Zonder (veel) woorden

Drie weken ben ik nu in Engeland en woorden schieten tekort. Nogal letterlijk. In het Engels kan ik me een stuk minder precies uitdrukken dan in het Nederlands.

Op mijn gang ga ik steeds meer om met Clare. Ze is een stuk jonger dan ik, maar wel een stuk wijzer. Ze heeft jarenlang in verre buitenlanden gewoond en kan met een stille diepte praten over waar ze tegenaan liep, en wat God doet als je zelf in beweging komt. Ze heeft ook een sprankelend, onverwacht gevoel voor humor. Ik geniet als ze praat. En baal als ik antwoord. Mijn Engels is niet slecht, maar als ik voel me een onbehouwen tiener die opzettelijk zo asociaal mogelijk reageert op haar lerares. Waar zijn de dagen gebleven dat ik mijn werkuren mocht besteden aan schrijven – en ik daar in mijn vrije tijd mee verderging?

Zuchtend ga ik een blokje om. In de natuur zijn niet veel woorden nodig. Bij kastanjes en bij beuken vallen lege bolsters op de grond, hoewel er geen wind staat: daar zijn eekhoorns aan het werk. Een groep duiven fladdert op: angst. Fazanten hollen voor me uit: nog meer angst. In het struikgewas bewegen bladeren in de nog steeds windloze dag: onzichtbare dieren verstoppen zich voor me. Een roofvogel suist voorbij zonder één enkel geluid.

Ik probeer stil te worden, zonder woorden de God te zoeken voor wie ik zeg hier gekomen te zijn. In deze eerste weken in Engeland heb ik me regelmatig afgevraagd of ik Hem wel goed verstaan heb. Dat schijnt normaal te zijn, maar het is een angstige ervaring. Al je schepen verbranden en er dan achter komen dat er geen nieuw schip is dat je over de diepe oceaan gaat brengen? Op de Bijbelschool wordt er veel nagedacht over God, maar veel zekerheden worden ook kritisch bekeken. Zelfs God lijkt anders.

In de stilte voel ik mijn angst nog beter. En ik weet het: ik verstop me ook in het struikgewas, verberg me onder bladeren, wil opfladderen en wegvliegen, hoewel ik geen thuis meer heb waar ik heen kan. Ik heb alleen nog God en het vertrouwen in Hem. Ik wil denken dat ik dat besef veel te groot maak – maar het is echt waar.

Vluchten. Hoe aanlokkelijk is dat. Een boek waarin ik helemaal kan opgaan (en dan even geen studieboek, maar iets spannends om te lezen – of te schrijven) of een doos met heerlijke chocolade – hoewel ik gelukkig Engelse chocolade niet meer zo lekker vind als vroeger.

Er zijn geen uitvluchten meer. Ik probeer mijn woorden te stillen, mijn gedachten te sussen zoals ik een baby zou sussen. Misschien zijn woorden toch niet altijd zo fijn. Misschien moet ik maar helemaal stoppen met denken – als ik wist hoe dat moest.

Ik kijk om me heen. Het is een stille herfstdag. In de hagen zie ik rozebottels en één bloesem van een braamstruik. De boerenvelden zijn kaal; de horizon is vaag met onbestemde bewolking. Maar het is nog warm, en soms kust de zon me alsof het zomer is. Ik weet het: het zal winter worden, sneller dan ik op deze oktoberdag denk. Ook in mij. En dat is waarschijnlijk goed.

Een paar dagen geleden bad ik samen met een aantal andere mensen voor de toekomst van Project Deshima, mijn plannen in Japan. Tijdens het gebed zag ik in mijn gedachten een deur die openging. Ik dacht dat het betekende dat er nieuwe mogelijkheden zouden komen. Maar toen snapte ik het: die deur is in mijzelf. Voordat ik aan de slag kan met mijn toekomst zal ik eerst in mijzelf moeten rondwandelen, in alles wat ik geloof en niet geloof over God. Ik denk dat mijn vertrouwen nog gesnoeid wordt de komende tijd, zodat het de winter aankan, en kan bloeien als het nodig is.

Ik slenter verder over het pad terug naar All Nations, de Bijbelschool. Het is vol stenen, en het valt me op dat zelfs die soms in tweeën zijn gesneden. Welke hand kan dat doen? En vindt de steen het fijn om een stuk van wat zijn binnenkant was nu te laten zien aan wind en lucht en kou?

Wandelen in Engeland met wie er niet is

Op 21 september arriveerde ik op All Nations Christian College, waar ik een schooljaar ga doorbrengen. Het was alsof ik een sprookje binnenstapte: een Engels landhuis omringd door beboste heuvels en glooiende velden. De staf en de leerlingen zijn allemaal zo aardig dat het bijna onnatuurlijk is. En toch… na een paar dagen verlang ik naar wat en wie er niet is.

Alles is opeens anders. Geen eigen huis meer, niet meer je vertrouwde eten, niet meer je vertrouwde mensen. Allemaal nieuwe mensen: een 24-jarige die al vier jaar in Madagaskar heeft gewerkt, een 37-jarige die in drie verschillende landen projecten heeft opgezet – ik voel me nederig.

Nederig én overweldigd. Het is verrassend dat ook als iedereen geweldig is, je op een gegeven moment gewoon behoefte hebt aan rust. Na drie dagen vol introductie en interactie, ga ik op zondagmiddag wandelen. Ik ben blij dat ik in mijn eentje ga. Alhoewel… het voelt of er mensen meelopen.

Ik loop eerst langs de bosrand en dan door landbouwvelden. De zon schijnt warm voor het begin van de herfst. Het pad ligt vol steentjes die in Engeland ouder lijken dan in Nederland – en harder voelen aan de voeten.

Bij een grote eik waar een bord wijst op verre bestemmingen, sla ik linksaf. Ik voel mij tot rust komen, en denk aan wandelingen in Zeeland met een goede vriendin. Ik herinner me een plekje heb bij een grote eik waar we graag stilhouden.

Als ik weer linksaf moet slaan loop ik even naar rechts, om een doorkijkje door de velden te hebben. Net op dat moment vliegt er een grote roofvogel op – of eigenlijk een “rofo”, zoals een andere goede vriendin en ik altijd zeggen tijdens wandelingen.

Zodra ik aan die vriendin denk, scherp ik mijn ogen. Er zitten hier in de omgeving veel herten, en voor deze vriendin is een wandeling pas compleet als ze herten of reeën heeft gezien. De herten hier kent ze waarschijnlijk niet: muntjac, een heel kleine soort. Ze hebben een aparte gang, met opgetrokken schouders, zodat ze heimelijk lijken te vluchten. De dagen ervoor heb ik er al een paar gezien. Helaas: deze zondag verstoppen ze zich voor me.

Verder loop ik – keurig links houdend op lege wegen, waar ik één vrouw met een hond tegenkom, en één mountainbiker. De velden vol gewassen doen bekend aan, hoewel ik niet weet wat er geteeld wordt. De Zeeuwse vriendin, met boerderijervaring, zou het wel weten. Steeds meer denk ik aan mensen die er niet zijn. Hoewel de wereld glooiender is, zouden we bijna in Nederland kunnen zijn.

Alhoewel… Er zijn geluiden die ik in Nederland niet veel hoor. Het is hier erg druk met fazanten, die zich luid en duidelijk laten horen, met een klokkend geluid. Nog wel: we zijn gewaarschuwd om in de herfst op de paden te blijven, omdat er dan jagers op de fazanten komen schieten. Ik heb in een verre haag ook een witte vogel gezien, maar ik heb geen idee van welke soort.

Het laatste stukje van mijn wandeling wandel ik in bosrijker gebied. Er komen verschillende kleine vliegtuigen over, en later ook een helikopter. Ik vraag me af of er belangrijke mensen in de omgeving wonen.

Bij een cottage sla ik af, terug de heuvel op naar All Nations. En even lijkt het alsof ik in Eden ben. Aan beide kanten van het pad dwalen fazanten, maar geen enkele wil voor me vluchten. Een grijze eekhoorn huppelt vlak voor me over het pad. Gelukkig zie ik vlak daarna ook een rode eekhoorn, die in Engeland steeds zeldzamer worden doordat de grijze (die eigenlijk Amerikaans zijn, en ooit door een dwaas zijn uitgezet) sterker zijn.

Plots zie ik wat verderop en grote witte vogel, midden op het pad. Van een afstandje denk ik even dat het een pauw is, maar dat zou te onwaarschijnlijk zijn. Ik kom dichterbij en de witte vogel blijft rustig zitten. Het is een fazant – ik wist niet eens dat er witte bestonden. Pas als ik een foto heb gemaakt verdwijnt hij statig in het struikgewas.

Ik loop verder, naar All Nations. Ik ben niet meer in Nederland, weet ik weer.

De gedachten van een mus

Photo by Wolfgang Hasselmann on Unsplash

Een tijdje geleden liep ik langs een struik – of eigenlijk was het een struikje. De takken waren dun – of eigenlijk iel. Maar een volwassen mus greep zich aan zo’n takje vast en viel niet. Hij was zo licht dat het takje zelfs nauwelijks boog onder zijn gewicht.

Soms wil ik zo licht als een mus zijn. Ik bedoel niet dat ik mezelf te zwaar vind. Ik bedoel: wat is het lekker als niets om je heen zwaar is – of zwaar lijkt; als je omgeving of jijzelf niet buigen onder je eigen gedachten.

Mijn gedachten de afgelopen week waren zwaar. Ik zit volop in mijn proces van loslaten: werk en huis opgeven, voorbereiden op de bijbelschool in Engeland en daarna de grote reis naar Japan, ver weg van iedereen die me lief is. Door Brexit heb ik nu een visum nodig voor Engeland, en daarvoor moest ik een taaltoets doen. Die haalde ik met prachtige cijfers. En toen kwam erachter dat ik de verkeerde taaltoets had gedaan. Een echtpaar met hetzelfde probleem vertelde dat we de goede niet meer in Nederland konden doen. De dichtstbijzijnde locatie was Parijs – of anders Bern.

Het bleek uiteindelijk allemaal wat minder zwaar: de toets kon toch wel in Nederland. Maar… pas in augustus, terwijl ik in september al naar Engeland moet. Blijft er wel tijd genoeg over om het visum aan te vragen, en vooral: te krijgen? Mijn gedachten werden weer zwaarder. Ze lagen ’s nachts op mijn hart, of op mijn longen. Het was lastig om te blijven ademen. Ik wenste weer dat ik een mus was. De hersenen van een mus zijn zo klein en licht dat hij niet kan piekeren.

Maar God sprak dwars door mijn eigen gedachten – of (waarschijnlijker) door die van Hem. Volgende maand mag ik een keer spreken in de kerk. Toen ik ervoor werd gevraagd, wist ik gelijk waar ik het over wilde hebben, maar ik had het nog niet uitgewerkt. Ondanks de onrust begon ik daar maar eens aan. En de conclusie van “mijn” eigen preek was: benoem je zorgen naar God toe, zoals Elia, die durfde uitspreken dat hij het leven moe was. Wees niet als Saul, die zich groot hield voor zijn leger en offers bracht die hij helemaal niet moest brengen. Saul sneuvelde; Elia zag God op de berg Horeb. Ik huilde bij God uit, benoemde hoe spannend ik alles vind – hoe doodsbang ik soms ben voor al die veranderingen.

De volgende dag had ik een fotoshoot. Nou, voor mij is dat een zin die ik niet had verwacht ooit te zullen schrijven. Maar dat zijn van die dingen die soms gebeuren bij grote veranderingen: anderen willen daarover kunnen lezen, en bij een artikel horen foto’s (beweren ze). Ik zag er echt tegenop. Ik krijg gewoonlijk kaakpijn als ze me willen fotograferen, zeker als het langer duurt dan drie seconden. Meestal herken ik mezelf nauwelijks in het resultaat – of wíl ik mezelf niet hoeven herkennen.

Maar… de fotoshoot was geweldig. Samen met de fotografe stond ik in een ultiem Hollands landschap: hoge wolkenluchten, elegante hoge halmen, uitbundige bloemen. En het waaide: een frisse wind in mijn gezicht, om mij heen, tegen mij aan, kriebelend, strelend, geruststellend. Ik dacht opeens: God weet hoeveel ik van de wind houd. Is het echt toeval dat ik straks allemaal foto’s heb waarop de wind zichtbaar aanwezig zal zijn?

Bij de laatste locatie waar de fotografe de wind en mij vastlegde, vlogen zwaluwen af en aan. Ik moest in de camera glimlachen, maar ik glimlachte naar de lucht. Ik was een beetje jaloers op die zwenkende vogeltjes, maar ook gewoon blij dat ik naar ze mocht kijken.

Daarna ging ik naar een korte bidstond. Terwijl ik bad moest ik opeens huilen. Maar het was niet van de stress. Het was omdat ik eindelijk weer even rustig was. Mijn gedachten waren licht als van een mus. Ik wist dat ik mee kon vliegen, met God, naar de bestemming die Hij voor mij in gedachten heeft. Toen ik ’s nachts wakker werd, lagen mijn gedachten al weer voelbaar op mijn longen, maar ik draaide me om en sliep verder.

Vleugels voor de vermoeide verbeelding

Als ik te weinig slaap en te veel doe strompelt mijn lichaam, maar vliegt mijn verbeelding. Laatst liep ik na een wandeling van bijna twintig kilometer het park in. Even dacht ik een vrouw twee kraaien te zien uitlaten.

Natuurlijk was er geen sprake van kraaien aan de lijn – dat zouden kraaien niet toelaten. Er was slechts een vrouw met een hond aan de riem; de kraaien hupten voor haar uit. Ik liep door en mijn hoofd vloog verder. Ik zag een gans zitten in een hoge tak en zelfs dat vond ik raar; alsof ganzen alleen kunnen zwemmen. Het werd hoog tijd om rust te nemen.

Jammer genoeg is slapen momenteel… complex. Bijna iedere nacht word ik bezweet wakker. Ik weet niet of het de leeftijd is of dat ’s nachts mijn verbeelding dreigende vormen aanneemt die vervliegen zodra ik wakker word (ik herinner me geen nachtmerries).

Ook woensdagmorgen begint zo. Vier uur is het, en de slaap is bij me vandaan gevlucht. Dan maar vroeg aan het werk. Om half zes loop ik op straat. Er zijn nog haast geen auto’s; ik hoor alleen vogels. Eentje waarvan ik de naam niet ken, klinkt als een belletje van een hotelgast die aandacht wil bij de balie – in de tijd dat het nog niet bijzonder was om in een hotel te mogen zijn.

Ik loop langs het water; de lucht is er koel en fris. Ik ben niet fris. Ik wandel langs fluitenkruid en raapzaad en snuif diep, hopend dat hun geur van lente en vernieuwing ook mij vernieuwt. Maar als ik verderloop, slof ik nog steeds.

De vogels maken me uiteindelijk wakker. Als ik aan kom lopen, neemt een jonge ekster niet eens de moeite om weg te vliegen. Hij houdt zijn kop scheef en kijkt meewarig. Ik houd mijn hoofd scheef en grijp de kans aan om een ekster van zo dichtbij te bekijken.

Nog geen honderd meter verder zit een aalscholver op een lantaarnpaal. Hij spreidt zijn vleugels als een popster die applaus in ontvangst neemt van zijn grootste fans, of als een ziel die het eindelijk aandurft zich aan de wereld te tonen. Of misschien wil hij zich simpelweg opwarmen aan de zon. Maar de zon is nog onzichtbaar, en de aalscholver kijkt naar het westen, niet naar het oosten.

Nog een vogel vangt mijn aandacht. Een paar lantaarnpalen verder zit een gedistingeerde kraai: hij heeft zilver in zijn vleugel, als een witte golvende lijn op een zwarte sportwagen. Langzaam draait hij zijn kopje naar me toe, nog kritischer dan de ekster. Even denk ik dat hij een betoverde tovenaar is, die erin zal slagen iets tegen mij te zeggen. Dan wendt hij zich af. Ik voel me gewogen en te licht bevonden – of te zwaar om met hem mee te kunnen vliegen.

Ik sla verslagen het laatste stukje dijk in. Hier groeit weer fluitenkruid, nu niet vermengd met raapzaad maar met de hoge loten van uitgezaaide fluweelbomen. Fluweelbomen… Die doen me denken aan een scène uit een boek dat ik heb geschreven. Opeens wordt mijn verbeelding aardser, minder zweverig – ik kan denken aan dingen die ik zelf heb verzonnen in plaats van dingen die zich aan me opdringen.

Net voordat ik de dijk verlaat, laat de zon een rode gloed boven de horizon verschijnen. Het lijkt of er een oven wordt ontstoken. Gelijk denk ik aan een ander zelfgeschreven boek, waar in hoofdstuk één de zon precies zo verschijnt, op de dag dat het leven van de hoofdpersoon voorgoed zal veranderen.

Bijna op het werk: alleen nog een klein industrieel terreintje over, via de Sikkelstraat. Daar zie ik de eend dood op straat liggen. Ik denk – hoop – dat mijn verbeelding iets onschuldigs (een weggegooide doos, wat verfrommelde doeken) een vorm geeft die er niet is. Een dode vogel is een wat al te nadrukkelijk einde van deze blog die tijdens het wandelen in mijn hoofd is opgekomen. Maar het is waar. Met zijn poten omhoog ligt hij daar, vanbuiten schijnbaar volledig ongeschonden, maar toch dood. Mijn verbeelding wordt met een sikkel afgesneden.

Kijk maar uit voor de meerkoet

‘Ik vrat hem in één keer op,’ schreeuwt de stem. ‘En jij hebt het gezien, hè?’ Er klinkt een tikkende lach, alsof een blindengeleidestok een nogal agressief eigen leven is gaan leiden. Maar als ik me omdraai zie ik slechts een meerkoet, dobberend in de vijver van het Wantijpark.

Doen of ik hem niet gehoord heb is zinloos. Er zijn geen mensen in de buurt: geen kerels met pitbulls; geen jongens die stoer willen lijken. En ik weet waar de meerkoet het over heeft. Ik zag hem inderdaad, toen hij gisteren een enorme vis in één onelegante, effectieve haal naar binnen schrokte.

Meerkoeten beginnen me wat te verontrusten. Toen ik vorige zomer langs de vijver liep, vluchtten ze voor me weg over de waterlelies. Toen leken ze sprookjesfiguren uit iets als de Efteling, alleen al omdat ze op waterlelies kunnen lopen. Nu begin te geloven dat ik al die tijd meerkoeten en waterhoentjes door elkaar heb gehaald.

Afgelopen winter begon het me op te vallen hoe groot meerkoeten eigenlijk zijn. Ik kwam er een paar tegen die bij elkaar stonden te mopperen langs een bevroren waterkant. Ze leken een nieuw ras, de ninja’s onder de watervogels. Nooit was het me opgevallen hoe wit hun snavel is vergeleken met de rest van hun lijf. Dat contrast benadrukte gelijk hoe spits de snavel was: als een uitgestoken zwaard.

Zijn meerkoeten eigenlijk wel te vertrouwen? Die vis die ik de meerkoet gisteren zag verorberen, zo groot alsof ik een hele tonijn naar binnen zou werken, ontnam mij mijn laatste illusies. Waarom heb ik gedacht dat dit onschuldige kroos- en grasgrazers waren? Dit zijn sluwe jagers. Zij vluchten niet weg over waterleliebladeren. Ze zoeken een plek om hun tactiek door te spreken.

Een nieuwe tikkende lach (dat viel me ook dit jaar pas op – dat tikken van meerkoeten, dat even dreigend is als het naderen van de manke slechterik in een horrorfilm). Ik kijk nonchalant en dan tikt de meerkoet harder, alsof hij al mijn gedachten heeft gehoord.

‘De onschuld is voorbij,’ schreeuwt hij. ‘Wij meerkoeten worden meer, niet minder. We laten ons niet meer onderdrukken. Wij eisen de meerderheid op, van ieder meer, van steeds meer rivieren –’

‘Niet te vaak het woord “meer” gebruiken,’ raad ik aan. ‘Dat klinkt overdreven – “meer en meer belachelijk” zou ik bijna zeggen.’

Die poging tot nonchalance wordt me bijna noodlottig. De meerkoet richt zich op in het water, spreidt zijn zwarte gestroomlijnde vleugels waar iedere druppel van vlucht, priemt met zijn snavel mijn kant uit. ‘Heb je nog meer te zeggen,’ schreeuwt hij. Het is geen vraag; het is een dreigement.

‘Niks meer,’ mompel ik. Dat laatste woord wilde ik niet gebruiken. Ik heb het opeens warm. Het zal wel komen omdat na alle regen de zon nu doorkomt. Dat wil ik in ieder geval graag geloven.

De meerkoet klettert terug in het water, zwemt een agressief rondje, verjaagt een eend die te dicht in de buurt komt en… tikt. De engerd uit die slechte film heeft nu bijna zijn 18e slachtoffer meegelokt, de mist in naar een bloederige dood. ‘Jullie lachen nooit meer over meerkoeten,’ sist hij. ‘Nooit meer.’

‘Nooit meer,’ beaam ik.

‘Vind merels maar meegaand, of zwanen zwierig. Kwijl maar over kauwen en –’

‘Ik denk niet dat mensen snel zullen kwijlen over kauwen, niet als je bedoelt dat zij ze schattig vinden. Je moet uitkijken met alliteratie; het wordt snel –’

‘Ik hoef niks meer wat mensen mij opdragen,’ schreeuwt de megalomane meerkoet. ‘Nooit meer. Hoor je me!’

‘Ik hoor je,’ mompel ik. En dan is de audiëntie opeens voorbij: de meerkoet dobbert weg. Er schiet een schacht zonlicht op het water, die zijn zwarte vacht grijs en zacht doet lijken.

Ik loop door en vertel mezelf dat ik me alles heb verbeeld. Maar onwillekeurig kijk ik naar het nest van een meerkoet. Het ligt midden in de vijver, onder de takken van een overhellende boom. Ik realiseer me opeens dat in het groene park die boom als enige nog helemaal kaal is. Misschien is hij dood. En meerkoetenjongen… zijn die zo rood omdat het bloed van toekomstige slachtoffers al hen kleeft? Haastig loop ik door.

Het eerste licht

Ik betrapte er dit weekend op: ik wilde weer een blog over wandelen schrijven. Net op tijd realiseerde ik me dat ik er al zo veel geschreven heb. Ik moest maar eens wat anders schrijven. Eigenlijk heb ik inspiratie genoeg, want de afgelopen maanden heb ik aan een boek gewerkt. Maar dat hou ik nog maar even stil. Alhoewel: stil…

Er ritselt iets. Ik weet niet waar. In een kastje waarvan ik de deur niet goed gesloten heb, of in mijn hoofd. Het is een geluid waarvan ik net zo blij word als van dat eerste licht dat ik laatst op de dijk zag. Dat lage licht dat ieder detail van een boom laat zien: iedere knoest, iedere beginnende knop, iedere verweerde tak, ieder pril blaadje. Dat eerste licht waarin bloesems van de kersenboom blinken als sierraden, terwijl vlakbij de vorst ook fonkelt.

Er ritselt iets. Misschien toch niet in een kast of in mijn hoofd. En misschien is ruisen een beter woord. Ik zag een filmpje dat ze in de stille week in mijn kerk gaan gebruiken. Een echtpaar vertelt over een groot verdriet, maar ook over hoe het oude lied ‘Daar ruist langs de wolken’ hen zo vaak bemoedigde. Er ruist iets, ja, iets dat altijd in de buurt is, ook al voelen we het niet altijd, iets dat altijd het goede met ons voorheeft, ook al geloven we dat niet.

Er ritselt en ruist iets. In mijzelf en om mij heen. Misschien is het creativiteit. Maar dan niet (alleen) die van mijzelf. Onze Maker heeft zo veel meer creativiteit. Die legt Hij in ons en mogen wij gebruiken. Maar wij zijn ook onderdeel van Zíjn creativiteit. Terwijl ik zelf schrijf en meeleef met mijn personages, ben ik benieuwd wat voor plotwendingen Hij voor mij op het oog heeft.

Toch even terug naar dat eerste licht, en naar wandelen. Vanmorgen was ik er belachelijk vroeg uit, en was ik belachelijk vroeg onderweg naar het werk (terwijl ik tot na 21:00 uur bezig ben, dus slim was het niet). Ik zag het eerste licht en vroeg me af waarom het zo’n gevoel van verwachting bij me oproept, waarom als teder roze, verlegen geel en ijl blauw zich vermengen ik altijd denk dat er ieder moment wonderen kunnen gebeuren. Iedere heldere morgen lijkt de hele wereld vol nieuwe kansen. Soms verbaas ik me erover dat ik er nog steeds in geloof.

Er ligt nevel over de dijken, als een bruidssluier waarvan de zoom bijna in het water druipt. Wat verder ligt rijp op de velden, al net zo wit en puur. Bomen strekken stil hun armen op naar de hemel. Hun takken zijn nog kaal, maar ik zie de knoppen, die groot en sterk zullen worden. Ik realiseer me dat ik misschien niet alleen geniet van dat eerste licht, maar ook van het eerste stuk van het herboren worden van het jaar. Alles, alles, alles is nieuw.

Alleen blijft het niet nieuw. Zodra de zon op is en blauw gewoon blauw wordt, als de gloed van het begin is verdwenen, is het lastig om nog in wonderen te geloven. En dat begin van de lente wordt normaal. Straks klaag ik dat het te warm is – sneller dan ik nu wil geloven. Straks is het ook alweer zo vroeg licht dat ik het eerste licht niet meer zie – behalve als ik heel slecht slaap. En als ik slecht slaap geloof ik niet in wonderen.

Ze zeggen dat als je wakker ligt je geen schaapjes moet tellen, maar met de Herder moet praten. Waarom is dat vaak zo lastig in het donker? Ik sta dan liever op, zet mijn pc aan en verlies me in mijn eigen creativiteit. Op zulke momenten wil ik vaak niet denken aan de creativiteit van de Enige die echt schept. Maar nu het weer bijna Pasen is, ben ik me er beter van bewust dat dat geen slimme keuze is.

Christus durfde wel in het donker aan zijn Vader te denken. Hij was bang voordat Hij in de nacht werd overgeleverd aan de mensen die Hem zouden kruisigen. Maar Hij onderging zijn angst. En op Paasmorgen werd Hij het echte Licht. Ik hoop dat ik me daarover zal blijven verwonderen.

De wind waait waar hij wil

Bijna iedere nacht schiet ik even wakker. ‘Japan!’ denk ik dan, en ik schrik iedere keer weer van de beslissing die ik heb genomen. Ik twijfel of ik niet wat anders moet beslissen. In het weekend erna doe ik dingen die ik niet op durf te schrijven omdat ik er te veel voor schaam. Iemand van wie ik hoop dat solidariteit belangrijker is dan zijn mening, mailt meerdere keren dat God niet bestaat.

Dinsdag ga ik met een collega op pad om in twee bedrijven filmpjes op te nemen. We gaan onder andere naar Stolwijk. De dag is grauw, met wolken zonder fantasie of gevoel voor humor. Het landschap zo plat dat het bijna cliché Nederlands is. Ik denk – haast ontroerd: ‘Dit ga ik niet meer zien.’ Ik denk ook: ‘Jawel hoor. Want ik ga niet weg! Ik doe het niet!’

Op donderdag lees ik in het evangelie van Johannes over de wind die waait waar hij wil. Ik kijk naar buiten. Op het Wantij raast de wind over het wateroppervlak, met vingervlugge tekeningen die gelijk weer worden uitgewist. Ik grijns vrolijker dan me de laatste dagen lukte.

Natuurlijk ga ik naar buiten. De wind is geen beletsel – eerder een uitnodiging. Tijdens mijn wandeling waaien duiven uit de lucht; musjes lijken op losgetrokken bladeren. Op het hoogste stuk van de dijk heb ik gelukkig wind mee, hoewel dat zijn eigen gevaren oplevert: ik word bijna omver geblazen. Beneden aan de dijk kreunen de bomen. Ik maak een rondje waardoor ik uiteindelijk weer op een dijk kom. Ik bedenk me dat ik op de meest open stukken geen tegenwind heb. En dan denk ik dat ik dat misschien geestelijk moet zien. De wind onthoudt zich van commentaar; die heeft het te druk met waaien.

Ik loop het park in vanaf de dijk. Als ik zo loop kom ik eerst langs ceders. Ze doen me al een paar jaar denken aan Japan. Ik glimlach naar ze en ben even terug in Japan, in een enorme graftuin, of meer een grafbos, waar overal ceders stonden, honderden jaren oud, stil en plechtig als de grafstenen. En dan ben ik weer in Nederland: ik erger me aan een jogger die denkt dat, aan welke kant van het pad hij ook loopt, anderen voor hem opzij moeten gaan.

De ergernis is bijna onmiddellijk voorbij. De zon schiet door de wolken: de kale maartbomen worden verlicht met een gloed die te prachtig is voor de aarde. En wat gek: terwijl ik de vreugde voel, denk ik niet dat ik de rest van mijn leven deze bomen wil blijven zien. Ik denk aan de botanische tuin van Sapporo, waar ik in 2018 rondliep en me een middag lang in het paradijs waande. Als alles doorgaat, zal ik de eerste jaren in Japan in Sapporo wonen. Ik zal de tuin – even groot als het Wantijpark – regelmatig zien. En het eiland Hokkaido, waarvan Sapporo de hoofdstad is, heeft veel schoonheid die ik nog moet ontdekken.

De wind waait luchtiger terwijl ik doorloop. De zon verdwijnt, maar niet uit mijn hoofd. Wat verderop staat een man bij een vijver. Met een stok probeert hij iets uit het water te vissen. Als ik dichterbij kom lukt het hem net. Het blijkt zijn pet te zijn.

Ik lach naar de man. ‘Die wind toch…’

De man grinnikt als een jongen die een geintje heeft uitgehaald, maar eigenlijk is hij bejaard. ‘Ik zal hem maar niet meer opzetten!’

De vrolijkheid groeit, in mij en om me heen. Weer worden de wolken opengerukt. Ik vind nauwelijks woorden voor het licht dat ik zie. Het is on-Nederlands; even waan ik me weer in de botanische tuin van Sapporo. Ik weet weer dat ik echt ga, hoe eng ik het ook vind en nog zál vinden.

De hele middag schrijf ik, en leef ik in mijn eigen wereld. Af en toe zie ik mailtjes van OMF, met dingen die ik moet gaan doen om de Bijbelschool en mijn visum te regelen. Stress, ja, die is er weer. Maar de wind is er ook. De wind gaat met me mee, waarheen ik ook ga. Johannes had natuurlijk gelijk.

Ik ga (via Engeland) verhuizen naar Japan

Photo by JJ Ying on Unsplash

Eindelijk mag ik het dan vertellen: ik word zendeling in Japan. Tjonge, wat voelt het goed dat te kunnen/mogen schrijven. Ik sta nog aan het begin van de weg, maar het voelt alsof ik al een heel pad heb afgelegd. Loop je even mee?

In oktober 2019 (je weet wel, toen we nog alle bewegingsvrijheid hadden) was ik in Zuid-Afrika, bij zendelingen bij wie ik in het thuisfrontteam zit. De laatste week was ik met hen op een zendingsconferentie. Voordat de conferentie goed en wel begon zat ik in de tuin van het complex. Het was het einde van de droge tijd: het gras was doods en knisperde onder mijn voeten als sneeuw.

Ik had twee geweldige weken achter de rug, was net terug uit het Kruger National Park, en wilde nog meer ontspanning. Ik had geen zin meer in die conferentie. Ik wilde weg. En ik geloof dat God op dat moment tegen me sprak. ‘Hoe lang ga je je nog verstoppen achter je excuses?’ zei Hij. ‘Wordt het niet eens tijd dat jij je gaat laten zien?’ Au. De rest van de week heb ik lopen bedenken waarom ik niet geschikt was als zendeling. En tijdens de hele conferentie was er iedere morgen bij de dagopening iemand die zonder dat hij of zij mijn gedachten kende, mijn bezwaren wegblies. God roept niet wie capabel is; Hij maakt capabel wie geroepen is. En tot mijn eigen verrassing lijk ik geroepen te zijn.

Om zeker te weten dat ik niet weg zou hollen voor die roeping heb ik gelijk bij terugkomst in Nederland in mijn kerk verteld wat er was gebeurd. Een paar maanden later zat ik bij OMF, een zendingsorganisatie voor Zuidoost Azië. En zij… wisten het zo net nog niet. Ze vonden mijn verleden heftig, en wisten niet of ik er klaar voor was.

In 2020 heb ik gewerkt aan mezelf. Ik durf het bijna niet te zeggen terwijl het voor zo veel mensen een zwaar, of zelfs te zwaar jaar was, maar ik vond 2020 geweldig. Ik heb mijn grenzen gezien en heb ze verlegd. Ik ben de confrontatie aangegaan met mezelf en met anderen, het spannendste dat er bestaat voor mij. Ik heb op mijn werk dingen gedaan waarvan ik dacht dat ik ze niet zou kunnen. En ik bleek ze wel te kunnen – en te durven. Vanaf de eerste maandag van de eerste lockdown besloot ik dat het nu echt klaar moest zijn met het vluchten in eten in plaats van vluchten naar God. Ik ben in 2020 zo 40 kilo afgevallen.

Maar bovenal: ik heb God ervaren. Zijn liefde was er steeds opnieuw. Hij heeft sommige dingen heel nadrukkelijk tegen me gezegd, en ook onmiddellijk bevestigd. In andere zaken heeft Hij me uitgedaagd om Hem te vertrouwen. Ik ben gaan staan, zichtbaar geworden, onder andere via een uitzending van De Verandering. Hopelijk heb ik daarin ook God laten zien. Ik ben anders geworden, of misschien geworden wie ik echt ben (ik hoop dat laatste).

Bij OMF hebben ze gezien dat ik de uitdaging ben aangegaan. En zij durven het met mij aan. In september hoop ik naar Engeland te vertrekken voor een jaar Bijbelschool. En daarna… hoop ik in Japan mensen te vertellen over de liefde van Christus.

Waarom Japan? Wie mij kent weet dat ik het een geweldig land vind, maar ik ga niet om permanent in mijn favoriete vakantiebestemming te wonen. De twee keer dat ik er ben geweest heb ik me er bizar thuis gevoeld. Ik wist dat ik iets “moest” met dit land.

De afgelopen jaren heb ik me ingelezen over de vreemde contrasten in de cultuur. De mensen wonen dicht opeen (het is een bergachtig land; de ruimte die bewoonbaar is, is slechts twee keer zo groot als Nederland, maar er zijn 120 miljoen Japanners). In de maatschappij wordt erg rekening met elkaar gehouden, vaak zonder woorden maar met veel verwachtingen, en er wordt er veel inzet geëist. Er is weinig ruimte voor fouten. Wie niet past mag zelfmoord plegen. Dat is een acceptabele uitweg in Japan. In het Japans bestaat geen woord voor “genade”. Hoe mooi om die genade er wel te kunnen laten zien.

Binnenkort natuurlijk meer!

Eerste licht en wietlucht

Een collega heeft me uitgenodigd een ochtend bij haar te komen werken. Dus loop ik in het eerste licht door Dordrecht. Eind februari, iets meer dan een week na ijs en sneeuw, twijfelde ik voor het weggaan of ik mijn winterjas nodig had. Ik droom van licht met warmte erin.

Maar het is nog maar kwart over zeven – het is niet meer donker, maar het echte licht verbergt zich onder de horizon. Ik peins over mijn route. Ik loop graag door parken, maar schat in dat het Merwestein Park nog dicht is: het gaat na zonsondergang tot aan zonsopkomst op slot. Maar de poort is open (de sleutel is niet gebroken). Ik glip door de poort en geniet.

Wat is dat toch met het eerste licht, of met parken? De wereld lijkt nieuw gemaakt, het licht is het eerste licht van de eerste dag. Ik tuur naar bomen langs een donker watertje en het voelt alsof ik mijn ogen moet scherpstellen, of eigenlijk alsof de bomen nog scherp moeten worden, alsof ze nog niet helemaal te voorschijn zijn gekomen uit het Eden waar ze ’s nachts gemaakt zijn, of waar ze zich terugtrekken als de duisternis over de aarde ligt.

En dan ruik ik wiet. De wereld is door de verdovende lucht gelijk normaal. Want wie is er aan het roken – en waar? Ik zie nog niemand.

Ah – daar, bij een bankje. Donker haar, een slungelige gestalte, wat gebogen, zodat ik niet weet of er een tiener staat of iemand die veel ouder is. Ik kom dichterbij. Er wordt een gezicht naar me opgeheven en dan weet ik het nog niet. Ik zeg gedag en er is stilte. Ik loop door en de wereld is nog steeds normaal.

Nou ja, bijna normaal. Want dat Merwestein Park is toch wel bijzonder – ik moet er vaker komen. Er staat een boom waarvan de stronk zich vertakt als een boeket, waarvan de takken zich rechtstreeks vanuit de wortels lijken uit te spreiden. De stronk is compleet omringd door steen, alsof mensen zonder fantasie bang zijn dat haar bijzonderheid zich te ver verspreidt. De herten van het park liggen allemaal bij elkaar rondom één boom, bewegingsloos. Ze staren me aan alsof mijn komst de hertentovenaar heeft verdreven. Haastig loop ik door – misschien heb ik net iets te veel wiet opgesnoven.

Ik passeer weer een poort en loop terug de wereld in. Vlak bij het station bel ik aan bij mijn collega. Die ochtend hoor ik goederentreinen en maar liefst drie brandweerwagens. Maar ik zit in het mooie interieur van mijn creatieve collega, waardoor de wereld toch bijzonder blijft, en ik geniet van haar licht. Gewoonlijk zit ik tegenover haar op kantoor. Nu ben ik me weer veel meer bewust hoe waardevol dat is. Ze is niet meer vanzelfsprekend. Ik voel mezelf lichter worden, meer mezelf, gewoon omdat ik er iemand tegenover me zit zonder schermen tussen ons in. Die lockdown doet toch meer met me dan ik had gedacht.

Even peins ik over de dagopening die ik aan het voorbereiden ben voor de volgende dag. Ik heb laatst een mooi stukje gehoord over Jesaja 60: Sta op en schitter – of: Sta op en word verlicht. Die tekst die bijna een cliché is geworden voor christelijke vrouwenbijeenkomsten is weer voor me gaan leven. Ik heb er een mooie stuk over gevonden (lees het hier), waarin het wordt gekoppeld aan Jezus’ opdracht om ons licht te laten schijnen zodat onze Vader verheerlijk wordt. Het verlangen om dat te doen wordt steeds sterker. Ik voel het fonkelen in me.

Aan het eind van de morgen loop ik terug door het Merwestein Park. Er wordt gesnoeid en iemand leegt vuilnisbakken – ik snuif de geur op van achtergebleven energydrank. Van betovering is weinig sprake meer, behalve dan door externe invloeden. Er fietst iemand achter me. Hij spreekt iets Oost-Europees en zit nogal wankel op zijn fiets. Wat verderop loopt een moeder die in een soortgelijke taal spreekt. Naast haar drentelt een kleuter, die dingen optilt uit het grindpad. Misschien ziet zij juwelen waar wij steentjes zien. Ik bid haar toe dat zij haar hele leven de schoonheid van de wereld zal zien zonder er stukken van zichzelf voor hoeven te verdoven.

Geboren in een stal (3)

Photo by Debby Hudson on Unsplash

Vorige keer lazen we dat Freek midden in de oorlog een joodse man tegenkomt en onderdak biedt. Lees hier het slot van het verhaal.

De man holt naar de bomen. Even later komt hij terug met een vrouw. Haar ogen zijn net zo blauw als die van Dina. Haar buik is dik. Er zit een grote baby in. Ze kreunt en fluistert woorden die Freek niet verstaat. Haar man houdt zijn arm om haar heen en kijkt naar Freek. “Waar gaan we heen?”

Freek slikt. Het is nog nooit zo spannend geweest om naar huis te gaan. “Kom maar mee,” zegt hij.

Ze lopen langzaam. De vrouw blijft kreunen en staat soms stil, met haar handen op haar rug. Maar ze komen bij de boerderij en ze hebben geluk: Benny holt hen tegemoet en blaft wel, maar hij doet het maar één keer, alleen om te zeggen dat hij blij is om Freek te zien. Hij snuffelt aan de joodse mensen, kijkt naar Freek en houdt zijn kop scheef alsof hij wil vragen wie dat zijn.

Freek hijgt van opluchting. “Brave Benny,” fluistert hij. “ Hij wenkt de joodse mensen naar de schuur en legt zijn vinger op zijn mond: ze moeten nu héél stil zijn. Bij iedere stap die ze zetten hoort Freek zijn hart bonken. Hij probeert heel goed te luisteren. Is pa nog buiten? In de schuur? Op het erf? Of is hij al binnen, bij mama?

Héél zachtjes doet Freek de schuur open. Het is er donker. Het kan haast niet dat pa hier is. Alleen de schapen zijn er, met hun dikke winterwol, en hun warme adem. Het is niet koud in de schuur. Maar Freek twijfelt. Dit is geen plek om mensen achter te laten. Er is geen lamp, geen tafel en geen stoel. Hij heeft niet eens wat te eten voor ze.

De joodse man loopt langs hem heen. “Dit is een goede plek. Bedankt, jongen. Laat ons nu maar alleen, zodat Mirjam kan doen wat nodig is.”

Freek gaat naar de boerderij. Benny loopt naast hem en raakt met zijn snuit Freeks hand aan, maar Freek reageert er niet echt op. Freek denkt na. Hij moet ervoor zorgen dat pa de schuur niet in gaat. En hij denkt aan Stijn. Stijn zal zijn mond toch wel houden? Hij heeft gehoord dat mensen die joden verstoppen, worden opgepakt door de Duitsers. Sommige worden zelfs doodgeschoten.

Freek heeft een rare kerstavond. De hele tijd houdt hij pa in de gaten. Soms gaat pa na het eten nog bij de schapen kijken. Wat zal hij doen als hij de joden ziet? Zal hij ze aangeven bij de politie? Maar pa blijft zitten. Hij drinkt een glaasje jenever, en dan nog eentje. Bij zijn derde glaasje begint hij te snurken. Freek ademt rustiger; zijn hart klopt niet meer zo snel.

Mama loopt naar de keuken. Ze komt terug met lucifers en steekt de kaarsjes in de boom aan. Ze knipogen weer naar Freek. Freek voelt zich opeens heel moe; de dag was lang. Maar hij staat op en pakt zijn moeders hand. Hij weet dat hij nog niet naar bed kan.

“Wat is er, jongen?” vraagt mama.

Zonder iets te zeggen, neemt Freek haar mee naar de schuur. Daar slaat mama haar handen voor haar mond. Midden tussen de schapen ligt de joodse mevrouw in het hooi. In haar armen houdt ze een baby’tje. Het huilt niet. Het lijkt wel of het weet dat het stil moet zijn.

Freek weet niet zo goed meer wat er daarna gebeurt. Hij is opeens zo moe. Maar hij gelooft dat de joodse mensen schrikken en dat mama fluistert dat ze niet bang hoeven zijn. Ze holt weg, om eten te halen, of kleren voor de baby.

Freek blijft bij de joodse mensen staan. Hij heeft vreselijk veel slaap, maar hij merkt nog net dat de joodse mensen naar hem glimlachen. De man zegt iets, maar Freek hoort hem niet. Hij kijkt naar het baby’tje dat is geboren. Het is echt kerstmis, denkt hij.