Doei Engeland!

Vorig jaar moest ik heel wat moed bij elkaar sprokkelen voor ik een vuurtje had dat brandde. Alles achterlaten en een jaar naar Engeland gaan? Oef. Nu moet ik moed verzamelen om het Engelse haardvuur de rug toe te keren. Het knappert zo knus, en er zitten zulke lieve mensen omheen.

In één blog mijn jaar op All Nations Christian College samenvatten, zou te ambitieus zijn; zelfs in boekvorm heb ik een trilogie nodig. Vooral de docenten kunnen onmiddellijk als romanpersonages aan de slag.

Wat te denken van de heel kleine docent met een ernstige gehoorbeschadiging en de meest twinkelende ogen die ik ooit heb gezien – die er altijd voor kiest om in de eetzaal zijn gesprekken met mij fluisterend te voeren, zodat ik merk hoe doof ik zelf ben.

De docente die verantwoordelijk is voor kunst zal ik evenmin snel vergeten. Haar gang vertoont een onmiskenbare gelijkenis met die van een pauw, ze trekt iedereen uit het laatste restje comfortzone en schaamt zich daar zo duidelijk niet voor dat wij er niet over durven te klagen.

Dan is er nog de verlegen natuurkundige plus dominee met zoveel kennis dat ik altijd wil dat haar lessen langer duren; de docente antropologie die als een flamingo één been optrekt terwijl ze lesgeeft (ze zegt dat het goed is voor haar rug); de gepensioneerde die vrijwillig les geeft in Hebreeuws en Oud Testament en er sociaal gezien altijd in slaagt iets heel verkeerds te zeggen. En zo voort, en zo voort.

En dan de studenten. Die Nederlandse die er te veel lol in had me “Elsje” te noemen en altijd verrukt was als ik dreigde met represailles, de wijze Britse die in één zin meer zinnigs kan zeggen dan ik in zeventig, de Amerikaanse die zo sterk leek maar ook zo kwetsbaar bleek, en met wie ik meer kon delen dan ik verwachtte, de 19-jarige Duitse klasgenote van wie ik helaas pas in trimester drie ontdekte dat we hetzelfde gevoel voor humor heeft. Dankzij haar denk ik bij de Drie-eenheid nu aan navigatie – als je me persoonlijk tegenkomt, zal ik proberen uit te leggen waarom. De laatste tijd zitten we elkaar in de klas foute berichtjes te sturen. Ik voel me steeds jonger…

En dan is er nog de omgeving. Het landhuis Easneye vormt het centrum van All Nations. Ik deed er corvee in de winter, en dwaalde door schemerige gangen terwijl ik mij in andere eeuwen waande. Ik zat er tijdens een coffee party in de salon, waar je nog net kan zien hoe de familie Buxton er leefde toen het huis van hen was, en waande me heel iemand anders.

De omgeving is ook niet te negeren. Bij iedere wandeling denk ik: ‘Nog even en ik zie dit niet meer.’ Dat dacht ik ook bij mijn vaste rondjes in Nederland – ik telde ongeveer honderd dagen van tevoren al af hoelang ik er nog zou lopen. Helaas doe ik dat nu weer. Paden door de velden, langs rijpend graan en hoge paarse bloemen. Paden door de bossen, waar hoge dennen statig op me neerkijken, of beuken zich in zulke grillige bochten wringen dat ik aan sprookjes denk.

Het afgelopen jaar heb ik ontdekt dat de fauna in Engeland heel anders is dan Nederland. Ik zag voor het eerst van mijn leven patrijzen en heb veel vreemde vogels zien vliegen (letterlijk, niet figuurlijk!) waarvan ik geen idee heb wat hun namen zijn. Het valt op hoeveel dierlijk leven hier alleen leeft omdat mensen onvoorzichtig waren met de exoten die ze naar Engeland haalden. Ik struikelde over grijze eekhoorns, en zag heel wat munkjacks voor me vluchten, Chinese hertjes, veel kleiner dan de Europese neven, maar wel nieuwsgieriger: vaak bleven ze op een afstandje stilstaan om me filosoferend te bekijken.

Opvallend dat ik juist de exoten zag vluchten. Het deed me realiseren dat ik ook een vreemdeling ben. Op doorreis, in de wereld, nu in Engeland. Twee Hongkongse klasgenoten, een pasgetrouwd stel, leerden “hoi” en “doei” zeggen in het Nederlands. Ze deden het perfect, maar zagen er altijd nogal onaangedaan bij uit. Voor mij is het nu ook tijd om doei te zeggen. Ik ben niet onaangedaan.

Het gebed van een verslaafde

Een paar weken geleden werden we op school gevraagd het inleidende gebed te schrijven voor een kerkdienst waarvan we zelf de context mochten bedenken. Ik schreef een gebed voor een kerkdienst vol verslaafden.

Mijn gebed was ongeveer zo: ‘O trouwe Vader, vergevende Zoon, Geest die ons leidt, U bent soeverein over alles wat we doen. Hoewel we zondigen en vele vergissingen maken, laat U ons niet alleen. Help ons om daarvan bewust te zijn, zodat we het aandurven om afhankelijk van U te zijn en onze levens aan U over te geven. In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, amen.’

Natuurlijk kwam die context niet uit de lucht vallen. Ik beschouw mezelf nog steeds als een verslaafde. Aan eten, zeg ik er dan haastig bij, alsof dat minder erg is dan een verslaving aan alcohol, drugs of gokken. Dat is het niet. En de afgelopen tijd heb ik weer gemerkt hoe verslaafd ik nog ben.

De vraag wat ik als verslaafde “moet” bidden naar God speelde daarom al een tijdje door mijn hoofd. Bidden om uitredding? Bidden om overgave? Vreemd genoeg merkte ik dat als ik tegen God zei: ‘Heer, ik ben verslaafd’ ik me al beter voelde. Alsof ik dan eerlijk tegen Hem was geweest. Maar ik wilde meer. Maar wat precies? Wil ik van mijn verslaving af? En wil ik dat dan omdat ik bang ben dat ik weer dik word of omdat ik wil dat God belangrijker is dan eten terwijl Hij dat in mijn gedachten niet altijd lijkt te zijn?

Lastige vragen. Ik struikelde nou niet bepaald over hapklare antwoorden. Deze verslaafde bleef weer ervaren hoe sterk de behoefte aan snoep nog steeds is. Het is al zo’n 35 jaar een manier waarmee ik mezelf kan troosten, opvrolijken, afleiden, geruststellen. Ik kan niet eten en denken tegelijk, en dat is vaak erg fijn. Het is minder fijn dat als ik zwaarder word, me daardoor minderwaardig voel – en ook nog eens schuldig.

En riep God me intussen tot de orde? Helemaal niet. God sprak liefdevol tegen me terwijl ik naar een supermarkt liep om de verkeerde dingen te kopen. God liet me via iemand anders weten dat ik kon leren om van eten te genieten. En vreemd genoeg stelde me dat allemaal niet gerust. Ik worstelde verder, met heel veel ups gelukkig, maar ook met zwarte downs.

Weer – niet voor het eerst – liet God me zien dat Hij me niet laat vallen als ik het fout doe. Hij blijft trouw, ook als ik dat niet ben. En het is zo erg met me gesteld dat ik soms lekker achterover leun bij die wetenschap en nog een tijd doorga op mijn pad van chocolade, chips en constante gedachten aan meer, meer, meer.

Maar ik ga niet eindeloos door. Uiteindelijk gaat mijn geweten gelukkig praten, hoewel onrust over mijn uiterlijk en niet over God er een te grote rol in speelt. Die conclusie schudde me echt wakker. Want ik wil dat het wel over Hem gaat. Ik wil zo graag dat Hij de complete regie krijgt over mijn leven, dat ik Hem compleet vertrouw, dat ik niet naar snoep hoef te grijpen om alle vage angsten over de ongewisse toekomst in Japan te dempen. Ik wil me aan Hem overgeven. Maar ik weet niet hoe. Mattheüs 6:33 zit me al dwars sinds ik christen werd: ‘Zoek liever eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, dan zullen al die andere dingen je erbij gegeven worden.’ Hoe dan?

In het boek dat ik de laatste tijd ’s avonds voor het slapen gaan lees, komt het steeds weer terug: werkelijke overgave is de sleutel, in alles. Ik lees verhalen over zieke mensen die wonderlijk genazen toen God belangrijker werd dan de ziekte, over mensen die vertrouwden en een geweldig werk konden doen voor God. En ik denk weer: ‘Hoe dan?’ Ik roep al jaren dat ik me aan God wil overgeven. Maar ik geloof dat ik me nog steeds aan mezelf overgeef.

Dus dat bid ik naar God: ‘Help me om me aan U over te geven. Help me om echt alles in uw handen te leggen. En het niet terug te pakken.’

Alvast heimwee

Het is lente. Misschien de laatste lente die ik in Nederland ga meemaken voor de komende jaren. Ik kreeg er alvast heimwee van.

Ieder jaar lijkt de wereld nieuw in de lente. Ik ben weer vergeten hoe God het jaar ervoor alles nieuw maakte – een toepasselijke reminder zo rond Pasen. Vooral de eerste plantjes die verschijnen, met sprieterige twijgjes en miniatuur knopjes, lijken nog druppels van de hemel in zich te dragen. Ik word er stil van.

Het is ook stille week, de week voorafgaand aan Pasen. In mijn kerk is er iedere avond een overdenking. Na de eerste avond loop ik terug via Dubbeldam, in het blauwe uur. De lucht ademt uit, zoete geuren van een nieuw bestaan. De magnolia’s zijn al uitgebloeid, maar veel kersenbomen staan nog in bloei. Natuurlijk ga ik die in Japan ook (heel veel) zien, maar vooral één soort, met een grote stam en volle, ronde bloesem, maakt me weemoedig – zo’n boom stond vroeger bij mijn opa en oma achter het huis, bij het tuinhek waar ik graag nog eens doorheen zou lopen.

De avond erna loop ik via de wijk Stadspolders naar de kerk. Een fietspad heeft net nieuwe stenen gekregen. Er ligt nog veel zand, waar mussen een alternatief bad in nemen. Ze vluchten niet eens als ik langskom. Die avond ben ik aan de beurt om te spreken in de kerk. Hoewel ik het niet over mussen heb, hoop ik dat de luisteraars zullen begrijpen dat God ook hen, net als de mussen, niet ongezien ter aarde laat vallen.

Op woensdag ga ik ’s middags naar Sliedrecht. Helemaal aan het begin van mijn tocht loop ik door de Bildersteeg. De naam alleen al – zo heerlijk Nederlands. Aan beide kanten van het fiets/wandelpad reiken oude populieren de hemel in. Er is niemand. Geen mens in ieder geval: vogels zingen een loflied en ergens waait de wind. Even ben ik helemaal alleen met God. En dan zie ik een fietser, een wandelaar en wordt de wereld weer normaal.

Ik steek de spoorbrug over de Merwe over en loop Sliedrecht in, over de dijk. Een van de eerste huizen heet Bleyburgh – ik vind de naam passen bij hoe ik me voel. Ik geniet ook van andere huizen. Sinds mijn verblijf in Engeland zie ik sterker dat ook huizen iets weergeven van een land. Deze huizen doen me denken aan het Nederland van een generatie terug, van mijn eigen jeugd. En intussen is er weer rust: op deze doordeweekse dag ben ik als enige buiten. Ik voel me daar niet schuldig over.

Ik wandel langs een zijstraat die Elzenhof heet. Snel maak ik een foto – ik zou voor mezelf een hof willen waar voor altijd iets van het begin van een Nederlandse lente achterblijft, met al het nieuwe leven. Dan ben ik alweer afgeleid. Kastanjes! Vorige week waren veel bomen nog kaal. Nu staan ze in frisgroen blad, uitstekend als dakpannen. Vroeger dacht ik dat kabouters daaronder hun huis maakten. Dat idee heeft me nooit helemaal verlaten.

Ik kom aan het einde van de dijk. Omzoomd door oude beuken doemt er een kerk op. Een Nederlandse kerk – een carillon zingt en dan slaat de klok: één plechtige slag. Oké, bijna word ik emotioneel door alles wat Nederland is.

Dan wandel ik de dijk af en is de rust opeens voorbij. Aan mijn linkerkant zie ik een plein met een standbeeld waarvan ik de vorm niet kan duiden, omringd door moderne tulpen: de kleuren zijn te fel en kunstmatig. Het is markt in Sliedrecht – voetgangers verdringen elkaar, auto’s wachten om door te rijden. Een vrouw ziet twee andere vrouwen en ze beginnen alle drie tegelijk te praten – niet in het Nederlands. Ze klinken zo hyper dat ik bijna niet geloof dat ze elkaar wel kunnen verstaan. Het lijkt of ze een sketch spelen, een soort cliché nadoen van uitbundige vrouwen die elkaar niet uit laten praten.

Ik weet het weer: mijn tijd in Nederland is bijna voorbij. Ik kan dit alles opschrijven, niet uit heimwee, maar als herinnering. Straks ben ik in Japan en zullen er andere dingen zijn waarvan ik geniet, andere aspecten van Gods schepping waarvan ik zal houden. En Nederland blijft altijd in mijn hart.

Postman Pat en ongekochte schilderijen

Het is gewoon gebeurd: ik ben verliefd geworden op het Engelse landschap. In het eerste trimester van het schooljaar dacht ik nog dat mijn oude gevoelens voor Engeland overdreven waren, maar dat was toen niets in mijn leven meer vertrouwd was en ik nergens vreugde aan ontleende. In het tweede trimester huppelde ik door de velden. Nou ja, bijna dan.

In het tweede trimester moest ik ook steeds vaker denken aan Postman Pat, een animatieserie uit mijn jeugd. Postman Pat ging in zijn rode bestelauto op pad, en zijn kat ging met hem mee. Je zag de auto over de heuvels golven. Nu zie ik in de verte autootjes precies zo rond rijden.

Toen ik mijn appartement inrichtte (dat appartement dat ik weer opgaf om naar Engeland te komen), twijfelde ik lang over wat voor schilderijen ik zou kopen. Ik dwaalde eindeloos rond op een website, keek naar Japanse schilderijen, foto’s van zonnestelsels en planeten en… naar Engelse landschappen. De tekenares creëerde glooiende heuvels en roodbakstenen huizen, genesteld in een veilige verte, tussen velden en hagen. De schilderijen bleven ongekocht, maar nu zie ik de originelen.

Ik begon van alles wat ik zag te houden in de herfst, toen laag licht op bomen scheen en ze mooi maakte in hun onttakeling. Ik stond hoog op de heuvel en dankte zacht God dat Hij me het lef had gegeven om naar dit land te komen, om wat vertrouwd was op te geven, om weg te gaan van mijn favoriete wandeling door het Nederlandse park.

Inmiddels is het tweede trimester bijna voorbij. De winter heeft zijn grip verloren. Het is bijna lente. Groen waagt zich aan bomen, priegelig en precies als ingewikkelde kunstwerken. De meidoorn is wit van bloesem en geurt zoet – als ik in de juiste windrichting loop en mijn neus veel geluk heeft. Eekhoorntjes zitten achter elkaar aan en denken waarschijnlijk al aan de volgende generatie. Op het grasveld van de school, vlak bij de eetzaal, stond een fazant in de zon. Hij had mij niet in de gaten. Van heel dichtbij keek ik naar zijn rood en blauwe gezicht. Ik zag de regenbooggloed in zijn verenpracht en realiseerde me dat ik iets zag wat ik nooit bewust had gezien.

Al ben ik hier niet voor een vakantie, ik ga de velden in wanneer ik maar kan. Ik dwaal door de bossen wanneer ik de kans heb. De kronkelende wegen van Postman Pat fluisteren me in dat achter iedere bocht een uitzicht ligt dat ik nog niet ken. Het is waar, maar ik weet ook dat ik niet alle uitzichten zal zien. Ik ben hier maar voor dertig weken. In het begin wilde ik die weken zo snel mogelijk achter de rug hebben om aan de slag te kunnen met mijn “echte” plannen. Nu voelen de uitzichten als thuis en ben ik er net zo aan gehecht als aan mijn oude favorieten op de Zuidendijk en het Wantijpark. Maar als ik bedenk dat ik favoriete wandelingen in Sapporo zal hebben, kan ik het nog niet echt geloven.

Ook gisteren ging ik wandelen. Ik droeg voor het eerst sinds lange tijd niet mijn winterjas, en de jas die ik wel droeg moest ik halverwege opendoen. Ik liep langs een stukje bos en hoorde de vreugde van de wind. Ik klom naar de hoogste heuvel en voelde mijn eigen vreugde. Ik daalde af en zag bosanemonen, waarvan een Britse vrouw me op de schoonheid wees. En toen, net toen ik afsloeg op de weg terug naar College, hoorde ik gefluit.

Even hield ik stil. Het geluid was nogal hard voor een mens. Het leek alsof er een installatie aanstond ergens in de buurt, maar zulke asociale Britten had ik nog niet ontmoet. En toen keek ik nog eens goed om me heen. Ik stond vlak bij een boerenhek. Het hek was dicht, maar de beide delen veerden wat heen en weer in de wind. En zo brachten ze een geluid voort dat bijna muzikaal was, de symfonie van een dicht hek. Ik glimlachte erom. En toen glimlachte ik niet meer. Een dicht hek. Dat is mijn symboliek van wat zal komen na het volgende trimester. Een afscheid van wat ik ben gaan liefhebben.

Groeien uit de dood

Recent was ik in Cambridge, met een Amerikaanse klasgenote. We hadden allebei besloten dat we in dat ene jaar dat we in Engeland zijn wat meer van het land moesten zien. De weersverwachting was slecht. We doken op ons vertrekstation diep in onze jassen terwijl we wachtten op de trein, en bij aankomst doken we gelijk een koffiebar in.

Die koffiebar was niet alleen vanwege de onbarmhartige februariwind, maar ook omdat het nog net geen tien uur was. Om tien uur ging de botanische tuin open, die tussen het station en het stadscentrum lag en die we allebei graag wilden zien. Ik vind het heerlijk om tussen bomen te lopen, en mijn klasgenote heeft een landbouwstudie achter de rug.

De koffie was heerlijk, maar de botanische tuin heerlijker, ondanks dat de grauwe wolken laag over ons heen rolden en de kille wind niet wende. Er was een “snowdrop trail”. Ik vind dat er op het terrein rond de school maar weinig sneeuwklokjes bloeien, maar in de tuin kon ik mijn hart ophalen. Er was ook een tuin met allemaal winterbloeiers, waar afgestompte neuzen opeens weer wisten hoe heerlijk bloemen kunnen ruiken.

We waren even in de kindertuin, waar bomen deurtjes en ramen hadden waarachter waarschijnlijk feeën of kabouters woonden. We probeerden de luiken voor de ramen te openen, maar tevergeefs. Toen we aan deuren klopten werd er niet opengedaan.

Daarna dwaalden we verder tussen en onder bomen. We kwamen erachter dat berken echt allerlei kleuren kunnen hebben, en dat hun Latijnse naam “betula” is. We zeiden het heel professioneel tegen elkaar: ‘Kijk, die betula heeft een roze bast – wie had dat ooit gedacht.’

We verloren onszelf in de tuin. De bomen werden groter. We zagen sequoia’s, die natuurlijk niet zo gigantisch waren als in de VS, maar die ons toch stil maakten terwijl we omhoog staarden naar hun toppen. We raakten bomen aan waarvan de bast als kurk aanvoelde. En we droomden – van mijn klasgenote weet ik dat natuurlijk niet zeker, maar van mezelf wel. Bomen geven me altijd het gevoel dat ze een bewustzijn hebben waardoor ze weten dat je bij ze bent – dat ze iets tegen je zeggen en dat het aan ons ligt dat we het net niet verstaan.

We kwamen in een tuin met Nieuw-Zeelandse flora en fauna, en toen ik me bedacht dat het daar nu zomer is, was ik me er weer erg van bewust dat het bij ons winter was – mijn vingers waren rood en blauw. Gelukkig waren er tropische kassen. We vluchtten er naar binnen.

De eerste kas liet woestijnplanten zien, interessant, maar niet heel boeiend. Mijn klasgenote komt uit een gebied waar ze die in tuinen hebben staan. De volgende kas had al weelderigere vegetatie. En toen kwamen we in de grootste, hoogste kas, waar tropische bomen hun bladeren tegen het glazen dak lieten groeien. We ritsten onze jassen los – mijn klasgenote propte haar muts in een zak.

Ik droomde weer – dat ik op een tropisch eiland was. Er klaterde water, koikarpers zwommen in een vijver die donkere schaduwen had door alle vegetatie. Druppels vielen op hoge bladeren, vanwege de broeiende warmte. We waren samen stil.

Daarna gingen we Cambridge in. We zagen gebouwen en ontcijferden Romeinse getallen die ons vertelden dat ze er al sinds de 14e eeuw stonden. Maar de stad was ook gewoon zondagmiddagachtig druk: we hadden moeite een plek te vinden voor de lunch, en moeite de oudheid te zien in de moderne bedrijvigheid.

Op de terugweg naar het station stapten we even opnieuw de botanische tuin in, en uiteindelijk belandden we in dezelfde tropische kas. Ik zag iets wat me de vorige keer was ontgaan: boven de vijver was een dode boomstam opgehangen. En op dat gestorven hout groeiden varens en andere planten, groeiend uit de dood.

We gingen terug naar huis, en wandelden vanaf het station een half uur in de regen. Die avond had ik moeite om in slaap te komen. Mijn gedachten waren vol van Cambridge. Toen ik wegdoezelde zag ik een beeld van mezelf. Diep in mij zag ik gif en afval. Maar uit het afval groeiden planten, weelderig, niet giftig, hopelijk anderen voedend. Ik viel met een glimlach in slaap.

Reizen in het donker

Photo by Jonny Gios on Unsplash

Afgelopen zaterdag reisde ik terug naar Engeland. Ik zou comfortabel bij iemand in de auto stappen en na een al even comfortabele bootreis uitstappen op de bijbelschool. Maar degene met wie ik zou meereizen kreeg corona. Dus ik regelde heel snel een treinkaartje en streste daarna een boel. Want in mijn eentje reizen… ik vind het enger dan zou moeten voor iemand die naar Japan wil.

De eerste keer dat we naar school gingen, namen we ook de trein. Toen had ik gezelschap, maar we slaagden er toch in om wel de goede metrolijn te nemen, maar dan de verkeerde kant op. Zo’n klein detail, dat we in vijf minuten doorhadden en oplosten, gaat in mijn hoofd een geheel eigen leven leiden. Voor ik het weet razen mijn gedachten de verkeerde metrolijn in en eindig ik ergens in een vage uithoek van Londen, aan het eind van de avond, als alle metrolijnen sluiten, het ook op straat het stil wordt en alleen schaduwen achterblijven.

Ik baalde ervan dat ik er wakker van lag – omdat ik rationeel heel goed wist dat het goed zou aflopen. Maar ik kon het niet doorbreken. Twee nachten voor de reis voelde ik zelfs kramp op mijn borst. Dit werd belachelijk. Ik probeerde te achterhalen wat het nou is waardoor ik me zo voelde. Misschien een gebrek aan steun in het verleden, hoewel dat al snel als een cliché klinkt. Ik kon alleen om steun vragen in het heden, door gebed. Dat deed ik.

De laatste nacht voor vertrek sliep ik goed. De kamer die de afgelopen vijf weken zo vertrouwd was geworden was al opgeruimd: alle kaarten weggestopt, koffers ingepakt, gestoft en gepoetst. Ik kon uitslapen en deed dat zowaar ook.

Zaterdag was het druilerig, maar mijn humeur was dat niet. Eenmaal op station Rotterdam, bij het passeren van de douane, voelde ik me bijna op bekend terrein. Een puffende zwaarlijvige dame die achter mij in de rij stond glimlachte ik toe. ‘Je kunt nu lekker tot rust komen,’ zei ik. Misschien ook tegen mezelf.

De trein vertrok op tijd. Een paar keer met de ogen knipperen en we waren bij Breda. Niet veel later naderden we Brussel. We kregen een andere “treinmanager”: iemand die nerveus klonk toen hij dingen probeerde uit te leggen in iets wat vaag als Nederlands klonk. Aan de andere kant van het gangpad waren twee tienerjongens elkaar in het Engels aan het uitdagen. De f*cks gingen steeds vaker over tafel. Toen moeder zei dat ze andere mensen lastigvielen, zei de jongste: ‘I don’t care.’ Ik wilde zeggen: ‘I do.’

Ik werd gebeld door iemand die vroeg hoe de reis verliep en vertelde bijna over die irritante jongens. Gelukkig niet, want een tijdje later kwam ik erachter dat vader een Nederlander was. België werd Frankrijk, met glooiende groene velden en ondanks de regen een vakantiegevoel.

Toen was er opeens de tunnel onder het kanaal en aan de andere kant duisternis: Engeland verborg zich in schemering. Ik bestudeerde mijn telefoon, met screenshots van waar ik moest overstappen. Vlak voordat we er waren, was er nog een tunnel. We kwamen eruit, ik keek op, en… dacht dat ik in een sprookje was. Ik wist – rationeel – dat ik naar torenflats keek, maar ik zag eindeloos lampjes in het duister, pilaren waar licht over streek, en even dacht ik dat ik iets zag uit Duizend en één Nacht, of uit de Efteling. Ik glimlachte.

Op London St Pancras was ik kalm. Ik kocht een kaartje voor de metro, nam de Victoria Line de goede kant uit en stapte uit bij het juiste station. Toen ik daar een treinkaartje wilde kopen, kwam het station dat ik zocht niet naar voren als optie. Even stress, maar er ging net een loket open. Even later stond ik op het station, vier minuten voordat de trein verscheen. Ik had net tijd genoeg om te zien dat dit station ook gebruikt wordt voor Stansted Airport; ik overwoog de volgende keer te vliegen. Maar deze zaterdag reisde ik nog een half uur met de trein. Ik stapte uit in St Margarets en al snel verscheen er een auto met vrienden. Armen werden voor me geopend. Ik voelde me thuis.

In de bijna-winternacht

Photo by David Dibert on Unsplash

“En dan zeggen ze dat ik ‘gewoon’ op Jezus moet vertrouwen,” zucht de vriendin die bij me op bezoek is. “Dat wil ik wel, maar hoe dan?”

Ik tuur in mijn kopje en zucht ook. Ik heb een wolkje melk in de koffie, maar alles lijkt nogal zwart. Ik heb mijn huis opgegeven dit jaar, mijn werk en mijn vrienden achtergelaten om naar bijbelschool in Engeland te gaan. Nu ben ik voor de kerstvakantie terug in Nederland en vind ik het nog steeds lastig om op Jezus te vertrouwen. Ik voel me een nomade in eigen land, en in mijn eigen ziel. De afgelopen weken heb ik dingen over mezelf geleerd waar ik niet blij van word. Ik vraag me af of mensen mij tekort doen en ik vraag me af of ik hen tekort doe.

Het is de één na kortste dag van het jaar, de laatste dag van de herfst. Ik stap vroeg in de avond het duister in, onderweg naar een bidstond. Genoeg gebedspunten, en niet alleen in mezelf. Ik zie mensen samen aan tafel zitten die allemaal naar hun eigen telefoon kijken.

In een tunneltje hoor ik achter me twee vrouwen spreken. Even maken de woorden me hoopvoller. “Als dit geen tijd van verbondenheid is, dan weet ik het niet meer,” zegt de een, en als de ander instemmend mompelt, zegt ze: “We moeten er voor elkaar zijn. We moeten onszelf aan elkaar laten zien.”

Ik denk even dat het nog mooier zou zijn als we Iemand anders aan elkaar zouden laten zien. En dan, als de tweede vrouw weer instemmend mompelt, zegt Vrouw Eén monter: “Ik heb vandaag voor mezelf gekozen.”

Opeens blijkt Vrouw Twee werkelijk te kunnen praten: “Echt?” vraagt ze enthousiast. “Wat heb je dan gedaan?” En de eerste vrouw begint iets te vertellen over dat ze tot zes uur heeft gewerkt, maar toen…

Ik weerhoud me er net van om me om te draaien en te vragen of Vrouw Eén nou echt niet doorheeft dat ze nogal tegenstrijdig is. Ik ben het tunneltje uit en sla haastig af. Ik kijk omhoog en probeer me te concentreren op de hemel. Er dwalen nachtwolken in, die helder verlicht worden door een maan die nog verborgen is achter grotere wolken. Ik adem eens diep in en loop verder, door straten die stinken naar wiet van schaduwen die voor me uit lopen.

Ik heb nooit wiet gebruikt, maar even kan ik me voorstellen waarom mensen dat wel doen. Dan kun je in ieder geval dromen. En dan… droom ik misschien ook. Er verschijnt weer een tunnel, vlak voor mijn ogen, donker draaiende lucht waarin al mijn irritatie en twijfel kolkt. Er rijdt een elektrische scooter doorheen, naar mij toe, volledig geluidloos – totdat de gehelmde bestuurder vol in de remmen gaat en omvalt, over het stuur heen. Als ik toesnel om hem te helpen staat hij alweer op. “Vrees niet!” roept hij. En er is iets in zijn stem waardoor ik weet dat hij geen ‘gewone’ bestuurder is. Ik kijk even naar de tunnel, die hij is verdwenen. De avondlucht is opeens ook helderder. De wolken zijn verdwenen – de maan schijnt. De wiet ruik ik niet meer – ik ruik wierook.

Als ik me naar de bestuurder draai, is ook hij verdwenen. De plek waar hij stond lijkt lichter dan de rest van de straat – alsof alle stralen van de maan daarin geconcentreerd zijn. “Vrees niet,” brom ik, licht geïrriteerd. Dat is de tekst van engelen, voordat ze hun echte boodschap beginnen te vertellen. Maar wat is die boodschap dan? Ik kijk nog eens om me heen, maar scooter en berijder zijn echt verdwenen. Alleen een echo lijkt achter te blijven. Ik spits mijn middelbare oren en denk te horen: “Hij is allang geboren.” Misschien moet ik concluderen dat ook als ik Jezus niet altijd bemerk, Hij er toch is.

Ik loop door en zie drie jongens met een Arabisch uiterlijk een bus in stappen. Op reis naar…? De vergelijking met de drie wijzen dringt zich aan me op. Als de bus wegrijdt (geluidloos, ook elektrisch) hoor ik gezang. Geen engelen, nee, maar twee tienermeisjes. “O baby, baby!” galmen ze, en dan giechelen ze. En ik glimlach. Jezus is allang geboren.

Bevreemdend bekend

Elf weken en één dag nadat ik afscheid nam van Dordrecht, loop ik weer door haar donkere straten. De avond valt, het regent zacht, het is druk op straat. Alles wat bekend was bevreemdt me.

Het is spits: de autolampen schijnen verblindend in mijn ogen. Op de stoep staan twee mannen, allebei in donkere jassen, allebei met net grijs haar. Eentje heeft drukke gebaren, de ander heeft de handen op zijn rug. Hij houdt iets vast waarvan ik even denk dat het een roos is (die hij zo aan de andere man gaat geven?), maar het is een paraplu. Hij houdt het ding zo stevig vast dat het ook een zwaard kon zijn (waar hij de andere man zo mee zal aanvallen?).

Ik loop verder. Ik aarzel even bij een zebrapad, alsof ik in mijn donkerpaarse jas onzichtbaar ben in dit uur. Ik denk aan het begin van ‘De Grote Scheiding’, als de verteller rondloopt in een stad die voor eeuwig stil lijkt te staan op het moment net voordat in de winkels de lichten aangaan. Haastig steek ik over. Natuurlijk ben ik niet onzichtbaar in die lichten die mij verblinden.

Ik heb een afspraak in Stadswerven en pak niet de kortste weg: ik wil over de Prins Clausbrug, die ik gebouwd heb zien worden, maar die nog niet klaar was toen ik vertrok. De handigste weg daarnaartoe loopt vlak langs mijn voormalige huis, maar ik neem een omweg. De plek zien die thuis was en dat niet meer is, doet me waarschijnlijk te veel.

Uiteindelijk moet ik zelfs een grotere omweg nemen, want er is een afsluiting. Op de Sint Jorisweg loop ik aan de kant van de straat waar ik nooit liep en verbaas ik me over de Nederlandse gewoonte die ik weer echt raar vind: de open of ontbrekende gordijnen. Ik staar hoge woonkamers in. In eentje hangt een stoffen vlinder aan de schouw. Ik vraag me af wat dat zegt over het verlangen van de bewoner om weg te vliegen.

Ik sla af in een straatje dat bekender is, dat ik altijd doorliep als ik terugkwam met boodschappen. Maar waar ik destijds rechtsaf sloeg, loop ik nu rechtdoor. De regen miezert verder. Er zijn weinig mensen op straat. Ik zie alleen een vrouw van middelbare leeftijd, met een streng gezicht, gekapt haar, een gedegen zwarte jas – en rode frutselige laarsjes. De enige andere mensen zijn fietsers van Thuisbezorgd. Ik vind het er opvallend veel.

Ik kijk weer een huis in. Er zijn geen lampen aan, maar toch is er voldoende licht: vier schermen, twee aan twee boven elkaar, glanzen in het duister. Weer knaagt de bevreemding aan me. Vier schermen scheppen een angstig beeld van hoe hard er wordt gewerkt. Maar ik ben al afgeleid. Ik loop weer aan een straatkant waar ik nooit liep: ik kijk op naar een flat die ik altijd alleen van de waterkant zag. Het gebouw lijkt in de schemerig hoog, intimiderend en afstandelijk.

Dan ben ik bij de Prins Clausburg. Eindelijk kan ik eroverheen. Da’s pas echt bevreemdend. De reling gloeit oranje, alsof we in een verre toekomst zijn. Halverwege houd ik even stil. Ik heb een uitzicht over mijn wijk dat ik nooit heb gehad toen ik er nog woonde. De afgelopen weken heb ik mijn thuis zo gemist dat ik verwacht pijn te ervaren. Maar terwijl ik kijk weet ik dat ik de goede keus heb gemaakt. Hoe mooi de omgeving ook is, het is niet mooi genoeg om er de rest van mijn leven stil voor te staan.

Dan ben ik in Stadswerven. Ik bel aan bij een oud-collega en even is alles als vroeger. Uren later loop ik terug via bekend terrein: de Oranjelaan. Maar het laatste stuk loop ik aan de kant waar ik nooit kwam. Het voelt of ik in een stad ben die ik niet ken: ik passeer hoge huizen die me doen denken aan grachtenpanden, of aan sprookjes: de huizen hebben stenen trappen naar een deur op de eerste verdieping, met een dromerige draai, die niets met functionaliteit te maken heeft. Waarom heb ik dit nooit gezien? Ik ben bijna blij dat mijn leven zo veranderd is dat ik weer verrast kan worden.

Een andere kant van een andere kant van een andere wereld

Haileybury bij daglicht

Het is geweldig op de bijbelschool, maar na bijna acht weken was ik toe aan even iets “anders”. Ik greep dus de kans aan om mee te gaan naar een concert. Het was misschien niet handig dat ik niet vroeg wát voor concert het was, maar dat liep gelukkig goed af.

Ik kwam samen met een Duitse klasgenote terecht op Haileybury, een internaat waar de rijken der aarde hun kinderen heen sturen. Per trimester – niet per jaar – betalen ze daar £9.000 voor. We stapten een concertzaal binnen die groter was dan heel wat theaters die ik in Nederland heb bezocht. De muren waren zo hoog dat ze intimiderend werden. We keken tegen een muur aan waar heel hoog een Latijnse tekst in stond gegraveerd. Tijdens het concert heb ik geprobeerd die te ontcijferen, maar ik kwam niet veel verder dan dat de zaal er was gekomen dankzij de steun van velen en dat hij in 1912 was opgeleverd.

Tijd voor muziek. Deze school had een volwaardig orkest, bijna compleet bestaand uit leerlingen. Alleen voor de pauken hadden ze een grote kerel ingehuurd. We hoorden muziek van Ralph Vaughan Williams en daarna de Boléro van Ravel. Mooi – met af en toe een foutje dat wij natuurlijk vergaven. Ik bleef om me heen kijken, nog steeds verrast om zo in een andere kant te zijn van de andere wereld die Engeland nog steeds is. Soms voerde de muziek me mee naar weer een andere kant: dwalend op het gevoel dat de muziek opriep.

Tijdens de pauze kletsten we met een docent van de bijbelschool en zijn vrouw. Door hen wisten we dat het concert er was en openstond voor buitenstaanders. Zij maakten deel uit van het koor dat na de pauze aan de slag ging. De jeugdige orkestleden hadden het veld geruimd. De pauken bleven, samen met twee piano’s, waar het hoofd van de muzieksectie van Haileybury en een professionele pianist plaatsnamen. Het koor van volwassenen van buiten werd aangevuld met een koor van al behoorlijk opgeschoten tieners en van kinderen die een stuk jonger waren.

Ze voerden “Carmina Burana” op, van Carl Orff. Als je dat (zoals mij, muziekleek die ik ben) niets zegt, zoek dan eens op “Fortuna Imperatrix Mundi”, het stuk waarmee deze cyclus begint. Dat ken je waarschijnlijk wel. Ik liet me nu echt meevoeren naar de andere kant van een andere kant van een andere wereld. De muziek was imponerend of zacht, overdonderend of liefelijk. Vooral toen de jongere leerlingen samen met het koor “Chramer, gip die varme mir” zongen was ik ontroerd: de hoge stemmen van de leerlingen en het geruststellende antwoord van de volwassenen knepen mijn keel dicht.

Maar uiteindelijk keerde ik toch terug naar de fascinatie van een school voor mensen die een heel ander leven leiden dan ik. Er waren verschillende solisten, allemaal leerlingen. Ik wil liever niet terugdenken aan hoe ongemakkelijk ik het vond om een tiener te zijn. Hier stonden tieners van 15 en 16 die klassieke muziek zongen in het Latijn of in archaïsch Duits, terwijl ze de zaal inkeken alsof ze thuis aan de ontbijttafel zaten: ontspannen, onaangedaan. Aan de namen was te merken dat de solisten uit allerlei landen kwamen (er was één Nederlandse). Vooral de Aziatische bariton en een Aziatische sopraan hadden een kwaliteit die ademloos maakte.

Ik peinsde verder, over het leven dat voor deze jongeren in het verschiet ligt. Waarschijnlijk zal ik ze niet terugzien op concertpodia, hoe goed ze ook zijn. Ze stromen door naar sjieke universiteiten over de hele wereld. Sommigen zullen naar Oxford en Cambridge gaan, hier in Engeland, of naar het Amerikaanse Cambridge. Ze zullen daarna functies bekleden met verantwoordelijkheden waar ik me niets bij voor kan stellen.

Ik keek weer op naar de hoge muur met de Latijnse inscriptie. Dat jaartal 1912 deed me denken aan de Eerste Wereldoorlog die toen vlakbij was. Hoeveel jongens die destijds op de school zaten hebben een paar jaar later hun leven neergelegd? “Carmina Burana” was populair bij de nazi’s, die de Tweede Wereldoorlog in gang zetten. En nu zat ik daar, naast een Duitse. Ik kon alleen maar denken aan hoe weinig we weten over onze toekomst, die andere wereld die we iedere dag betreden en toch nooit helemaal zien.

Het zou kunnen

Ik heb van die dagen dat mijn verbeelding voor mij uitholt. Dat mijn mentale filters het niet doen. Dan zie ik opeens verhalen waar ze er (misschien) niet zijn. Het overkomt me vooral als ik een beetje moe ben, of in een onbekende omgeving zit. Wat dat betreft kan ik in Engeland mijn hart ophalen.

Op een vrije woensdag stap ik de zonnige herfst in. De wind dwarrelt om me heen en mijn gedachten dwarrelen alle kanten uit. Niet voor het eerst valt het me op dat onder de grote eiken die in de grasvelden staan zo veel brandnetels groeien. En de groei eindigt precies onder het uiteinde van de takken. Zou de eik met zijn bladeren aanwijzen tot waar de brandnetels mogen groeien? Of zijn de brandnetels stiekem heel nerveus, bang voor het grote open grasveld waar koeien hen kunnen vertrappen? Of is het helemaal anders en vermijden koeien de eiken omdat die bomen stiekem een superheldenkracht hebben die ze alleen aan dieren laten zien? Loeien koeien omdat ze bang zijn voor bomen?

Ik loop verder, over smalle paadjes waar de beuken naar me toe buigen om me eens goed te bekijken. Tussen de wortels van bijna alle bomen liggen holen verscholen. Ik probeer me voor te houden dat kabouters niet bestaan – dat er konijnen wonen, en in de grotere misschien vossen. Ik hoop dat ik mezelf overtuig.

Ik laat het bos achter me en loop over het jaagpad langs het kanaal naar de dichtstbijzijnde stad. Er is net gesnoeid, met grof geschut: bomen en struiken zijn verwond en lijken bijna te kreunen. Ik hoor ze nog net niet. Een els houdt een gehavende tak op alsof ze om een verband vraagt.

Halverwege komt een kromme oude vrouw met een kromme oude stok me tegemoet. Haar twee honden zijn collies met ogen die op die van mensen lijken. Eentje vermijdt mijn blik, alsof hij een geheim probeert te bewaren. De ander kijkt me aan alsof hij ieder moment iets tegen me zou kunnen zeggen. Als ik verder loop vraag ik me af wat het was.

Ik ben blij als ik de stad bereik en de vraag kan loslaten. Ik stap de supermarkt binnen en even gaat mijn aandacht exclusief naar wat Tesco’s allemaal te bieden heeft. Maar bij de kassa ben ik weer afgeleid. Buiten stapt een volumineuze vrouw op een stel jochies af die voor de supermarkt op een bankje zitten. Haar krullende halflange haar is bovenop vastgezet met een grote klem – ik probeer niet te denken aan hanenkammen. Ze begint te argumenteren. Ik hoor natuurlijk niet wat ze zegt, maar als ik buitenstap zijn de jochies verdwenen en zit de vrouw op het bankje. Ze steekt net tevreden een sigaret op. Zou ze de jongens streng hebben toegesproken alleen maar om dit bankje voor zichzelf te hebben? Het zou kunnen.

Ik begin aan de terugweg. Er rijdt een bestelwagentje voorbij, met daarop groot het woord: “Stress?” Erachter staat welk nummer de lezer dan kan bellen. Even stel ik me voor dat de bouwvakkers in de bestelwagen met hamers en beitels iemands stress te lijf gaan. De ene roept naar de ander: ‘Hier zit nog een beetje; schraap dat snel weg.’ En als ze klaar zijn met schrapen, pakken ze witte verf en smeren ze alle bewijs van hun werk weg.

Ik verlaat de doorgaande weg en keer terug naar het jaagpad. In het water dobberen ganzen (andere dan in Nederland: Canadese, met een zwarte kop). Er zwemt één jonge zwaan tussen, die door de ganzen wordt genegeerd. Misschien is hij het lelijke eendje uit het sprookje. Het zou kunnen.

Ik word afgeleid: achter me komen joggers aanrennen. ‘Goedemiddag!’ roepen ze – in het Nederlands. Het zijn medeleerlingen van de bijbelschool.

De betovering is verbroken: door dat Nederlands weet ik weer dat ik in een heel gewoon Engeland ben. Wat verderop zie ik iets zwemmen in het kanaal. Heel even wil ik nog geloven dat het een zeehond is, of een bever, maar het is gewoon een hond. En zijn baasje heeft geen groen haar, maar een groene muts. En ze draagt geen rode koningsmantel. Het is gewoon een jas. Denk ik.