel. Ze worden pas omgedraaid als er iets geserveerd wordt. Je eten krijg je supersnel en het is bizar goedkoop, net als de koffie (meestal een euro per kopje). Ik denk dat de Portugezen ook verwachten dat je weer snel weggaat, maar wij blijven zolang mogelijk hangen, terwijl we moed verzamelen om op te klimmen naar het hoogste uitkijkpunt over de stad. Onze vakantie is nog maar net begonnen. We moeten onze krachten sparen.

Voorzitter van de fanclub met gemengde gevoelens

Ik was verbaasd hoe vaak ik de afgelopen weken werd aangesproken op de capriolen van de wind. Een oud-collega die in Verweggistan woont, vroeg me digitaal hoe het met de wind was. Toen het steeds harder begon te waaien, werd ik gevraagd of ik niet iets moest gaan schrijven (maar ik vond dat te voor de hand liggend; het zou het ego van de wind ook verder aanblazen). Iemand anders informeerde of ik aan de wind kon vragen of het niet wat minder kon. Spoiler alert: de wind luistert niet naar mij. Dit weekend liet de wind zich weer… eh… zien… voelen… kennen.

Ik was zaterdag in Spijkenisse. En ik was niet heel wakker. Onderweg ernaartoe verdwaalde ik op station Blaak. Toen ik nog net op tijd in de juiste metro stapte, stapte ik na een paar stations weer uit omdat ik dácht dat ik de verkeerde had. En toen ik eindelijk bij een vriendin slash aangetrouwd familielid op de bank zat en we bespraken of we zouden wandelen, vreesde ik alleen regen, niet de wind. Soms ben ik stormachtig naïef.

Je snapt het al: we gingen naar buiten. Had ik al verteld dat het wandelgebied bij de flat van vriendin/aangetrouwd familielid een vlakte bijna zonder bomen is? De wind was bij diens begroeting uitbundig als een hond die een kind in zijn enthousiasme omver loopt. We liepen langs een sloot en waaiden er bijna in. Meerkoetjes die heldhaftig tegen de stroom in zwommen kwamen geen zwemvlies vooruit.

We maakten een draai richting een natuurgebied. Aan de poort hing een bord dat hondeneigenaars vroeg hun dieren aan de lijn te houden omdat het broedseizoen begonnen is. Er was geen hond te bekennen. In het natuurgebied (meer gras en een ondiep meer met veel vogels) schrokken ganzen van ons. Toen ze opvlogen werden ze bijna onmiddellijk uit koers geblazen. Zelf dreigden wij eerder weg te zakken: het watertekort was duidelijk voorbij; de grond onder onze voeten spuugde het vocht weer uit. Het meer had boze schuimkoppen en zag er volgens vriendin/aangetrouwd familielid uit als een zee. Ze had gelijk.

We werden het natuurgebied weer uitgeblazen. We klommen naar wat hoger land, waar struiken die pas vorig jaar waren geplant, vochten om niet ontworteld te worden. Ik zag struiken met bloeiende katjes en had diep respect voor ze. Het scheelde niet veel of we waren boven op ze gevallen en hadden hun prestaties teniet gedaan.

We kwamen bij de Oude Maas en zagen aan de andere kant Oud-Beijerland liggen. De pont ernaar toe werd bijna weg gezwiept. Het fietspad langs het water stond nog net niet helemaal blank. Wij maakten een draai en… konden niet meer ademhalen. Volle tegenwind. De wind testte of wij om konden vallen en het scheelde niet veel of we waren niet geslaagd. We wankelden over de weg alsof we aangeschoten waren. Het was onmogelijk om elkaar nog te verstaan.

Het werd nog erger: we moesten aan het eind van het pad omhoog, de dijk op. Daar keken we neer op een verlaten boerderij, met dichtgetimmerde ramen. Het was alsof de wind er doorheen geraasd was en dat daardoor de boeren het hadden opgegeven er te blijven wonen. Maar toen we afdaalden langs de boerderij, was daar wel het enige stuk waar de wind even vluchtte. Schaamde de wind zich voor wat hij had aangericht? We keken naar dakgoten vol gras, naar hanen die bij elkaar schuilden in de verlaten tuin, onder bomen die nog wat meer beschutting gaven. Even was het niet moeilijk om adem te halen.

Toen claimden de vlakte en de wind ons opnieuw en vochten we verder. Even maakten we een hijgend praatje met andere mensen. Hun hond keek verlangend onze kant uit, klaar om enthousiast tegen ons op te springen, maar hij was goed afgericht en gehoorzaamde gelijk op het haastige ‘Zit!’ van de eigenaar.

Op naar de laatste meters. De flat kwam dichterbij, als een vuurtoren in een storm. We zagen er een meeuw die probeerde hoogte te maken. Het zag eruit als een vliegtuig bij Schiphol die er maar net in slaagt op te stijgen. En toen… beschutting. Ik haalde diep adem en snapte weer waarom de meningen over de wind zo gemengd zijn.

Wat een goed idee!

Weekend. Er staat een vogelverschrikker in huis. Of een monster. Ik weet in ieder geval zeker dat de wind er is. Ik had dat stomme raampje niet open moeten laten.

‘Goedemorgen,’ zingt de wind.

Ik zucht.

‘Je bent blij met het begin van de lente, hè? Blij, blij, blij!’

Ik zucht opnieuw, en stel me voor dat ik poolwind uitblaas. ‘Ik was er blij mee. Toen de zon scheen. Het regent vandaag.’

‘Regen is goed! Regen is heel goed!’ De wind doet een dansje door mijn huis. Ik vrees dat de wind is begonnen met een nieuwe strategie: de wind doet zijn best om zichtbaar te zijn. Er zweeft een omgekeerde bloempot rond (met barst) die het hoofd moet voorstellen. Een vuilnisbak is de torso. De benen zijn stengels van dode bloemen die de wind kundig in de juiste positie blaast. Het geheel stinkt zo erg dat ik het geen lezer zal aandoen om het te beschrijven.

‘Ga lekker naar buiten,’ stel ik voor.

‘Wat een goed idee!’ Door iets in de stem van de wind (bruisende tocht door de barst in de pot, of een huivering door het GFT-afval) weet ik al dat het géén goed idee was om deze suggestie te doen.

Het volgende moment ben ik buiten en drukt de bloempot mijn neus in een sneeuwklokje. ‘Kijk!’ roept de wind. ‘Ruik!’

‘Een sneeuwklokje geurt helemaal niet!’

‘Je moet met je hart ruiken. Met je hart!’ De wind drukt me dieper in de natte grond tussen de sneeuwklokjes. De gebarsten pot maakt schrammen in mijn achterhoofd.

‘Adem!’ hijg ik. ‘Ik wil ademen!’

De wind sleurt me mee. We wandelen deze keer gewoon over straat. Misschien denkt de wind dat “in vermomming” de wind voor een mens kan doorgaan. De enige reden dat de wind niet opvalt is dat het zo guur is dat er geen mensen op straat zijn. Regendruppels worden als kogels mijn gezicht in geschoten.

Ik ruik eens goed – ik twijfel of het de wind is met de GFT-afval benen. Maar helaas. ‘Je moet de volgende keer uitkijken waar hondenpoep ligt,’ mopper ik.

‘Onderdeel van de natuur!’ roept de wind. ‘Alles is met elkaar verbonden! Geweldig toch? Geweldig!’

Ik geloof niet dat de wind het nodig vindt dat ik antwoord geef. De wind heeft zelf antwoorden. Regenkogels schieten in mijn nek en mijn trui (de wind vond het niet nodig dat ik een jas aandeed). ‘Wat ga je nog meer met me uithalen?’ bibber ik.

‘Uithalen?’ roept de wind. ‘Uithalen?’ De vuilnisbaktorso schiet op me af. De wind heeft geen handen, maar ik denk dat de wind me omhelst. En dan vliegen we door de lucht. De wind kan het niet laten. We landen in het water, tussen de dobberende meeuwen, die krijsend ruimte voor ons maken.

‘Alles is zeker weer verbonden?’ schreeuw ik, voordat ik het zo koud krijg dat ik alleen nog kan bibberen. En dan wordt het nog erger, want ik zink. De wind zou misschien zeggen dat ik zo van die nare geur van de sneeuwklokjes kan afkomen, maar de wind praat niet meer. De wind heeft het te druk met ervoor zorgen dat een vis (geen idee welke soort – het water is te troebel) langs mijn wang strijkt, als een koudbloedige liefkozing.

Ik gil – maar gillen onder water is niet slim. Ik sla met mijn voeten en race naar het oppervlakte van het water. ‘Het interesseert me niets meer dat alles verbonden is,’ wil ik krijsen, maar ik kuch, ik spuug water uit en ik kuch nog meer.

Gelukkig lig ik in het water voor mijn huis – ik vind een trap om het Wantij uit te komen en ik spetter-sijpel naar huis. De wind heeft me ook geen kans gegeven om een sleutel mee te nemen, maar er is één zachte windvlaag, waar ik nog net ‘Alles is verbonden’ in hoor, en dan sta ik binnen. Ik staar naar de regendruppels tegen het raam. Ik glimlach naar ze. Ze kunnen me niet meer raken. Tijd voor een douche. Tijd voor rust.

Op maandagmorgen word ik behaaglijk wakker. Mijn bed is warm, ik ben warm. En dan hoor ik de slagregen die tegen de ramen slaat. ‘Goedemorgen,’ zingt de wind.

Tralala

Ik kijk vanuit het raam van mijn werkkamer uit over de zonnige rivier. Er dobberen tientallen meeuwen. Het is algemeen bekend dat meeuwen schreeuwlelijken zijn. Wat minder bekend is, is dat ze ook best terughoudend kunnen zijn. Ik weet dat ze eigenlijk hun badeendjes willen pakken om mee te knuffelen en te jongleren. Ze willen ook graag synchroonduiken. Ik weet eveneens waarom ze zich nog inhouden.

De reden voor hun terughoudendheid? De lente is nog zo pril. Maar tegelijk toch ook zo heerlijk onmiskenbaar. Stiekem heeft alles om ons heen de neiging om te springen, te hupsen, te neuriën en te transformeren. De lucht weet nog niet zo goed hoe zij zichzelf het beste kan kleden. ’s Ochtends vroeg doet ze iets stralend blauws aan, maar binnen een half uur verandert ze al van mening en wil ze toch liever een roze gewaad dragen. Het is zo ragfijn dat ik haast geloof dat engelen het voor haar geweven hebben.

De wind heeft een parfum opgedaan. Is het je nooit opgevallen dat je de wind in de winter niet ruikt? Aan het begin van de lente wordt dat opeens anders. Dan ruik je grasparfum, of stroparfum, of hondenpoepparfum. Dat laatste is een onverhoeds nadeel van vele voordelen. Maar aan het begin van de lente is het niet eens heel erg om het te ruiken.

De bomen willen natuurlijk niet achterblijven bij de lucht en de wind. Zij doen sieraden aan. Heb je ze al gezien en bewonderd, die kleine knopjes? Ik hoop dat je niet hebt geprobeerd te zoeken naar de oren van bomen. Bomen dragen knopjes niet in hun oren – het is nog niet eens officieel vastgesteld of bomen wel oren hebben. Boren doorboren hun hele armen met groene, gele, zachtrode knopjes. Het klinkt gruwelijk, maar het schijnt dat het ze geen pijn doet.

Wij mensen doen ook ons best om ons meer te versieren nu de rest van de wereld hetzelfde doet. Het valt me op dat we opeens jassen dragen die ons minder grondig verhullen. Sommige jassen gaan zelfs open, om te flirten met de zon. De echte bikkels van onze soort dragen T-shirts en laten bleke armen zien, waar de zon liefdevol overheen straalt.

Tja, de zon. Dat is natuurlijk de meest uitbundige speler in deze column. De zon wil dat iedereen naar haar kijkt, en dat doen we graag, vanachter zonnebrillen of door toegeknepen ogen. We wenden onze gezichten naar haar op met iets dat op aanbidding lijkt. We bedanken haar voor de warmte die we voelen. Juist nu de verwarming wat lager kan, bemerken we hoe fijn we warmte vinden. De wezens zonder thermostaat tot hun beschikking weten het nog veel beter. De vogels zingen lofliederen die ons mensen nog blijer maken.

Zelfs de maan, de regentes van de nog koude nachten, doet mee met de feestvreugde. Afgelopen nacht werd zij verondersteld een supersneeuwmaan zijn, maar in de morgen daaraan voorafgaand zag ze eruit alsof ze een schaal vol aardbeien met slagroom had gegeten, lentekost. Ze was supervol en vlammend, alsof ze de zon in zich droeg, de zon die alsmaar warmer wordt. Ze leek ieder moment een koprol te kunnen gaan maken in vers gras.

Vanmorgen was de maan trouwens weer wit. Dat moet ik wel eerlijk vaststellen. Ze deed die naam van supersneeuwmaan qua kleur toch een beetje eer aan. Maar ze wilde niet te veel sneeuw laten zien. Al voordat ik naar buiten stapte om naar het werk te lopen, hulde ze zich in een mantel van grauwe wolken en verborg ze haar koude buitenkant.

Het was niet erg koud vanmorgen op straat. De knopjes van de bomen waren al hangers aan het worden; ze begonnen de vorm van bladeren te krijgen. Een merel zong speciaal voor mij een beeldschoon lied. Zelf kan ik niet goed zingen, maar terwijl ik naar het werk huppelde (nou ja, liep), kwam er wel een “tralala” uit. Wat moet je anders als de hele wereld tralala zegt? Toen ik op het werk kwam was het bijna licht en leek de dag niet bijzonder kleurrijk te worden – vijftig tinten grijs of zoiets. Maar dat doet er niet toe. Het is echt bijna lente.