De schone schijn van een mandarijn

Photo by Robin Kumar Biswal from Pexels

De mandarijn giechelt als ik hem oppak. ‘Je bent erg vrij met me.’ Ik zucht. Ik heb altijd gedacht dat mandarijnen meisjes waren. Sinds ik recent hoorde dat ze mannelijk zijn, heeft het gegiechel een andere lading gekregen.

‘Ga je mij uitkleden?’ De stem van de mandarijn wordt zwoeler. ‘Zal ik je helpen?’

Ik zucht opnieuw. ‘Ik ga je afpellen. En mandarijnen kunnen niet praten.’

Weer dat gegiechel. De falsetstem doet zeer aan mijn zenuwen. ‘Echt niet?’ vraagt de mandarijn. ‘Ook niet als ik iets liefs in je oor fluister?’

Ik zet mijn nagel in zijn huid en peuter zijn schil een stukje los.

Het gegiechel gaat door. ‘Je bent zo ondeugend. Wil je meer van me zien?’

‘Ik ga je opeten,’ zeg ik. ‘Straks blijft alleen je vel over. Je schil, bedoel ik.’

De mandarijn zegt niets, maar het lijkt of hij zich dichter tegen mijn hand aan drukt. Er zijn momenten dat ik wens dat ik een hoofd had dat geen mandarijnen, kippen of bomen hoort praten. ‘Ik vind het fijn dat je me opeet,’ zegt hij. Zijn stem klinkt opeens minder hoog.

‘Fijn?!’ De mijne wordt juist wel hoog.

De mandarijn nestelt zich alsmaar warmer in mijn hand. ‘Mijn schil is slechts schone schijn, weet je.’

‘Helemaal niet. Je schil is wat je nodig hebt om te overleven.’ Ik weet niet waarom ik mijn stem nog steeds hoog is. En waarom ik die stomme mandarijn in de prullenbak wil gooien.

‘Mijn echte ik zit onder de schil.’ De mandarijn fluistert, maar hij klinkt niet dubieus meer. Hij klinkt walgelijk oprecht.

‘Ik hoop niet dat we nu een verhaal krijgen over ruwe bolster, blanke pit en meer van dat fraais. Dat zijn allemaal clichés.’ Mijn stem blijft hoog.

‘Geen ruwe bolster,’ zegt de mandarijn, die een beetje wiebelt, zodat zijn schil vanzelf los komt. ‘Want ik ben niet sterk. Zwak zijn is ook mooi.’

‘Nee,’ zeg ik.

‘O jawel.’ Het schilletje gaat nog iets verder open. Ik zou willen schrijven dat de mandarijn een striptease voor me opvoert. Zou een grappig verhaal kunnen zijn. Maar ik zie de witte draadjes op het oranje vlees en heb het gevoel dat ik naar kloppende aders kijk.

Met één vinger probeer ik de open huid dicht te schuiven, maar de mandarijn staat het niet toe. Overal in zijn vel – schil – kraken barsten. Zijn vel – schil! schil! – valt van hem af. Ik houd het kloppende hart van de mandarijn vast.

Onzin natuurlijk: er is geen kloppend hart. Ik zie geen aderen. Ik heb een mandarijn beet, verdraaid! Ik moet het alleen zelf geloven.

‘Eet me maar,’ nodigt de mandarijn uit.

Ik leg hem neer. ‘Geen trek meer. Sorry.’

‘Zou je me na afloop missen?’ De stem van de mandarijn is nu een warm briesje na een zomeronweer; ik voel de laatste druppels van de bui op mijn wangen.

‘Ik ben geen kannibaal,’ mopper ik. En als de mandarijn weer wat zegt, leg ik hem op de fruitschaal en vergeet ik mezelf in een boek over verdwenen familieleden en paarden die maar net een moord voorkomen. Dat laatste klinkt onnozel, maar dat doet er nu even niet toe.

Wat er toe doet is dat ik uiteindelijk weer bij de mandarijn sta. Hij ligt nog steeds klaar, zonder schone schijn, zonder ruwe bolster, helemaal zoals hij is. Hij schaamt zich niet. Ik deel hem rap in partjes en probeer te vergeten dat de mandarijn een hij en hem is geworden; ik wil me niet herinneren dat hij tegen me praatte.

De partjes breken in mijn mond; het zoete, scherpe vocht ketst tegen mijn gehemelte. Het doet bijna zeer, zoals tranen als je echt van streek bent. Vitaminen komen naar me toe, water dat mijn lichaam nodig heeft, vezels voor mijn darmen. Ik word versterkt, omdat de mandarijn het niet erg vindt om zich te geven.

En ik weet wel dat hij vraagt of ik mezelf ook durf te geven. Ik hoor de stem niet meer, maar de zachte aansporing is er nog: dat ik mijn schilletje afleg, of barstjes in mijn huid durf toe te staan. Ik zal er anderen mee voeden. Maar in mij vraagt mijn eigen stem nog steeds wat er gebeurt met degene die voedt.

Nooit begrepen

De training over leertechnieken

Ik zit al zo’n acht jaar in het thuisfrontteam van Nick en Marleen, zendelingen in Zuid-Afrika. In oktober ging ik een paar weken bij ze op bezoek. Prompt vroeg ik me af of ik ooit echt had begrepen wat zij allemaal doen.

Ik arriveer in Pretoria op 30 september. De dag erna ga ik met Marleen op pad. Ze geeft op de trainingsbasis van Operatie Mobilisatie les over “storytelling”. Marleen legt deelnemers van de MDT (Mission Discipelship Traing) uit hoe je een Bijbelverhaal aan kinderen kunt overbrengen. Dat het Bijbelverhaal niet wordt aangepast, vindt ze belangrijk. Als de leerlingen aan het eind van de les verhalen vertellen aan de “kinderen” (medeleerlingen) en er hard wordt gelachen om een nogal dramatische versie van de val van Jericho, zegt ze: ‘Het is niet de bedoeling dat je iets toevoegt aan het Bijbelverhaal. Het gaat niet om entertainment.’ Zo had ik het nog nooit bekeken.

De volgende dag bezoeken we Meetse a Bopbelo. Onderweg naar de township Mamelodi worden de straten armoediger. Soms zien de huizen er heel normaal uit; soms zijn het hutjes van tin. Meetse a Bophelo biedt vier dagen per week naschoolse opvang aan kinderen die extra aandacht nodig hebben. Na schooltijd stroomt het snel vol. Schoenen worden uitgetrapt, handen gewassen; het is tijd om te voetballen. Een paar meisjes spelen met de jackrussellterriër Easy. Na het eten wordt er gebeden en gezongen. Het zingen wordt dansen, met geweldige overgave. Daarna is het tijd om de kinderen in kleinere groepen te helpen bij hun huiswerk. Marleen helpt mee. Nick pakt de auto om voedsel op te halen dat supermarkten doneren aan Meetse.

Als we teruggaan naar Pretoria is het al donker. Mensen lopen langs de weg en steken onverwacht over. Er is geen straatverlichting; ik vind het een wonder dat er niet constant ongelukken gebeuren. Nick vertelt intussen dat hij het eten ophaalt echt als zijn bediening ziet. De kinderen krijgen iedere dag bij Meetse a Bophelo een maaltijd en op donderdag krijgen ze ook eten mee voor thuis. Dan worden ze ook thuis afgezet, omdat de tas zo zwaar is (en het misschien niet veilig is om er mee over straat te lopen).

De volgende dag valt het me op hoeveel Nick allemaal doet. We zijn op The Link, het gebouw van OM Africa. Ik hoor verhalen over wat voor kosten Nick bespaart door dingen zelf uit te voeren. Waar vroeger een aannemer kwam, huurt hij een steiger en vervangt lampen die zo hoog hangen dat niemand durft toe te kijken.

We hebben deze ochtend een gebedsbijeenkomst waarbij voor allerlei aandachtsgebieden wordt gebeden, zoals een medewerkster in Irak en twee vermisten in Nepal. Marleen houdt een presentatie over haar werk. Ze vertelt over de reizen van de laatste tijd: bijvoorbeeld naar Tanzania om leesonderwijs te geven. Ze vertelt over Jacqueline die in Namibië kinderwerk opzet en die wordt begeleid door Marleen. Jacqueline zorgt voor kinderen van illegale immigranten, die door hun ouders vaak slecht worden behandeld door de stress waaronder die staan.

We horen dat de meeste christenen als kind de keuze voor Christus maken. Des te belangrijker dus om kinderen te bereiken! Zoals Marleen zegt: ‘Het gaat niet alleen om een programma, het gaat om aandacht voor kinderen.’ Ze vertelt ook dat de Lees Vakantie Club die zeheeft ontwikkeld steeds verder wordt verspreid. Er zijn nu zelfs mensen die het in het Frans willen vertalen. Aan het eind wordt er gebeden voor Marleen en haar team.

Na de lunch doe ik mee aan een training van Marleen over het overbrengen van leertechnieken. We spelen onder andere met duplo. Er wordt veel gelachen: als ik iets niet verwacht had, was het wel dat ik in Afrika terug zou gaan naar mijn kindertijd! Het lachen vergaat ons een paar dagen later als bekend wordt dat een van de vermisten in Nepal dood gevonden is, en uit Dordrecht kwam. Zo kwetsbaar kan het zijn om zendeling te zijn.

Na die eerste week volgen er nog twee weken, zo veel indrukken dat het te ver voert om alle details hier op te schrijven. Eén ding is duidelijk: ik weet nu beter dan ooit hoe belangrijk het werk van Marleen en Nick is.

Niet negatief in november

Photo by Johannes Plenio on Unsplash

November. Mist. Koud. Donker. Iemand al depressief aan het worden bij deze fijne lijst van woorden? Het schijnt niet waar te zijn dat de meeste zelfdodingen plaatsvinden in de herfst, maar je kunt je voorstellen dat het wel zo is. Meestal dan. Maar er zijn dagen in november dat het – ondanks de omstandigheden – onmogelijk is om oprecht somber te worden.

Afgelopen weekend, en de week ervoor, hoorde ik over het ene sterfgeval na het andere. Jonge mensen, iemand die door geweld stierf, oude mensen die al gemist worden… De pijn raakte me meer dan ik zelf wilde; hij omringde me als een grauwe wolk.

En dan loop ik maandag na het werk de diepe herfst in. Het heeft zo veel geregend dat de druppels als nevel door de wereld dwalen, op zoek naar de weg terug naar de hemel. Ik klim op naar de Noordendijk, de fietsbrug over, naar het klein stukje dijk waar de walnotenbomen heersen. Het lijkt of de bomen gehuild hebben, uit de ogen in hun stam. Er zijn mensen die beweren dat die ogen plekken zijn waar takken ooit zijn weggesnoeid. Ik geloof dat niet: daarvoor kijken de ogen mij te ernstig aan.

De walnotenbomen staan bewegingsloos. De druppels blijven dwalen, want er is geen wind die ze op weg naar huis kan helpen. Zelfs de bruingele bladeren die twijfelen of ze zullen vallen, blijven verbonden met hun takken. Alleen in mij trilt iets. Ik voel mijn ziel zich bewegen naar die plek (buiten of buiten mezelf?) waar wat ik voel en zie niet meer aards is maar… anders. Op zulke momenten is er opeens vreugde, maar ook stil ontzag.

Voorzichtig loop ik verder, door een wereld die bijna de poort opent naar de wereld voorbij de wereld. Ik laat de walnotenbomen achter me. Er is nog een klein stukje Noordendijk dat echt dijk is, waar bijna geen auto’s en mensen komen. Een haag kleurt bruin, de wind durft niet te waaien maar sluipt stil naast me. Ondanks dat geven toch een paar gele bladeren hun strijd tegen de dood op: ze zeggen hun boom voor eeuwig gedag en fladderen krachteloos naar de straat. Hun sterven is zonder pijn. De beige hemel boven ons doet me denken aan een deken die ons allemaal veilig toedekt.

Nog iets verderop krijgen de hagen kleuren die ik geen namen meer kan geven. Herfsttinten gaan menselijke woorden voorbij. Ik laat in mijzelf iets toe dat ook menselijke woorden voorbij gaat. Een besef dat ons bestaan meer is dan waar we over praten of kunnen weten. Maar tegelijk weet ik dat de gewone wereld alweer vlakbij is.

Een bocht, onder het viaduct door, en de gewone wereld is er weer. Een rotonde met snelle auto’s, nog steeds de Noordendijk, die opeens een weg is met bijna kale populieren. Hier is geen weten zonder woorden. Hier is saaie vertrouwdheid.

Ik ben niet onderweg naar huis, maar naar een afspraak met iemand die meer weet over dingen die ik in Afrika hoorde en waar ik woorden en daden aan probeer te geven. Ik kom op de Oranjesingel, die ik gewoonlijk haastig oversteek als de verkeerslichten – te kort – op groen staan. Ik probeer niet te grommen als iemand het niet nodig vindt om mij ruimte te geven op de stoep. Nog net vermijd ik een ontmoeting met een heg.

Maar aan het eind van de Oranjesingel kom ik langs oude huizen, met diepe donkere tuinen, het soort tuinen dat mij doet dromen dat ik er mag dwalen. Of thuis mag zijn. De schaduwen worden dieper en veranderen bijna in nacht.

Weer een bocht, langs Park Merwestein. Ik loop nu onder de hoge platanen van de Vrieseweg. Deze bomen zijn plechtiger dan walnoten. Ze kijken mij niet aan. Ze zijn in hun eigen wereld, of heffen hun takken op naar de wereld waarvan ik weet dat die er is. Ik ben nu bijna in de “echte” stad. Jammer.

Ik stap een donker portiek in en bel aan bij mijn bestemming. Er gebeurt niets. Maakt niet uit: ik geniet van de stilte. Nog een keer bel ik aan. Weer niets. Tijd om mijn telefoon te gebruiken om te bellen. Even later gaat de deur open en stap ik een warm, veilig huis in.

Eén kleine wolk

Zondagmiddag en eindelijk schijnt de zon. Uitbundig zelfs, al is het november. Hoewel ik extreem lui ben, voel ik me verplicht er zo lang mogelijk van te genieten. Ik maak een wandeling van drie uur – mijn rug en voeten klagen er nog over.

Eerst wandel ik natuurlijk door het Wantijpark. Ik ben er al te lang niet geweest. Beetje jammer dat half Dordrecht hetzelfde plan heeft bedacht. Honden hollen, kinderen krijsen. Zwanen glijden onverschillig verder. Er loopt een allochtoon bruidspaar in het park. De bruid draagt een tooi die ik graag langer had bekeken dan de beleefdheid me toestaat. En wow, een van de gasten – of een erg moderne fotograaf – zet een drone in. Ik feliciteer het stel en loop door.

In het laatste stukje park bewonder ik een kale boom, die zijn prachtig uitwaaierende takken allemaal aan me laat zien. Ik geniet, maar vind wel dat hij zich nogal kwetsbaar opstelt. Zelfs als je mooi bent, is het eng om geen bladeren te hebben om je achter te verbergen.

Dan ga ik de dijk op. Het Wantij is glad, alsof het water geen zin heeft om te bewegen. Of misschien is de wind net zo lui is als ik. Jammer dat ook op de dijk de fietsers, wandelaars, scooterrijders en honden niet lui zijn. Ik richt me maar op de lucht, die blauw en leeg is.

Nou ja, niet helemaal leeg. Boven hoge populieren die ook al bijna helemaal kaal zijn, behalve kronen van goud in hun hoogste takken, dwaalt één kleine wolk. De wolk is zilver en dun. Zoals dat soms gaat als je ontspannen bent, zeg ik de wolk gedag. En de wolk is zo ontspannen dat zij me gedag terugzegt.

‘Hoe bevalt het je daar boven in de lucht, wolk?’ vraag ik.

‘Ach,’ zegt ze, en laat dan ruimte voor de stilte van een dag zonder wind. ‘Daar denk ik eigenlijk niet over na. Ik zie mijzelf niet als wolk. Ik ben kleine stukjes druppels en stof. Straks val ik uit elkaar.’

Denk je dat de wolk verdrietig klinkt? Somber? Depressief? Nee. Ik kan niet echt uitleggen hoe de wolk wel klinkt. Wolken maken eigenlijk geen geluid natuurlijk, behalve onweerswolken, maar die praten niet met mensen – die houden harde monologen.

‘Ben je blij?’ vraag ik verder. Hé, ik ben niet voor niets een interviewer.

De wolk giebelt. ‘De zon wil mijn water verdampen, en mijn water wil zich vastzuigen aan mijn stukjes stof. En ik weet dat alles anders zal gaan dat zij willen. Straks ben ik – zijn wij – onderdeel van iets…’ Opeens praat de wolk niet meer – haar woorden zijn opgelost.

Ik loop door, ontspannen, zondagachtig. De zon blijft schijnen, zo vaardig dat ik mijn jas opendoe. Als ik even later omkijk zie ik geen dunne, zilveren wolk meer. Op haar plek cirkelt een groep meeuwen. Hun bladeren blinken in de zon. Wat verderop glanzen naast de reguliere populieren een paar populieren waarvan de laatste blaadjes zilver zijn.

Ik loop verder, negeer dat ik eigenlijk moet plassen, negeer al die mensen om me heen (zucht) en loop Dubbeldam in, de prachtigste wijk van Dordrecht. Hier uiten de bomen vlammend hun dankbaarheid voor het seizoen dat voorbij is. Rood en geel overweldigen ze me met hun schoonheid.

Waar de takken kalend zijn, zie ik opvallend vaak kauwen zwart en plechtig bij elkaar zitten. Ik ben als in mijn kindertijd jaloers op ieder wezen dat deel kan zijn van een boom, maar de kauwen glimlachen niet. Misschien zijn zij zich deze zonnige zondag bewust van de druilerige december die komt. Of ze maken plannen om de winter te overleven. Of ze zien dingen die ik niet overzie. Mijn gedachten dwalen af naar kauwen die erin slagen hun kennis over te dragen aan mensen, die rondspeuren naar mannen of vrouwen die ze kunnen vertrouwen met hun geheimen.

Dan worden mijn gedachten minder vaag. Ik geniet van mussen in de struiken, die elegant voor me vluchten. Ik laat de zon me kussen. Ik geniet. Totdat ik in het Land van Valk loop en ik een parkiet zie zitten in een struik. Samen met een maat vliegt hij snel bij mij vandaan, de straat over. Dit past niet in mijn herfstplaatje. De betovering is verbroken.

Kijk uit: overstekende koeien. Of mensen. Of geiten of slangen of apen.

Op de Long Tom Pass

Met mijn gastvrouw in Zuid-Afrika ben ik op weg naar Hazyview. Op de snelweg zien we regelmatig waarschuwingsborden voor overstekende koeien. En inderdaad: na een tijdje staat er een auto van de Zuid-Afrikaanse Rijkswaterstaat langs de weg. Een man zwaait met een rode vlag terwijl koeien aan bermgras snuffelen. Ik vraag me af of stieren opgefokt raken van die rode vlag.

Opvallend is dat er ook borden zijn die waarschuwen voor overstekende mensen. In Nederland zou het verkeer stilgelegd worden, maar hier wandelen tientallen mensen langs de snelweg. Sommige lopen er drie generaties: vrouwen met een kind op de rug en een oudere vrouw bij hen. Ze steken ook over, heel op hun gemak.

Bij ons beginpunt Pretoria waren de velden dor van de lange droge winter die nu lente aan het worden is. Wij zijn inmiddels in de buurt van Dullstroom. De heuvels worden hoger en groener. Er zijn veel Nederlandse namen op de borden, maar het landschap doet aan als Welsh, Frans of Duits. Even moeten we inhouden voor overstekende geiten. Dat voelt Afrikaans.

We naderen de Long Tom Pass. Op een smalle weg waar vrachtwagens moeizaam voortsukkelen, maken we hoogte. Ik zie bokken langs de kant, met ertussen één aap. Ik zeg het maar niet tegen mijn gastvrouw: ik vrees dat de hitte me in de bol is geslagen.

Hoger klimmen we, alsmaar hoger. Ik kijk dieptes in die lijken op Amerikaanse canyons; even later is het landschap weer Europees: eindeloze naaldbossen op heuvels die nu Oostenrijks of Zwitsers aandoen.

We klimmen tot twee kilometer hoog en stoppen even. Lager is het dertig graden, maar hier verkoelt mijn vriend de wind me. Ik kijk uit over heuvels waar al mensen liepen toen Europa nog een woeste leegte was.

We dalen af. Alles lijkt plots anders. Nog steeds naaldbossen, maar langs de weg groeit manshoge aloë vera. Mijn gastvrouw vertelt me dat we nu in subtropisch gebied zijn. ‘Je kunt hier apen zien oversteken.’ Aha, ik ben toch niet gek! Langs de weg verschijnen bananenplantages en koffiestruiken. Hier groeien ook mango’s. Het klinkt lekker allemaal.

We reizen naar Lone Creek Waterval. De naam klopt: mijn gastvrouw zegt dat het hier altijd druk is, maar wij zien maar één stel, dat al snel verdwijnt. De waterval is hoger dan meerdere flatgebouwen. Hij stort zich neer over scherpe rotsen die bedekt zijn met groen. Even vergelijk ik – met dank aan CS Lewis – de waterval met Christus die zich uitstort om ons allen leven te brengen. Als we terugkeren denk ik de beek waarin de waterval uitkomt bruisend te horen juichen.

Nog een uurtje rijden we. Een groene boomslang midden op de weg richt zich dreigend op. De gastvrouw rijdt net niet over hem heen. En dan rent er een aap de weg over. We zien hem gelukkig allebei. Het is geen fantasie van mij.

Het hotel waar we arriveren is ook geen fantasie, maar wel bijna: appartementen omringd door hoge palmbomen die wiegen in komen warmte. Op een terras zien we het donker worden in de bergen. Lampen fonkelen als sterren. Het is maandag 7 oktober, het is nog warm, krekels kletsen met elkaar, een kikker brult om aandacht, vogels schreeuwen. Wat een droom.

Turbulente vakantie

Op het moment dat ik dit schrijf ben ik nog geen drie hele dagen in Zuid-Afrika. En ik heb het gevoel dat ik hard toe ben aan vakantie.

Ik landde maandagavond laat, na de nodige vertraging en turbulentie. Maar de echte turbulentie moest nog beginnen. Eerst is het wennen aan het appartement dat ik tot mijn beschikking heb: voor de deuropening zitten tralies en ook voor het raam. Mijn gastvrouw waarschuwt me om nietemin niets te dicht in de buurt van het raam te laten liggen.

Dinsdagmorgen zit ik moe in de auto. Ik probeer te wennen aan linksrijdend, druk verkeer, waarvan ik de indruk heb dat het een logica volgt, maar wel eentje die ik nog niet begrijp. Langs de weg beginnen jacarancabomen te bloeien, in prachtig paars. Het gras is dor, de huizen luxeus en de hekken eromheen hoog en intimiderend.

Langs de weg zie ik veel zwarte mensen te voet op weg. Sommige hollen, anderen lopen traag en gracieus. Tussen de auto’s door, bij verkeerslichten, lopen ook mensen, bedelend of reclamefolders uitdelend waarvan ik niet de indruk heb dat iemand ze aanpakt. Achterin open pick-up trucks zitten zwarte mannen, op weg naar hun werk. Hun blikken zijn ver weg, hun ogen ondoorgrondelijk. Overal zijn er ook standjes van wat voor mij prullaria zijn. Ik zie een vrouw met een kleuter onder een parasol bezems verkopen. Anderen leunen in de zon tegen die hoge muren. Dat van die zon klinkt misschien aangenaam. Maar niet als je op zand zit, zonder beschutting, tussen het afval van anderen.

Woensdag wordt het nog turbulenter. We gaan naar Mamelodi, een township van Pretoria met meer dan twee miljoen mensen. Onderweg zie ik een hele gemeenschap langs de weg: weer overal standjes; zelfs kappers doen hun werk naast voorbijrazende auto’s. Naarmate we dichter bij Mamelodi komen, wordt het steeds drukker. Het wordt ook steeds armoediger. Ik zie huisjes van metaal. Die kende ik tot nu toe alleen van tv. Waar wel “echte” huizen staan, zijn de hekken weer hoog.

We rijden Mamelodi in. Soms lijken de huizen op de huizen van woonwagenkampen in Nederland. Mijn gastvrouw zegt: ‘Dat betekent niet dat de bewoners het nu goed hebben, alleen dat ze ooit geld hadden. Misschien hebben ze nu niets te eten.’ Ze vertelt over een vrouw die ze ooit bezocht in Mamelodi, die lag te sterven op een matras op de grond, onder een deken bedekt met kots.

De straten worden smaller, er zijn steeds meer mensen, allemaal zwart. Ik vraag me plots af of ik medelijden heb met de armoede of dat ik me stiekem bedreigd voel tussen allemaal mensen die anders zijn dan ik. Ik zie een meisje van een jaar of zeven, in een rood schooluniform, en vraag me af of zij veilig is.

En dan rijden we Meetse a Bophelo op, wat zoiets betekent als: Stromen van levend Water. Het voelt alsof we een oase inrijden: het hoge hek sluit achter ons, er is groen gras, nette, schone huizen. Hier is de naschoolse opvang van kinderen die extra zorg nodig hebben. Al snel komen de kinderen binnen: kleine jongens, stoere jongens, een basisschoolmeisje met het postuur van een 16-jarige, kinderen die nog maar net kleuter af zijn.

Schoenen worden uitgetrapt, sokken volgen. Er wordt gespeeld. De kinderen krijgen een warme maaltijd, moeten hun tanden poetsen, krijgen de kans om nog even door te spelen. Er ontstaat een voetbalwedstrijd die spannender en leuker is dan alles in de Champions League. Bloedfanatiek gooien de spelers zich in de strijd. Een van de keepers ligt in zijn doel, blijkbaar als enige ontspannen, maar zodra de tegenstanders dichterbij komen, houdt hij iedere bal tegen. Zijn doeltrap leidt uiteindelijk tot de enige goal.

Het officiële programma begint met bidden en zingen. Zingen wordt al snel dansen, met een energie en elegantie waar ik kippenvel van krijg. Dan is het tijd voor de les en hulp bij het huiswerk van school. Ik weet dat sommige kinderen hiv hebben. En de kinderen die het niet hebben, hebben allemaal familie die het heeft. Maar ik heb steeds minder medelijden. Mijn gastvrouw zegt: ‘Ze hebben kracht, juist in de moeilijke omstandigheden. Ze zijn niet zo bezig met dromen voor de toekomst; ze zijn bezig met het nu.’

Als we teruggaan naar Pretoria, is het al donker. Langs de weg (zonder straatverlichting) doemen steeds opnieuw lopende, bijna onzichtbare mensen op. Het blijft druk, ook in het duister. Ik denk: Deze mensen zijn wel samen, niet alleen, zoals zoveel Europeanen. Mijn gastvrouw zegt: ‘Je kunt ook arm zijn als je geen vrienden hebt en alleen maar bezig bent met geld verdienen.’ Ze heeft gelijk. Maar ik voel me nog steeds turbulent. Ik ben stiekem blij dat ik de komende dagen toerist mag spelen: dat ik gebouwen of wilde dieren mag bekijken in plaats van mensen.

PS: Meer weten over Meetse a Bophelo? Klik dan hier.

Op de Voorstraat

Eind augustus begon mijn Japanse les weer. Eindelijk. Het is geweldig – en frustrerend – om woorden te leren die zo ver van je af staan dat je geen enkel kader hebt om ze gemakkelijk te onthouden. En het is nog geweldiger – en frustrerender – om te proberen om die woorden ook echt te gebruiken.

De wandeling naar en van Japanse les is ook de moeite waard. Mijn docente, Mamiko, zit helemaal aan het begin van de Voorstraat, zo dicht bij de Grote Kerk dat het gebeier bijna onheilspellend hard is (alsof God je een laatste kans geeft voordat Hij het oordeel aankondigt). Ik loop zo’n beetje heel de Voorstraat af om er te komen.

Op de Voorstraat (zo zegt een echte Dordtenaar het; niet IN de Voorstraat) is er altijd leven; er gebeuren vaak dingen die ik niet verwacht. Vooral ’s avonds voel ik me er niet extreem veilig, maar dan zijn wel de meest interessante dingen te zien.

Na de eerste les in augustus is het nog licht als ik om negen uur op weg naar huis ga; de warmte hangt nog in de straat. Ik kom twee jongen vrouwen tegen, gehuld in kogelwerende vesten. Ze hebben het vast vreselijk warm. Werken bij Handhaving moet een vreselijke baan zijn. Wat je naar je hoofd geslingerd krijgt als je auto’s controleert, gaat dwars door je kogelwerende vest heen.

Rond negen uur sluiten alle snackbars. Heel fijn, want ik ben vaak in de verleiding geweest om er binnen te stappen. De bars zijn allemaal nog open. Deze avond zijn de terrassen vol. Maar mijn blik gaat een café in. Daar zit Johannes Vermeer. Of is het Rembrandt van Rijn? Echt, daar zit een clichébeeld van een schilder van een paar eeuwen geleden: lang krullend haar, spitse baard, intense blik. Alleen het pallet ontbreekt.

Verder maar weer. Het zou raar zijn als ik dat café in stap en de schilder vraag sinds wanneer we tijdmachines hebben. Er wandelen mij wat Oost-Europeanen tegemoet. Ik vind mezelf walgelijk bevooroordeeld als ik in hen pogromleiders zie.

Deze week, bij de laatste les voor mijn vakantie, is het al helemaal donker als ik om negen uur naar buiten stap. ‘Regent het nog, Els?’ roept mijn medecursist achter mij aan. Gelukkig is het droog.

Bijna onmiddellijk loopt er iemand achter me, onrustig, te dicht bij me. Ik zeg tegen mezelf dat ik ontspannen ben, maar ik ontspan pas echt als hij me voorbij snelt. Een jonge jongen in trainingspak. Zonder woorden verontschuldig ik me voor nieuwe vooroordelen.

De snackbars zijn weer allemaal al dicht, maar her en daar lopen nog wat mensen. Zoals altijd verbaas ik me erover dat ik het wel nodig vind om opzij te gaan, maar de meeste andere mensen niet. In Japan houden mensen op straat een stuk meer rekening met elkaar.

Vlak voorbij de Augustijnenkerk staat een man met een fiets op de stoep. Weer eentje die niet opzij gaat, denk ik. En terwijl ik dat denk, ziet de man me en schuift zijn fiets opzij. Hij glimlacht naar me, bijna verlegen, of trots, omdat hij ook rekening houdt met anderen. Ik glimlach terug.

Ik ben hem bijna voorbij als hij zegt: ‘Mag ik u wat vragen, mevrouw?’

Mijn grapje naar vrienden zou zijn: ‘Dat doe je al,’ maar ik zeg: ‘Dat hangt ervan af wat u gaat vragen.’

De man heeft kroezend haar en prachtige donkere ogen, groot, glanzend maar ook weemoedig. Als hij praat zie ik dat hij zijn voortanden mist. ‘Hebt u misschien wat geld over voor een dakloze?’

‘Ja,’ wil ik zeggen, maar ik heb nooit contant geld bij me. Dat vind ik slim van mezelf, want zo word ik niet verleid tot impulsieve snoepaankopen. Nu baal ik van mezelf. ‘Nee,’ zeg ik. ‘Het spijt me.’ Ik meen het echt, vooral als ik de teleurstelling in zijn ogen zie, teleurstelling die hij vast heel goed kent.

Ik loop door. Ik zie een jonge vrouw richting een café lopen, op hoge laarzen waarvan ik zelfs in het donker zie dat ze geel zijn. Haar pas is aarzelend, haar gezicht drukt walging uit, alsof ze iets gaat doen dat ze helemaal niet wil. Vreselijke scenario’s gaan door mijn hoofd.

Ik loop door. Het regent weer.

De Stooplaan in september

Photo by Gian Guinto on Unsplash

De eerste maandag en dinsdag van september liep ik in de avondschemering door straten die ik mooi vind, maar waar ik te weinig kom.

Op beide avonden dwaalde ik vanaf het Halmaheiraplein naar huis. Ik kwam door de Bankastraat, waar de bomen en de huizen niet meer jong zijn. De bomen hellen over, misschien door hun leeftijd. Sommige lijken te groot voor een stad. De huizen uit de jaren dertig zijn bescheiden en de tuinen zijn klein, maar ze geven een gevoel van geborgenheid. Je gelooft dat je er een mus kunt zijn die onder een dakpan een veilige slaapplek vindt. Dat gevoel heb ik niet in de Vogelbuurt die zich rechts achter de Bankastraat uitstrekt, waar de straten vuil zijn en waar dingen gebeuren die opkomen in de gedachten van vervuilde zielen. Maar links van de Bankastraat heb ik het gevoel ook niet, in de nettere Indische buurt. Die buurt lijkt vaak onverschillig.

Aan het einde van de Bankastraat steek ik de nieuwe rotonde op de Oranjelaan over. Gelijk er voorbij houd ik stil bij dieporanje Afrikaantjes. Ik voel me opeens duizelig: aan het eind van hun bloei zijn hun bloemen overdadiger, uitbundiger, mooier dan ik dacht dat Afrikaantjes kunnen zijn. Wat aarzelend stap ik de Stooplaan in. Ik heb al een voorgevoel van wat er gaat gebeuren: nu de zon werkelijk onder is maar de nacht de wereld nog niet opeist, nu het laatste licht tovenaarskracht krijgt, wil de wereld me betoveren.

De Stooplaan heet met recht een laan. De tuinen zijn groter, de bomen statiger; het laatste licht is plechtig, eerbied opeisend. Ik geef het die eerbied: nu de herfst nadert, het licht niet meer hard is en de hitte verdwenen is, lijken de ranke takjes van bloemen als elfjes die echter zijn dan wat de Efteling op dat gebied produceert. Heel stilletjes loop ik verder. Als ik af moet slaan naar rechts, kijk ik naar links. Ik sta nu echt op de grens van dag en nacht: in de ernstige schemering lijken de kastanjes van de dijk pilaren van een poort naar een andere wereld. Ik geloof niet echt dat zich achter de Groenedijk alleen het Merwestein Park uitstrekt. Duizelig maar gelukkig zoek ik mijn eigen straat en huis op. Ik weet weer waarom de herfst me verrukt.

En dan wordt het gewoon woensdag, met werk en een slecht humeur (die twee hebben overigens niets met elkaar te maken). Als ik in de middag naar huis loop, holt de wind voor mij uit door de populieren door de Noordendijk. De wind die de populieren lastigvalt kan een fijn geluid zijn, maar mijn hoofd vindt dat vandaag niet. Ik neurie een zelfgemaakt liedje: ‘Let me fly away, like a leaf in autumn.’ Het liedje escaleert al snel. Ik fluister: ‘Let me be like a snowflake in spring.’

Maar ik wil geen blad meer zijn dat zich willoos laat meevoeren door de wind. Ik wil de somberheid in mezelf beheersen. Stel dat ik een afgevallen blad ben, dan gaat het er niet om dat ik voor eeuwig wegwaai en verdwijn in een wolk die boven zee uiteenvalt als een bui. Als ik een blad ben, dan kan ik me maar beter voorstellen dat ik langs de stoep neerval op vruchtbare aarde en een insect mij kan gebruiken als een deken om onder te overwinteren. En als ik tot een nerf verga, wat te aanlokkelijk kan lijken, dan dien ik me te herinneren dat ik zo voeding word voor de planten van het nieuwe jaar.

Al snel voel ik me wat beter. Willoos meewaaien met je gevoel is minder aantrekkelijk dan het jarenlang heeft geleken. Of het nu mijn calvinistische aard is of niet, ik vind het aangenaam dat ik er in slaag mezelf tot de orde te roepen. Met stevige tred loop ik door. Maar mijn gevoel loopt sneller – al snel haalt het me in, met zijn zelfde dreinende deuntje over weggewaaide bladeren en gesmolten sneeuw. En dan denk ik aan de maandag en dinsdag. Ik denk aan de Stooplaan in september, aan de glorie van de Groenedijk. Mijn gevoel glimlacht. Het blad is werkelijk aan de wind ontkomen.

De wereld voorbij de grenzen van de slaap

Foto: Zdeněk Macháček on Unsplash

Ik sta in mijn pyjama in de deuropening, mijn telefoon in handen. De zon verheft zich uit het water en eist dat ik haar fotografeer. Ik wil niet anders. Wat is ze mooi: gigantisch groot en rood als de prachtigste rozen. Dan knipper ik met mijn ogen: de zon verblindt me.

En ik ben wakker. Het is half 4. Om half 3 was ik eindelijk in slaap gevallen. Dit is de negende nacht waarin de vergetelheid niet naast me wil liggen op mijn bed. Ik tuur met zere oogleden naar het zwarte plafond.

Ondanks het slaaptekort gaat werken die dag best aardig. Ik doe zelfs meer dan ik had gedacht. Als iemand doorvraagt naar hoe het met me gaat voel ik even tranen in mijn ogen, maar die knipper ik weg.

Onderweg naar huis merk ik dat de wereld mooier is geworden. Op de dijk praten alle blaadjes. Niet met elkaar: ze kletsen met miljoenen door elkaar heen en ik zie ze allemaal individueel bewegen. Verderop staat frisgroen onkruid. Het is maar een paar centimeter hoog en toch sta ik eronder, naast een muisje dat een gesprekje met me voert. Bijna ben ik terug in mijn kindertijd.

Ik dwaal verder en geniet: zonnestralen die door de frisse wind alle kanten uit worden geblazen, de geplukte braam die heerlijker is dan gebak. Ik begin me langzaam te realiseren dat slaaptekort voordelen heeft: je wordt er high van. Op dat moment knal ik tijdens het oversteken bijna tegen een fietser die ik totaal niet heb gezien – dat dan weer wel. Maar even verderop hoor ik de wind als een vriendelijke draak door de populieren ruisen en droom ik verder.

Ergens weet ik wel dat ik niet mezelf ben. Mijn ringtone voor WhatsApp klinkt alsof ik iemand het tweede woord hoor zeggen van: ‘Nanika nomimasenka’ (‘Wil je iets drinken?’ in beleefd Japans). Ik heb ’s avonds thuis een vergadering over een magazine van de kerk. De aanwezigen zijn gezellig, maar misschien vind ik het wat té leuk. Ik lach te hard en vind het bijna onmogelijk om daarmee te stoppen. En waarom kan ik een eenvoudig woord als “bordje” niet meer uit mijn mond krijgen? Het is vast goed om te gaan slapen.

En dat slapen lukt zowaar. Twee uur lang. Dan is het middernacht en hoor ik buitenlandse muziek. Vast van de jongeren die vaak ’s avonds in de straat in hun auto’s chillen. Even ben ik zo kwaad dat ik me kan voorstellen dat ik op Geert Wilders zou stemmen. De slaap is weg en iets anders komt er voor in de plaats: de donkere uren waarin ik niet high ben, de uren waarin mijn hoofd eindeloos met zichzelf discussieert. Over boeken die klaar zijn om naar uitgeverijen te gaan terwijl mijn zenuwen daar nog niet klaar voor zijn.

Uiteindelijk, na half twee, slaap ik toch nog even. Ik word wakker van de wekker en stel me voor dat er een politieke partij wordt opgericht die alle wekkers het land wil uitzetten.

De zon is net op als ik buiten stap, wel groot, maar niet rood: ze is zo bleek als ik me voel. Op de kade liggen blikjes, omhulsels van gegeten noten en verpakkingen van McDonald’s. Kauwen pikken eraan. Er dwaalt ook een collectie jonge Egyptische ganzen over de kade, mager en met hoog opgetrokken poten, alsof lopen nog nieuw voor ze is. Ze gaan schuchter voor me opzij, maar er is er slechts één die echt opvliegt.

Ik loop verder en hoor eksters. Voor het eerst valt het me op dat die Chinees praten. Ik moet nog moeier zijn dan ik me voel. Op de Noordendijk lukt het me niet eens meer om te denken. Dat is op zich niet erg – lekker rustig als er niemand tegen me praat. Bij het Vlij (wat een geweldige naam is dat toch) dwaalt er lichte mist op het water. Dat geeft precies weer hoe het er in mijn hoofd aan toegaat. Voor het eerst sinds al die jaren dat ik er loop valt het me op dat de stoep heuvelachtig is: ik moet uitkijken dat ik niet struikel over oneffenheden – of grassprietjes. Op een verkeersbord zit een kraai, die toekijkt terwijl ik stuntel. Dan lacht hij en vliegt weg. Het wordt denk ik een lange dag.  

Een onzichtbaar, zichtbaar, gesloten of toch open boek

Komende december ben ik tien jaar in dienst bij (Vrienden van) De Hoop. Er is één iemand die tien jaar geleden al op dezelfde afdeling werkte als ik en dat nu nog steeds/weer doet. En juist die collega vroeg zich af of ik in staat zou zijn over haar een column te schrijven. Ha! Een boek zou me ook lukken, Ellen Brouwer.

Eigenlijk kwam ik al elf jaar geleden naar de afdeling Media, als cliënt van De Hoop die “een paar maanden” werkervaring zou opdoen. Maar toen was Ellen met zwangerschapsverlof. Ze was een onzichtbare collega. In de jaren erna bleef ze dat een beetje. Ellen is een vormgever. Vormgevers zijn ook mensen, maar ze zijn… anders.

Er waren in mijn begintijd twee vormgevende cliënten, en die waren zo temperamentvol dat ik bang voor ze was. Ze gaven ook aan hun emoties nogal duidelijk vorm. De professionals waren vriendelijk, maar stonden niet dicht bij me. Ik trok meer op met de schrijvers. Er was één uitzondering, een oudere man met wie ik goed kon praten. Maar juist hij zei ooit iets tegen een cliënt dat me zo raakte dat ik mijn geringe moed bij elkaar verzamelde en hem vertelde dat hij zoiets niet kon maken. Ellen zat erbij. Haar enige opmerking was: ‘Ik vind dat hij gelijk heeft.’ Ellen is een Zeeuwse, en ik ken de Zeeuwse leus over dat worstelen en boven water komen. Ik had het niet erg gevonden om haar even onder water te laten worstelen. Ik ademde diep in en hield me voor dat Zeeuwen stug zijn. Of bot.

Mijn veilige-nest-jaren bij Media kwamen ten einde. Mensen met verder reikende blikken dan ik vonden dat ik voortaan het magazine van De Hoop bij Vrienden van De Hoop moest gaan schrijven. Vreselijk vond ik het. Ik ging weg bij mensen die me nader stonden dan sommige familieleden. Het werd nog erger: de afdeling Media werd opgeheven. Mijn familie ging verhuizen naar een ver land, en ik mocht niet mee.

Ellen werd ook achtergelaten. Ze ging voortaan vormgeven bij Vrienden. Daar werd ze niet blij van. Dat wist ik wel, ook al zei ze er niet er veel over. Ze zei sowieso niet veel toen ze eenmaal op de afdeling zat. Ik zag vanaf mijn eigen werkplek nog net haar kuif boven het grote Apple scherm waarachter ze zich verborg.

O, wacht, even een kleine zijweg in. Voor de duidelijkheid: die kuif is heel stijlvol. Dat is zo irritant aan Ellen, dat alles bij haar altijd een mooie vorm heeft. Ellen gaat naar een winkel vol tweedehands spullen waar ik alleen lelijkheid zie en komt terug met een prachtig plantenpotje. Ellen draagt prints en leer, en wat bij een ander kitsch zou zijn is bij haar stijlvol. Planten die bij mij doodgaan, groeien als zij ze aandacht geeft. Zij geeft tegenwoordig de planten water op de hele afdeling, en we werken nog net niet in een oerwoud.

Ellen bleek ook te kunnen praten. Wow, een Zeeuw die grapjes maakte (over heksen, dat wel, met de suggestie dat een bezem best een goed vervoersmiddel voor mij zou zijn). En toen – nog een keer wow – ging ze ook af en toe over zichzelf praten. Bijvoorbeeld over hoe moeilijk ze verandering vond. Het werd me duidelijk dat ze niet een botte maar een verlegen, soms angstige Zeeuw was.

Ik zag Ellen werken met cliënten. Dat deed ik zelf ook, en ik werd er soms moedeloos van, maar Ellen gaf het energie. Zij heeft een diepe passie om ze verder op weg te helpen. Dat is het uitgangspunt bij alles wat we doen, en dient belangrijker te zijn dan de dagelijkse drukte. Bij haar is het echt zo.

Ellen werd steeds eerlijker. Ze vertelde dat ze het niet leuk vond als ik fronsend op haar af kwam lopen – het riep associaties bij haar op die niet aangenaam waren. Ze praatte over haar gezin. Ze vertelde over haar zorgen, maar ik zag ook haar nuchterheid. Ze liet zich niet meeslepen door stress, kwam in actie voor haar kinderen en kon nog steeds lachen. Ze is geen stugge Zeeuw. Ze is een eerlijke Zeeuw, en daardoor een machtig mooi mens.