Het eerste licht

Ik betrapte er dit weekend op: ik wilde weer een blog over wandelen schrijven. Net op tijd realiseerde ik me dat ik er al zo veel geschreven heb. Ik moest maar eens wat anders schrijven. Eigenlijk heb ik inspiratie genoeg, want de afgelopen maanden heb ik aan een boek gewerkt. Maar dat hou ik nog maar even stil. Alhoewel: stil…

Er ritselt iets. Ik weet niet waar. In een kastje waarvan ik de deur niet goed gesloten heb, of in mijn hoofd. Het is een geluid waarvan ik net zo blij word als van dat eerste licht dat ik laatst op de dijk zag. Dat lage licht dat ieder detail van een boom laat zien: iedere knoest, iedere beginnende knop, iedere verweerde tak, ieder pril blaadje. Dat eerste licht waarin bloesems van de kersenboom blinken als sierraden, terwijl vlakbij de vorst ook fonkelt.

Er ritselt iets. Misschien toch niet in een kast of in mijn hoofd. En misschien is ruisen een beter woord. Ik zag een filmpje dat ze in de stille week in mijn kerk gaan gebruiken. Een echtpaar vertelt over een groot verdriet, maar ook over hoe het oude lied ‘Daar ruist langs de wolken’ hen zo vaak bemoedigde. Er ruist iets, ja, iets dat altijd in de buurt is, ook al voelen we het niet altijd, iets dat altijd het goede met ons voorheeft, ook al geloven we dat niet.

Er ritselt en ruist iets. In mijzelf en om mij heen. Misschien is het creativiteit. Maar dan niet (alleen) die van mijzelf. Onze Maker heeft zo veel meer creativiteit. Die legt Hij in ons en mogen wij gebruiken. Maar wij zijn ook onderdeel van Zíjn creativiteit. Terwijl ik zelf schrijf en meeleef met mijn personages, ben ik benieuwd wat voor plotwendingen Hij voor mij op het oog heeft.

Toch even terug naar dat eerste licht, en naar wandelen. Vanmorgen was ik er belachelijk vroeg uit, en was ik belachelijk vroeg onderweg naar het werk (terwijl ik tot na 21:00 uur bezig ben, dus slim was het niet). Ik zag het eerste licht en vroeg me af waarom het zo’n gevoel van verwachting bij me oproept, waarom als teder roze, verlegen geel en ijl blauw zich vermengen ik altijd denk dat er ieder moment wonderen kunnen gebeuren. Iedere heldere morgen lijkt de hele wereld vol nieuwe kansen. Soms verbaas ik me erover dat ik er nog steeds in geloof.

Er ligt nevel over de dijken, als een bruidssluier waarvan de zoom bijna in het water druipt. Wat verder ligt rijp op de velden, al net zo wit en puur. Bomen strekken stil hun armen op naar de hemel. Hun takken zijn nog kaal, maar ik zie de knoppen, die groot en sterk zullen worden. Ik realiseer me dat ik misschien niet alleen geniet van dat eerste licht, maar ook van het eerste stuk van het herboren worden van het jaar. Alles, alles, alles is nieuw.

Alleen blijft het niet nieuw. Zodra de zon op is en blauw gewoon blauw wordt, als de gloed van het begin is verdwenen, is het lastig om nog in wonderen te geloven. En dat begin van de lente wordt normaal. Straks klaag ik dat het te warm is – sneller dan ik nu wil geloven. Straks is het ook alweer zo vroeg licht dat ik het eerste licht niet meer zie – behalve als ik heel slecht slaap. En als ik slecht slaap geloof ik niet in wonderen.

Ze zeggen dat als je wakker ligt je geen schaapjes moet tellen, maar met de Herder moet praten. Waarom is dat vaak zo lastig in het donker? Ik sta dan liever op, zet mijn pc aan en verlies me in mijn eigen creativiteit. Op zulke momenten wil ik vaak niet denken aan de creativiteit van de Enige die echt schept. Maar nu het weer bijna Pasen is, ben ik me er beter van bewust dat dat geen slimme keuze is.

Christus durfde wel in het donker aan zijn Vader te denken. Hij was bang voordat Hij in de nacht werd overgeleverd aan de mensen die Hem zouden kruisigen. Maar Hij onderging zijn angst. En op Paasmorgen werd Hij het echte Licht. Ik hoop dat ik me daarover zal blijven verwonderen.

De wind waait waar hij wil

Bijna iedere nacht schiet ik even wakker. ‘Japan!’ denk ik dan, en ik schrik iedere keer weer van de beslissing die ik heb genomen. Ik twijfel of ik niet wat anders moet beslissen. In het weekend erna doe ik dingen die ik niet op durf te schrijven omdat ik er te veel voor schaam. Iemand van wie ik hoop dat solidariteit belangrijker is dan zijn mening, mailt meerdere keren dat God niet bestaat.

Dinsdag ga ik met een collega op pad om in twee bedrijven filmpjes op te nemen. We gaan onder andere naar Stolwijk. De dag is grauw, met wolken zonder fantasie of gevoel voor humor. Het landschap zo plat dat het bijna cliché Nederlands is. Ik denk – haast ontroerd: ‘Dit ga ik niet meer zien.’ Ik denk ook: ‘Jawel hoor. Want ik ga niet weg! Ik doe het niet!’

Op donderdag lees ik in het evangelie van Johannes over de wind die waait waar hij wil. Ik kijk naar buiten. Op het Wantij raast de wind over het wateroppervlak, met vingervlugge tekeningen die gelijk weer worden uitgewist. Ik grijns vrolijker dan me de laatste dagen lukte.

Natuurlijk ga ik naar buiten. De wind is geen beletsel – eerder een uitnodiging. Tijdens mijn wandeling waaien duiven uit de lucht; musjes lijken op losgetrokken bladeren. Op het hoogste stuk van de dijk heb ik gelukkig wind mee, hoewel dat zijn eigen gevaren oplevert: ik word bijna omver geblazen. Beneden aan de dijk kreunen de bomen. Ik maak een rondje waardoor ik uiteindelijk weer op een dijk kom. Ik bedenk me dat ik op de meest open stukken geen tegenwind heb. En dan denk ik dat ik dat misschien geestelijk moet zien. De wind onthoudt zich van commentaar; die heeft het te druk met waaien.

Ik loop het park in vanaf de dijk. Als ik zo loop kom ik eerst langs ceders. Ze doen me al een paar jaar denken aan Japan. Ik glimlach naar ze en ben even terug in Japan, in een enorme graftuin, of meer een grafbos, waar overal ceders stonden, honderden jaren oud, stil en plechtig als de grafstenen. En dan ben ik weer in Nederland: ik erger me aan een jogger die denkt dat, aan welke kant van het pad hij ook loopt, anderen voor hem opzij moeten gaan.

De ergernis is bijna onmiddellijk voorbij. De zon schiet door de wolken: de kale maartbomen worden verlicht met een gloed die te prachtig is voor de aarde. En wat gek: terwijl ik de vreugde voel, denk ik niet dat ik de rest van mijn leven deze bomen wil blijven zien. Ik denk aan de botanische tuin van Sapporo, waar ik in 2018 rondliep en me een middag lang in het paradijs waande. Als alles doorgaat, zal ik de eerste jaren in Japan in Sapporo wonen. Ik zal de tuin – even groot als het Wantijpark – regelmatig zien. En het eiland Hokkaido, waarvan Sapporo de hoofdstad is, heeft veel schoonheid die ik nog moet ontdekken.

De wind waait luchtiger terwijl ik doorloop. De zon verdwijnt, maar niet uit mijn hoofd. Wat verderop staat een man bij een vijver. Met een stok probeert hij iets uit het water te vissen. Als ik dichterbij kom lukt het hem net. Het blijkt zijn pet te zijn.

Ik lach naar de man. ‘Die wind toch…’

De man grinnikt als een jongen die een geintje heeft uitgehaald, maar eigenlijk is hij bejaard. ‘Ik zal hem maar niet meer opzetten!’

De vrolijkheid groeit, in mij en om me heen. Weer worden de wolken opengerukt. Ik vind nauwelijks woorden voor het licht dat ik zie. Het is on-Nederlands; even waan ik me weer in de botanische tuin van Sapporo. Ik weet weer dat ik echt ga, hoe eng ik het ook vind en nog zál vinden.

De hele middag schrijf ik, en leef ik in mijn eigen wereld. Af en toe zie ik mailtjes van OMF, met dingen die ik moet gaan doen om de Bijbelschool en mijn visum te regelen. Stress, ja, die is er weer. Maar de wind is er ook. De wind gaat met me mee, waarheen ik ook ga. Johannes had natuurlijk gelijk.

Ik ga (via Engeland) verhuizen naar Japan

Photo by JJ Ying on Unsplash

Eindelijk mag ik het dan vertellen: ik word zendeling in Japan. Tjonge, wat voelt het goed dat te kunnen/mogen schrijven. Ik sta nog aan het begin van de weg, maar het voelt alsof ik al een heel pad heb afgelegd. Loop je even mee?

In oktober 2019 (je weet wel, toen we nog alle bewegingsvrijheid hadden) was ik in Zuid-Afrika, bij zendelingen bij wie ik in het thuisfrontteam zit. De laatste week was ik met hen op een zendingsconferentie. Voordat de conferentie goed en wel begon zat ik in de tuin van het complex. Het was het einde van de droge tijd: het gras was doods en knisperde onder mijn voeten als sneeuw.

Ik had twee geweldige weken achter de rug, was net terug uit het Kruger National Park, en wilde nog meer ontspanning. Ik had geen zin meer in die conferentie. Ik wilde weg. En ik geloof dat God op dat moment tegen me sprak. ‘Hoe lang ga je je nog verstoppen achter je excuses?’ zei Hij. ‘Wordt het niet eens tijd dat jij je gaat laten zien?’ Au. De rest van de week heb ik lopen bedenken waarom ik niet geschikt was als zendeling. En tijdens de hele conferentie was er iedere morgen bij de dagopening iemand die zonder dat hij of zij mijn gedachten kende, mijn bezwaren wegblies. God roept niet wie capabel is; Hij maakt capabel wie geroepen is. En tot mijn eigen verrassing lijk ik geroepen te zijn.

Om zeker te weten dat ik niet weg zou hollen voor die roeping heb ik gelijk bij terugkomst in Nederland in mijn kerk verteld wat er was gebeurd. Een paar maanden later zat ik bij OMF, een zendingsorganisatie voor Zuidoost Azië. En zij… wisten het zo net nog niet. Ze vonden mijn verleden heftig, en wisten niet of ik er klaar voor was.

In 2020 heb ik gewerkt aan mezelf. Ik durf het bijna niet te zeggen terwijl het voor zo veel mensen een zwaar, of zelfs te zwaar jaar was, maar ik vond 2020 geweldig. Ik heb mijn grenzen gezien en heb ze verlegd. Ik ben de confrontatie aangegaan met mezelf en met anderen, het spannendste dat er bestaat voor mij. Ik heb op mijn werk dingen gedaan waarvan ik dacht dat ik ze niet zou kunnen. En ik bleek ze wel te kunnen – en te durven. Vanaf de eerste maandag van de eerste lockdown besloot ik dat het nu echt klaar moest zijn met het vluchten in eten in plaats van vluchten naar God. Ik ben in 2020 zo 40 kilo afgevallen.

Maar bovenal: ik heb God ervaren. Zijn liefde was er steeds opnieuw. Hij heeft sommige dingen heel nadrukkelijk tegen me gezegd, en ook onmiddellijk bevestigd. In andere zaken heeft Hij me uitgedaagd om Hem te vertrouwen. Ik ben gaan staan, zichtbaar geworden, onder andere via een uitzending van De Verandering. Hopelijk heb ik daarin ook God laten zien. Ik ben anders geworden, of misschien geworden wie ik echt ben (ik hoop dat laatste).

Bij OMF hebben ze gezien dat ik de uitdaging ben aangegaan. En zij durven het met mij aan. In september hoop ik naar Engeland te vertrekken voor een jaar Bijbelschool. En daarna… hoop ik in Japan mensen te vertellen over de liefde van Christus.

Waarom Japan? Wie mij kent weet dat ik het een geweldig land vind, maar ik ga niet om permanent in mijn favoriete vakantiebestemming te wonen. De twee keer dat ik er ben geweest heb ik me er bizar thuis gevoeld. Ik wist dat ik iets “moest” met dit land.

De afgelopen jaren heb ik me ingelezen over de vreemde contrasten in de cultuur. De mensen wonen dicht opeen (het is een bergachtig land; de ruimte die bewoonbaar is, is slechts twee keer zo groot als Nederland, maar er zijn 120 miljoen Japanners). In de maatschappij wordt erg rekening met elkaar gehouden, vaak zonder woorden maar met veel verwachtingen, en er wordt er veel inzet geëist. Er is weinig ruimte voor fouten. Wie niet past mag zelfmoord plegen. Dat is een acceptabele uitweg in Japan. In het Japans bestaat geen woord voor “genade”. Hoe mooi om die genade er wel te kunnen laten zien.

Binnenkort natuurlijk meer!

Eerste licht en wietlucht

Een collega heeft me uitgenodigd een ochtend bij haar te komen werken. Dus loop ik in het eerste licht door Dordrecht. Eind februari, iets meer dan een week na ijs en sneeuw, twijfelde ik voor het weggaan of ik mijn winterjas nodig had. Ik droom van licht met warmte erin.

Maar het is nog maar kwart over zeven – het is niet meer donker, maar het echte licht verbergt zich onder de horizon. Ik peins over mijn route. Ik loop graag door parken, maar schat in dat het Merwestein Park nog dicht is: het gaat na zonsondergang tot aan zonsopkomst op slot. Maar de poort is open (de sleutel is niet gebroken). Ik glip door de poort en geniet.

Wat is dat toch met het eerste licht, of met parken? De wereld lijkt nieuw gemaakt, het licht is het eerste licht van de eerste dag. Ik tuur naar bomen langs een donker watertje en het voelt alsof ik mijn ogen moet scherpstellen, of eigenlijk alsof de bomen nog scherp moeten worden, alsof ze nog niet helemaal te voorschijn zijn gekomen uit het Eden waar ze ’s nachts gemaakt zijn, of waar ze zich terugtrekken als de duisternis over de aarde ligt.

En dan ruik ik wiet. De wereld is door de verdovende lucht gelijk normaal. Want wie is er aan het roken – en waar? Ik zie nog niemand.

Ah – daar, bij een bankje. Donker haar, een slungelige gestalte, wat gebogen, zodat ik niet weet of er een tiener staat of iemand die veel ouder is. Ik kom dichterbij. Er wordt een gezicht naar me opgeheven en dan weet ik het nog niet. Ik zeg gedag en er is stilte. Ik loop door en de wereld is nog steeds normaal.

Nou ja, bijna normaal. Want dat Merwestein Park is toch wel bijzonder – ik moet er vaker komen. Er staat een boom waarvan de stronk zich vertakt als een boeket, waarvan de takken zich rechtstreeks vanuit de wortels lijken uit te spreiden. De stronk is compleet omringd door steen, alsof mensen zonder fantasie bang zijn dat haar bijzonderheid zich te ver verspreidt. De herten van het park liggen allemaal bij elkaar rondom één boom, bewegingsloos. Ze staren me aan alsof mijn komst de hertentovenaar heeft verdreven. Haastig loop ik door – misschien heb ik net iets te veel wiet opgesnoven.

Ik passeer weer een poort en loop terug de wereld in. Vlak bij het station bel ik aan bij mijn collega. Die ochtend hoor ik goederentreinen en maar liefst drie brandweerwagens. Maar ik zit in het mooie interieur van mijn creatieve collega, waardoor de wereld toch bijzonder blijft, en ik geniet van haar licht. Gewoonlijk zit ik tegenover haar op kantoor. Nu ben ik me weer veel meer bewust hoe waardevol dat is. Ze is niet meer vanzelfsprekend. Ik voel mezelf lichter worden, meer mezelf, gewoon omdat ik er iemand tegenover me zit zonder schermen tussen ons in. Die lockdown doet toch meer met me dan ik had gedacht.

Even peins ik over de dagopening die ik aan het voorbereiden ben voor de volgende dag. Ik heb laatst een mooi stukje gehoord over Jesaja 60: Sta op en schitter – of: Sta op en word verlicht. Die tekst die bijna een cliché is geworden voor christelijke vrouwenbijeenkomsten is weer voor me gaan leven. Ik heb er een mooie stuk over gevonden (lees het hier), waarin het wordt gekoppeld aan Jezus’ opdracht om ons licht te laten schijnen zodat onze Vader verheerlijk wordt. Het verlangen om dat te doen wordt steeds sterker. Ik voel het fonkelen in me.

Aan het eind van de morgen loop ik terug door het Merwestein Park. Er wordt gesnoeid en iemand leegt vuilnisbakken – ik snuif de geur op van achtergebleven energydrank. Van betovering is weinig sprake meer, behalve dan door externe invloeden. Er fietst iemand achter me. Hij spreekt iets Oost-Europees en zit nogal wankel op zijn fiets. Wat verderop loopt een moeder die in een soortgelijke taal spreekt. Naast haar drentelt een kleuter, die dingen optilt uit het grindpad. Misschien ziet zij juwelen waar wij steentjes zien. Ik bid haar toe dat zij haar hele leven de schoonheid van de wereld zal zien zonder er stukken van zichzelf voor hoeven te verdoven.

Geboren in een stal (3)

Photo by Debby Hudson on Unsplash

Vorige keer lazen we dat Freek midden in de oorlog een joodse man tegenkomt en onderdak biedt. Lees hier het slot van het verhaal.

De man holt naar de bomen. Even later komt hij terug met een vrouw. Haar ogen zijn net zo blauw als die van Dina. Haar buik is dik. Er zit een grote baby in. Ze kreunt en fluistert woorden die Freek niet verstaat. Haar man houdt zijn arm om haar heen en kijkt naar Freek. “Waar gaan we heen?”

Freek slikt. Het is nog nooit zo spannend geweest om naar huis te gaan. “Kom maar mee,” zegt hij.

Ze lopen langzaam. De vrouw blijft kreunen en staat soms stil, met haar handen op haar rug. Maar ze komen bij de boerderij en ze hebben geluk: Benny holt hen tegemoet en blaft wel, maar hij doet het maar één keer, alleen om te zeggen dat hij blij is om Freek te zien. Hij snuffelt aan de joodse mensen, kijkt naar Freek en houdt zijn kop scheef alsof hij wil vragen wie dat zijn.

Freek hijgt van opluchting. “Brave Benny,” fluistert hij. “ Hij wenkt de joodse mensen naar de schuur en legt zijn vinger op zijn mond: ze moeten nu héél stil zijn. Bij iedere stap die ze zetten hoort Freek zijn hart bonken. Hij probeert heel goed te luisteren. Is pa nog buiten? In de schuur? Op het erf? Of is hij al binnen, bij mama?

Héél zachtjes doet Freek de schuur open. Het is er donker. Het kan haast niet dat pa hier is. Alleen de schapen zijn er, met hun dikke winterwol, en hun warme adem. Het is niet koud in de schuur. Maar Freek twijfelt. Dit is geen plek om mensen achter te laten. Er is geen lamp, geen tafel en geen stoel. Hij heeft niet eens wat te eten voor ze.

De joodse man loopt langs hem heen. “Dit is een goede plek. Bedankt, jongen. Laat ons nu maar alleen, zodat Mirjam kan doen wat nodig is.”

Freek gaat naar de boerderij. Benny loopt naast hem en raakt met zijn snuit Freeks hand aan, maar Freek reageert er niet echt op. Freek denkt na. Hij moet ervoor zorgen dat pa de schuur niet in gaat. En hij denkt aan Stijn. Stijn zal zijn mond toch wel houden? Hij heeft gehoord dat mensen die joden verstoppen, worden opgepakt door de Duitsers. Sommige worden zelfs doodgeschoten.

Freek heeft een rare kerstavond. De hele tijd houdt hij pa in de gaten. Soms gaat pa na het eten nog bij de schapen kijken. Wat zal hij doen als hij de joden ziet? Zal hij ze aangeven bij de politie? Maar pa blijft zitten. Hij drinkt een glaasje jenever, en dan nog eentje. Bij zijn derde glaasje begint hij te snurken. Freek ademt rustiger; zijn hart klopt niet meer zo snel.

Mama loopt naar de keuken. Ze komt terug met lucifers en steekt de kaarsjes in de boom aan. Ze knipogen weer naar Freek. Freek voelt zich opeens heel moe; de dag was lang. Maar hij staat op en pakt zijn moeders hand. Hij weet dat hij nog niet naar bed kan.

“Wat is er, jongen?” vraagt mama.

Zonder iets te zeggen, neemt Freek haar mee naar de schuur. Daar slaat mama haar handen voor haar mond. Midden tussen de schapen ligt de joodse mevrouw in het hooi. In haar armen houdt ze een baby’tje. Het huilt niet. Het lijkt wel of het weet dat het stil moet zijn.

Freek weet niet zo goed meer wat er daarna gebeurt. Hij is opeens zo moe. Maar hij gelooft dat de joodse mensen schrikken en dat mama fluistert dat ze niet bang hoeven zijn. Ze holt weg, om eten te halen, of kleren voor de baby.

Freek blijft bij de joodse mensen staan. Hij heeft vreselijk veel slaap, maar hij merkt nog net dat de joodse mensen naar hem glimlachen. De man zegt iets, maar Freek hoort hem niet. Hij kijkt naar het baby’tje dat is geboren. Het is echt kerstmis, denkt hij.

Geboren in een stal (2)

Photo by Антон Дмитриев on Unsplash

Vorige keer vertrok Freek net naar huis. Lees wat er onderweg met hem gebeurt.

Freek is net in het veld als iemand zijn pet van zijn hoofd gooit. “Hé uk,” roept Stijn. “Waarom wachtte je niet op mij?”

Freek holt achter zijn pet aan. Hij drukt hem stevig op zijn hoofd en loopt door.

Stijn houdt hem makkelijk bij, met zijn lange benen. “Nou?”

“Jij was met Dina aan het praten.”

Stijn lacht. Freek kijkt niet, maar toch weet hij dat Stijn zijn hoofd achterover gooit, en zijn mond heel ver opent. Dat doet Stijn altijd. Freek loopt nog harder door. Het wordt nu echt donker, en de monsterbomen komen dichterbij.

Stijn loopt nog naast hem; terwijl Freek bijna holt, loopt Stijn normaal. “Ben je jaloers?” vraagt Stijn. “Jij vindt Dina leuk, hè?”

Freek haalt zijn schouders op. “Ik wil snel naar huis. Het is kerstvakantie.”

Stijn lacht weer. “Je pa laat je de hele vakantie werken.”

Dat is waar. Pa laat hem vast iedere dag de mest van de schapen opruimen. En als Freek niet opschiet zal pa schreeuwen. Maar ’s avonds is het fijn. Dan heeft pa zijn jenever op en valt hij in slaap. Als pa snurkt, zingt mama zacht de kerstliedjes over stille nacht en dan is heel de wereld mooi. Freek zegt: “Ik heb zin in Kerst. Het is fijn.”

Stijn lacht weer, nog harder dan de vorige keren. “Je weet niet eens wat Kerst is.”

Freek plet zijn pet steviger op zijn hoofd. “Dat Jezus is geboren.”

“Jezus is niet geboren in de winter,” zegt Stijn. “Mijn pa zegt dat de geleerde heren weten dat het geeneens winter was toen Jezus werd geboren. Heb je goed geluisterd naar Oldekamp? Hij vertelde niets over sneeuw en kou. En zie jij weleens herders in de winter? Natuurlijk niet! In de winter zijn de herders niet in het veld! Er klopt niets van.”

Freek voelt zich een beetje duizelig. Hij ziet de hoge monsterbomen staan. Het lijkt net of ze Kerst opeten. Hij stampt verder, over de harde, koude grond. Hij voelt zich vanbinnen ook koud. De bomen komen dichterbij, en dat is bijna niet eens meer eng. Maar als ze er langs lopen…. grijpt een hand Freek heel hard vast.

Freek gilt, want het is niet Stijn. Een man heeft hem gegrepen. Een lange man, die heel mager is, met een brilletje op met blinkende glazen waarachter Freek zijn ogen niet kan zien. “Hulp,” sist de man. “Geef ons hulp. Zeg het tegen niemand of ik…” De man grijpt met zijn andere hand Freek ook vast en kijkt even naar Stijn. “Ik wil jullie kunnen vertrouwen. Want anders…”

Hij maakt zijn zin niet af. Tussen de bomen klinkt een schreeuw, hoog en bang. De man krimpt ineen.

“Dat is mijn vrouw. Zij moet een baby krijgen. We hebben een plek nodig. Geen dokter, alleen een plek waar we warm en veilig zijn. Geef ons die plek.” De man kijkt naar Freek, en dan weer naar Stijn. Freek is niet meer bang. Hij kan nu door de blinkende brillenglazen kijken. Hij ziet dat de man huilt.

Stijn doet een stap weg. “Jij bent een jood. Mijn pa zegt dat we joden niet kunnen helpen. Dat is te gevaarlijk. Joden moeten zich melden bij de Duitsers.”

“En dan worden we gearresteerd en in kampen gezet,” zegt de man. “Sommige mensen fluisteren dat ze ons doden. Wij willen niet dood. Wij willen een veilige plek voor ons kindje.”

Stijn doet nog een stap weg. “Kom, Freek, we gaan.”

Freek zegt, heel rustig: “Ga maar vast, Stijn.” Terwijl hij het zegt, denkt hij heel snel na. Pa wil vast geen joden op de boerderij. Maar er is een grote stal… Als hij zorgt dat Benny niet begint te blaffen als hij de vreemdelingen ziet, hoeft niemand te weten dat er mensen zijn. En als pa zijn jenever heeft gedronken, slaapt hij en heeft hij niets meer in de gaten. Voor mama is hij niet bezorgd. Sommige mensen verraden joden, maar dat zou mama nooit doen.

Stijn loopt weg, zo snel dat Freek hem niet eens bij zou kunnen houden. De joodse man kijkt naar Freek, heel lang. “Jij helpt ons, hè?”

Freek knikt. “Tuurlijk.”

Lees volgende keer hoe het afloopt.

Geboren in een stal (1)

Photo by Kimon Maritz on Unsplash

Recent vroeg een collega of ik een kerstverhaal wilde schrijven. Het was in eerste instantie bedoeld voor kinderen, maar ik deel het ook met jullie.

Het is winter, in een jaar dat er in Nederland oorlog was. Freek wordt wakker en wil het liefst zijn deken helemaal over zich heen trekken, om zijn koude neus warm te maken. Maar hij haalt diep adem, gooit zijn deken opzij en springt zijn bed uit. Hij holt naar de badkamer, doet een plas en wast zich zo snel mogelijk. Het water is zooooo koud!

Tijd om te ontbijten. In de kamer is het donker. Alleen het licht boven de tafel is aan. Mama heeft zijn bord met pap op tafel gezet en zit klaar om zijn thee in te schenken. Ze bidden, en Freek begint snel te eten. Als zijn buik warm is geworden en hij minder snel eet, ziet hij dat er toch nog meer licht is. In de hoek staat de kerstboom, met echte kaarsjes. Het lijkt of ze naar hem knipogen.

Mama aait over zijn haar. “Eet eens door, jongen. Je moet naar school. De kerstvakantie begint vanmiddag pas.”

Tien minuten later loopt Freek buiten, het pad af van hun boerderij. Ergens hoort hij zijn vader schreeuwen naar Benny, de hond: “Schiet eens op, lui beest!” Freek loopt wat harder. Het is een half uur lopen naar school, dwars over kale grond, waar in de zomer hei en struiken groeien, maar nu bijna niets. De maan schijnt nog, alsof het midden in de nacht is. Overal zijn sterren. Net als de kaarsen van de kerstboom knipogen ze naar hem.

Freek loopt door de velden. Hij wil vaart maken, maar vlakbij staan er reuzen op de vlakte. Niet echt natuurlijk, maar in het donker lijkt het zo: hoge dennenbomen, met takken die in het maanlicht net armen van monsters lijken. Freek haalt diep adem. Soms verstopt zijn vriend Stijn zich tussen de bomen en springt plots tevoorschijn. Freek probeert er altijd om te lachen, maar soms… is het eng. Dan denkt Freek dat er een Duitse soldaat tevoorschijn springt, die naar hem schreeuwt dat hij mama zal arresteren en Benny zal doodschieten.

Freek heeft de dennenbomen bereikt. Hij loopt nog harder, maar hij tuurt tussen de bomen of hij Stijn ziet. Maar er gebeurt niets. Freek is de bomen voorbij. Hij loopt stevig door, op naar school.

Als Freek het schoolplein opkomt is Stijn er al. Stijn leunt tegen het hek en staat te praten met Dina, het mooiste meisje van de klas, met blauwe ogen als de lucht in de zomer. Stijn is lang, veel langer dan Freek. Hij zegt iets tegen Dina, en ze lachen samen.

Freek gaat de klas in. Hij zit achter zijn houten tafeltje en de les begint. Meester Oldekamp vertelt over breuken. Freek houdt van rekenen, maar toch is het lastig om te luisteren. Toen hij liep had hij het warm; nu voelt hij pas hoe koud het was. Monstertjes met ijskoude tanden proberen in zijn tenen te bijten, en zijn vingers voelen als ijspegels. Mama heeft gezegd dat ze nieuwe wanten voor hem zal breien, maar nieuwe schoenen kan ze niet kopen. Nu het oorlog is, zijn schoenen duur geworden. Pa heeft gezegd dat hij minder snel groot moet worden, maar hij weet niet hoe hij klein kan blijven.

Het is de laatste dag voor de kerstvakantie, maar meester Oldekamp lijkt het vergeten te zijn. Ze oefenen zolang de topografie van Groningen dat Freek zeker weet dat hij nooit naar Hoogezand of Sappemeer wil. Maar ’s middags pakt meester Oldekamp een dik boek: de Bijbel. “En het geschiedde in die dagen…” begint hij. Meester vertelt over Jozef en Maria, die van Nazareth naar Bethlehem reizen, waar geen plek voor hen is in de herberg. Maria krijgt een baby in de stal, een heel bijzondere baby. Drie koningen komen hem eerbied geven, en herders in de velden vertellen dat de engelen over de baby zingen. De baby is Jezus.

Als de schoolbel klingelt en Freek naar buiten holt, wordt het alweer een beetje donker. Hoog in de lucht ziet Freek de eerste ster naar hem knipogen. Zijn lange tocht begint weer. Even nog kijkt hij om of Stijn met hem meeloopt, maar hij staat weer bij Dina, en Dina lacht zo lief dat Freek harder loopt, snel naar huis.

Maar onderweg gebeurt er van alles. Wat precies, lees je de volgende keer.

Een blinde wandeling door de echte wereld

Laatst liep ik in het Wantijpark langs taxussen. Toen ik mijn ogen wat dichtkneep dacht ik bijna een weg naar een andere wereld te zien. Maar het was onzin. Toen ik een paar dagen later weer door het park liep zag ik dat de echte wereld een heel andere wereld kan zijn.

Ik wandel graag ’s morgens vroeg. In de zomer liep ik om zes uur, of nog eerder, al buiten. In december is dat niet handig. Alle enge mensen schijnen vooral in het donker actief te zijn. Dus mopperend ga ik later, maar meestal is zeven uur mijn uiterste grens. Ik loop eerst over de dijk, zodat tegen de tijd dat ik in het park kom, het daar licht is.

Behalve op zaterdag. Dan doe ik na het wandelen boodschappen en is het handiger dat ik andersom wandel: vanaf de dijk sta ik met een kleine afslag bij de supermarkt. En ik wil daar graag om acht uur zijn, voor de drukte uit, dus ik wandel even na zeven uur het park in. Iedere keer zeg ik dat ik dat niet moet doen, en iedere keer doe ik het toch. Ik laat me betoveren in het duister, en ik ben bang.

Vorige week deed ik een keer op vrijdag boodschappen. Toen was alles opeens anders in het park. Het eerste stuk is het meest bijzonder – daar ben ik alleen betoverd en is er geen ruimte voor onrust. Er staan hoge, kale bomen, en eromheen is de lucht ijlwit. Dat komt natuurlijk door de lichtvervuiling van de stad, maar het lijkt alsof ik in een besneeuwde wereld loop, ergens rond het avonduur, als de sneeuw reflecteert in maanlicht. Of misschien loop ik heel ergens anders: tussen de kale bomen dwaalt de verbeelding, de mogelijkheid dat de wereld heel anders is dan we zien.

De vogels zijn al druk bezig om zeven uur. Reigers schreeuwen naar elkaar als Italiaanse familieleden, kauwen krassen als chagrijnige oude mannen, mussen en andere kleine vogeltjes piepen als kleuters in hun spel. Het lijkt wel of vogels zich vrijer laten horen als mensen zwijgen, alsof ze kunnen zijn wie ze echt zijn als de mensen hen met rust laten. Ze zijn niet bang voor me, of zich niet bewust van me. Alleen de waterhoentjes vluchten nog steeds voor me weg, met spetterende haast.

Op zaterdag is er om zeven uur bijna nooit iemand in het park, maar deze vrijdag is het anders. Ergens hoor ik de flard van een vrouwstem, en dan de echo van een hond die blaft. Maar ik zie niemand. Als ik verderloop, richting het bruggetje, komt er een rood licht me tegemoet. Vaag ontwaar ik een grote hond. De mens ernaast is een schaduw. Ik zeg blind goedemorgen. Een mannenstem wenst mij hetzelfde.

Het park uit. Stiekem adem ik toch wat gemakkelijker als ik beter zicht heb. Alhoewel: ook op de dijk is het nog niet erg licht. Op zaterdag kom ik hier zelden iemand tegen. Op vrijdag is het duidelijk drukker. Ook hier zie ik bewegende lichtjes in het donker. Het zijn geen honden: joggers zorgen ervoor dat ze opvallen, of hebben lichtgevende apparatuur om hen te helpen met hun prestaties. Ik kom erachter dat joggers niet erg spraakzaam zijn. Ik zeg goedemorgen. Zij hollen hijgend verder, naar onbekende vertes. Bij één man hoor ik wel wat: ‘Over driehonderd meter rechtsaf.’ Het is een vrouwenstem, die hem blijkbaar helpt de weg te vinden in het duister.

Eén iemand heeft geen licht op: een gestalte die ik pas ontdek als hij vlak bij me is. Een slungelige jongen met warrig haar. Als hij me voorbij is, ruik ik de wietlucht. Hij loopt blind een andere wereld in, terwijl ik er weer achter ben dat de echte wereld al bijzonder genoeg is. Ik loop op de dijk richting de supermarkt en zie boven de stad een rode waas, alsof Sodom en Gomorra nog maar net verwoest zijn en de vuren nog branden.

Wat later doe ik boodschappen. Onderweg naar huis ga ik opzij voor iemand die opzichtig angstig afstand probeert te houden. Ik glij uit over modder en val op de stoep. Ik ben weer geland in de normale wereld.

De kledingspion

Al een tijdje staat het op mijn to-dolijstje: een zwart mondkapje kopen. Ik heb een herbruikbare donkerblauwe, maar die past niet bij mijn paarse winterjas. Sommige vrienden vinden dat ik me aanstel. Maar toch… Eigenlijk staat dit hele jaar voor mij in het teken van nieuwe mode-afwegingen.

Het is jammer dat ik me aan het begin van het jaar niet heb gewogen; dan zou ik nu trots heel precies kunnen vertellen hoeveel ik ben afgevallen. Het moet dit jaar zo’n 35 kilo zijn; ik ben nu meer dan honderd kilo lichter dan twaalf jaar geleden. Ik zeg tegenwoordig maar dat de essentie van mezelf is overgebleven.

Ik ben me erg bewust van alle verschillen, maar een stuk van mijn hoofd (eigenwijs of irrationeel?) wil het maar niet onthouden. Ik sta in een grotematenwinkel en de kleinste maten zijn te groot. Dat stuk van mijn hoofd begrijpt niet hoe dat kan. Dat gedeelte van mijn hoofd denkt dat de maat precies goed is. In werkelijkheid is het precies wat ik gewend was.

Ik waag me “gewone” winkels in. H&M… een populaire keten, maar ik kwam er nooit. Weifelend loop ik rond tussen klanten die allemaal dunner lijken dan ik. Ik zie kleren die totaal niet lijken op wat ik meer dan twintig jaar gedragen heb. Ik voel me een spion, eentje die maar net haar vermomming in stand houdt. Er gaat vast iemand lachend naar me wijzen als ik een kledingstuk naar een pashokje waag mee te nemen. Ik kijk naar matenlabels en vraag me af of ik die nu echt bij me passen. Ik durf het niet uit te proberen.

H&M is misschien een te grote overgang na de grotematenwinkels. Ik sta bij C&A, ook de afgelopen jaren een winkel waar ik terecht kon. C&A maakt bij truien en broeken niet altijd onderscheid tussen grote en “gewone” maten. Ik pak een trui die ik echt mooi vind en pas hem. Veel te groot. Aarzelend ga ik terug voor een L. Nog steeds erg ruim. Mijn hoofd is in de war.

Behalve die ene trui zie ik niet echt leuke dingen. Weer een andere winkel dan maar. Een leuke trui in L en XL. Dan zou ik L moeten passen, stel ik rationeel vast. Mijn minder rationele kant neemt voor de zekerheid de XL ook mee. Wurmend in het pashokje stel ik vast dat L niet past. Als ik XL aantrek, is ook die trui een boa constrictor waar ik maar net aan ontsnap.

Ik geef het op. Andere winkels waarvan ik vermoed – of hoop – dat ze mode verkopen die ik leuk kan vinden, krijgen geen bezoek van de kledingspion. De spion is te bang dat uit zal komen dat ze daar niet hoort. Ik draag maar weer vertrouwde kleding. Alleen fladdert een broek die eerst precies paste nu wijd om me heen. Een shirt lijkt net een tuniek. Maar ik durf niet terug naar de winkels. Ik houd me maar voor dat dit jaar de mode niet naar mijn smaak is.

Er zijn mensen die niet alleen de mode maar het hele jaar niet naar hun smaak vinden, vanwege corona. Ik wil een mondkapje in een andere kleur; er zijn mensen die helemaal geen mondkapje willen. Daar ga ik maar niet over discussiëren, behalve dan dat als ik een ziekte “draag” ik die liever niet “overdraag” aan een ander, als een mantel waar ik misschien niks van merk, maar die een ander kan doden.

Ik moet wel toegeven dat ik nog niet erg ben gewend aan mondkapjes. Als ik – bij uitzondering – weer eens op kantoor mag werken, gebruik ik een hemelsblauw wegwerpmondkapje. Iedere keer als ik de gang op ga vergeet ik maar net niet om hem op te zetten. Mijn “echte” mondkapje blijft goed zitten, maar mijn wegwerpmondkapje zit al snel voor mijn ogen. Als ik naar het toilet ga zet ik hem af, hoewel ik het belachelijk vind van mezelf.

Sorry, ik begin af te dwalen. En dan heb ik het nog niet gehad over mijn meest actuele modedilemma: volgende week heb ik tv-opnames voor De Verandering. Wat doe ik dan aan, om te laten zien dat ik echt veranderd ben? Hopelijk fluistert mijn kledingspion me nog iets in.

Mevrouw Duyster op reis in het Ondermaanse

Een paar weken geleden wandelde ik langs een huis waar op de deur ‘Familie Duyster’ geschilderd stond. Ik peinsde erover dat die naam te nadrukkelijk zou zijn als ik hem voor een personage in een boek gebruikte. Maar hij liet me niet los.

Het wordt duister om ons heen. In de zomer denken we dat we de wereld naar onze hand kunnen zetten. Dan is het bijna altijd licht, en is het donker aangenaam – een tijd waarin de hitte even wijkt.

Maar nu is het herfst. Het is langer donker dan het licht is. En in het donker is het koud. Ik denk plots aan “het Ondermaanse”. Dat is slechts een ouderwetse formulering voor ons leven op aarde, maar in de herfst is de maan wel opvallend aanwezig, een koel oog dat ons vaker in de gaten houdt. Een oog dat ziet dat wij klein zijn en weinig te betekenen hebben.

Vorige week ging ik op bezoek bij vrienden, om met hen te bidden (we waren ons bewust van onze kleinheid). Op de heenweg was het nog licht. De zon schilderde: ze mengde roze en andere pasteltinten met haar eigen stralen. De avond was mild.

Toen ik terugkwam was alles donker. De wind was koud en ik ook (ondanks het gezelschap waar ik me aan had gewarmd). De straten waren eenzaam – iedereen behalve ik was er uit weg gevlucht. Nou ja, dat was niet helemaal waar, maar de mensen die er nog waren, waren schaduwen waarvan ik niet wist of ik ze kon vertrouwen. Ik was in het Ondermaanse – en de maan keek alleen maar toe.

Ik liep snel. Ik deed of ik me weer eens verbaasde over mijn goede conditie, maar ik was niet helemaal eerlijk. Angst, al is hij mild of goed verborgen, geeft snelheid. Terwijl ik liep dacht ik niet over wat er kon gebeuren in het donker. Ik dacht over de toekomst, over vage plannen, die soms ook duister lijken. Ik was me ervan bewust dat in mijn eigen hoofd te veel verborgen is voor mezelf. Zoals bijvoorbeeld de vraag wat ik echt wil. Die vraag dreef me misschien nog meer voort dan de angst.

Ik was bijna thuis – en er was niks engs gebeurd. Ik stond bij het Wantij, keek uit over de nieuwe wijk aan de overzijde van het water, maar richtte me vooral op de wolken die erboven voorbij waaiden. Ondanks het duister waren ze opvallend wit, alsof er een scherp licht in ze was aangestoken. Ik kon goed zien hoe hard het waaide. Ik voelde bijna hoe ik meewaaide. De wind was dan wel koud, maar toch voelde de wind als de adem van God, die alles onder controle heeft, ook als Hij mensen weg blaast van alles dat vertrouwd voor ze is. Ik ging rustig naar bed, en sliep in het duister van mijn onderbewuste.

De volgende ochtend ging ik weer vroeg op weg. Het was nog duister, en de maan staarde nog naar me. Er waren vele sterren in de leeggeblazen lucht die langzaam blauwer werd. Maar onder de populieren van de Noordendijk, hoog en nog bebladerd, was het donker en wist ik dat ik klein was. Ik liep weer flink door.

Pas vlak bij het werk hield ik mijn pas in. Het is walnotenseizoen en na de wind van de afgelopen nacht was de oogst op de dijk groot. Ik vind een paar walnoten wel lekker, maar ik had er uiteindelijk veel meer dan een paar – het was goed dat ik een plastic tasje bij me had.

Toen ik het terrein van mijn werk op liep, was de lucht sereen blauw. Het duister was weggevaagd, en de meeste sterren waren uitgefloept. Eén ster was er nog over – vast een planeet: Venus of Mars. Ze staarde me aan alsof zij nu het oog was dat me in de gaten zou houden. Maar dat is het voordeel als je veel in het duister bent. Je weet niet alleen dat je afhankelijk en klein bent, maar ook dat je niet hoeft te luisteren naar iedere stem die tot je spreekt over duisternis, zelfs niet als ze zich vermomt als een stralende ster.