Geweldig grauw?

Mooi weer tijdens de coronacrisis – dat gaat ook na zes weken niet vervelen. Maar toch begon ik me een beetje zorgen te maken over het groen van de bomen en de bloemetjes in het gras. Hoe lang gingen ze dat volhouden zonder regen? Gelukkig werd er afgelopen week het nodige aangevuld.

Wat is het toch dat regen wel snel verveelt? Ik probeer het gevoel niet toe te laten. Buienradar is mijn nieuwe oude vriend: ik houd hem goed in de gaten en wandel in verscholen uurtjes als de wolken elders aan het rollebollen zijn.

En ik probeer de schoonheid te zien van regen. De bladeren worden nog groener (denk ik). Als na de regen de zon haar stralen zacht te voorschijn tovert, klemmen druppels zich tegen mijn ramen alsof ze geen afscheid willen nemen. Ze blinken alsof ze heel goede vrienden zijn.

En toch… in het weekend voel ik me onbestendig. Ik heb twee maanden Bookchoice cadeau gekregen van mijn energieleverancier en heb een hele stapel boeken gedownload. Op vrijdagmiddag en zaterdagmorgen begin ik in vier verschillende boeken en stel ik vast dat ik niet geïnteresseerd ben in iemand die verraden wordt door haar vriend en beste vriendin. Ik wil ook niet weten wat er nou gebeurd is met die moeder die spoorloos verdween toen de hoofdpersoon twee was. Ik ben zelfs niet geïnteresseerd in het 18-jarige meisje dat naar Batavia wordt gestuurd om te trouwen met een onbekende en kinderen te baren.

Op zaterdagmorgen hagelt het. De hagelkorrels zijn geen goede vrienden; ze slaan dan wel op het raam, maar ik peins er niet over ze binnen te laten. Er klinkt een harde vloek: één onweersdonder. Ik ben niet onder de indruk. De wolken verdwijnen, nog steeds geïrriteerd. Ik denk over wandelen, check met mijn vriend Buienradar en de wolken komen snel terug, om nog wat tranen op de ramen te plakken.

Een uur later, als ik mijn ereader walgend terzijde heb geschoven, wandel ik alsnog. Ik zeg gedag tegen een vrouw uit de kerk, een collega, de voorzitter van een bestuur waar ik weleens contact mee heb, en ik maak een praatje met een postbode die ik ken. Dit alles in het eerste kwartier dat ik onderweg ben. De grauwe wolken dwalen met mij mee, maar regen krijgen ze niet meer uit zichzelf geperst.

Over een dijk loop ik naar een andere dijk. Wat is het heerlijk rustig – bijna geen onbekenden om me aan te ergeren. Misschien vind ik daarom al die boeken niet leuk: omdat ik mensen momenteel vaak echt niet leuk vind. Die gedachte laat ik natuurlijk meestal niet toe in mijn hoofd, maar het is wel zo. En nu, tijdens corona, als wandelen vaak Tetris spelen is, als je opzij moet gaan voor mensen die je wat neerbuigend aankijken terwijl zij naast elkaar lopen en niet voor jou opzij gaan, nu zijn mensen nog irritanter dan anders. Daar – ik heb het hardop opgeschreven.

Wat later loop ik naar de Amaliabrug, vlak voordat ik “mijn” Wantijpark inga. Even kijk ik achter me: er loopt niemand op de dijk. Voor me loopt niemand me tegemoet over de brug. Over het zijweggetje loopt heel ver weg één jogger. Echt, die dreiging van regen is heerlijk! Bijna juich ik.

In het park zeggen mijn vrienden me zonder woorden gedag. De ceders wuiven. Een els staat naar het water te staren en mompelt iets over Psalm 1. De meerkoet op haar nest, die ik iedere dag zie, toont me haar roodpluizige kuikens. Vader zwemt naar me toe om te horen hoe mooi ik ze vind. Een vriendin die snapt wat ik voel in een park appt en ik vertel wat er gebeurt en zij geniet mee. Ik adem diep in en voel fluitenkruid-en-verse-bladeren-rust. Ik sta even stil onder de kastanje om me daar nog meer bewust van te zijn.

Dan loop ik verder. Een vrouw met een hond loopt me tegemoet. Ik zeg haar vriendelijk gedag. Ze kijkt langs me heen en roept haar hond. Ik vraag me af of er een mogelijkheid is om te veranderen in een els, of een eik, of een kastanje. Ik wil ook wel een golfje zijn in de vijver, die nooit ergens over nadenkt en niet weet dat er mensen bestaan.

De geur van fluitenkruid

Veld met fluitenkruid

De wind is een aso. Dat heb ik al vaak gezegd, en meestal zorgt de wind er dan voor dat ik spijt krijg van mijn vrijmoedigheid. Maar dit weekend zorgde de wind ervoor dat ik bevestigd werd in al mijn vooroordelen.

Het is afzien met corona, maar over het weer mogen we natuurlijk niet klagen (mensen met hooikoorts uitgezonderd). De wind blaast warmte naar ons toe. We leven qua natuur in een niet al te slechte imitatie van die welbekende tuin in Eden.

Maar dit weekend was er opeens erg weinig meer te merken van de warmte die de wind geregeld had. Ik had een afspraak om koffie te drinken, keurig op anderhalve meter afstand, bij een bankje aan de haven. Dat klinkt paradijselijk, maar toen we er zaten huiverde mijn gezelschap in haar jas, en ik huiverde omdat ik had aangenomen dat ik geen jas nodig had. Af en toe ranselde de wind me met koude druppels in mijn nek, voordat er goedgunstig een verlegen zonnetje werd toegelaten.

Op zondag zat ik tot mijn eigen verrassing op datzelfde bankje. Goede vrienden die ik al veel te lang mis, waren de afwezigheid over en weer ook beu, dus we spraken daar af. De avondzon gooide haar laatste stralen op het bankje, maar ze verdween snel. De wind liet alvast voelen hoe de nacht zou zijn. We warmden ons aan elkaars gezelschap, maar een stevige potkachel was effectiever geweest.

Maandag had ik het voorrecht om naar kantoor te mogen. Ik had vorig jaar – of twee maanden geleden – niet kunnen bedenken hoe heerlijk ik dat zou gaan vinden. Wat fijn om tussen collega’s te werken. Oké, iedereen zit in een andere kamer, maar in deuropeningen heb je in ieder geval écht contact.

Toch bibberde ik weer toen ik aan het einde van de dag naar buiten stapte. Niet omdat ik mijn collega’s al zo miste – ook ik moet niet te melodramatisch doen. Ik had weer de keuze gemaakt om geen jas aan te doen, en dat was alweer niet slim. De wind lachte snerpend. De wind trok aan mijn trui, betastte hem en stelde vast dat hij dikker had moeten zijn.

De wind had met niemand veel geduld. Geïrriteerd trok de wind de laatste bloesem van kersenbomen, alsof de wind genoeg had van al die tere schoonheid. Pijnlijk. Voor de Japanners is de kersenbloesem symbool voor de vergankelijkheid van schoonheid. Zij genieten ervan zolang het er is. Ik vind het ieder jaar weer lastig om er afscheid van te nemen.

Maar gelukkig had de drukdoenerij van de wind ook voordelen. Toen de wind zich op een paardenwei vol fluitenkruid stortte, werd de geur van het veld als een overdosis aangenaam aroma mijn neus in geduwd. Ik liep opeens rechter op. Ik voelde me gelijk enthousiaster, alsof ik lente in mijn aderen had gespoten.

Ik maakte een omweggetje naar het Kruidvat en voelde me zo opgefrist dat ik me er niet aan kon ergeren dat ik daar voor de zoveelste keer niet vond wat ik zocht (en dat er allerlei klanten rondliepen die het niet belangrijk vonden om afstand te houden). Het enige wat ik jammer vond is dat ze er de geur van fluitenkruid niet verkopen, in een flink grote spuitbus.

Terug op de dijk was ik weer alert. Mijn humeur moest niet te mild worden: de wind was dat namelijk ook nog steeds niet. Aan de voeten van populieren zag ik dikke takken liggen, op elkaar als in ongepaste openbare intimiteit, maar in werkelijkheid voor altijd dood.

Wat verderop, hoger op de dijk, behandelde de wind mij alsof ik kersenbloesem was. De wind trok, blies, klaagde en zeurde. Of was dat mijn interpretatie? Was de geur van fluitenkruid uitgewerkt? Nodigde de wind me juist uit om mee buitelen? Wilde de wind me plekken laten zien waar ik nooit zal komen zolang ik mijn voorzichtige instinct volg?

Ik had geen antwoord. Maar ’s avonds, thuis in een warme woonkamer, keek ik naar de haagbeuk voor mijn raam. De wind leek nog toegenomen: de takken zwiepten alsof ze iemand wilden slaan. Maar op een van die takken was een nest gemaakt, en in dat nest zat een duif op haar eieren, heel gerust in de wind.

De laatste dag in een winterjas

Zaterdag. Ze zeggen dat het zondag warm wordt, twintig graden maar liefst. Maar ik ben in mijn winterjas op weg naar het park. Langs het Wantij huiver ik: de wind die over het water geblazen wordt is onvriendelijk.

Als ik bijna bij het park ben, denk ik niet meer aan kilte en kou. In de laatste straat voordat ik er binnenga wuift een ribes haar zoete lucht naar me vanaf haar roze bloemen. Wat verderop zie ik bomen waarvan de knoppen bijna exploderen, als geel en rood vuurwerk.

Ik stap het Wantijpark in. De poort is al prachtig, onderverdeeld in metalen vakken waarop gestileerde planten en vogels staan afgebeeld. De schoonheid erachter is nog mooier: een kort laantje met statige kastanjes die me plechtig welkom heten. Dan naaldbomen die er nog oud en winterachtig uitzien, maar waarin de vogels al lente vieren.

Gisteren was ik ook in het park, maar er is weer meer groen en de geuren zijn sterker. Het is echt lente aan het worden! Bij mij is het ook lente. Ik zing – inwendig – een dankliedje voor mijn Schepper. Dan vieren mijn ogen feest terwijl ze het milde blauwe vijverwater bekijken, waarop zwanen zweven, al net zo plechtig als de kastanjes. Mijn hart voelt zich niet plechtig.

Een stukje voor me uit loopt een gezin: vader helemaal rechts op het pad, moeder helemaal links, en twee meisjes in identieke roze jassen ertussen in. Tegemoetkomende hardlopers moeten door het gras om “social distancing” in stand te houden. Ik erger me de laatste weken wat te veel aan allerlei mensen die denken dat alleen anderen de regels in stand moeten houden (vooral nadat een man me bijna overhoop liep en me toesnauwde dat ik aan de verkeerde kant van de weg liep), maar vandaag weiger ik geïrriteerd te raken. Ik kijk naar de blauwe lucht. Ze is anders blauw dan de afgelopen dagen: niet het blauw van koude nachten, maar het blauw van warmer wordende dagen.

Gewoonlijk loopt mijn dagelijkse rondje het park uit, de dijk op. Ik overweeg dit keer in het park te blijven, dat voelt als een bos waarin ik kan verdwalen. En op de dijk zijn meestal irritante mensen. Maar ik wil groter blauw water zien, dus ik doe toch mijn vaste rondje maar. Het is gelukkig best stil op de dijk. Een uitzondering is een stel op de fiets – een dochtertje voorop bij papa – dat half over het pad staat met hun fietsen, zodat niemand die wil passeren afstand kan houden. Ze zeggen zo vriendelijk goedendag dat ik maar teruglach. Als ik al zou durven commentaar te geven, vergaat de moed me nu.

Ik sla de dijk af, het punt waar de terugweg begint. Ik kom langs het Jeugddorp. Ik zie een stel dat niet aan social distancing doet: hun lichamen tegen elkaar aan, hun lippen op elkaar. Jeugd, denk ik. Maar als ik dichterbij kom, zie ik dat de man kaal is. En waarom heeft hij een fiets bij zich en zij niet? De vrouw wendt haar hoofd naar me toe. Haar haren zijn lang en blond, maar haar ogen zijn niet jong. Ze kijken me zorgelijk aan. Plots heb ik allerlei verhalen in mijn hoofd over heimelijke ontmoetingen.

Sowieso bloesemen de verhalen in me op deze ochtend. Ik denk aan het boek dat al te lang niet de schrijfaandacht heeft gehad die het verdient. Ik denk ook aan heel nieuwe verhalen, die al te lang wachten in de grond van mijn hersenen. Ik denk zelfs dat ik me niet meer zal ergeren aan mensen.

Er holt een klein hondje aan me voorbij, in de berm. Voor me komt een auto zacht de hoek op. ‘Stop, stop,’ wordt er achter me geroepen. De eigenaresse van de hond holt me voorbij en tilt haar hond op. Ze begint een tirade tegen de automobilist die niet zo belachelijk hard de hoek om moet rijden. Ik loop harder door.

Het laatste stuk van de route loopt langs de Noordendijk. Ik heb het warm in mijn zwarte winterjas, alsof ik een huid draag waarvan het tijd is dat hij vervelt. Thuis stop ik mijn jas tevreden in de was. Waar is mijn voorjaarsjas eigenlijk?

Wat de kastanje ervan vond

Ik probeer voordelen te zien aan de coronacrisis. Zo was ik de afgelopen weken iedere dag in het Wantijpark. Ik heb een relatie opgebouwd met een kastanje die ik steeds passeer. Toen ik net langskwam zag ik het begin van zijn knoppen. Nu verschijnen er al bladeren.

Al die ontwikkelingen maken me blij, dus ik stop maar eens om een foto te maken van de baby’s aan de boom. Terwijl ik daar sta word ik stil genoeg om de boom te horen spreken. Er is geen stem, geloof ik, maar er is een gedachte in mijn hoofd, milder dan mijn gedachten zijn in deze tijden van onrust en onzekerheid. In mijn hart ontluikt een blad, groen en perfect, mooier dan mijn hart is. Het lijkt of er een vriend tegen me praat, een vriend die me compleet doorziet en toch van me houdt. Dat is de manier waarop de kastanje me goedemorgen wenst.

Ik wens de kastanje ook een goede morgen, of een goede dag, of een goede lente. Ik heb de indruk dat bomen niet zo bezig zijn met dagen.

‘Dat klopt wel,’ zegt de kastanje. ‘De dagen glijden in elkaar over. Alleen de stille nachten maken wij bomen bewuster mee.’

‘Maar in de lente geniet je toch hopelijk wel wat meer dan in de winter?’ vraag ik. ‘Slapen bomen niet in de winter, om krachten te sparen in de kou en het donker?’

‘O nee,’ zegt de kastanje. ‘In de winter, als onze bladeren ons verlaten hebben, zuigen we diep vanuit de grond water en kracht op voor de lente die weer komt. En als dat seizoen gearriveerd is, versnelt ons wezen. We gebruiken alles van ons en in ons om op te bloeien, om ieder blad te laten worden wat het moet zijn. Bruine vogeltjes nestelen in mijn takken, maar ik ben te druk bezig om zelfs maar jeuk van hen te krijgen. Als ik me bewust van hen word, hebben hun achterkleinkinderen al achterkleinkinderen.’

‘Jammer,’ mompel ik. ‘Musjes zijn best leuk om naar te kijken. Ik zou het wel leuk vinden als er eentje nestelde op mijn arm.’

‘Heten ze zo?’ vraagt de kastanje. ‘En zou je het echt leuk vinden?’

Ik overpeins de laatste vraag terwijl in mijn hart dat ontluikende blad groter en groener wordt en bijna pijn doet. ‘Misschien niet,’ mompel ik. Ik denk eraan dat ik graag bewegingsvrijheid heb. Zo’n nest op je arm is vast hartstikke irritant. En piepende kuikens zijn na een half uur al niet meer aangenaam om aan te horen. Ik denk dat zelfs dat groene blad in mijn hart soms onaangenaam zou worden.

‘Je zei dat je de nachten bewuster meemaakt,’ zeg ik haastig. ‘Hoezo dan?’

‘Vanwege de hemel.’ Het lijkt of kastanje plots zoet gebeurt, alsof zijn bloesem al zichtbaar is. ‘ Zeker in deze heldere dagen.’

Ik probeer wijs te knikken. ‘Ja, het is prachtig. Die mooie kleuren in de avond, en ’s nachts zoveel sterren. Je kijkt zo hoog de hemel in.’

De geur van de kastanje wordt zoeter, sterker, nadrukkelijker. ‘Nee, de hemel kijkt in ons. Dat is niet beangstigend meer als je eraan went. Het is troostend.’

Dat prachtige blad binnenin me wordt echt hinderlijk; het prikt in mijn geweten. ‘Je weet dat je niet alleen bent, bedoel je?’ kuch ik.

‘Het is zoveel meer dan dat. Ik weet dat ik gezien en doorzien ben. Voor bomen is dat niet erg, Els. Els is ook de naam van een boom, hè?’

Ik voel me niet bepaald een boom, maar dat zag ik maar even niet. Ik zeg niets.

De kastanje zegt: ‘Een boom is nooit alleen, ook overdag niet. Wist je dat? Alle bomen zijn met elkaar verbonden.’

Ik denk even dat hij een metafysische opmerking maakt, totdat ik me realiseer dat ik daar laatst wat over gelezen hebt: als een boom het zwaar heeft sturen andere bomen via hun wortels sappen naar de boom. Het gebeurt niet alleen tussen bomen van de eigen soort, maar ook tussen verschillende soorten. Dat is weer eens wat anders dan een virus overdragen.

Nederiger dan daarvoor zeg ik de kastanje gedag. Ik loop verder, om bruine vogeltjes te bewonderen, en de laatste narcissen die nog niet verlept zijn.

Het park is weer jong

Ik ga niet te veel over corona zeggen, want daar wordt al zo veel over gezegd. Maar ik werk dus thuis. En ik merk dat ik mijn collega’s (nog) meer mis dan ik had verwacht. Beweging mis ik ook.

Het probleem met de collega’s wordt geweldig opgelost: ze bellen me vaak en ik bel hen. Ik was nooit voor videobellen, maar heb het nu omhelsd: wat is het leuk om even bekende gezichten te zien als je hele dagen achter je bureau (eh, pardon: keukentafel) hangt. Net belde nog een collega die haar telefoon neerzette en heerlijk ontspannen met de handen in het hoofd en vrolijke ogen tegen me aan zat te kletsen. Ik vergeet spontaan dat ik alleen in huis ben, en dat dat nog weken gaat duren.

Eén nadeel heeft videobellen wel: ik zie ook mezelf. Ja, ik weet heus wel dat ik 47 ben. Maar ik heb het nu zo goed in de gaten. Lijnen die dwars over mijn gezicht vallen, alsof er een mes in gezet is, een vaalheid die ik niet helemaal aan de lange winter kan toeschrijven… Ik las laatst een romantisch verhaal, maar realiseer me: de tijd voor, of de kans op, romantiek is verkeken. Natuurlijk wist ik dat al, maar ik hoef het niet zo nodig écht te weten, te doorleven, te voelen in mijn darmen en in mijn steeds meer krakende lichaam, dat protesteert als ik opsta (of te lang aan die keukentafel blijf zitten).

De telefoon leg ik maar snel weg. Tijd voor de beweging. Ik heb met mijn teamleider afgesproken dat ik tussen de middag wat langer pauzeer. Dan is het een stuk fijner om even door het park te lopen dan ’s avonds, als de drukke Oranjelaan oversteken spelen met je leven is.

Het is lente aan het worden in het park. Zo lang heb ik er op gewacht! Al voordat ik het park binnenstap, zie ik dat de wilgen niet meer bruine tranen laten hangen: hun lange slierten zijn groen en fris, alsof je ermee zou kunnen touwtjespringen.

Toch ben ik nog niet dat nare bijeffect van het videobellen kwijt. Ik denk: ik zal nooit meer touwtjespringen. Ik ben echt niet meer jong. Vroeger als ik het speenkruid groen en geel zag worden, werd ik vervuld met verwachting: dan dacht ik dat dit het jaar was waarin alles anders werd, waarin de zomer niet alleen overdaad voor de natuur zou brengen, maar ook voor mij. En nu ben ik oud aan het worden en zijn er wel wonderbaarlijke dingen gebeurd, maar niet de dingen die ik het liefst wilde. Ik zie mijn gezicht weer voor me, klein onderin mijn telefoonscherm, maar groot genoeg om niet te vergeten.

Dan ben ik echt het park in en hoor ik reigers schreeuwen. Die statige vogels die gewoonlijk onverschillig langs het water staan, vliegen nu naar nesten hoog in bomen en kwetteren alsof ze mijn collega’s zijn. Ik zie een enorme boomtak die over het water ligt en weet dat ik daar vroeger overheen gelopen zou willen hebben. Ik wil het nu eigenlijk ook. De zon schijnt op mijn niet meer zo jonge huid, maar toch is alles mogelijk. Ik word pas weer volwassen als er iemand kucht. Het geluid dat ik anders niet eens bewust zou horen, roept nu allerlei associaties op.

Ik dwaal door het park. Je kunt er niet snel doorheen lopen, want alle paadjes zijn krom. Bij de boom die zo ver naar een vijver overhelt dat een tak het water raakt, bouwt een meerkoet een nest. De narcissen verwelken al, maar allerlei bomen bloeien op. Bij een kastanje waar ik gisteren knoppen zag, zie ik nu een groen blad. Het park is weer jong. Ik voel me ook jonger.

Als ik het park uit ben, loop ik nog een stukje langs het water. Dan draai ik om, want er moet nog wel gewerkt worden. Onderweg zoekt een collega contact. We gaan weer videobellen, maar ik kijk vooral naar haar. Wat leuk dat ze belt. En ze zegt: ‘Lekker, dat je buiten bent. Straks heb je zeker een nieuwe blog?’ Ik glimlach. Wat leuk dat ze me zo goed kent. En zolang ik schrijf, word ik nooit helemaal oud.

Krassend en krakend de lente in

Woensdagavond ga ik altijd naar Japanse les. Als ik deze keer op weg ga, voel ik me licht gedesoriënteerd. Iets is er veranderd, maar wat?

Licht – het is nog licht. De afgelopen maanden stapte ik agressieve duisternis in als op weg ging naar mijn les. Nu schijnt het licht over het water van het Wantij alsof het dat altijd doet. En het is niet koud – dat is ook anders.

Ik loop langs het laatste stukje van de Wantijkade, waar een rivieraak aangemeerd ligt. Ik hoor iets kraken – het klinkt alsof de touwen waarmee het schip ligt vastgesnoerd protesteren, of dat het schip zelf wil vluchten, richting nog meer warmte.

Verderop hoor ik een schreeuw. ‘Els!’ denk ik dat ik hoor, uit een hoge keel. Onwillekeurig kijk ik om me heen, maar nergens zwaait iemand naar me. Het moet een meeuw zijn geweest die me wilde attenderen op wat ik al ruik: de winter lijkt eindelijk voorbij te zijn gegaan.

Bij restaurant Down Town moet ik altijd even nadenken: als ik naar de bieb ga, ga ik rechts, nog even langs het water, maar het is woensdag, Japanse les, dus ik ga rechtdoor, de Rietdijk in. Ik ben nog steeds verward door al het licht. De hoge huizen, de gevels, de kleine raampjes, de details die overal anders zijn… ze dringen zich aan me op alsof ik ze voor het eerst zie.

Oversteken naar de Voorstraat is hetzelfde als altijd: auto’s doen alsof je niet op een zebrapad loopt, flanerende mensen doen alsof jij geen ruimte nodig hebt op de stoep. Maar het is drukker dan anders op straat: een beetje licht en iedereen die al maanden jankt in het donker ontvlucht het haastig. Fietsers bellen naar mensen die in de weg lopen; bij een café hangen meer mensen buiten om sigaretten te roken. Een stel komt arm in arm voorbij.

Iedere woensdag wordt in het centrum papier opgehaald, met grote vrachtwagens. Maar ditmaal staat er vlak bij de Wereldwinkel een heel klein wagentje bij een grote stapel karton en dozen. ‘Goedenavond, meisje,’ zegt de man die plastic zakken (geen papier) in zijn wagen gooit.

Meisje? Onwillekeurig draai ik me naar de man om. Hij heeft een witte baard en een bruine huid. Hij doet me denken aan een bekende van me die Hindoestaans bloed heeft én aan een andere bekende, die Moluks is. Hij kijkt me aan alsof hij me kent. Misschien een oud-cliënt van De Hoop? Er zijn er te veel die ik wel van gezicht ken maar niet van naam.

‘Kennen we elkaar?’ vraag ik voorzichtig.

‘Ik woon aan de Noordendijk,’ zegt hij, alsof dat alles verklaart. Ik loop er vaak, maar ik ken hem echt niet. Ik praat maar haastig verder over het feit dat hij nog laat aan het werk is. Hij is er fatalistisch onder: ‘Tja, er is veel werk.’ Ik wens hem succes en loop door. ‘Dag meisje, ’ roept hij.

Verderop zitten meer cafés bij elkaar. Er loopt opeens iemand achter me wiens pas onregelmatig klinkt, alsof hij te veel heeft gedronken. De persoon loopt precies even snel als ik. Mijn hart begint wat onregelmatig te lopen. Is deze persoon echt dronken? Dronken mensen zijn onvoorspelbaar. Even bid ik.

Dan ben ik afgeleid. Ik zie bij de winkel van het Leger des Heils een aanplakbiljet in de strekking dat je geen shopaholic bent, maar winkelt om het Leger te steunen. Omdat ik een echte shopaholic ken stop ik onmiddellijk om dit te fotograferen – fijn dat het er nog licht genoeg voor is.

Als ik doorloop realiseer ik me dat de dronken persoon nu voor me loopt. Het was een geniale oplossing om even te stoppen. Jammer dat ik dat niet bewust bedacht heb. Het blijkt een vrouw te zijn, en ze ziet er totaal niet dronken uit. Ze loopt alleen wat vreemd.

Wat later ben ik bij mijn les. Het wordt donker en we spreken Japans. ‘Het wordt donker’ is in het Japanse trouwens: Kuraku narimas. Als ik terug naar huis loop zie ik alleen nog de ondernemers die nog lang in hun gesloten winkels hebben gewerkt, de hangjeugd, en late bezoekers van restaurants, die verveeld het duister in kijken.

Regen

Photo by Noah Silliman on Unsplash

Afgelopen weekend ging ik naar een conferentie, ver weg in Amerongen. Op de heenweg kreeg ik een lift – maar pas vanaf Rotterdam. Uit Dordrecht is het gelukkig slechts een klein stukje met het openbaar vervoer. Alleen jammer van die agressieve regen die toen ik nog binnen was al bonkend tegen de ruiten mijn aandacht opeiste.

De regen sneerde over mijn winterjas toen ik ’s middags naar het station liep. Waar hij niet door de jas heen kon dringen stuurde hij kou, die tot voorbij mijn huid kwam en mijn botten liet rammelen. Op Rotterdam Blaak stapte ik over op de metro. Na een kort ritje wachtte ik – droog – in een gang van station Rotterdam Coolhaven. De regen stuurde nu wind, die aan mijn natte jas schudde.

Toen mijn lift arriveerde, kon ik die niet gelijk vinden. “Een witte auto” was een te vage term in de natte schemering. Ik stak brede straten over, stapte in diepe plassen, ontweek fietsers en vond uiteindelijk de auto. De jongen achter het stuur (nou ja, jongen: hij was dertig, maar hij leek jong) was gelukkig opmerkzaam. ‘Volgens mij heb jij het koud,’ zei hij en hij gooide de verwarming zo hoog dat hij bijna wegsmolt. Ik bleef bibberen.

 Dat bibberen had misschien ook iets te maken met de rit. De jongen was een goede chauffeur, maar de regen was inmiddels woedend. Hij spoelde de merktekens van de snelweg weg en gooide regenachtige spoken van vrachtwagens. Iedere keer als zo’n witte gedaante zich op onze auto stortte, leken de regenwissers weggewist te worden.

De goede chauffeur was niet zo goed in navigatie. Af en toe zei ik ‘Moeten wij er hier niet af?’ en dan zei hij ‘O ja,’ en vlogen we over rijbanen. Ik hield het aantal minuten in de gaten dat overbleef om op tijd te komen. Het werd krap. Pijnlijk voor een chronische vroege-arriveerder. Gelukkig had ik nog net op tijd de afslag Doorn in de gaten. We verlieten de snelweg voor verstikkende duisternis, waar op de bosweg achter donkere bomen nog meer donkerte was.

Vier minuten voor tijd arriveerden we. De chauffeur verdween gelijk naar zijn kamer. Een vrouw die ik niet kende zei ‘Hallo Els’ voordat ik mijn naam zei. Een paar minuten later zat ik in een conferentie waar ik bijna niemand kende, maar waar ik me bijzonder snel thuis voelde.

De volgende dag volgde ik een workshop. Ik zat aan een lange tafel, met uitzicht op een binnentuin. De regen had het even opgegeven: de zon scheen – zwakjes. De workshop was interessant, maar toch was ik afgeleid. Ik realiseerde me dat in de binnentuin ook een workshop, of een groepsgesprek, gaande was. Bomen waren er bij elkaar gekomen, voor een ernstige samenspraak.

Ik hoorde ze niet spreken met woorden, maar ik wist wat het gesprekonderwerp was: de regen, die hen zo lang alleen had gelaten, die hen kaal en dorstig had gemaakt in de afgelopen onbarmhartig zonnige jaren. De regen die hen nu maar niet verliet, die hun wortels liet wenen in de grond – nee, die zo overvloedig was dat zelfs de grond huilde.

De hoge, oude berk (aan berken kun je niet goed zien dat ze oud zijn, maar ik wist het toch), klaagde het hardst. Hij liet zijn kale takken zakken. ‘Natuurlijk hebben we regen nodig,’ zei hij, zonder woorden, maar sprekend zoals berken en beuken en soms eiken dat doen. ‘Na droogte verwelkomen we hem. En als het niet droog is, verwelkomen we toch zijn overvloed. Maar nu… het is moeilijk dankbaar of geduldig te zijn als hij zich zo opdringt, als hij geen enkele maat meer houdt.’

Onwillekeurig knikte ik. Ik dacht aan liefde die ons onthouden wordt. Dat doet pijn. Maar liefde die zich opdringt, liefde die maar blijft geven aan iemand die niet wil ontvangen, of die alleen wil geven zoals de liefde denkt dat het moet, dat… voelt als kille regen.

De conferentie ging door. Zondag ging ik met zon naar huis. Maandag werd mijn jas weer doorweekt met hemeltranen. Hij was nog niet eens droog toen ik hem ’s middags opnieuw aantrok. Onderweg naar huis zuchtte ik om nieuwe regen, maar glimlachte ik om heldere narcissen. Het wordt in ieder geval warmer. Denk ik.

De Schaduw

Photo by Steve Halama on Unsplash

Een donderdag in februari. Ik wil me deze vrije dag een keurig christen wanen: ik interview twee mensen uit de kerk. Maar als ik ’s morgens op de fiets zit voor interview één striemt de regen me. In mijn hoofd klinken woorden die daar niet horen. Helaas moet ik van mijn noordelijke Dordtse kade helemaal naar het zuiden, waar de stad eindigt in weilanden. Ik keer zonder regen terug, maar tegen de tijd dat mijn tweede gesprek nadert, grinniken harde druppels tegen mijn ruiten.

Ik trek mijn jas aan die na een halve dag bij de radiator nog steeds wat vochtig is. Ik schiet in mijn schoenen, stroef omdat ook zij niet helemaal droog zijn. Naar buiten. Ik stap over diepe plassen. De regen begint wat af te nemen. Niettemin trek ik mijn capuchon diep over mijn hoofd.

Bij een bruggetje over de haven waar het schip Vertrouwen ligt, komt een fietser me tegemoet. Ik wacht even tot hij voorbij is. Voor de zekerheid draai ik me om: zijn er fietsers uit mijn richting die voorrang willen op het smalle bruggetje? Maar ik zie alleen de fietser op wie ik heb gewacht. Ik kijk hem in het donker na. Of ik houd hem in de gaten. Die gedachte verandert mijn stemming. Opeens ben ik in een film noir. De kade is van de Seine – of van de Theems: de regendruppels op de stenen zijn de uiteenspattende tranen van een heldin, of het geluid van een naderende vijand.

Ik loop door. De waterbus naar Papendrecht schommelt in bozige golven. De lantaarnpalen die hem nog net zichtbaar maken in het duister schijnen wantrouwend: ze houden het licht zo dicht mogelijk bij zich, zodat alleen de waterbus zichtbaar is. Ik denk aan de Schaduw, de hoofdpersoon uit oude boekjes van Havank. De kaften waren van Dick Bruna, zodat je dacht dat de Franse detective een soort Nijntje in vermomming was, maar de boeken waren spannend. De detective zag altijd meer dan een gewoon mens.

Ik zie ook steeds meer. Ik loop de stad in en ben een detective. Dat stel dat mijn kant uitloopt fluistert zacht over snode plannen. Soms loer ik opzij. Het is jammer dat het met een capuchon op best lastig is om de boel in de gaten te houden.

Aan het begin van de Wijnstraat zie ik achter een verlichte ruit een vrouw in pyjama zitten. Het beeld is nu niet gewoon gênant – het is verdacht, al ziet de pyjama eruit als een herenpyjama van dertig jaar terug. Wat verderop naderen twee zwarte gedaantes me over de smalle stoep. Ik steek over. Boven de kerk is de lucht vaal van lichtvervuiling, grauw van wantrouwen. Ik zie trouwens dat bij die kerk op de eerste verdieping licht brandt, is hel als van een tl-balk. Welke boeven maken daar plannen? Zijn er valsemunters bezig?

Dan kijk ik een etalage in, of eigenlijk de hele winkel, die gesloten is maar baadt in een zacht licht. Er staan globes en allerlei oude instrumenten. Plots denk ik aan Dombey & Son, mijn favoriete roman van Charles Dickens. Het huis van Solomon Gills, een instrumentenmaker, wordt aan het einde van het verhaal tijdelijk het veilige thuis voor Florence, een van de hoofdpersonen, als haar vader haar hun huis heeft uitgejaagd. Ik denk aan iets dat ik las op Facebook: “Als je je verlaten voelt, is je thuis als het huis van een onbekende.” Ik voel me niet meer de Schaduw. Ik voel eerder een verlangen om in dat huis van Solomon Gills te zijn.

Ik probeer mijn Schaduwstemming nog terug te krijgen. Als ik langs de coffeeshop loop, kan ik vast wel wat verdachte figuren spotten. Maar net er voorbij zie ik een auto met de belettering van De Hoop, mijn werkgever. Ik tuur om te zien wie de bestuurder is. Ik herken haar niet, maar zij zwaait naar me. Knap dat ze me herkent terwijl ik mijn capuchon op heb. Wie ze ook is, ze is een betere detective dan ik.

Even later ben ik op mijn bestemming. Ik krijg een lachende baby in mijn armen gedrukt. De wereld is weer solide.

‘Ik heet niet Ciara!’

Photo by Tom Barrett on Unsplash

Zondag. Mijn badkamer. De wind loeit naar binnen door de leiding waardoor gewoonlijk de stoom naar buiten gaat. Als de wind oren had, zou ik denken dat bij de wind de stoom uit de oren kwam.

‘Ik heet niet Ciara,’ schreeuwt de wind.

Ik trek de tandenborstel uit mijn mond, maar de wind is me voor:

‘En ook niet Sabine, ongeacht wat de Duitsers en Zwitsers vinden!’

‘In Noorwegen heet je Elsa,’ zeg ik, als ik mijn tandpasta heb uitgespuugd. ‘Mooie naam.’

‘Nee!’ schreeuwt de wind.

‘Let it go,’ gaap ik.

Maar de wind is niet goed in loslaten. De wind stompt tegen mijn schouder terwijl ik naar de kerk loop. De wind blaast in mijn gezicht als ik een hoek omga, alsof de wind nog steeds chagrijnig is over mijn achteloosheid over de naam die de wind heeft – of niet heeft.

In de kerk hoor ik de wind niet. Geen geloei langs hoge ramen, geen tocht onder de deur. Ik probeer me te richten op de wind van de Geest. Alleen tijdens de collecte kijk ik even op mijn telefoon. Geen nieuwe berichten gelukkig. Gisteren wezen verschillende mensen mij erop dat ik eens met ‘mijn vriend de wind’ moest praten over de storm die verwacht werd. Is de wind echt mijn vriend, vraag ik mij op mijn kerkbankje af.

De vraag laat mij niet los als ik weer buiten sta. Ik loop naar de rivier. Het water dat anders blauw lijkt is vandaag bruingrijs, zo ongeveer als mijn humeur. Aan de overzijde staan twee hoge kranen, aan elkaar vastgemaakt alsof ze steun bij elkaar zoeken. Bij wie zoek ik steun? Dat is zo’n vraag die ik mezelf soms rustig stel, en die soms al mijn emoties door elkaar blaast.

Ik maak een klein rondje, voordat volgens de verwachtingen de wind gevaarlijk wordt. Ik ga tegen de wind in, op een weg waar recent gewerkt is: zand snijdt in mijn huid; ik knijp mijn ogen half dicht. Ik hel voorover om niet achterover te waaien.

Een kwartiertje later kom ik terug langs dezelfde weg. Ik voel heel af en toe een vage rukwind, alsof de wind nog steeds klaagt over de namen die aan de wind zijn gegeven. Maar ik voel geen steuntje in de rug. Waarom merken we tegenwind meer dan wind mee?

De wind geeft geen antwoord. Daar heeft de wind het veel te druk voor (of de wind is nog steeds chagrijnig). Op plekken waar gebouwen de wind storen in een vrije gang de wereld over, dwarrelt de wind rond alsof de wind probeert tornado’s aan te blazen. Bladeren dansen, lege bierblikjes rollen mee, met zo veel kabaal dat het me niet onwaarschijnlijk lijkt dat over een tijdje de wind er zelfs in zal slagen om dronkenmannen van straat te laten rollen.

Ik wacht dat moment niet af – ik ga naar huis. Eigenlijk zou ik liever buiten blijven. De wind weet dat: de wind ratelt aan mijn ramen, spuugt hagel tegen de ruiten, schreeuwt naar me om te komen spelen. Maar ze zeggen dat het echt gevaarlijk is.

‘Kom nou,’ schreeuwt de wind. ‘Kom nou! Ik heb geen naam, maar ik ben er altijd. Ik zal je omhelzen, we gaan samen boos zijn. Houd er nou eens mee op om verstandig te zijn! Toe!’

Ik lees een boek. Ik leer een nieuwe “kanji”: het Chinese teken dat de Japanners gebruiken om het woord “eindigen” te schrijven. Het is een van de moeilijkste kanji die ik tot nu toe heb geleerd, maar het gaat me verrassend gemakkelijk af. Geen idee waarom ik onvoldaan naar bed ga. Geen idee waarom ik niet gemakkelijk slaap. Zou het zijn omdat de wind van zuid naar west is geschoven en niet meer tegen mijn raam slaat?

Maandag. De wind is terug: hagel tegen de ramen. Zucht. Niet handig  vlak voordat ik naar het werk ga. Maar ik ben bijna blij. De wind is in mijn rug terwijl ik wandel, maar blaast soms loeiend door kale bomen, om stoer te doen. En als ik een afslag neem en de wind vol in mijn gezicht slaat, blaast de wind tegelijk een wolk weg zodat ik even, heel even, de volle maan zie, die stil en rustig is. Ik glimlach.

Eindelijk storm?

Photo by Pieter De Malsche on Unsplash

Een trouwe meelezer van deze blogs sprak me vandaag aan via Facebook. ‘Het is hier wel weer onrustig met al die wind,’ schreef ze. ‘Gisteravond ging het flink tekeer 😱, toen heb ik zelfs de rolgordijnen dicht gedaan om het enigszins uit te sluiten. Dus als je de wind soms spreekt 🙄?’ De wind sprak zeker. En ik dácht dat ik dat wel leuk vond.

Een paar maanden geleden waren er nieuwsberichten over: de wind hield zich zo rustig. In de herfst bleven de bladeren maar aan de bomen hangen. Geen storm die ze er vanaf zwiepte. En de winter – zover je van een winter kunt spreken – is grauw en regenachtig en zo saai dat de wind niet eens de moeite neemt om te gapen.

Behalve de laatste dagen! De wind beukte een welkom toen ik gisteren buiten stapte, zowel ’s morgens als ’s middags. Er was op de terugweg uit mijn werk zelfs een moment dat de wind me bijna onderuit schoffelde op de Noordendijk. Het lukte de wind net niet. Misschien was dat de reden dat afgelopen nacht de wind langs mijn raam jankte, op zoek naar een plek om binnen te komen.

Ik ben niet opgestaan om een raam te openen. Ik vind de wind leuk, maar de wind heeft wel de neiging om mijn huis totaal over te nemen als de wind de kans krijgt. Vanmorgen lees ik, behaaglijk in bed, een beschrijving over een onweersstorm. Heerlijk om me voor te stellen, maar fijn om er niet in te zitten – of te liggen.

Ik had kunnen weten dat de wind niet geamuseerd zou zijn over mijn houding. Zodra ik buiten stap, weer op weg naar het werk, zoemt de wind langs mij heen. Het is niet koud genoeg om te laten huiveren, maar ik heb de indruk dat het om mij heen wel duisterder wordt. Wolken pakken zich samen en krijgen kracht: ze drukken tegen mijn huid alsof ze me willen laten krimpen. Onzin natuurlijk, houd ik mij – bijna overtuigd – haastig voor.

Op weg naar het werk. Bij de enige kruising waar ik moet wachten op groen licht, slaan vrachtwagens af die heipalen vervoeren. Hun ladingen wijken zo uit dat ik dankbaar ben dat het vroeg is en ze niet per ongelijk tegen ander verkeer rijden. In mijn gedachten gaat het helemaal mis: de heipalen schieten los en de eerste mist me nog maar net. De tweede valt, eindeloos langzaam, ook van de vrachtwagen. En ik ben te laat: ik wil wegstappen, struikel, val – de paal verplettert me. Er blijven niet eens kruimels van me over.

Haastig steek ik over – haastig loop ik verder. De wind jankt langs me heen, schudt aan de hoge populieren op de Noordendijk en laat al hun takken bibberen. In mij bibbert ook iets. Ik denk aan de vulkaan op de Filipijnen waar ik gisteren zoveel beelden van zag. Een bruidspaar in een tuin, hand in hand bij de voorganger, met achter hen alsmaar hoger oprijzende zwarte wolken. Kolkende lavastromen, wolken waar de bliksem in rondgaat  – apocalyptische beelden. Ik bibber harder, van een kou in mezelf.

De vulkaan heet Taal en in mijn eigen taal verzint mijn hoofd een vulkaan in Dordrecht. Krakend breekt het asfalt van de dijk open: hier ontstaat de krater. Onder mijn voeten stroomt de lava, die een berg omhoog zal stuwen, waaruit as en hitte gebraakt gaan worden. En voordat de wind zelfs maar de kans heeft om mijn fantasie aan te blazen, zie  ik nog meer beelden: die bus in China die op het punt staat weg te rijden en dan in een sinkhole verdwijnt. De aarde die zich gewoon opent en alles verslindt. Mensen schieten te hulp, maar de aarde opent zich verder en zij verdwijnen ook. Geen kans op redding: onmiddellijk erna volgt een explosie.

De wind jankt nog steeds. Het geluid vermengt zich met het geluid van de auto’s op de snelweg die boven mijn hoofd op het viaduct voorbij gaan. Ik hoor het geluid van botsingen die er niet zijn.

Even vraag ik me af of ik te veel koffie op heb. Maar ik heb nog helemaal niets gedronken. Er is niet eens een storm, behalve dan in mijn hoofd. Het waait alleen een beetje. En dat wordt al minder. Heus…