Alles ligt open: (g)een sprookje

Photo by Timothy Chan on Unsplash

Er was eens een vrouw, of een man, die een woning had in het duister. De zon zag ze niet, en miste ze ook niet. Ze miste eigenlijk niemand. Ze was gewend aan haar eigen gezelschap. Ze wist altijd wat ze ging zeggen, en dat was saai maar ook vertrouwd. Het was zelfs vertrouwd dat ze zichzelf iedere dag hoorde zeggen dat ze wilde dat haar leven anders was, dat ze mensen om zich heen wilde. En eigenlijk waren andere mensen eng. Die deden dingen die ze niet kon voorspellen. Die konden haar pijn doen.

En toen kwam God. Raar, want ze had Hem niet uitgenodigd. Ze zag Hem niet letterlijk, maar er was opeens zo veel licht – het deed pijn aan haar ogen. Door die pijn wist ze waar ze nog meer pijn had. Ze wist hoe eenzaam ze echt was. En God veranderde dat! Ze ging samen met Hem haar donkere thuis uit. God liet het haar zien hoe prachtig Hij zijn wereld gemaakt had.

Tijdens een van hun wandelingen kwamen ze bij een kerk. O, ze was niet de enige die met Hem wandelde! Ze ging naar binnen en hoorde een lied: ‘Hoe lieflijk is uw woning, HEER van de hemelse machten. Van verlangen smacht mijn ziel naar de voorhoven van de HEER.’ Het ging verder over dat zelfs de mus een huis vindt en de zwaluw haar jongen neerlegt bij de altaren van de HEER van de hemelse machten. Het lied heette Psalm 84.

De vrouw, of man, vond een nieuw huis in de kerk. Het was een fijn huis. Altijd was er wel iemand die over God praatte, en soms kwamen er nieuwe mensen die hadden gehoord over de Heer van de hemelse machten. De vrouw, of man, vond haar leven met God normaler worden.

Soms gingen zij en God weer een stukje wandelen. De vrouw, of man, genoot van het licht om God heen. Af en toe stelde God voor dat ze verder liepen. Maar daar had ze niet zo’n zin in. Als ze echt ver liepen vond ze haar huis misschien niet meer terug. Ze neuriede: ‘Gelukkig wie wonen in uw huis, gedurig mogen zij U loven. Gelukkig wie bij U hun toevlucht zoeken, met in hun hart de wegen naar U.’

God vroeg: ‘Wegen?’ Verder zei Hij niet zo veel. De vrouw wist het wel: er zijn zo veel wegen waar zij nog niet gelopen had. Het zou een leuk avontuur kunnen zijn. Maar ook eng. God zei nog steeds niet veel. Maar ze wist: Hij zou meegaan, Hij zou de weg minder eng maken. En wie weet wat ze tegen zouden komen. De weg lag open. Ze hoefde hem niet in te slaan, maar het kón. Nieuwe avonturen met God – het klonk eigenlijk best aantrekkelijk.

Ze dacht weer aan Psalm 84. Soms twijfelde ze of de vertalers vers zeven wel goed hadden begrepen: ‘Trekken zij door een dal van dorheid, door hen verandert het in een oase; rijke zegen daalt als regen neer.’ Door hen? Nee, door Gód toch zeker? Of misschien hadden de vertalers toch gelijk. Misschien maakte God hen sterk, veel sterker dan ze hadden gedacht. Misschien kon de vrouw, of man, meer dan ze had geloofd, als ze maar durfde te wandelen, met God.

Ze deed een paar stappen, holde toen terug en bleef een paar dagen thuis. Ze deed de gordijnen dicht, zodat haar huis weer net zo donker leek als toen ze God nog niet kende. Dat voelde best fijn. Maar niet lang. Ze was gewend geraakt aan het licht. Ze las weer een stukje van die ene Psalm: ‘Steeds krachtiger gaan zij voort om in Sion voor God te verschijnen.’ Wow, zou ze Hem echt zien? Ze bad: ‘HEER, God van de hemelse machten, hoor mijn gebed, luister naar mij, God van Jakob. God, ons schild, zie naar ons om, sla goedgunstig het oog op uw gezalfde.’ Ze kon niet anders: ze moest weer naar buiten. Ze moest lopen!

Ze wist dat het niet echt “moest” – dat God het niet eiste. Hij nodigde haar uit. En ze begon ernaar te verlangen. Want: ‘Beter één dag in uw voorhoven dan duizend dagen daarbuiten, liever op de drempel van Gods huis dan wonen in de tenten der goddelozen. Want God, de HEER, is een zon en een schild. Genade en glorie schenkt de HEER, zijn weldaden weigert Hij niet aan wie oprecht hun weg gaan. HEER van de hemelse machten, gelukkig de mens die op U vertrouwt.’

(Bijbelcitaten: © NBV21)

Over de ware aard van eenhoorns

Photo by Wilmer Martinez on Unsplash

Bijna niemand weet het, maar eenhoorns zijn heel anders dan ze worden geportretteerd. Ik kan niet vertellen hoe ik dit te weten ben gekomen. Te veel details delen zou gevaarlijk zijn. En oneerlijk tegenover de eenhoorns, die waarde hechten aan hun privacy, een privacy die grof geschonden wordt, door wezens die wij vaak uiterst onschuldig vinden – kleine meisjes. Geschokt? Lees snel verder.

Het eerste aspect van eenhoorns dat grotendeels onbekend is, is dat eenhoorns homoseksueel zijn. En dat het allemaal mannen zijn. Hoe de soort nog niet is uitgestorven, is onduidelijk. De details zijn verdwenen als een bemoste steen die tijdens dichte mist wordt bedekt onder beukenbladeren die in de herfst nooit genoeg zullen verteren om de steen ooit weer zichtbaar te maken.

Iets anders wat nauwelijks bekend is, is dat eenhoorns van over de gehele wereld zich af en toe verzamelen, op een eiland dat op geen enkele kaart is ingetekend, ergens ten noorden van de Noordkaap. Als de maan in het eerste kwartier staat, en de eerste drie sterren fonkelen boven de Barentszzee, verschijnt er een wit plateau te midden van de golven die altijd in beroering zijn. Het lijkt een plateau van ijs, dit enige thuis dat eenhoorns ooit zullen kennen.

Als ze dan bijeenzijn, drinken ze koffie. Hoe ze dat doen met hun hoeven is een vraag waarvan men beter het antwoord niet kan weten. Maar de koffie is zo zwart dat zelfs de sterren aan de hemel er niet in worden weerkaatst. Bij de koffie steken ze Gauloises op (wederom: vraag niet hoe het kan; het zou te gevaarlijk zijn).

Terwijl ze uitkijken over de verlaten zee, waar duizenden gestorven zijn (mensen, welteverstaan, geen eenhoorns) zuchten ze over meisjes. Eenhoorns houden niet van kleine meisjes die van eenhoorns houden. Want kleine meisjes denken dat eenhoorns gouden hoorns hebben, en manen en staarten in regenboogkleuren. Die verbeeldingskracht van kleine meisjes heeft een verwoestend effect op het metafysische bestaan van de eenhoorns.

Een eenhoorn stampt met zijn hoef en trekt harder aan zijn sigaret. Zijn rafelige stem draagt ver over het plateau. ‘Ze benaderde me toen ik dwaalde door het uiterste noorden van Kazachstan. Ik keek naar de top van Khan Tengri en overwoog de eeuwenoude berg te beklimmen toen het wezen opeens op mij afstormde, met open armen. En toen… kleurde zij mij. Het was te laat om te vluchten. Natuurlijk trapte ik haar van mij af, maar toen was het leed al geschied.’

De eenhoorn laat zijn lange, gracieuze nek hangen en zijn mede-eenhoorns (die in de ziel van bomen kunnen kijken, en de aard van sterren kunnen duiden) kunnen in het duister zien dat zijn manen half verkleurd zijn door de stift van een meisje dat ergens op de planeet enthousiast een kleurplaat van een eenhoorn heeft bewerkt. Zijn manen hebben kleuren gekregen die in geen regenboog een plaats hebben, en zijn ooit zo smetteloze vacht, witter dan het plateau waarop zij staan, zit vol vlekken die lijken op vingerverf.

‘Nooit meer de pure reinheid,’ hinnikt een andere eenhoorn. ‘Nooit meer de vreugde van het zuivere wit. Degene die ons bestaan heeft onthuld aan de mensheid, heeft zo veel op zijn geweten dat genade onmogelijk lijkt. Het begin leek veelbelovend, toen onze hoorns in goud verschenen op schilderijen – toen jonkvrouwen zich naast ons vlijden in werken van de grootste menselijke kunstenaars. Maar nu zijn wij slechts een van de vele dieren – dieren! – die onderdeel zijn van films en cartoons voor massavermaak.’

Even is de stilte op het plateau zo diep dat de wind, rechtstreeks vanaf de Noordpool, hoorbaar zucht in de haren van de bevlekten. Staarten die nu indigo zijn zingen klaagliederen, blauwe manen rinkelen als het maanlicht even vanachter de wolken schijnt en het plateau beroert. Dan wordt het weer duister.

Een derde stem klinkt. ‘Misschien moeten we hen omhelzen in plaats van hen van ons aftrappen.’ De stilte wordt zo koud als past bij een plateau in noordelijke duisternis. ‘Misschien moeten wij de zuivere kracht die wij kennen laten zien te midden van menselijke ontluistering.’ Huiverend hinnikt de stem. ‘Misschien moeten we meisjes tonen hoeveel kracht ze bezitten als ze zien Wie er leeft voorbij de regenboog.’

De antwoorden verwaaien als het plateau wegdrijft in de zee.

Ode aan de regen en de kou

Het is een dag waarop de wolken zichzelf eindeloos leegstorten. Ze verzamelen zich over de hele hemel en huilen, snikken, brullen. De lucht is grauw, de schaduwen zijn diep en ik moet misschien iets zeggen over hoe snel regen verveelt en dat zon fijner is. Maar dat doe ik niet. Want het is onzin.

Zon is niet fijner. Van zon ga je zweten, en je kleding gaat ervan plakken. Met zon kun je niet lang een boek lezen, want dan word je afgeleid door hoe heet het is. Als de zon schijnt zijn er geen knusse schaduwen waar je een beetje kunt dromen over deuren die je net niet ziet, waarachter prachtige werelden liggen waar je net niet in kunt, maar wel bijna.

Het regent. Het is koud. Halleluja.

Maar ik geef toe dat ik wacht tot de eerste scheur zon de wolken openrijt voordat ik triomfantelijk ‘ha!’ roep, mijn schoenen aantrek, mijn jas aanschiet, de paraplu meegris en naar buiten spring.

Ik geniet van de onttakeling die ik aantref. Het dijkje met de walnootbomen druipt, de Schotse Hooglander die ik tegenkom bekijkt mij lethargisch, moe van de regen – zijn vacht hangt er depressief bij. De paddenstoelen lijken schoonmaakdoekjes die per ongeluk buiten vergeten zijn – ze lijken verlept.

Al snel heeft de zon moeite met haar gevecht tegen de wolken. Ik loop onder bomen en het wordt er donkerder. Mijn pad lijkt steeds smaller. Ik geniet nog meer, van de schaduwen, en het vermoeden van meer schaduwen.

De mensen bij wie ik nu in huis woon zijn net in Noorwegen geweest. Ik droom met open ogen van de wouden van dat land, van hun eindeloosheid, van sparren waaronder ik wegdwaal tot ik niet meer weet waar en wie ik ben en de wereld de grootsheid laat zien die wij te vaak willen temmen – of niet willen erkennen.

Het is nog september, maar in mijn hoofd is het al oktober, of november, met nog meer kleuren aan de bomen die nu schuw blozen, en met nog meer duister. Er zijn paden in mijn hoofd die ik de laatste tijd gemist heb, paden mijn verbeelding in, waar aan een hoge herfsthemel de eerste ster blinkt en alles kan gebeuren.

Of misschien geniet ik juist van wat vertrouwd is, van wat ik mooi vond aan mijn jeugd. Of ik geniet van de stilte, omdat de meeste mensen niet zo houden van wandelen onder druipende bomen. Na al het gedoe waarin ik de laatste tijd belandde, voelde het veiliger om samen met anderen te zijn. Misschien voel ik me eindelijk weer normaal genoeg om het te waarderen even alleen te zijn.

Of misschien geef ik toe aan onvervalst escapisme. Op mijn rondje door het groen beland ik op een klein stuk waar ik door de wijk loop; de wereld lijkt onmiddellijk alledaagser – voor ik het weet denk ik aan chemo’s en lijstjes met dingen die ik niet moet vergeten te doen. Gelukkig is daar het Dubbelsteynpark. Als ik diep uitadem zie ik bijna mist. Ik ben gelijk weer terug in mijn regeneuforie. Mist! Nog even en het is koud genoeg voor mist! En in de mist kan ik verdwalen in alles wat mijn verbeelding wil zien en zijn. Met stevige tred loop ik het park in.

De emoties van de wolken zijn er nog volop aanwezig. Tranen lopen langs de boomstammen. Bomen staan stilletjes bij elkaar en overwegen een oud verdriet dat nooit helemaal verwerkt is. Ik denk weer aan verre bossen. Of aan de droom van vroeger om een kabouter te zijn – of nog beter: een elfje – die in een boom kon leven, samen met eekhoorns, en onder een ganzenveer kon slapen.

Ik weet dat het allemaal ontsnappingspogingen zijn. Even niet denken aan kanker en behandelingen. Of misschien is het een vlucht van het besef van klimaatverandering. Als Nederland weer ouderwets grauw is, kan ik geloven dat mijn land geen risico loopt te veranderen in Zuid-Spanje – of de Sahara. Dan kan ik geloven dat alles blijft zoals ik het leren liefhebben.

Maar in werkelijkheid verandert alles natuurlijk. Nou ja, behalve de regen misschien, die altijd ergens zal vallen, en weer zal verdampen, en toch altijd water zal blijven.

Eindelijk dan (?)(!)

Goede Vriendin en ik zijn als vanouds een weekendje weg. Wie had dat gedacht? Vorig jaar leken we voorlopig ons laatste weekend te hebben omdat ik bijna onmiddellijk na de Bijbelschool naar Japan zou gaan. En toen we alsnog plannen maakten, kwam die stomme ziekte. Maar we zijn terug in Duitsland, vlak bij Münster, net als drie jaar geleden.

Op vrijdagavond maken we een korte wandeling. Mijn hart begint sneller te kloppen – niet van inspanning maar van blijdschap. Toen we de laatste keer in deze omgeving waren, was ik druk bezig met een boek, en sommige van de boswandelingen van toen zijn onderdeel geworden van het verhaal – Duitse beuken bevonden zich opeens in een Engels landgoed, in sleutelscènes. Terug op deze plek voel ik eindelijk dan weer de vreugde van het schrijven.

De omgeving werkt helemaal mee. Aan het begin van de route ligt een Duits spookslot. Nou ja, een oude boerderij die statig onttakelt. De hoge ramen kijken leeg en somber naar ons, het hout bladdert, maar we zien nog dat dit een pand is geweest waar de eigenaren trots op waren. Ik word stiller vanbinnen.

Dan lopen we het bos in. De route is wat heuvelachtiger dan verwacht. We klimmen hoger en hoger, langs beuken die machtig oprijzen en waaronder weinig groeit. Alleen de zon neemt ruimte in: ze spreidt haar stralen uit tussen de bladeren en suggereert een licht van een wereld die wij maar nauwelijks kennen. Ik voel inspiratie aan me trekken.

Als we het bos uitkomen, trekt er iets anders aan me: de wind, die oude bekende. Deze dag is de wind onstuimig, tollend en rollend, blazend tegen mijn hoofd. En dat doet zeer, want ik heb haarpijn, een teken van het haarverlies dat me staat te wachten. Maar ik hef mijn hoofd op en dank voor deze dag.

De volgende dag zet mijn haarverlies in. Als ik mijn kapsel fatsoeneer, zit er zo veel haar in mijn kam dat mijn hart weer sneller klopt – van schrik. Maar ik besluit van het weekend te genieten, en ben allang blij dat alle deskundigen die collectief beweerden dat mijn haar al de week ervoor had moet uitvallen, ongelijk hadden. Maar dat weekend blijf ik mijn haar maar kammen, dwangmatig, terwijl ik wel weet dat ik dat niet moet doen. Er laat steeds meer haar los.

Maandag keren we terug – naar bloedonderzoek en een gesprek met de internist. Dinsdag heb ik de tweede chemo. Een andere vriendin houdt me vier uur gezelschap en zegt dat ze niks aan mijn haar ziet. Maar woensdag versnelt het haarverlies. Een plukje haar zit niet goed. Ik pluk eraan – en heb het los in mijn hand. Haar dwarrelt die dag om me heen. Ik neem uiteindelijk contact op de vrouw die mijn pruik heeft besteld en hem zal “personaliseren” als ik hem nodig heb. Ze zegt dat ze net begon te hopen dat ik de uitzondering zou zijn die haar haren niet verliest.

Op donderdagmiddag gebeurt het: mijn laatste haar eraf, de pruik erop. Die ochtend ga ik nog even naar het Kruidvat, een tochtje waar ik bijna onmiddellijk spijt van krijg. Mijn blaas speelt al de hele week op, alsof ik die hele week niet naar het toilet ben geweest; ik ben opgezwollen van de prednison en het waait weer, waardoor haar spontaan bij me vandaan vlucht. Irrationeel ben ik bang dat ik halverwege de wandeling kaal zal zijn. Ik voel me oud, koud en kapot. Dat ik bij het Kruidvat mijn allereerste leesbril koop helpt niet.

De dag ervoor heb ik me weer ingeschreven in Dordrecht – iets wat ik had verwacht pas na vele jaren te doen, niet precies één jaar na mijn uitschrijving. Nu loop ik over de dijk waar ik vroeger naar mijn werk liep. Ik kan wel janken.

Dan zie ik een kleine groep struiken waar ik ooit de eerste inspiratie kreeg voor dat boek waarbij Duitse bomen naar Engelse bossen verhuisden. Ik heb op dat moment niet het idee dat ik ooit weer puf zal hebben om een boek te schrijven. Maar onderweg naar huis twijfel ik daar toch aan. Het wordt herfst, de wind waait, ooit gaat deze pijn over. Dan wordt het een verhaal.

Water, vormend, voedend

Zondag vaar ik met vrienden. De dag perst hitte door mijn huid. De Merwe stroomt onaangedaan verder. Het water golft soms woest, als er een speedboot voorbij raast. Soms lijkt het bijna stil te staan. Ter hoogte van de Papendrechtse brug zie ik dat zelfs in stil water een patroon wordt getekend waarvan ik niet begrijp waar het vandaan komt, donkere figuurtjes die aan de stilte toch beweging geven. Ik denk aan hoe het water alsmaar doorgaat, zich aanpast aan keien, rotsen, boten, maar niet werkelijk verandert.

Maandag zweet benauwd. Als de eerste wolken al hoog oprijzen boven Dubbeldam ga ik nog een stukje wandelen – hopelijk in de avondkoelte. Mijn nieuwe verblijf zorgt voor nieuwe wandelroutes. Onder de bomen van Dordwijk, delen van een oud landgoed, is het alsmaar donkerder. Als ik het Dubbelsteyn park inloop, beginnen de bladeren aan de bomen te trillen en te fluisteren, verwachtingsvol, alsof ze weten wat er gaat komen. De wind verscheurt de hitte, veegt de lethargie weg, laat de bomen juichen. Bliksemflitsen splijten het zwart en dan valt de regen neer, dwars door mijn dunne shirt.

Ik klaag niet dat ik doorweekt raak. Ik dank God dat we eindelijk regen hebben. En die storm lijkt wel een beetje op mijn leven, al wil ik daar niet te dramatisch over doen. Misschien kan ik mijn leven beter met de Merwe vergelijken: hij stroomt door geulen die ik nooit had verwacht maar gaat wel gewoon door. Hij past zich aan.

Gek hoe ik sinds de diagnose kanker in een heel nieuw bestaan terecht ben gekomen. Ik woon in een huis dat helemaal niet in mijn planning stond, en alles wat wel in mijn planning stond is opgeschoven naar een datum in de toekomst waar ik niet eens met zekerheid een jaartal bij kan zetten.

Als ik al bij dat jaartal kom. Ook zoiets van kanker: de confrontatie met sterfelijkheid, het besef dat ik geen water ben dat altijd ten diepste water blijft. Mijn huidige vorm is eindig. Dat wist ik natuurlijk al, maar zoals een van mijn docenten uit Engeland zei: ‘We stoppen dat besef allemaal in een doosje. Bij jou is dat doosje opengegaan en nu krijg je het niet meer dicht.’

Maar ook gewoon in het leven van alledag lijkt alles anders, bevreemdend, onvermoed. Ik heb best wel wat mensen in mijn omgeving gehad die met kanker te maken kregen. Maar niemand heeft me ooit de details ingefluisterd. De overweldigende vermoeidheid bijvoorbeeld. Dat beangstigende gevoel dat alle energie op is en je geen stap verder kunt (terwijl je in een van de drukste winkelstraten van Dordt staat).

En alle rare praktische details. Je tanden schijnen nogal te kunnen lijden onder chemo, dus heb ik nu mondwater in huis. Het is zo goor dat het lijkt of ik chemo in mijn mond heb (oké, overdrijven is ook een vak). Je bent opeens in gesprek met een pruikenmaker en een vriendin kijkt kritisch naar je hoofd en stelt vast dat het kaal waarschijnlijk heel mooi is. Bedankt voor het compliment, maar ik wil er niet achter komen of ze gelijk heeft.

Sowieso kijk ik naar mijn lichaam met een aandacht die mij vreemd is. De eerste dagen na de eerste chemo was ik me hyperbewust van alles wat het deed. Waarom had ik opeens die reflex om naar adem te happen? Hadden die spierkrampen iets met de chemo te maken? Regelmatig strijk ik door mijn haar, met weemoed. Ik heb het nooit eerder zo mooi gevonden, totdat ik wist dat ik het kan verliezen.

Tegelijk wil ik geen hypochonder worden. Ik wil interesse houden in de wereld, in de natuur, in mensen, in God. Ik moet mezelf maar niet met water vergelijken. Jezus noemt zichzelf het Levende Water. Hij vormt en voedt de wereld. Het gras lijk al groener na die eerste nacht vol regen.

Hij is God, even almachtig als altijd, of ik nu ziek ben of niet, of mijn plannen nu verstoord zijn of niet. Hij voedt ook mij, vormt mij. Het is vreemd en fijn hoe weinig boosheid ik voel rondom mijn diagnose. Ik voel Hem naast me zitten, buiten in de tuin. Hij glimlacht, zonder woorden. En ik glimlach ook.

Doei Engeland!

Vorig jaar moest ik heel wat moed bij elkaar sprokkelen voor ik een vuurtje had dat brandde. Alles achterlaten en een jaar naar Engeland gaan? Oef. Nu moet ik moed verzamelen om het Engelse haardvuur de rug toe te keren. Het knappert zo knus, en er zitten zulke lieve mensen omheen.

In één blog mijn jaar op All Nations Christian College samenvatten, zou te ambitieus zijn; zelfs in boekvorm heb ik een trilogie nodig. Vooral de docenten kunnen onmiddellijk als romanpersonages aan de slag.

Wat te denken van de heel kleine docent met een ernstige gehoorbeschadiging en de meest twinkelende ogen die ik ooit heb gezien – die er altijd voor kiest om in de eetzaal zijn gesprekken met mij fluisterend te voeren, zodat ik merk hoe doof ik zelf ben.

De docente die verantwoordelijk is voor kunst zal ik evenmin snel vergeten. Haar gang vertoont een onmiskenbare gelijkenis met die van een pauw, ze trekt iedereen uit het laatste restje comfortzone en schaamt zich daar zo duidelijk niet voor dat wij er niet over durven te klagen.

Dan is er nog de verlegen natuurkundige plus dominee met zoveel kennis dat ik altijd wil dat haar lessen langer duren; de docente antropologie die als een flamingo één been optrekt terwijl ze lesgeeft (ze zegt dat het goed is voor haar rug); de gepensioneerde die vrijwillig les geeft in Hebreeuws en Oud Testament en er sociaal gezien altijd in slaagt iets heel verkeerds te zeggen. En zo voort, en zo voort.

En dan de studenten. Die Nederlandse die er te veel lol in had me “Elsje” te noemen en altijd verrukt was als ik dreigde met represailles, de wijze Britse die in één zin meer zinnigs kan zeggen dan ik in zeventig, de Amerikaanse die zo sterk leek maar ook zo kwetsbaar bleek, en met wie ik meer kon delen dan ik verwachtte, de 19-jarige Duitse klasgenote van wie ik helaas pas in trimester drie ontdekte dat we hetzelfde gevoel voor humor heeft. Dankzij haar denk ik bij de Drie-eenheid nu aan navigatie – als je me persoonlijk tegenkomt, zal ik proberen uit te leggen waarom. De laatste tijd zitten we elkaar in de klas foute berichtjes te sturen. Ik voel me steeds jonger…

En dan is er nog de omgeving. Het landhuis Easneye vormt het centrum van All Nations. Ik deed er corvee in de winter, en dwaalde door schemerige gangen terwijl ik mij in andere eeuwen waande. Ik zat er tijdens een coffee party in de salon, waar je nog net kan zien hoe de familie Buxton er leefde toen het huis van hen was, en waande me heel iemand anders.

De omgeving is ook niet te negeren. Bij iedere wandeling denk ik: ‘Nog even en ik zie dit niet meer.’ Dat dacht ik ook bij mijn vaste rondjes in Nederland – ik telde ongeveer honderd dagen van tevoren al af hoelang ik er nog zou lopen. Helaas doe ik dat nu weer. Paden door de velden, langs rijpend graan en hoge paarse bloemen. Paden door de bossen, waar hoge dennen statig op me neerkijken, of beuken zich in zulke grillige bochten wringen dat ik aan sprookjes denk.

Het afgelopen jaar heb ik ontdekt dat de fauna in Engeland heel anders is dan Nederland. Ik zag voor het eerst van mijn leven patrijzen en heb veel vreemde vogels zien vliegen (letterlijk, niet figuurlijk!) waarvan ik geen idee heb wat hun namen zijn. Het valt op hoeveel dierlijk leven hier alleen leeft omdat mensen onvoorzichtig waren met de exoten die ze naar Engeland haalden. Ik struikelde over grijze eekhoorns, en zag heel wat munkjacks voor me vluchten, Chinese hertjes, veel kleiner dan de Europese neven, maar wel nieuwsgieriger: vaak bleven ze op een afstandje stilstaan om me filosoferend te bekijken.

Opvallend dat ik juist de exoten zag vluchten. Het deed me realiseren dat ik ook een vreemdeling ben. Op doorreis, in de wereld, nu in Engeland. Twee Hongkongse klasgenoten, een pasgetrouwd stel, leerden “hoi” en “doei” zeggen in het Nederlands. Ze deden het perfect, maar zagen er altijd nogal onaangedaan bij uit. Voor mij is het nu ook tijd om doei te zeggen. Ik ben niet onaangedaan.

Het gebed van een verslaafde

Een paar weken geleden werden we op school gevraagd het inleidende gebed te schrijven voor een kerkdienst waarvan we zelf de context mochten bedenken. Ik schreef een gebed voor een kerkdienst vol verslaafden.

Mijn gebed was ongeveer zo: ‘O trouwe Vader, vergevende Zoon, Geest die ons leidt, U bent soeverein over alles wat we doen. Hoewel we zondigen en vele vergissingen maken, laat U ons niet alleen. Help ons om daarvan bewust te zijn, zodat we het aandurven om afhankelijk van U te zijn en onze levens aan U over te geven. In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, amen.’

Natuurlijk kwam die context niet uit de lucht vallen. Ik beschouw mezelf nog steeds als een verslaafde. Aan eten, zeg ik er dan haastig bij, alsof dat minder erg is dan een verslaving aan alcohol, drugs of gokken. Dat is het niet. En de afgelopen tijd heb ik weer gemerkt hoe verslaafd ik nog ben.

De vraag wat ik als verslaafde “moet” bidden naar God speelde daarom al een tijdje door mijn hoofd. Bidden om uitredding? Bidden om overgave? Vreemd genoeg merkte ik dat als ik tegen God zei: ‘Heer, ik ben verslaafd’ ik me al beter voelde. Alsof ik dan eerlijk tegen Hem was geweest. Maar ik wilde meer. Maar wat precies? Wil ik van mijn verslaving af? En wil ik dat dan omdat ik bang ben dat ik weer dik word of omdat ik wil dat God belangrijker is dan eten terwijl Hij dat in mijn gedachten niet altijd lijkt te zijn?

Lastige vragen. Ik struikelde nou niet bepaald over hapklare antwoorden. Deze verslaafde bleef weer ervaren hoe sterk de behoefte aan snoep nog steeds is. Het is al zo’n 35 jaar een manier waarmee ik mezelf kan troosten, opvrolijken, afleiden, geruststellen. Ik kan niet eten en denken tegelijk, en dat is vaak erg fijn. Het is minder fijn dat als ik zwaarder word, me daardoor minderwaardig voel – en ook nog eens schuldig.

En riep God me intussen tot de orde? Helemaal niet. God sprak liefdevol tegen me terwijl ik naar een supermarkt liep om de verkeerde dingen te kopen. God liet me via iemand anders weten dat ik kon leren om van eten te genieten. En vreemd genoeg stelde me dat allemaal niet gerust. Ik worstelde verder, met heel veel ups gelukkig, maar ook met zwarte downs.

Weer – niet voor het eerst – liet God me zien dat Hij me niet laat vallen als ik het fout doe. Hij blijft trouw, ook als ik dat niet ben. En het is zo erg met me gesteld dat ik soms lekker achterover leun bij die wetenschap en nog een tijd doorga op mijn pad van chocolade, chips en constante gedachten aan meer, meer, meer.

Maar ik ga niet eindeloos door. Uiteindelijk gaat mijn geweten gelukkig praten, hoewel onrust over mijn uiterlijk en niet over God er een te grote rol in speelt. Die conclusie schudde me echt wakker. Want ik wil dat het wel over Hem gaat. Ik wil zo graag dat Hij de complete regie krijgt over mijn leven, dat ik Hem compleet vertrouw, dat ik niet naar snoep hoef te grijpen om alle vage angsten over de ongewisse toekomst in Japan te dempen. Ik wil me aan Hem overgeven. Maar ik weet niet hoe. Mattheüs 6:33 zit me al dwars sinds ik christen werd: ‘Zoek liever eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, dan zullen al die andere dingen je erbij gegeven worden.’ Hoe dan?

In het boek dat ik de laatste tijd ’s avonds voor het slapen gaan lees, komt het steeds weer terug: werkelijke overgave is de sleutel, in alles. Ik lees verhalen over zieke mensen die wonderlijk genazen toen God belangrijker werd dan de ziekte, over mensen die vertrouwden en een geweldig werk konden doen voor God. En ik denk weer: ‘Hoe dan?’ Ik roep al jaren dat ik me aan God wil overgeven. Maar ik geloof dat ik me nog steeds aan mezelf overgeef.

Dus dat bid ik naar God: ‘Help me om me aan U over te geven. Help me om echt alles in uw handen te leggen. En het niet terug te pakken.’

Alvast heimwee

Het is lente. Misschien de laatste lente die ik in Nederland ga meemaken voor de komende jaren. Ik kreeg er alvast heimwee van.

Ieder jaar lijkt de wereld nieuw in de lente. Ik ben weer vergeten hoe God het jaar ervoor alles nieuw maakte – een toepasselijke reminder zo rond Pasen. Vooral de eerste plantjes die verschijnen, met sprieterige twijgjes en miniatuur knopjes, lijken nog druppels van de hemel in zich te dragen. Ik word er stil van.

Het is ook stille week, de week voorafgaand aan Pasen. In mijn kerk is er iedere avond een overdenking. Na de eerste avond loop ik terug via Dubbeldam, in het blauwe uur. De lucht ademt uit, zoete geuren van een nieuw bestaan. De magnolia’s zijn al uitgebloeid, maar veel kersenbomen staan nog in bloei. Natuurlijk ga ik die in Japan ook (heel veel) zien, maar vooral één soort, met een grote stam en volle, ronde bloesem, maakt me weemoedig – zo’n boom stond vroeger bij mijn opa en oma achter het huis, bij het tuinhek waar ik graag nog eens doorheen zou lopen.

De avond erna loop ik via de wijk Stadspolders naar de kerk. Een fietspad heeft net nieuwe stenen gekregen. Er ligt nog veel zand, waar mussen een alternatief bad in nemen. Ze vluchten niet eens als ik langskom. Die avond ben ik aan de beurt om te spreken in de kerk. Hoewel ik het niet over mussen heb, hoop ik dat de luisteraars zullen begrijpen dat God ook hen, net als de mussen, niet ongezien ter aarde laat vallen.

Op woensdag ga ik ’s middags naar Sliedrecht. Helemaal aan het begin van mijn tocht loop ik door de Bildersteeg. De naam alleen al – zo heerlijk Nederlands. Aan beide kanten van het fiets/wandelpad reiken oude populieren de hemel in. Er is niemand. Geen mens in ieder geval: vogels zingen een loflied en ergens waait de wind. Even ben ik helemaal alleen met God. En dan zie ik een fietser, een wandelaar en wordt de wereld weer normaal.

Ik steek de spoorbrug over de Merwe over en loop Sliedrecht in, over de dijk. Een van de eerste huizen heet Bleyburgh – ik vind de naam passen bij hoe ik me voel. Ik geniet ook van andere huizen. Sinds mijn verblijf in Engeland zie ik sterker dat ook huizen iets weergeven van een land. Deze huizen doen me denken aan het Nederland van een generatie terug, van mijn eigen jeugd. En intussen is er weer rust: op deze doordeweekse dag ben ik als enige buiten. Ik voel me daar niet schuldig over.

Ik wandel langs een zijstraat die Elzenhof heet. Snel maak ik een foto – ik zou voor mezelf een hof willen waar voor altijd iets van het begin van een Nederlandse lente achterblijft, met al het nieuwe leven. Dan ben ik alweer afgeleid. Kastanjes! Vorige week waren veel bomen nog kaal. Nu staan ze in frisgroen blad, uitstekend als dakpannen. Vroeger dacht ik dat kabouters daaronder hun huis maakten. Dat idee heeft me nooit helemaal verlaten.

Ik kom aan het einde van de dijk. Omzoomd door oude beuken doemt er een kerk op. Een Nederlandse kerk – een carillon zingt en dan slaat de klok: één plechtige slag. Oké, bijna word ik emotioneel door alles wat Nederland is.

Dan wandel ik de dijk af en is de rust opeens voorbij. Aan mijn linkerkant zie ik een plein met een standbeeld waarvan ik de vorm niet kan duiden, omringd door moderne tulpen: de kleuren zijn te fel en kunstmatig. Het is markt in Sliedrecht – voetgangers verdringen elkaar, auto’s wachten om door te rijden. Een vrouw ziet twee andere vrouwen en ze beginnen alle drie tegelijk te praten – niet in het Nederlands. Ze klinken zo hyper dat ik bijna niet geloof dat ze elkaar wel kunnen verstaan. Het lijkt of ze een sketch spelen, een soort cliché nadoen van uitbundige vrouwen die elkaar niet uit laten praten.

Ik weet het weer: mijn tijd in Nederland is bijna voorbij. Ik kan dit alles opschrijven, niet uit heimwee, maar als herinnering. Straks ben ik in Japan en zullen er andere dingen zijn waarvan ik geniet, andere aspecten van Gods schepping waarvan ik zal houden. En Nederland blijft altijd in mijn hart.

Postman Pat en ongekochte schilderijen

Het is gewoon gebeurd: ik ben verliefd geworden op het Engelse landschap. In het eerste trimester van het schooljaar dacht ik nog dat mijn oude gevoelens voor Engeland overdreven waren, maar dat was toen niets in mijn leven meer vertrouwd was en ik nergens vreugde aan ontleende. In het tweede trimester huppelde ik door de velden. Nou ja, bijna dan.

In het tweede trimester moest ik ook steeds vaker denken aan Postman Pat, een animatieserie uit mijn jeugd. Postman Pat ging in zijn rode bestelauto op pad, en zijn kat ging met hem mee. Je zag de auto over de heuvels golven. Nu zie ik in de verte autootjes precies zo rond rijden.

Toen ik mijn appartement inrichtte (dat appartement dat ik weer opgaf om naar Engeland te komen), twijfelde ik lang over wat voor schilderijen ik zou kopen. Ik dwaalde eindeloos rond op een website, keek naar Japanse schilderijen, foto’s van zonnestelsels en planeten en… naar Engelse landschappen. De tekenares creëerde glooiende heuvels en roodbakstenen huizen, genesteld in een veilige verte, tussen velden en hagen. De schilderijen bleven ongekocht, maar nu zie ik de originelen.

Ik begon van alles wat ik zag te houden in de herfst, toen laag licht op bomen scheen en ze mooi maakte in hun onttakeling. Ik stond hoog op de heuvel en dankte zacht God dat Hij me het lef had gegeven om naar dit land te komen, om wat vertrouwd was op te geven, om weg te gaan van mijn favoriete wandeling door het Nederlandse park.

Inmiddels is het tweede trimester bijna voorbij. De winter heeft zijn grip verloren. Het is bijna lente. Groen waagt zich aan bomen, priegelig en precies als ingewikkelde kunstwerken. De meidoorn is wit van bloesem en geurt zoet – als ik in de juiste windrichting loop en mijn neus veel geluk heeft. Eekhoorntjes zitten achter elkaar aan en denken waarschijnlijk al aan de volgende generatie. Op het grasveld van de school, vlak bij de eetzaal, stond een fazant in de zon. Hij had mij niet in de gaten. Van heel dichtbij keek ik naar zijn rood en blauwe gezicht. Ik zag de regenbooggloed in zijn verenpracht en realiseerde me dat ik iets zag wat ik nooit bewust had gezien.

Al ben ik hier niet voor een vakantie, ik ga de velden in wanneer ik maar kan. Ik dwaal door de bossen wanneer ik de kans heb. De kronkelende wegen van Postman Pat fluisteren me in dat achter iedere bocht een uitzicht ligt dat ik nog niet ken. Het is waar, maar ik weet ook dat ik niet alle uitzichten zal zien. Ik ben hier maar voor dertig weken. In het begin wilde ik die weken zo snel mogelijk achter de rug hebben om aan de slag te kunnen met mijn “echte” plannen. Nu voelen de uitzichten als thuis en ben ik er net zo aan gehecht als aan mijn oude favorieten op de Zuidendijk en het Wantijpark. Maar als ik bedenk dat ik favoriete wandelingen in Sapporo zal hebben, kan ik het nog niet echt geloven.

Ook gisteren ging ik wandelen. Ik droeg voor het eerst sinds lange tijd niet mijn winterjas, en de jas die ik wel droeg moest ik halverwege opendoen. Ik liep langs een stukje bos en hoorde de vreugde van de wind. Ik klom naar de hoogste heuvel en voelde mijn eigen vreugde. Ik daalde af en zag bosanemonen, waarvan een Britse vrouw me op de schoonheid wees. En toen, net toen ik afsloeg op de weg terug naar College, hoorde ik gefluit.

Even hield ik stil. Het geluid was nogal hard voor een mens. Het leek alsof er een installatie aanstond ergens in de buurt, maar zulke asociale Britten had ik nog niet ontmoet. En toen keek ik nog eens goed om me heen. Ik stond vlak bij een boerenhek. Het hek was dicht, maar de beide delen veerden wat heen en weer in de wind. En zo brachten ze een geluid voort dat bijna muzikaal was, de symfonie van een dicht hek. Ik glimlachte erom. En toen glimlachte ik niet meer. Een dicht hek. Dat is mijn symboliek van wat zal komen na het volgende trimester. Een afscheid van wat ik ben gaan liefhebben.

Groeien uit de dood

Recent was ik in Cambridge, met een Amerikaanse klasgenote. We hadden allebei besloten dat we in dat ene jaar dat we in Engeland zijn wat meer van het land moesten zien. De weersverwachting was slecht. We doken op ons vertrekstation diep in onze jassen terwijl we wachtten op de trein, en bij aankomst doken we gelijk een koffiebar in.

Die koffiebar was niet alleen vanwege de onbarmhartige februariwind, maar ook omdat het nog net geen tien uur was. Om tien uur ging de botanische tuin open, die tussen het station en het stadscentrum lag en die we allebei graag wilden zien. Ik vind het heerlijk om tussen bomen te lopen, en mijn klasgenote heeft een landbouwstudie achter de rug.

De koffie was heerlijk, maar de botanische tuin heerlijker, ondanks dat de grauwe wolken laag over ons heen rolden en de kille wind niet wende. Er was een “snowdrop trail”. Ik vind dat er op het terrein rond de school maar weinig sneeuwklokjes bloeien, maar in de tuin kon ik mijn hart ophalen. Er was ook een tuin met allemaal winterbloeiers, waar afgestompte neuzen opeens weer wisten hoe heerlijk bloemen kunnen ruiken.

We waren even in de kindertuin, waar bomen deurtjes en ramen hadden waarachter waarschijnlijk feeën of kabouters woonden. We probeerden de luiken voor de ramen te openen, maar tevergeefs. Toen we aan deuren klopten werd er niet opengedaan.

Daarna dwaalden we verder tussen en onder bomen. We kwamen erachter dat berken echt allerlei kleuren kunnen hebben, en dat hun Latijnse naam “betula” is. We zeiden het heel professioneel tegen elkaar: ‘Kijk, die betula heeft een roze bast – wie had dat ooit gedacht.’

We verloren onszelf in de tuin. De bomen werden groter. We zagen sequoia’s, die natuurlijk niet zo gigantisch waren als in de VS, maar die ons toch stil maakten terwijl we omhoog staarden naar hun toppen. We raakten bomen aan waarvan de bast als kurk aanvoelde. En we droomden – van mijn klasgenote weet ik dat natuurlijk niet zeker, maar van mezelf wel. Bomen geven me altijd het gevoel dat ze een bewustzijn hebben waardoor ze weten dat je bij ze bent – dat ze iets tegen je zeggen en dat het aan ons ligt dat we het net niet verstaan.

We kwamen in een tuin met Nieuw-Zeelandse flora en fauna, en toen ik me bedacht dat het daar nu zomer is, was ik me er weer erg van bewust dat het bij ons winter was – mijn vingers waren rood en blauw. Gelukkig waren er tropische kassen. We vluchtten er naar binnen.

De eerste kas liet woestijnplanten zien, interessant, maar niet heel boeiend. Mijn klasgenote komt uit een gebied waar ze die in tuinen hebben staan. De volgende kas had al weelderigere vegetatie. En toen kwamen we in de grootste, hoogste kas, waar tropische bomen hun bladeren tegen het glazen dak lieten groeien. We ritsten onze jassen los – mijn klasgenote propte haar muts in een zak.

Ik droomde weer – dat ik op een tropisch eiland was. Er klaterde water, koikarpers zwommen in een vijver die donkere schaduwen had door alle vegetatie. Druppels vielen op hoge bladeren, vanwege de broeiende warmte. We waren samen stil.

Daarna gingen we Cambridge in. We zagen gebouwen en ontcijferden Romeinse getallen die ons vertelden dat ze er al sinds de 14e eeuw stonden. Maar de stad was ook gewoon zondagmiddagachtig druk: we hadden moeite een plek te vinden voor de lunch, en moeite de oudheid te zien in de moderne bedrijvigheid.

Op de terugweg naar het station stapten we even opnieuw de botanische tuin in, en uiteindelijk belandden we in dezelfde tropische kas. Ik zag iets wat me de vorige keer was ontgaan: boven de vijver was een dode boomstam opgehangen. En op dat gestorven hout groeiden varens en andere planten, groeiend uit de dood.

We gingen terug naar huis, en wandelden vanaf het station een half uur in de regen. Die avond had ik moeite om in slaap te komen. Mijn gedachten waren vol van Cambridge. Toen ik wegdoezelde zag ik een beeld van mezelf. Diep in mij zag ik gif en afval. Maar uit het afval groeiden planten, weelderig, niet giftig, hopelijk anderen voedend. Ik viel met een glimlach in slaap.