Reizen in het donker

Photo by Jonny Gios on Unsplash

Afgelopen zaterdag reisde ik terug naar Engeland. Ik zou comfortabel bij iemand in de auto stappen en na een al even comfortabele bootreis uitstappen op de bijbelschool. Maar degene met wie ik zou meereizen kreeg corona. Dus ik regelde heel snel een treinkaartje en streste daarna een boel. Want in mijn eentje reizen… ik vind het enger dan zou moeten voor iemand die naar Japan wil.

De eerste keer dat we naar school gingen, namen we ook de trein. Toen had ik gezelschap, maar we slaagden er toch in om wel de goede metrolijn te nemen, maar dan de verkeerde kant op. Zo’n klein detail, dat we in vijf minuten doorhadden en oplosten, gaat in mijn hoofd een geheel eigen leven leiden. Voor ik het weet razen mijn gedachten de verkeerde metrolijn in en eindig ik ergens in een vage uithoek van Londen, aan het eind van de avond, als alle metrolijnen sluiten, het ook op straat het stil wordt en alleen schaduwen achterblijven.

Ik baalde ervan dat ik er wakker van lag – omdat ik rationeel heel goed wist dat het goed zou aflopen. Maar ik kon het niet doorbreken. Twee nachten voor de reis voelde ik zelfs kramp op mijn borst. Dit werd belachelijk. Ik probeerde te achterhalen wat het nou is waardoor ik me zo voelde. Misschien een gebrek aan steun in het verleden, hoewel dat al snel als een cliché klinkt. Ik kon alleen om steun vragen in het heden, door gebed. Dat deed ik.

De laatste nacht voor vertrek sliep ik goed. De kamer die de afgelopen vijf weken zo vertrouwd was geworden was al opgeruimd: alle kaarten weggestopt, koffers ingepakt, gestoft en gepoetst. Ik kon uitslapen en deed dat zowaar ook.

Zaterdag was het druilerig, maar mijn humeur was dat niet. Eenmaal op station Rotterdam, bij het passeren van de douane, voelde ik me bijna op bekend terrein. Een puffende zwaarlijvige dame die achter mij in de rij stond glimlachte ik toe. ‘Je kunt nu lekker tot rust komen,’ zei ik. Misschien ook tegen mezelf.

De trein vertrok op tijd. Een paar keer met de ogen knipperen en we waren bij Breda. Niet veel later naderden we Brussel. We kregen een andere “treinmanager”: iemand die nerveus klonk toen hij dingen probeerde uit te leggen in iets wat vaag als Nederlands klonk. Aan de andere kant van het gangpad waren twee tienerjongens elkaar in het Engels aan het uitdagen. De f*cks gingen steeds vaker over tafel. Toen moeder zei dat ze andere mensen lastigvielen, zei de jongste: ‘I don’t care.’ Ik wilde zeggen: ‘I do.’

Ik werd gebeld door iemand die vroeg hoe de reis verliep en vertelde bijna over die irritante jongens. Gelukkig niet, want een tijdje later kwam ik erachter dat vader een Nederlander was. België werd Frankrijk, met glooiende groene velden en ondanks de regen een vakantiegevoel.

Toen was er opeens de tunnel onder het kanaal en aan de andere kant duisternis: Engeland verborg zich in schemering. Ik bestudeerde mijn telefoon, met screenshots van waar ik moest overstappen. Vlak voordat we er waren, was er nog een tunnel. We kwamen eruit, ik keek op, en… dacht dat ik in een sprookje was. Ik wist – rationeel – dat ik naar torenflats keek, maar ik zag eindeloos lampjes in het duister, pilaren waar licht over streek, en even dacht ik dat ik iets zag uit Duizend en één Nacht, of uit de Efteling. Ik glimlachte.

Op London St Pancras was ik kalm. Ik kocht een kaartje voor de metro, nam de Victoria Line de goede kant uit en stapte uit bij het juiste station. Toen ik daar een treinkaartje wilde kopen, kwam het station dat ik zocht niet naar voren als optie. Even stress, maar er ging net een loket open. Even later stond ik op het station, vier minuten voordat de trein verscheen. Ik had net tijd genoeg om te zien dat dit station ook gebruikt wordt voor Stansted Airport; ik overwoog de volgende keer te vliegen. Maar deze zaterdag reisde ik nog een half uur met de trein. Ik stapte uit in St Margarets en al snel verscheen er een auto met vrienden. Armen werden voor me geopend. Ik voelde me thuis.

In de bijna-winternacht

Photo by David Dibert on Unsplash

“En dan zeggen ze dat ik ‘gewoon’ op Jezus moet vertrouwen,” zucht de vriendin die bij me op bezoek is. “Dat wil ik wel, maar hoe dan?”

Ik tuur in mijn kopje en zucht ook. Ik heb een wolkje melk in de koffie, maar alles lijkt nogal zwart. Ik heb mijn huis opgegeven dit jaar, mijn werk en mijn vrienden achtergelaten om naar bijbelschool in Engeland te gaan. Nu ben ik voor de kerstvakantie terug in Nederland en vind ik het nog steeds lastig om op Jezus te vertrouwen. Ik voel me een nomade in eigen land, en in mijn eigen ziel. De afgelopen weken heb ik dingen over mezelf geleerd waar ik niet blij van word. Ik vraag me af of mensen mij tekort doen en ik vraag me af of ik hen tekort doe.

Het is de één na kortste dag van het jaar, de laatste dag van de herfst. Ik stap vroeg in de avond het duister in, onderweg naar een bidstond. Genoeg gebedspunten, en niet alleen in mezelf. Ik zie mensen samen aan tafel zitten die allemaal naar hun eigen telefoon kijken.

In een tunneltje hoor ik achter me twee vrouwen spreken. Even maken de woorden me hoopvoller. “Als dit geen tijd van verbondenheid is, dan weet ik het niet meer,” zegt de een, en als de ander instemmend mompelt, zegt ze: “We moeten er voor elkaar zijn. We moeten onszelf aan elkaar laten zien.”

Ik denk even dat het nog mooier zou zijn als we Iemand anders aan elkaar zouden laten zien. En dan, als de tweede vrouw weer instemmend mompelt, zegt Vrouw Eén monter: “Ik heb vandaag voor mezelf gekozen.”

Opeens blijkt Vrouw Twee werkelijk te kunnen praten: “Echt?” vraagt ze enthousiast. “Wat heb je dan gedaan?” En de eerste vrouw begint iets te vertellen over dat ze tot zes uur heeft gewerkt, maar toen…

Ik weerhoud me er net van om me om te draaien en te vragen of Vrouw Eén nou echt niet doorheeft dat ze nogal tegenstrijdig is. Ik ben het tunneltje uit en sla haastig af. Ik kijk omhoog en probeer me te concentreren op de hemel. Er dwalen nachtwolken in, die helder verlicht worden door een maan die nog verborgen is achter grotere wolken. Ik adem eens diep in en loop verder, door straten die stinken naar wiet van schaduwen die voor me uit lopen.

Ik heb nooit wiet gebruikt, maar even kan ik me voorstellen waarom mensen dat wel doen. Dan kun je in ieder geval dromen. En dan… droom ik misschien ook. Er verschijnt weer een tunnel, vlak voor mijn ogen, donker draaiende lucht waarin al mijn irritatie en twijfel kolkt. Er rijdt een elektrische scooter doorheen, naar mij toe, volledig geluidloos – totdat de gehelmde bestuurder vol in de remmen gaat en omvalt, over het stuur heen. Als ik toesnel om hem te helpen staat hij alweer op. “Vrees niet!” roept hij. En er is iets in zijn stem waardoor ik weet dat hij geen ‘gewone’ bestuurder is. Ik kijk even naar de tunnel, die hij is verdwenen. De avondlucht is opeens ook helderder. De wolken zijn verdwenen – de maan schijnt. De wiet ruik ik niet meer – ik ruik wierook.

Als ik me naar de bestuurder draai, is ook hij verdwenen. De plek waar hij stond lijkt lichter dan de rest van de straat – alsof alle stralen van de maan daarin geconcentreerd zijn. “Vrees niet,” brom ik, licht geïrriteerd. Dat is de tekst van engelen, voordat ze hun echte boodschap beginnen te vertellen. Maar wat is die boodschap dan? Ik kijk nog eens om me heen, maar scooter en berijder zijn echt verdwenen. Alleen een echo lijkt achter te blijven. Ik spits mijn middelbare oren en denk te horen: “Hij is allang geboren.” Misschien moet ik concluderen dat ook als ik Jezus niet altijd bemerk, Hij er toch is.

Ik loop door en zie drie jongens met een Arabisch uiterlijk een bus in stappen. Op reis naar…? De vergelijking met de drie wijzen dringt zich aan me op. Als de bus wegrijdt (geluidloos, ook elektrisch) hoor ik gezang. Geen engelen, nee, maar twee tienermeisjes. “O baby, baby!” galmen ze, en dan giechelen ze. En ik glimlach. Jezus is allang geboren.

Bevreemdend bekend

Elf weken en één dag nadat ik afscheid nam van Dordrecht, loop ik weer door haar donkere straten. De avond valt, het regent zacht, het is druk op straat. Alles wat bekend was bevreemdt me.

Het is spits: de autolampen schijnen verblindend in mijn ogen. Op de stoep staan twee mannen, allebei in donkere jassen, allebei met net grijs haar. Eentje heeft drukke gebaren, de ander heeft de handen op zijn rug. Hij houdt iets vast waarvan ik even denk dat het een roos is (die hij zo aan de andere man gaat geven?), maar het is een paraplu. Hij houdt het ding zo stevig vast dat het ook een zwaard kon zijn (waar hij de andere man zo mee zal aanvallen?).

Ik loop verder. Ik aarzel even bij een zebrapad, alsof ik in mijn donkerpaarse jas onzichtbaar ben in dit uur. Ik denk aan het begin van ‘De Grote Scheiding’, als de verteller rondloopt in een stad die voor eeuwig stil lijkt te staan op het moment net voordat in de winkels de lichten aangaan. Haastig steek ik over. Natuurlijk ben ik niet onzichtbaar in die lichten die mij verblinden.

Ik heb een afspraak in Stadswerven en pak niet de kortste weg: ik wil over de Prins Clausbrug, die ik gebouwd heb zien worden, maar die nog niet klaar was toen ik vertrok. De handigste weg daarnaartoe loopt vlak langs mijn voormalige huis, maar ik neem een omweg. De plek zien die thuis was en dat niet meer is, doet me waarschijnlijk te veel.

Uiteindelijk moet ik zelfs een grotere omweg nemen, want er is een afsluiting. Op de Sint Jorisweg loop ik aan de kant van de straat waar ik nooit liep en verbaas ik me over de Nederlandse gewoonte die ik weer echt raar vind: de open of ontbrekende gordijnen. Ik staar hoge woonkamers in. In eentje hangt een stoffen vlinder aan de schouw. Ik vraag me af wat dat zegt over het verlangen van de bewoner om weg te vliegen.

Ik sla af in een straatje dat bekender is, dat ik altijd doorliep als ik terugkwam met boodschappen. Maar waar ik destijds rechtsaf sloeg, loop ik nu rechtdoor. De regen miezert verder. Er zijn weinig mensen op straat. Ik zie alleen een vrouw van middelbare leeftijd, met een streng gezicht, gekapt haar, een gedegen zwarte jas – en rode frutselige laarsjes. De enige andere mensen zijn fietsers van Thuisbezorgd. Ik vind het er opvallend veel.

Ik kijk weer een huis in. Er zijn geen lampen aan, maar toch is er voldoende licht: vier schermen, twee aan twee boven elkaar, glanzen in het duister. Weer knaagt de bevreemding aan me. Vier schermen scheppen een angstig beeld van hoe hard er wordt gewerkt. Maar ik ben al afgeleid. Ik loop weer aan een straatkant waar ik nooit liep: ik kijk op naar een flat die ik altijd alleen van de waterkant zag. Het gebouw lijkt in de schemerig hoog, intimiderend en afstandelijk.

Dan ben ik bij de Prins Clausburg. Eindelijk kan ik eroverheen. Da’s pas echt bevreemdend. De reling gloeit oranje, alsof we in een verre toekomst zijn. Halverwege houd ik even stil. Ik heb een uitzicht over mijn wijk dat ik nooit heb gehad toen ik er nog woonde. De afgelopen weken heb ik mijn thuis zo gemist dat ik verwacht pijn te ervaren. Maar terwijl ik kijk weet ik dat ik de goede keus heb gemaakt. Hoe mooi de omgeving ook is, het is niet mooi genoeg om er de rest van mijn leven stil voor te staan.

Dan ben ik in Stadswerven. Ik bel aan bij een oud-collega en even is alles als vroeger. Uren later loop ik terug via bekend terrein: de Oranjelaan. Maar het laatste stuk loop ik aan de kant waar ik nooit kwam. Het voelt of ik in een stad ben die ik niet ken: ik passeer hoge huizen die me doen denken aan grachtenpanden, of aan sprookjes: de huizen hebben stenen trappen naar een deur op de eerste verdieping, met een dromerige draai, die niets met functionaliteit te maken heeft. Waarom heb ik dit nooit gezien? Ik ben bijna blij dat mijn leven zo veranderd is dat ik weer verrast kan worden.

Een andere kant van een andere kant van een andere wereld

Haileybury bij daglicht

Het is geweldig op de bijbelschool, maar na bijna acht weken was ik toe aan even iets “anders”. Ik greep dus de kans aan om mee te gaan naar een concert. Het was misschien niet handig dat ik niet vroeg wát voor concert het was, maar dat liep gelukkig goed af.

Ik kwam samen met een Duitse klasgenote terecht op Haileybury, een internaat waar de rijken der aarde hun kinderen heen sturen. Per trimester – niet per jaar – betalen ze daar £9.000 voor. We stapten een concertzaal binnen die groter was dan heel wat theaters die ik in Nederland heb bezocht. De muren waren zo hoog dat ze intimiderend werden. We keken tegen een muur aan waar heel hoog een Latijnse tekst in stond gegraveerd. Tijdens het concert heb ik geprobeerd die te ontcijferen, maar ik kwam niet veel verder dan dat de zaal er was gekomen dankzij de steun van velen en dat hij in 1912 was opgeleverd.

Tijd voor muziek. Deze school had een volwaardig orkest, bijna compleet bestaand uit leerlingen. Alleen voor de pauken hadden ze een grote kerel ingehuurd. We hoorden muziek van Ralph Vaughan Williams en daarna de Boléro van Ravel. Mooi – met af en toe een foutje dat wij natuurlijk vergaven. Ik bleef om me heen kijken, nog steeds verrast om zo in een andere kant te zijn van de andere wereld die Engeland nog steeds is. Soms voerde de muziek me mee naar weer een andere kant: dwalend op het gevoel dat de muziek opriep.

Tijdens de pauze kletsten we met een docent van de bijbelschool en zijn vrouw. Door hen wisten we dat het concert er was en openstond voor buitenstaanders. Zij maakten deel uit van het koor dat na de pauze aan de slag ging. De jeugdige orkestleden hadden het veld geruimd. De pauken bleven, samen met twee piano’s, waar het hoofd van de muzieksectie van Haileybury en een professionele pianist plaatsnamen. Het koor van volwassenen van buiten werd aangevuld met een koor van al behoorlijk opgeschoten tieners en van kinderen die een stuk jonger waren.

Ze voerden “Carmina Burana” op, van Carl Orff. Als je dat (zoals mij, muziekleek die ik ben) niets zegt, zoek dan eens op “Fortuna Imperatrix Mundi”, het stuk waarmee deze cyclus begint. Dat ken je waarschijnlijk wel. Ik liet me nu echt meevoeren naar de andere kant van een andere kant van een andere wereld. De muziek was imponerend of zacht, overdonderend of liefelijk. Vooral toen de jongere leerlingen samen met het koor “Chramer, gip die varme mir” zongen was ik ontroerd: de hoge stemmen van de leerlingen en het geruststellende antwoord van de volwassenen knepen mijn keel dicht.

Maar uiteindelijk keerde ik toch terug naar de fascinatie van een school voor mensen die een heel ander leven leiden dan ik. Er waren verschillende solisten, allemaal leerlingen. Ik wil liever niet terugdenken aan hoe ongemakkelijk ik het vond om een tiener te zijn. Hier stonden tieners van 15 en 16 die klassieke muziek zongen in het Latijn of in archaïsch Duits, terwijl ze de zaal inkeken alsof ze thuis aan de ontbijttafel zaten: ontspannen, onaangedaan. Aan de namen was te merken dat de solisten uit allerlei landen kwamen (er was één Nederlandse). Vooral de Aziatische bariton en een Aziatische sopraan hadden een kwaliteit die ademloos maakte.

Ik peinsde verder, over het leven dat voor deze jongeren in het verschiet ligt. Waarschijnlijk zal ik ze niet terugzien op concertpodia, hoe goed ze ook zijn. Ze stromen door naar sjieke universiteiten over de hele wereld. Sommigen zullen naar Oxford en Cambridge gaan, hier in Engeland, of naar het Amerikaanse Cambridge. Ze zullen daarna functies bekleden met verantwoordelijkheden waar ik me niets bij voor kan stellen.

Ik keek weer op naar de hoge muur met de Latijnse inscriptie. Dat jaartal 1912 deed me denken aan de Eerste Wereldoorlog die toen vlakbij was. Hoeveel jongens die destijds op de school zaten hebben een paar jaar later hun leven neergelegd? “Carmina Burana” was populair bij de nazi’s, die de Tweede Wereldoorlog in gang zetten. En nu zat ik daar, naast een Duitse. Ik kon alleen maar denken aan hoe weinig we weten over onze toekomst, die andere wereld die we iedere dag betreden en toch nooit helemaal zien.

Het zou kunnen

Ik heb van die dagen dat mijn verbeelding voor mij uitholt. Dat mijn mentale filters het niet doen. Dan zie ik opeens verhalen waar ze er (misschien) niet zijn. Het overkomt me vooral als ik een beetje moe ben, of in een onbekende omgeving zit. Wat dat betreft kan ik in Engeland mijn hart ophalen.

Op een vrije woensdag stap ik de zonnige herfst in. De wind dwarrelt om me heen en mijn gedachten dwarrelen alle kanten uit. Niet voor het eerst valt het me op dat onder de grote eiken die in de grasvelden staan zo veel brandnetels groeien. En de groei eindigt precies onder het uiteinde van de takken. Zou de eik met zijn bladeren aanwijzen tot waar de brandnetels mogen groeien? Of zijn de brandnetels stiekem heel nerveus, bang voor het grote open grasveld waar koeien hen kunnen vertrappen? Of is het helemaal anders en vermijden koeien de eiken omdat die bomen stiekem een superheldenkracht hebben die ze alleen aan dieren laten zien? Loeien koeien omdat ze bang zijn voor bomen?

Ik loop verder, over smalle paadjes waar de beuken naar me toe buigen om me eens goed te bekijken. Tussen de wortels van bijna alle bomen liggen holen verscholen. Ik probeer me voor te houden dat kabouters niet bestaan – dat er konijnen wonen, en in de grotere misschien vossen. Ik hoop dat ik mezelf overtuig.

Ik laat het bos achter me en loop over het jaagpad langs het kanaal naar de dichtstbijzijnde stad. Er is net gesnoeid, met grof geschut: bomen en struiken zijn verwond en lijken bijna te kreunen. Ik hoor ze nog net niet. Een els houdt een gehavende tak op alsof ze om een verband vraagt.

Halverwege komt een kromme oude vrouw met een kromme oude stok me tegemoet. Haar twee honden zijn collies met ogen die op die van mensen lijken. Eentje vermijdt mijn blik, alsof hij een geheim probeert te bewaren. De ander kijkt me aan alsof hij ieder moment iets tegen me zou kunnen zeggen. Als ik verder loop vraag ik me af wat het was.

Ik ben blij als ik de stad bereik en de vraag kan loslaten. Ik stap de supermarkt binnen en even gaat mijn aandacht exclusief naar wat Tesco’s allemaal te bieden heeft. Maar bij de kassa ben ik weer afgeleid. Buiten stapt een volumineuze vrouw op een stel jochies af die voor de supermarkt op een bankje zitten. Haar krullende halflange haar is bovenop vastgezet met een grote klem – ik probeer niet te denken aan hanenkammen. Ze begint te argumenteren. Ik hoor natuurlijk niet wat ze zegt, maar als ik buitenstap zijn de jochies verdwenen en zit de vrouw op het bankje. Ze steekt net tevreden een sigaret op. Zou ze de jongens streng hebben toegesproken alleen maar om dit bankje voor zichzelf te hebben? Het zou kunnen.

Ik begin aan de terugweg. Er rijdt een bestelwagentje voorbij, met daarop groot het woord: “Stress?” Erachter staat welk nummer de lezer dan kan bellen. Even stel ik me voor dat de bouwvakkers in de bestelwagen met hamers en beitels iemands stress te lijf gaan. De ene roept naar de ander: ‘Hier zit nog een beetje; schraap dat snel weg.’ En als ze klaar zijn met schrapen, pakken ze witte verf en smeren ze alle bewijs van hun werk weg.

Ik verlaat de doorgaande weg en keer terug naar het jaagpad. In het water dobberen ganzen (andere dan in Nederland: Canadese, met een zwarte kop). Er zwemt één jonge zwaan tussen, die door de ganzen wordt genegeerd. Misschien is hij het lelijke eendje uit het sprookje. Het zou kunnen.

Ik word afgeleid: achter me komen joggers aanrennen. ‘Goedemiddag!’ roepen ze – in het Nederlands. Het zijn medeleerlingen van de bijbelschool.

De betovering is verbroken: door dat Nederlands weet ik weer dat ik in een heel gewoon Engeland ben. Wat verderop zie ik iets zwemmen in het kanaal. Heel even wil ik nog geloven dat het een zeehond is, of een bever, maar het is gewoon een hond. En zijn baasje heeft geen groen haar, maar een groene muts. En ze draagt geen rode koningsmantel. Het is gewoon een jas. Denk ik.

Zonder (veel) woorden

Drie weken ben ik nu in Engeland en woorden schieten tekort. Nogal letterlijk. In het Engels kan ik me een stuk minder precies uitdrukken dan in het Nederlands.

Op mijn gang ga ik steeds meer om met Clare. Ze is een stuk jonger dan ik, maar wel een stuk wijzer. Ze heeft jarenlang in verre buitenlanden gewoond en kan met een stille diepte praten over waar ze tegenaan liep, en wat God doet als je zelf in beweging komt. Ze heeft ook een sprankelend, onverwacht gevoel voor humor. Ik geniet als ze praat. En baal als ik antwoord. Mijn Engels is niet slecht, maar als ik voel me een onbehouwen tiener die opzettelijk zo asociaal mogelijk reageert op haar lerares. Waar zijn de dagen gebleven dat ik mijn werkuren mocht besteden aan schrijven – en ik daar in mijn vrije tijd mee verderging?

Zuchtend ga ik een blokje om. In de natuur zijn niet veel woorden nodig. Bij kastanjes en bij beuken vallen lege bolsters op de grond, hoewel er geen wind staat: daar zijn eekhoorns aan het werk. Een groep duiven fladdert op: angst. Fazanten hollen voor me uit: nog meer angst. In het struikgewas bewegen bladeren in de nog steeds windloze dag: onzichtbare dieren verstoppen zich voor me. Een roofvogel suist voorbij zonder één enkel geluid.

Ik probeer stil te worden, zonder woorden de God te zoeken voor wie ik zeg hier gekomen te zijn. In deze eerste weken in Engeland heb ik me regelmatig afgevraagd of ik Hem wel goed verstaan heb. Dat schijnt normaal te zijn, maar het is een angstige ervaring. Al je schepen verbranden en er dan achter komen dat er geen nieuw schip is dat je over de diepe oceaan gaat brengen? Op de Bijbelschool wordt er veel nagedacht over God, maar veel zekerheden worden ook kritisch bekeken. Zelfs God lijkt anders.

In de stilte voel ik mijn angst nog beter. En ik weet het: ik verstop me ook in het struikgewas, verberg me onder bladeren, wil opfladderen en wegvliegen, hoewel ik geen thuis meer heb waar ik heen kan. Ik heb alleen nog God en het vertrouwen in Hem. Ik wil denken dat ik dat besef veel te groot maak – maar het is echt waar.

Vluchten. Hoe aanlokkelijk is dat. Een boek waarin ik helemaal kan opgaan (en dan even geen studieboek, maar iets spannends om te lezen – of te schrijven) of een doos met heerlijke chocolade – hoewel ik gelukkig Engelse chocolade niet meer zo lekker vind als vroeger.

Er zijn geen uitvluchten meer. Ik probeer mijn woorden te stillen, mijn gedachten te sussen zoals ik een baby zou sussen. Misschien zijn woorden toch niet altijd zo fijn. Misschien moet ik maar helemaal stoppen met denken – als ik wist hoe dat moest.

Ik kijk om me heen. Het is een stille herfstdag. In de hagen zie ik rozebottels en één bloesem van een braamstruik. De boerenvelden zijn kaal; de horizon is vaag met onbestemde bewolking. Maar het is nog warm, en soms kust de zon me alsof het zomer is. Ik weet het: het zal winter worden, sneller dan ik op deze oktoberdag denk. Ook in mij. En dat is waarschijnlijk goed.

Een paar dagen geleden bad ik samen met een aantal andere mensen voor de toekomst van Project Deshima, mijn plannen in Japan. Tijdens het gebed zag ik in mijn gedachten een deur die openging. Ik dacht dat het betekende dat er nieuwe mogelijkheden zouden komen. Maar toen snapte ik het: die deur is in mijzelf. Voordat ik aan de slag kan met mijn toekomst zal ik eerst in mijzelf moeten rondwandelen, in alles wat ik geloof en niet geloof over God. Ik denk dat mijn vertrouwen nog gesnoeid wordt de komende tijd, zodat het de winter aankan, en kan bloeien als het nodig is.

Ik slenter verder over het pad terug naar All Nations, de Bijbelschool. Het is vol stenen, en het valt me op dat zelfs die soms in tweeën zijn gesneden. Welke hand kan dat doen? En vindt de steen het fijn om een stuk van wat zijn binnenkant was nu te laten zien aan wind en lucht en kou?

Wandelen in Engeland met wie er niet is

Op 21 september arriveerde ik op All Nations Christian College, waar ik een schooljaar ga doorbrengen. Het was alsof ik een sprookje binnenstapte: een Engels landhuis omringd door beboste heuvels en glooiende velden. De staf en de leerlingen zijn allemaal zo aardig dat het bijna onnatuurlijk is. En toch… na een paar dagen verlang ik naar wat en wie er niet is.

Alles is opeens anders. Geen eigen huis meer, niet meer je vertrouwde eten, niet meer je vertrouwde mensen. Allemaal nieuwe mensen: een 24-jarige die al vier jaar in Madagaskar heeft gewerkt, een 37-jarige die in drie verschillende landen projecten heeft opgezet – ik voel me nederig.

Nederig én overweldigd. Het is verrassend dat ook als iedereen geweldig is, je op een gegeven moment gewoon behoefte hebt aan rust. Na drie dagen vol introductie en interactie, ga ik op zondagmiddag wandelen. Ik ben blij dat ik in mijn eentje ga. Alhoewel… het voelt of er mensen meelopen.

Ik loop eerst langs de bosrand en dan door landbouwvelden. De zon schijnt warm voor het begin van de herfst. Het pad ligt vol steentjes die in Engeland ouder lijken dan in Nederland – en harder voelen aan de voeten.

Bij een grote eik waar een bord wijst op verre bestemmingen, sla ik linksaf. Ik voel mij tot rust komen, en denk aan wandelingen in Zeeland met een goede vriendin. Ik herinner me een plekje heb bij een grote eik waar we graag stilhouden.

Als ik weer linksaf moet slaan loop ik even naar rechts, om een doorkijkje door de velden te hebben. Net op dat moment vliegt er een grote roofvogel op – of eigenlijk een “rofo”, zoals een andere goede vriendin en ik altijd zeggen tijdens wandelingen.

Zodra ik aan die vriendin denk, scherp ik mijn ogen. Er zitten hier in de omgeving veel herten, en voor deze vriendin is een wandeling pas compleet als ze herten of reeën heeft gezien. De herten hier kent ze waarschijnlijk niet: muntjac, een heel kleine soort. Ze hebben een aparte gang, met opgetrokken schouders, zodat ze heimelijk lijken te vluchten. De dagen ervoor heb ik er al een paar gezien. Helaas: deze zondag verstoppen ze zich voor me.

Verder loop ik – keurig links houdend op lege wegen, waar ik één vrouw met een hond tegenkom, en één mountainbiker. De velden vol gewassen doen bekend aan, hoewel ik niet weet wat er geteeld wordt. De Zeeuwse vriendin, met boerderijervaring, zou het wel weten. Steeds meer denk ik aan mensen die er niet zijn. Hoewel de wereld glooiender is, zouden we bijna in Nederland kunnen zijn.

Alhoewel… Er zijn geluiden die ik in Nederland niet veel hoor. Het is hier erg druk met fazanten, die zich luid en duidelijk laten horen, met een klokkend geluid. Nog wel: we zijn gewaarschuwd om in de herfst op de paden te blijven, omdat er dan jagers op de fazanten komen schieten. Ik heb in een verre haag ook een witte vogel gezien, maar ik heb geen idee van welke soort.

Het laatste stukje van mijn wandeling wandel ik in bosrijker gebied. Er komen verschillende kleine vliegtuigen over, en later ook een helikopter. Ik vraag me af of er belangrijke mensen in de omgeving wonen.

Bij een cottage sla ik af, terug de heuvel op naar All Nations. En even lijkt het alsof ik in Eden ben. Aan beide kanten van het pad dwalen fazanten, maar geen enkele wil voor me vluchten. Een grijze eekhoorn huppelt vlak voor me over het pad. Gelukkig zie ik vlak daarna ook een rode eekhoorn, die in Engeland steeds zeldzamer worden doordat de grijze (die eigenlijk Amerikaans zijn, en ooit door een dwaas zijn uitgezet) sterker zijn.

Plots zie ik wat verderop en grote witte vogel, midden op het pad. Van een afstandje denk ik even dat het een pauw is, maar dat zou te onwaarschijnlijk zijn. Ik kom dichterbij en de witte vogel blijft rustig zitten. Het is een fazant – ik wist niet eens dat er witte bestonden. Pas als ik een foto heb gemaakt verdwijnt hij statig in het struikgewas.

Ik loop verder, naar All Nations. Ik ben niet meer in Nederland, weet ik weer.

De gedachten van een mus

Photo by Wolfgang Hasselmann on Unsplash

Een tijdje geleden liep ik langs een struik – of eigenlijk was het een struikje. De takken waren dun – of eigenlijk iel. Maar een volwassen mus greep zich aan zo’n takje vast en viel niet. Hij was zo licht dat het takje zelfs nauwelijks boog onder zijn gewicht.

Soms wil ik zo licht als een mus zijn. Ik bedoel niet dat ik mezelf te zwaar vind. Ik bedoel: wat is het lekker als niets om je heen zwaar is – of zwaar lijkt; als je omgeving of jijzelf niet buigen onder je eigen gedachten.

Mijn gedachten de afgelopen week waren zwaar. Ik zit volop in mijn proces van loslaten: werk en huis opgeven, voorbereiden op de bijbelschool in Engeland en daarna de grote reis naar Japan, ver weg van iedereen die me lief is. Door Brexit heb ik nu een visum nodig voor Engeland, en daarvoor moest ik een taaltoets doen. Die haalde ik met prachtige cijfers. En toen kwam erachter dat ik de verkeerde taaltoets had gedaan. Een echtpaar met hetzelfde probleem vertelde dat we de goede niet meer in Nederland konden doen. De dichtstbijzijnde locatie was Parijs – of anders Bern.

Het bleek uiteindelijk allemaal wat minder zwaar: de toets kon toch wel in Nederland. Maar… pas in augustus, terwijl ik in september al naar Engeland moet. Blijft er wel tijd genoeg over om het visum aan te vragen, en vooral: te krijgen? Mijn gedachten werden weer zwaarder. Ze lagen ’s nachts op mijn hart, of op mijn longen. Het was lastig om te blijven ademen. Ik wenste weer dat ik een mus was. De hersenen van een mus zijn zo klein en licht dat hij niet kan piekeren.

Maar God sprak dwars door mijn eigen gedachten – of (waarschijnlijker) door die van Hem. Volgende maand mag ik een keer spreken in de kerk. Toen ik ervoor werd gevraagd, wist ik gelijk waar ik het over wilde hebben, maar ik had het nog niet uitgewerkt. Ondanks de onrust begon ik daar maar eens aan. En de conclusie van “mijn” eigen preek was: benoem je zorgen naar God toe, zoals Elia, die durfde uitspreken dat hij het leven moe was. Wees niet als Saul, die zich groot hield voor zijn leger en offers bracht die hij helemaal niet moest brengen. Saul sneuvelde; Elia zag God op de berg Horeb. Ik huilde bij God uit, benoemde hoe spannend ik alles vind – hoe doodsbang ik soms ben voor al die veranderingen.

De volgende dag had ik een fotoshoot. Nou, voor mij is dat een zin die ik niet had verwacht ooit te zullen schrijven. Maar dat zijn van die dingen die soms gebeuren bij grote veranderingen: anderen willen daarover kunnen lezen, en bij een artikel horen foto’s (beweren ze). Ik zag er echt tegenop. Ik krijg gewoonlijk kaakpijn als ze me willen fotograferen, zeker als het langer duurt dan drie seconden. Meestal herken ik mezelf nauwelijks in het resultaat – of wíl ik mezelf niet hoeven herkennen.

Maar… de fotoshoot was geweldig. Samen met de fotografe stond ik in een ultiem Hollands landschap: hoge wolkenluchten, elegante hoge halmen, uitbundige bloemen. En het waaide: een frisse wind in mijn gezicht, om mij heen, tegen mij aan, kriebelend, strelend, geruststellend. Ik dacht opeens: God weet hoeveel ik van de wind houd. Is het echt toeval dat ik straks allemaal foto’s heb waarop de wind zichtbaar aanwezig zal zijn?

Bij de laatste locatie waar de fotografe de wind en mij vastlegde, vlogen zwaluwen af en aan. Ik moest in de camera glimlachen, maar ik glimlachte naar de lucht. Ik was een beetje jaloers op die zwenkende vogeltjes, maar ook gewoon blij dat ik naar ze mocht kijken.

Daarna ging ik naar een korte bidstond. Terwijl ik bad moest ik opeens huilen. Maar het was niet van de stress. Het was omdat ik eindelijk weer even rustig was. Mijn gedachten waren licht als van een mus. Ik wist dat ik mee kon vliegen, met God, naar de bestemming die Hij voor mij in gedachten heeft. Toen ik ’s nachts wakker werd, lagen mijn gedachten al weer voelbaar op mijn longen, maar ik draaide me om en sliep verder.

Vleugels voor de vermoeide verbeelding

Als ik te weinig slaap en te veel doe strompelt mijn lichaam, maar vliegt mijn verbeelding. Laatst liep ik na een wandeling van bijna twintig kilometer het park in. Even dacht ik een vrouw twee kraaien te zien uitlaten.

Natuurlijk was er geen sprake van kraaien aan de lijn – dat zouden kraaien niet toelaten. Er was slechts een vrouw met een hond aan de riem; de kraaien hupten voor haar uit. Ik liep door en mijn hoofd vloog verder. Ik zag een gans zitten in een hoge tak en zelfs dat vond ik raar; alsof ganzen alleen kunnen zwemmen. Het werd hoog tijd om rust te nemen.

Jammer genoeg is slapen momenteel… complex. Bijna iedere nacht word ik bezweet wakker. Ik weet niet of het de leeftijd is of dat ’s nachts mijn verbeelding dreigende vormen aanneemt die vervliegen zodra ik wakker word (ik herinner me geen nachtmerries).

Ook woensdagmorgen begint zo. Vier uur is het, en de slaap is bij me vandaan gevlucht. Dan maar vroeg aan het werk. Om half zes loop ik op straat. Er zijn nog haast geen auto’s; ik hoor alleen vogels. Eentje waarvan ik de naam niet ken, klinkt als een belletje van een hotelgast die aandacht wil bij de balie – in de tijd dat het nog niet bijzonder was om in een hotel te mogen zijn.

Ik loop langs het water; de lucht is er koel en fris. Ik ben niet fris. Ik wandel langs fluitenkruid en raapzaad en snuif diep, hopend dat hun geur van lente en vernieuwing ook mij vernieuwt. Maar als ik verderloop, slof ik nog steeds.

De vogels maken me uiteindelijk wakker. Als ik aan kom lopen, neemt een jonge ekster niet eens de moeite om weg te vliegen. Hij houdt zijn kop scheef en kijkt meewarig. Ik houd mijn hoofd scheef en grijp de kans aan om een ekster van zo dichtbij te bekijken.

Nog geen honderd meter verder zit een aalscholver op een lantaarnpaal. Hij spreidt zijn vleugels als een popster die applaus in ontvangst neemt van zijn grootste fans, of als een ziel die het eindelijk aandurft zich aan de wereld te tonen. Of misschien wil hij zich simpelweg opwarmen aan de zon. Maar de zon is nog onzichtbaar, en de aalscholver kijkt naar het westen, niet naar het oosten.

Nog een vogel vangt mijn aandacht. Een paar lantaarnpalen verder zit een gedistingeerde kraai: hij heeft zilver in zijn vleugel, als een witte golvende lijn op een zwarte sportwagen. Langzaam draait hij zijn kopje naar me toe, nog kritischer dan de ekster. Even denk ik dat hij een betoverde tovenaar is, die erin zal slagen iets tegen mij te zeggen. Dan wendt hij zich af. Ik voel me gewogen en te licht bevonden – of te zwaar om met hem mee te kunnen vliegen.

Ik sla verslagen het laatste stukje dijk in. Hier groeit weer fluitenkruid, nu niet vermengd met raapzaad maar met de hoge loten van uitgezaaide fluweelbomen. Fluweelbomen… Die doen me denken aan een scène uit een boek dat ik heb geschreven. Opeens wordt mijn verbeelding aardser, minder zweverig – ik kan denken aan dingen die ik zelf heb verzonnen in plaats van dingen die zich aan me opdringen.

Net voordat ik de dijk verlaat, laat de zon een rode gloed boven de horizon verschijnen. Het lijkt of er een oven wordt ontstoken. Gelijk denk ik aan een ander zelfgeschreven boek, waar in hoofdstuk één de zon precies zo verschijnt, op de dag dat het leven van de hoofdpersoon voorgoed zal veranderen.

Bijna op het werk: alleen nog een klein industrieel terreintje over, via de Sikkelstraat. Daar zie ik de eend dood op straat liggen. Ik denk – hoop – dat mijn verbeelding iets onschuldigs (een weggegooide doos, wat verfrommelde doeken) een vorm geeft die er niet is. Een dode vogel is een wat al te nadrukkelijk einde van deze blog die tijdens het wandelen in mijn hoofd is opgekomen. Maar het is waar. Met zijn poten omhoog ligt hij daar, vanbuiten schijnbaar volledig ongeschonden, maar toch dood. Mijn verbeelding wordt met een sikkel afgesneden.

Kijk maar uit voor de meerkoet

‘Ik vrat hem in één keer op,’ schreeuwt de stem. ‘En jij hebt het gezien, hè?’ Er klinkt een tikkende lach, alsof een blindengeleidestok een nogal agressief eigen leven is gaan leiden. Maar als ik me omdraai zie ik slechts een meerkoet, dobberend in de vijver van het Wantijpark.

Doen of ik hem niet gehoord heb is zinloos. Er zijn geen mensen in de buurt: geen kerels met pitbulls; geen jongens die stoer willen lijken. En ik weet waar de meerkoet het over heeft. Ik zag hem inderdaad, toen hij gisteren een enorme vis in één onelegante, effectieve haal naar binnen schrokte.

Meerkoeten beginnen me wat te verontrusten. Toen ik vorige zomer langs de vijver liep, vluchtten ze voor me weg over de waterlelies. Toen leken ze sprookjesfiguren uit iets als de Efteling, alleen al omdat ze op waterlelies kunnen lopen. Nu begin te geloven dat ik al die tijd meerkoeten en waterhoentjes door elkaar heb gehaald.

Afgelopen winter begon het me op te vallen hoe groot meerkoeten eigenlijk zijn. Ik kwam er een paar tegen die bij elkaar stonden te mopperen langs een bevroren waterkant. Ze leken een nieuw ras, de ninja’s onder de watervogels. Nooit was het me opgevallen hoe wit hun snavel is vergeleken met de rest van hun lijf. Dat contrast benadrukte gelijk hoe spits de snavel was: als een uitgestoken zwaard.

Zijn meerkoeten eigenlijk wel te vertrouwen? Die vis die ik de meerkoet gisteren zag verorberen, zo groot alsof ik een hele tonijn naar binnen zou werken, ontnam mij mijn laatste illusies. Waarom heb ik gedacht dat dit onschuldige kroos- en grasgrazers waren? Dit zijn sluwe jagers. Zij vluchten niet weg over waterleliebladeren. Ze zoeken een plek om hun tactiek door te spreken.

Een nieuwe tikkende lach (dat viel me ook dit jaar pas op – dat tikken van meerkoeten, dat even dreigend is als het naderen van de manke slechterik in een horrorfilm). Ik kijk nonchalant en dan tikt de meerkoet harder, alsof hij al mijn gedachten heeft gehoord.

‘De onschuld is voorbij,’ schreeuwt hij. ‘Wij meerkoeten worden meer, niet minder. We laten ons niet meer onderdrukken. Wij eisen de meerderheid op, van ieder meer, van steeds meer rivieren –’

‘Niet te vaak het woord “meer” gebruiken,’ raad ik aan. ‘Dat klinkt overdreven – “meer en meer belachelijk” zou ik bijna zeggen.’

Die poging tot nonchalance wordt me bijna noodlottig. De meerkoet richt zich op in het water, spreidt zijn zwarte gestroomlijnde vleugels waar iedere druppel van vlucht, priemt met zijn snavel mijn kant uit. ‘Heb je nog meer te zeggen,’ schreeuwt hij. Het is geen vraag; het is een dreigement.

‘Niks meer,’ mompel ik. Dat laatste woord wilde ik niet gebruiken. Ik heb het opeens warm. Het zal wel komen omdat na alle regen de zon nu doorkomt. Dat wil ik in ieder geval graag geloven.

De meerkoet klettert terug in het water, zwemt een agressief rondje, verjaagt een eend die te dicht in de buurt komt en… tikt. De engerd uit die slechte film heeft nu bijna zijn 18e slachtoffer meegelokt, de mist in naar een bloederige dood. ‘Jullie lachen nooit meer over meerkoeten,’ sist hij. ‘Nooit meer.’

‘Nooit meer,’ beaam ik.

‘Vind merels maar meegaand, of zwanen zwierig. Kwijl maar over kauwen en –’

‘Ik denk niet dat mensen snel zullen kwijlen over kauwen, niet als je bedoelt dat zij ze schattig vinden. Je moet uitkijken met alliteratie; het wordt snel –’

‘Ik hoef niks meer wat mensen mij opdragen,’ schreeuwt de megalomane meerkoet. ‘Nooit meer. Hoor je me!’

‘Ik hoor je,’ mompel ik. En dan is de audiëntie opeens voorbij: de meerkoet dobbert weg. Er schiet een schacht zonlicht op het water, die zijn zwarte vacht grijs en zacht doet lijken.

Ik loop door en vertel mezelf dat ik me alles heb verbeeld. Maar onwillekeurig kijk ik naar het nest van een meerkoet. Het ligt midden in de vijver, onder de takken van een overhellende boom. Ik realiseer me opeens dat in het groene park die boom als enige nog helemaal kaal is. Misschien is hij dood. En meerkoetenjongen… zijn die zo rood omdat het bloed van toekomstige slachtoffers al hen kleeft? Haastig loop ik door.