Wat de kastanje ervan vond

Ik probeer voordelen te zien aan de coronacrisis. Zo was ik de afgelopen weken iedere dag in het Wantijpark. Ik heb een relatie opgebouwd met een kastanje die ik steeds passeer. Toen ik net langskwam zag ik het begin van zijn knoppen. Nu verschijnen er al bladeren.

Al die ontwikkelingen maken me blij, dus ik stop maar eens om een foto te maken van de baby’s aan de boom. Terwijl ik daar sta word ik stil genoeg om de boom te horen spreken. Er is geen stem, geloof ik, maar er is een gedachte in mijn hoofd, milder dan mijn gedachten zijn in deze tijden van onrust en onzekerheid. In mijn hart ontluikt een blad, groen en perfect, mooier dan mijn hart is. Het lijkt of er een vriend tegen me praat, een vriend die me compleet doorziet en toch van me houdt. Dat is de manier waarop de kastanje me goedemorgen wenst.

Ik wens de kastanje ook een goede morgen, of een goede dag, of een goede lente. Ik heb de indruk dat bomen niet zo bezig zijn met dagen.

‘Dat klopt wel,’ zegt de kastanje. ‘De dagen glijden in elkaar over. Alleen de stille nachten maken wij bomen bewuster mee.’

‘Maar in de lente geniet je toch hopelijk wel wat meer dan in de winter?’ vraag ik. ‘Slapen bomen niet in de winter, om krachten te sparen in de kou en het donker?’

‘O nee,’ zegt de kastanje. ‘In de winter, als onze bladeren ons verlaten hebben, zuigen we diep vanuit de grond water en kracht op voor de lente die weer komt. En als dat seizoen gearriveerd is, versnelt ons wezen. We gebruiken alles van ons en in ons om op te bloeien, om ieder blad te laten worden wat het moet zijn. Bruine vogeltjes nestelen in mijn takken, maar ik ben te druk bezig om zelfs maar jeuk van hen te krijgen. Als ik me bewust van hen word, hebben hun achterkleinkinderen al achterkleinkinderen.’

‘Jammer,’ mompel ik. ‘Musjes zijn best leuk om naar te kijken. Ik zou het wel leuk vinden als er eentje nestelde op mijn arm.’

‘Heten ze zo?’ vraagt de kastanje. ‘En zou je het echt leuk vinden?’

Ik overpeins de laatste vraag terwijl in mijn hart dat ontluikende blad groter en groener wordt en bijna pijn doet. ‘Misschien niet,’ mompel ik. Ik denk eraan dat ik graag bewegingsvrijheid heb. Zo’n nest op je arm is vast hartstikke irritant. En piepende kuikens zijn na een half uur al niet meer aangenaam om aan te horen. Ik denk dat zelfs dat groene blad in mijn hart soms onaangenaam zou worden.

‘Je zei dat je de nachten bewuster meemaakt,’ zeg ik haastig. ‘Hoezo dan?’

‘Vanwege de hemel.’ Het lijkt of kastanje plots zoet gebeurt, alsof zijn bloesem al zichtbaar is. ‘ Zeker in deze heldere dagen.’

Ik probeer wijs te knikken. ‘Ja, het is prachtig. Die mooie kleuren in de avond, en ’s nachts zoveel sterren. Je kijkt zo hoog de hemel in.’

De geur van de kastanje wordt zoeter, sterker, nadrukkelijker. ‘Nee, de hemel kijkt in ons. Dat is niet beangstigend meer als je eraan went. Het is troostend.’

Dat prachtige blad binnenin me wordt echt hinderlijk; het prikt in mijn geweten. ‘Je weet dat je niet alleen bent, bedoel je?’ kuch ik.

‘Het is zoveel meer dan dat. Ik weet dat ik gezien en doorzien ben. Voor bomen is dat niet erg, Els. Els is ook de naam van een boom, hè?’

Ik voel me niet bepaald een boom, maar dat zag ik maar even niet. Ik zeg niets.

De kastanje zegt: ‘Een boom is nooit alleen, ook overdag niet. Wist je dat? Alle bomen zijn met elkaar verbonden.’

Ik denk even dat hij een metafysische opmerking maakt, totdat ik me realiseer dat ik daar laatst wat over gelezen hebt: als een boom het zwaar heeft sturen andere bomen via hun wortels sappen naar de boom. Het gebeurt niet alleen tussen bomen van de eigen soort, maar ook tussen verschillende soorten. Dat is weer eens wat anders dan een virus overdragen.

Nederiger dan daarvoor zeg ik de kastanje gedag. Ik loop verder, om bruine vogeltjes te bewonderen, en de laatste narcissen die nog niet verlept zijn.

Het park is weer jong

Ik ga niet te veel over corona zeggen, want daar wordt al zo veel over gezegd. Maar ik werk dus thuis. En ik merk dat ik mijn collega’s (nog) meer mis dan ik had verwacht. Beweging mis ik ook.

Het probleem met de collega’s wordt geweldig opgelost: ze bellen me vaak en ik bel hen. Ik was nooit voor videobellen, maar heb het nu omhelsd: wat is het leuk om even bekende gezichten te zien als je hele dagen achter je bureau (eh, pardon: keukentafel) hangt. Net belde nog een collega die haar telefoon neerzette en heerlijk ontspannen met de handen in het hoofd en vrolijke ogen tegen me aan zat te kletsen. Ik vergeet spontaan dat ik alleen in huis ben, en dat dat nog weken gaat duren.

Eén nadeel heeft videobellen wel: ik zie ook mezelf. Ja, ik weet heus wel dat ik 47 ben. Maar ik heb het nu zo goed in de gaten. Lijnen die dwars over mijn gezicht vallen, alsof er een mes in gezet is, een vaalheid die ik niet helemaal aan de lange winter kan toeschrijven… Ik las laatst een romantisch verhaal, maar realiseer me: de tijd voor, of de kans op, romantiek is verkeken. Natuurlijk wist ik dat al, maar ik hoef het niet zo nodig écht te weten, te doorleven, te voelen in mijn darmen en in mijn steeds meer krakende lichaam, dat protesteert als ik opsta (of te lang aan die keukentafel blijf zitten).

De telefoon leg ik maar snel weg. Tijd voor de beweging. Ik heb met mijn teamleider afgesproken dat ik tussen de middag wat langer pauzeer. Dan is het een stuk fijner om even door het park te lopen dan ’s avonds, als de drukke Oranjelaan oversteken spelen met je leven is.

Het is lente aan het worden in het park. Zo lang heb ik er op gewacht! Al voordat ik het park binnenstap, zie ik dat de wilgen niet meer bruine tranen laten hangen: hun lange slierten zijn groen en fris, alsof je ermee zou kunnen touwtjespringen.

Toch ben ik nog niet dat nare bijeffect van het videobellen kwijt. Ik denk: ik zal nooit meer touwtjespringen. Ik ben echt niet meer jong. Vroeger als ik het speenkruid groen en geel zag worden, werd ik vervuld met verwachting: dan dacht ik dat dit het jaar was waarin alles anders werd, waarin de zomer niet alleen overdaad voor de natuur zou brengen, maar ook voor mij. En nu ben ik oud aan het worden en zijn er wel wonderbaarlijke dingen gebeurd, maar niet de dingen die ik het liefst wilde. Ik zie mijn gezicht weer voor me, klein onderin mijn telefoonscherm, maar groot genoeg om niet te vergeten.

Dan ben ik echt het park in en hoor ik reigers schreeuwen. Die statige vogels die gewoonlijk onverschillig langs het water staan, vliegen nu naar nesten hoog in bomen en kwetteren alsof ze mijn collega’s zijn. Ik zie een enorme boomtak die over het water ligt en weet dat ik daar vroeger overheen gelopen zou willen hebben. Ik wil het nu eigenlijk ook. De zon schijnt op mijn niet meer zo jonge huid, maar toch is alles mogelijk. Ik word pas weer volwassen als er iemand kucht. Het geluid dat ik anders niet eens bewust zou horen, roept nu allerlei associaties op.

Ik dwaal door het park. Je kunt er niet snel doorheen lopen, want alle paadjes zijn krom. Bij de boom die zo ver naar een vijver overhelt dat een tak het water raakt, bouwt een meerkoet een nest. De narcissen verwelken al, maar allerlei bomen bloeien op. Bij een kastanje waar ik gisteren knoppen zag, zie ik nu een groen blad. Het park is weer jong. Ik voel me ook jonger.

Als ik het park uit ben, loop ik nog een stukje langs het water. Dan draai ik om, want er moet nog wel gewerkt worden. Onderweg zoekt een collega contact. We gaan weer videobellen, maar ik kijk vooral naar haar. Wat leuk dat ze belt. En ze zegt: ‘Lekker, dat je buiten bent. Straks heb je zeker een nieuwe blog?’ Ik glimlach. Wat leuk dat ze me zo goed kent. En zolang ik schrijf, word ik nooit helemaal oud.

Krassend en krakend de lente in

Woensdagavond ga ik altijd naar Japanse les. Als ik deze keer op weg ga, voel ik me licht gedesoriënteerd. Iets is er veranderd, maar wat?

Licht – het is nog licht. De afgelopen maanden stapte ik agressieve duisternis in als op weg ging naar mijn les. Nu schijnt het licht over het water van het Wantij alsof het dat altijd doet. En het is niet koud – dat is ook anders.

Ik loop langs het laatste stukje van de Wantijkade, waar een rivieraak aangemeerd ligt. Ik hoor iets kraken – het klinkt alsof de touwen waarmee het schip ligt vastgesnoerd protesteren, of dat het schip zelf wil vluchten, richting nog meer warmte.

Verderop hoor ik een schreeuw. ‘Els!’ denk ik dat ik hoor, uit een hoge keel. Onwillekeurig kijk ik om me heen, maar nergens zwaait iemand naar me. Het moet een meeuw zijn geweest die me wilde attenderen op wat ik al ruik: de winter lijkt eindelijk voorbij te zijn gegaan.

Bij restaurant Down Town moet ik altijd even nadenken: als ik naar de bieb ga, ga ik rechts, nog even langs het water, maar het is woensdag, Japanse les, dus ik ga rechtdoor, de Rietdijk in. Ik ben nog steeds verward door al het licht. De hoge huizen, de gevels, de kleine raampjes, de details die overal anders zijn… ze dringen zich aan me op alsof ik ze voor het eerst zie.

Oversteken naar de Voorstraat is hetzelfde als altijd: auto’s doen alsof je niet op een zebrapad loopt, flanerende mensen doen alsof jij geen ruimte nodig hebt op de stoep. Maar het is drukker dan anders op straat: een beetje licht en iedereen die al maanden jankt in het donker ontvlucht het haastig. Fietsers bellen naar mensen die in de weg lopen; bij een café hangen meer mensen buiten om sigaretten te roken. Een stel komt arm in arm voorbij.

Iedere woensdag wordt in het centrum papier opgehaald, met grote vrachtwagens. Maar ditmaal staat er vlak bij de Wereldwinkel een heel klein wagentje bij een grote stapel karton en dozen. ‘Goedenavond, meisje,’ zegt de man die plastic zakken (geen papier) in zijn wagen gooit.

Meisje? Onwillekeurig draai ik me naar de man om. Hij heeft een witte baard en een bruine huid. Hij doet me denken aan een bekende van me die Hindoestaans bloed heeft én aan een andere bekende, die Moluks is. Hij kijkt me aan alsof hij me kent. Misschien een oud-cliënt van De Hoop? Er zijn er te veel die ik wel van gezicht ken maar niet van naam.

‘Kennen we elkaar?’ vraag ik voorzichtig.

‘Ik woon aan de Noordendijk,’ zegt hij, alsof dat alles verklaart. Ik loop er vaak, maar ik ken hem echt niet. Ik praat maar haastig verder over het feit dat hij nog laat aan het werk is. Hij is er fatalistisch onder: ‘Tja, er is veel werk.’ Ik wens hem succes en loop door. ‘Dag meisje, ’ roept hij.

Verderop zitten meer cafés bij elkaar. Er loopt opeens iemand achter me wiens pas onregelmatig klinkt, alsof hij te veel heeft gedronken. De persoon loopt precies even snel als ik. Mijn hart begint wat onregelmatig te lopen. Is deze persoon echt dronken? Dronken mensen zijn onvoorspelbaar. Even bid ik.

Dan ben ik afgeleid. Ik zie bij de winkel van het Leger des Heils een aanplakbiljet in de strekking dat je geen shopaholic bent, maar winkelt om het Leger te steunen. Omdat ik een echte shopaholic ken stop ik onmiddellijk om dit te fotograferen – fijn dat het er nog licht genoeg voor is.

Als ik doorloop realiseer ik me dat de dronken persoon nu voor me loopt. Het was een geniale oplossing om even te stoppen. Jammer dat ik dat niet bewust bedacht heb. Het blijkt een vrouw te zijn, en ze ziet er totaal niet dronken uit. Ze loopt alleen wat vreemd.

Wat later ben ik bij mijn les. Het wordt donker en we spreken Japans. ‘Het wordt donker’ is in het Japanse trouwens: Kuraku narimas. Als ik terug naar huis loop zie ik alleen nog de ondernemers die nog lang in hun gesloten winkels hebben gewerkt, de hangjeugd, en late bezoekers van restaurants, die verveeld het duister in kijken.

Regen

Photo by Noah Silliman on Unsplash

Afgelopen weekend ging ik naar een conferentie, ver weg in Amerongen. Op de heenweg kreeg ik een lift – maar pas vanaf Rotterdam. Uit Dordrecht is het gelukkig slechts een klein stukje met het openbaar vervoer. Alleen jammer van die agressieve regen die toen ik nog binnen was al bonkend tegen de ruiten mijn aandacht opeiste.

De regen sneerde over mijn winterjas toen ik ’s middags naar het station liep. Waar hij niet door de jas heen kon dringen stuurde hij kou, die tot voorbij mijn huid kwam en mijn botten liet rammelen. Op Rotterdam Blaak stapte ik over op de metro. Na een kort ritje wachtte ik – droog – in een gang van station Rotterdam Coolhaven. De regen stuurde nu wind, die aan mijn natte jas schudde.

Toen mijn lift arriveerde, kon ik die niet gelijk vinden. “Een witte auto” was een te vage term in de natte schemering. Ik stak brede straten over, stapte in diepe plassen, ontweek fietsers en vond uiteindelijk de auto. De jongen achter het stuur (nou ja, jongen: hij was dertig, maar hij leek jong) was gelukkig opmerkzaam. ‘Volgens mij heb jij het koud,’ zei hij en hij gooide de verwarming zo hoog dat hij bijna wegsmolt. Ik bleef bibberen.

 Dat bibberen had misschien ook iets te maken met de rit. De jongen was een goede chauffeur, maar de regen was inmiddels woedend. Hij spoelde de merktekens van de snelweg weg en gooide regenachtige spoken van vrachtwagens. Iedere keer als zo’n witte gedaante zich op onze auto stortte, leken de regenwissers weggewist te worden.

De goede chauffeur was niet zo goed in navigatie. Af en toe zei ik ‘Moeten wij er hier niet af?’ en dan zei hij ‘O ja,’ en vlogen we over rijbanen. Ik hield het aantal minuten in de gaten dat overbleef om op tijd te komen. Het werd krap. Pijnlijk voor een chronische vroege-arriveerder. Gelukkig had ik nog net op tijd de afslag Doorn in de gaten. We verlieten de snelweg voor verstikkende duisternis, waar op de bosweg achter donkere bomen nog meer donkerte was.

Vier minuten voor tijd arriveerden we. De chauffeur verdween gelijk naar zijn kamer. Een vrouw die ik niet kende zei ‘Hallo Els’ voordat ik mijn naam zei. Een paar minuten later zat ik in een conferentie waar ik bijna niemand kende, maar waar ik me bijzonder snel thuis voelde.

De volgende dag volgde ik een workshop. Ik zat aan een lange tafel, met uitzicht op een binnentuin. De regen had het even opgegeven: de zon scheen – zwakjes. De workshop was interessant, maar toch was ik afgeleid. Ik realiseerde me dat in de binnentuin ook een workshop, of een groepsgesprek, gaande was. Bomen waren er bij elkaar gekomen, voor een ernstige samenspraak.

Ik hoorde ze niet spreken met woorden, maar ik wist wat het gesprekonderwerp was: de regen, die hen zo lang alleen had gelaten, die hen kaal en dorstig had gemaakt in de afgelopen onbarmhartig zonnige jaren. De regen die hen nu maar niet verliet, die hun wortels liet wenen in de grond – nee, die zo overvloedig was dat zelfs de grond huilde.

De hoge, oude berk (aan berken kun je niet goed zien dat ze oud zijn, maar ik wist het toch), klaagde het hardst. Hij liet zijn kale takken zakken. ‘Natuurlijk hebben we regen nodig,’ zei hij, zonder woorden, maar sprekend zoals berken en beuken en soms eiken dat doen. ‘Na droogte verwelkomen we hem. En als het niet droog is, verwelkomen we toch zijn overvloed. Maar nu… het is moeilijk dankbaar of geduldig te zijn als hij zich zo opdringt, als hij geen enkele maat meer houdt.’

Onwillekeurig knikte ik. Ik dacht aan liefde die ons onthouden wordt. Dat doet pijn. Maar liefde die zich opdringt, liefde die maar blijft geven aan iemand die niet wil ontvangen, of die alleen wil geven zoals de liefde denkt dat het moet, dat… voelt als kille regen.

De conferentie ging door. Zondag ging ik met zon naar huis. Maandag werd mijn jas weer doorweekt met hemeltranen. Hij was nog niet eens droog toen ik hem ’s middags opnieuw aantrok. Onderweg naar huis zuchtte ik om nieuwe regen, maar glimlachte ik om heldere narcissen. Het wordt in ieder geval warmer. Denk ik.

De Schaduw

Photo by Steve Halama on Unsplash

Een donderdag in februari. Ik wil me deze vrije dag een keurig christen wanen: ik interview twee mensen uit de kerk. Maar als ik ’s morgens op de fiets zit voor interview één striemt de regen me. In mijn hoofd klinken woorden die daar niet horen. Helaas moet ik van mijn noordelijke Dordtse kade helemaal naar het zuiden, waar de stad eindigt in weilanden. Ik keer zonder regen terug, maar tegen de tijd dat mijn tweede gesprek nadert, grinniken harde druppels tegen mijn ruiten.

Ik trek mijn jas aan die na een halve dag bij de radiator nog steeds wat vochtig is. Ik schiet in mijn schoenen, stroef omdat ook zij niet helemaal droog zijn. Naar buiten. Ik stap over diepe plassen. De regen begint wat af te nemen. Niettemin trek ik mijn capuchon diep over mijn hoofd.

Bij een bruggetje over de haven waar het schip Vertrouwen ligt, komt een fietser me tegemoet. Ik wacht even tot hij voorbij is. Voor de zekerheid draai ik me om: zijn er fietsers uit mijn richting die voorrang willen op het smalle bruggetje? Maar ik zie alleen de fietser op wie ik heb gewacht. Ik kijk hem in het donker na. Of ik houd hem in de gaten. Die gedachte verandert mijn stemming. Opeens ben ik in een film noir. De kade is van de Seine – of van de Theems: de regendruppels op de stenen zijn de uiteenspattende tranen van een heldin, of het geluid van een naderende vijand.

Ik loop door. De waterbus naar Papendrecht schommelt in bozige golven. De lantaarnpalen die hem nog net zichtbaar maken in het duister schijnen wantrouwend: ze houden het licht zo dicht mogelijk bij zich, zodat alleen de waterbus zichtbaar is. Ik denk aan de Schaduw, de hoofdpersoon uit oude boekjes van Havank. De kaften waren van Dick Bruna, zodat je dacht dat de Franse detective een soort Nijntje in vermomming was, maar de boeken waren spannend. De detective zag altijd meer dan een gewoon mens.

Ik zie ook steeds meer. Ik loop de stad in en ben een detective. Dat stel dat mijn kant uitloopt fluistert zacht over snode plannen. Soms loer ik opzij. Het is jammer dat het met een capuchon op best lastig is om de boel in de gaten te houden.

Aan het begin van de Wijnstraat zie ik achter een verlichte ruit een vrouw in pyjama zitten. Het beeld is nu niet gewoon gênant – het is verdacht, al ziet de pyjama eruit als een herenpyjama van dertig jaar terug. Wat verderop naderen twee zwarte gedaantes me over de smalle stoep. Ik steek over. Boven de kerk is de lucht vaal van lichtvervuiling, grauw van wantrouwen. Ik zie trouwens dat bij die kerk op de eerste verdieping licht brandt, is hel als van een tl-balk. Welke boeven maken daar plannen? Zijn er valsemunters bezig?

Dan kijk ik een etalage in, of eigenlijk de hele winkel, die gesloten is maar baadt in een zacht licht. Er staan globes en allerlei oude instrumenten. Plots denk ik aan Dombey & Son, mijn favoriete roman van Charles Dickens. Het huis van Solomon Gills, een instrumentenmaker, wordt aan het einde van het verhaal tijdelijk het veilige thuis voor Florence, een van de hoofdpersonen, als haar vader haar hun huis heeft uitgejaagd. Ik denk aan iets dat ik las op Facebook: “Als je je verlaten voelt, is je thuis als het huis van een onbekende.” Ik voel me niet meer de Schaduw. Ik voel eerder een verlangen om in dat huis van Solomon Gills te zijn.

Ik probeer mijn Schaduwstemming nog terug te krijgen. Als ik langs de coffeeshop loop, kan ik vast wel wat verdachte figuren spotten. Maar net er voorbij zie ik een auto met de belettering van De Hoop, mijn werkgever. Ik tuur om te zien wie de bestuurder is. Ik herken haar niet, maar zij zwaait naar me. Knap dat ze me herkent terwijl ik mijn capuchon op heb. Wie ze ook is, ze is een betere detective dan ik.

Even later ben ik op mijn bestemming. Ik krijg een lachende baby in mijn armen gedrukt. De wereld is weer solide.

‘Ik heet niet Ciara!’

Photo by Tom Barrett on Unsplash

Zondag. Mijn badkamer. De wind loeit naar binnen door de leiding waardoor gewoonlijk de stoom naar buiten gaat. Als de wind oren had, zou ik denken dat bij de wind de stoom uit de oren kwam.

‘Ik heet niet Ciara,’ schreeuwt de wind.

Ik trek de tandenborstel uit mijn mond, maar de wind is me voor:

‘En ook niet Sabine, ongeacht wat de Duitsers en Zwitsers vinden!’

‘In Noorwegen heet je Elsa,’ zeg ik, als ik mijn tandpasta heb uitgespuugd. ‘Mooie naam.’

‘Nee!’ schreeuwt de wind.

‘Let it go,’ gaap ik.

Maar de wind is niet goed in loslaten. De wind stompt tegen mijn schouder terwijl ik naar de kerk loop. De wind blaast in mijn gezicht als ik een hoek omga, alsof de wind nog steeds chagrijnig is over mijn achteloosheid over de naam die de wind heeft – of niet heeft.

In de kerk hoor ik de wind niet. Geen geloei langs hoge ramen, geen tocht onder de deur. Ik probeer me te richten op de wind van de Geest. Alleen tijdens de collecte kijk ik even op mijn telefoon. Geen nieuwe berichten gelukkig. Gisteren wezen verschillende mensen mij erop dat ik eens met ‘mijn vriend de wind’ moest praten over de storm die verwacht werd. Is de wind echt mijn vriend, vraag ik mij op mijn kerkbankje af.

De vraag laat mij niet los als ik weer buiten sta. Ik loop naar de rivier. Het water dat anders blauw lijkt is vandaag bruingrijs, zo ongeveer als mijn humeur. Aan de overzijde staan twee hoge kranen, aan elkaar vastgemaakt alsof ze steun bij elkaar zoeken. Bij wie zoek ik steun? Dat is zo’n vraag die ik mezelf soms rustig stel, en die soms al mijn emoties door elkaar blaast.

Ik maak een klein rondje, voordat volgens de verwachtingen de wind gevaarlijk wordt. Ik ga tegen de wind in, op een weg waar recent gewerkt is: zand snijdt in mijn huid; ik knijp mijn ogen half dicht. Ik hel voorover om niet achterover te waaien.

Een kwartiertje later kom ik terug langs dezelfde weg. Ik voel heel af en toe een vage rukwind, alsof de wind nog steeds klaagt over de namen die aan de wind zijn gegeven. Maar ik voel geen steuntje in de rug. Waarom merken we tegenwind meer dan wind mee?

De wind geeft geen antwoord. Daar heeft de wind het veel te druk voor (of de wind is nog steeds chagrijnig). Op plekken waar gebouwen de wind storen in een vrije gang de wereld over, dwarrelt de wind rond alsof de wind probeert tornado’s aan te blazen. Bladeren dansen, lege bierblikjes rollen mee, met zo veel kabaal dat het me niet onwaarschijnlijk lijkt dat over een tijdje de wind er zelfs in zal slagen om dronkenmannen van straat te laten rollen.

Ik wacht dat moment niet af – ik ga naar huis. Eigenlijk zou ik liever buiten blijven. De wind weet dat: de wind ratelt aan mijn ramen, spuugt hagel tegen de ruiten, schreeuwt naar me om te komen spelen. Maar ze zeggen dat het echt gevaarlijk is.

‘Kom nou,’ schreeuwt de wind. ‘Kom nou! Ik heb geen naam, maar ik ben er altijd. Ik zal je omhelzen, we gaan samen boos zijn. Houd er nou eens mee op om verstandig te zijn! Toe!’

Ik lees een boek. Ik leer een nieuwe “kanji”: het Chinese teken dat de Japanners gebruiken om het woord “eindigen” te schrijven. Het is een van de moeilijkste kanji die ik tot nu toe heb geleerd, maar het gaat me verrassend gemakkelijk af. Geen idee waarom ik onvoldaan naar bed ga. Geen idee waarom ik niet gemakkelijk slaap. Zou het zijn omdat de wind van zuid naar west is geschoven en niet meer tegen mijn raam slaat?

Maandag. De wind is terug: hagel tegen de ramen. Zucht. Niet handig  vlak voordat ik naar het werk ga. Maar ik ben bijna blij. De wind is in mijn rug terwijl ik wandel, maar blaast soms loeiend door kale bomen, om stoer te doen. En als ik een afslag neem en de wind vol in mijn gezicht slaat, blaast de wind tegelijk een wolk weg zodat ik even, heel even, de volle maan zie, die stil en rustig is. Ik glimlach.

Eindelijk storm?

Photo by Pieter De Malsche on Unsplash

Een trouwe meelezer van deze blogs sprak me vandaag aan via Facebook. ‘Het is hier wel weer onrustig met al die wind,’ schreef ze. ‘Gisteravond ging het flink tekeer 😱, toen heb ik zelfs de rolgordijnen dicht gedaan om het enigszins uit te sluiten. Dus als je de wind soms spreekt 🙄?’ De wind sprak zeker. En ik dácht dat ik dat wel leuk vond.

Een paar maanden geleden waren er nieuwsberichten over: de wind hield zich zo rustig. In de herfst bleven de bladeren maar aan de bomen hangen. Geen storm die ze er vanaf zwiepte. En de winter – zover je van een winter kunt spreken – is grauw en regenachtig en zo saai dat de wind niet eens de moeite neemt om te gapen.

Behalve de laatste dagen! De wind beukte een welkom toen ik gisteren buiten stapte, zowel ’s morgens als ’s middags. Er was op de terugweg uit mijn werk zelfs een moment dat de wind me bijna onderuit schoffelde op de Noordendijk. Het lukte de wind net niet. Misschien was dat de reden dat afgelopen nacht de wind langs mijn raam jankte, op zoek naar een plek om binnen te komen.

Ik ben niet opgestaan om een raam te openen. Ik vind de wind leuk, maar de wind heeft wel de neiging om mijn huis totaal over te nemen als de wind de kans krijgt. Vanmorgen lees ik, behaaglijk in bed, een beschrijving over een onweersstorm. Heerlijk om me voor te stellen, maar fijn om er niet in te zitten – of te liggen.

Ik had kunnen weten dat de wind niet geamuseerd zou zijn over mijn houding. Zodra ik buiten stap, weer op weg naar het werk, zoemt de wind langs mij heen. Het is niet koud genoeg om te laten huiveren, maar ik heb de indruk dat het om mij heen wel duisterder wordt. Wolken pakken zich samen en krijgen kracht: ze drukken tegen mijn huid alsof ze me willen laten krimpen. Onzin natuurlijk, houd ik mij – bijna overtuigd – haastig voor.

Op weg naar het werk. Bij de enige kruising waar ik moet wachten op groen licht, slaan vrachtwagens af die heipalen vervoeren. Hun ladingen wijken zo uit dat ik dankbaar ben dat het vroeg is en ze niet per ongelijk tegen ander verkeer rijden. In mijn gedachten gaat het helemaal mis: de heipalen schieten los en de eerste mist me nog maar net. De tweede valt, eindeloos langzaam, ook van de vrachtwagen. En ik ben te laat: ik wil wegstappen, struikel, val – de paal verplettert me. Er blijven niet eens kruimels van me over.

Haastig steek ik over – haastig loop ik verder. De wind jankt langs me heen, schudt aan de hoge populieren op de Noordendijk en laat al hun takken bibberen. In mij bibbert ook iets. Ik denk aan de vulkaan op de Filipijnen waar ik gisteren zoveel beelden van zag. Een bruidspaar in een tuin, hand in hand bij de voorganger, met achter hen alsmaar hoger oprijzende zwarte wolken. Kolkende lavastromen, wolken waar de bliksem in rondgaat  – apocalyptische beelden. Ik bibber harder, van een kou in mezelf.

De vulkaan heet Taal en in mijn eigen taal verzint mijn hoofd een vulkaan in Dordrecht. Krakend breekt het asfalt van de dijk open: hier ontstaat de krater. Onder mijn voeten stroomt de lava, die een berg omhoog zal stuwen, waaruit as en hitte gebraakt gaan worden. En voordat de wind zelfs maar de kans heeft om mijn fantasie aan te blazen, zie  ik nog meer beelden: die bus in China die op het punt staat weg te rijden en dan in een sinkhole verdwijnt. De aarde die zich gewoon opent en alles verslindt. Mensen schieten te hulp, maar de aarde opent zich verder en zij verdwijnen ook. Geen kans op redding: onmiddellijk erna volgt een explosie.

De wind jankt nog steeds. Het geluid vermengt zich met het geluid van de auto’s op de snelweg die boven mijn hoofd op het viaduct voorbij gaan. Ik hoor het geluid van botsingen die er niet zijn.

Even vraag ik me af of ik te veel koffie op heb. Maar ik heb nog helemaal niets gedronken. Er is niet eens een storm, behalve dan in mijn hoofd. Het waait alleen een beetje. En dat wordt al minder. Heus…

Een ster in de ruit

Photo by Ivan Vranić on Unsplash

Het is weer die tijd van het jaar. Er hangen sterren voor de ramen, sterren van papier, met lichtjes erin. Vanavond gaan er duizenden kaarsjes aan. Overal wordt over Kerst gezongen, door zangers die we ieder jaar eindeloos opnieuw horen, of door engelenkoren die net iets te menselijk klinken. Ik trek dezelfde conclusie die ik in vele voorgaande jaren trok: Kerst is zoet.

Dat is niet altijd zo geweest. Het christendom heeft militantere tijden gekend. En dan denk ik niet aan liederen als “Onwards Christian Soldiers.” Ik bedoel dat we uit naam van God joden vervolgd hebben die we verantwoordelijk hielden voor de kruisiging van Christus. We hebben “wilden” gedwongen bekeerd en ze gedood als ze niet wilden. De excessen zijn nooit helemaal verdwenen. Sommige hongerende vluchtelingen schijnen nog steeds te horen: ‘We zullen je te eten geven, maar pas nadat jij…’ De boodschap die christenen voor de wereld hebben is te mooi om hem op een dergelijke manier over te brengen.

Maar Kerst is ook niet wat het nu lijkt te zijn: opgelegde gezelligheid en een kans om je mooiste kleren aan te trekken. Kerst gaat over Jezus Christus, over God die in de vorm van een kind naar de aarde komt. Een kind? Dat is nog niet duidelijk genoeg: Hij komt als een zuigeling, als een wezentje dat niets kan, dat voor alles afhankelijk is van de mensen om Hem heen. Hij durfde dat blijkbaar aan, om net zo kwetsbaar te worden als wij. Hij heeft ons begin zo gemaakt, en Hij heeft er vast een reden voor.

God weet wat het is om kwetsbaar te zijn, en Hij weet wat het is om gekwetst te worden. Na Kerst volgt Pasen. De mensen voor wie Hij gekomen is kruisigen Hem. Jammer dat al die kruisbeelden aan muren niet bewegen, dat ze nooit helemaal kunnen tonen hoe zijn gemartelde lichaam daar wanhopig heen en weer geschuurd heeft, hoe Hij zijn hoofd heeft geheven, geschreeuwd heeft naar de hemel. Uit liefde voor ons. Laatst ervaarde die liefde een paar secondes lang. Mijn hart barstte bijna. Ik snap nu dat je pas helemaal bij God kunt zijn als je dood bent. Je lichaam kan zijn liefde niet verdragen. Daar is het te kwetsbaar voor.

Maar goed, we zijn nog niet dood. Wat gaan we tot die tijd doen met Kerst? Die ster voor de ruit is een te bescheiden signaal van de komst van God. Het wordt tijd voor een ster ín de ruit. Laten we maar weer militant worden. Niet militant met haat of dwang, maar met overtuiging. We mogen de barricaden op en onze overtuigingen tonen. We mogen laten zien hoe overstelpend de liefde is die God voor ons heeft. Hij heeft zich geofferd aan het kruis zodat iedereen die dat wil bij Hem kan komen.

Gaan we de barricaden echt op? Ik weet het niet. De christenen in het westen lijken te bang om te wijzen naar een mystieke God die met ons verstand onmogelijk compleet te verklaren is. Te bang om uitgelachen te worden? Als ik voor mezelf spreek: ik ben dat vaak wel. We leven in een wereld waar gevoelens leidend zijn, maar waarin je niet wordt verondersteld te zeggen dat de jouwe meer kloppen dan die van een ander. Er zijn ook momenten dat ik zwijg omdat ik schrik van de militantheid van anderen, van broeders en zusters die niet over liefde spreken, maar over hel en verdoemenis. Zij verheugen zich op het oordeel dat volgens hen iedereen wacht die niet precies doet wat in hun ogen juist is.

En toch is mijn goede voornemen voor 2020 om vaker maar eens een steen over de barricade te gooien. Het kan geen kwaad. Ik denk dat God het toejuicht als we een steen gooien in een hart dat bevroren lijkt, maar waar dan een barst in het ijs verschijnt, een opening naar het water eronder – naar de opgesloten ziel. Als we een wond hebben, merken we dat er een God is die de pijn wil aanraken en transformeren. Echt. Probeer het eens.

De schone schijn van een mandarijn

Photo by Robin Kumar Biswal from Pexels

De mandarijn giechelt als ik hem oppak. ‘Je bent erg vrij met me.’ Ik zucht. Ik heb altijd gedacht dat mandarijnen meisjes waren. Sinds ik recent hoorde dat ze mannelijk zijn, heeft het gegiechel een andere lading gekregen.

‘Ga je mij uitkleden?’ De stem van de mandarijn wordt zwoeler. ‘Zal ik je helpen?’

Ik zucht opnieuw. ‘Ik ga je afpellen. En mandarijnen kunnen niet praten.’

Weer dat gegiechel. De falsetstem doet zeer aan mijn zenuwen. ‘Echt niet?’ vraagt de mandarijn. ‘Ook niet als ik iets liefs in je oor fluister?’

Ik zet mijn nagel in zijn huid en peuter zijn schil een stukje los.

Het gegiechel gaat door. ‘Je bent zo ondeugend. Wil je meer van me zien?’

‘Ik ga je opeten,’ zeg ik. ‘Straks blijft alleen je vel over. Je schil, bedoel ik.’

De mandarijn zegt niets, maar het lijkt of hij zich dichter tegen mijn hand aan drukt. Er zijn momenten dat ik wens dat ik een hoofd had dat geen mandarijnen, kippen of bomen hoort praten. ‘Ik vind het fijn dat je me opeet,’ zegt hij. Zijn stem klinkt opeens minder hoog.

‘Fijn?!’ De mijne wordt juist wel hoog.

De mandarijn nestelt zich alsmaar warmer in mijn hand. ‘Mijn schil is slechts schone schijn, weet je.’

‘Helemaal niet. Je schil is wat je nodig hebt om te overleven.’ Ik weet niet waarom ik mijn stem nog steeds hoog is. En waarom ik die stomme mandarijn in de prullenbak wil gooien.

‘Mijn echte ik zit onder de schil.’ De mandarijn fluistert, maar hij klinkt niet dubieus meer. Hij klinkt walgelijk oprecht.

‘Ik hoop niet dat we nu een verhaal krijgen over ruwe bolster, blanke pit en meer van dat fraais. Dat zijn allemaal clichés.’ Mijn stem blijft hoog.

‘Geen ruwe bolster,’ zegt de mandarijn, die een beetje wiebelt, zodat zijn schil vanzelf los komt. ‘Want ik ben niet sterk. Zwak zijn is ook mooi.’

‘Nee,’ zeg ik.

‘O jawel.’ Het schilletje gaat nog iets verder open. Ik zou willen schrijven dat de mandarijn een striptease voor me opvoert. Zou een grappig verhaal kunnen zijn. Maar ik zie de witte draadjes op het oranje vlees en heb het gevoel dat ik naar kloppende aders kijk.

Met één vinger probeer ik de open huid dicht te schuiven, maar de mandarijn staat het niet toe. Overal in zijn vel – schil – kraken barsten. Zijn vel – schil! schil! – valt van hem af. Ik houd het kloppende hart van de mandarijn vast.

Onzin natuurlijk: er is geen kloppend hart. Ik zie geen aderen. Ik heb een mandarijn beet, verdraaid! Ik moet het alleen zelf geloven.

‘Eet me maar,’ nodigt de mandarijn uit.

Ik leg hem neer. ‘Geen trek meer. Sorry.’

‘Zou je me na afloop missen?’ De stem van de mandarijn is nu een warm briesje na een zomeronweer; ik voel de laatste druppels van de bui op mijn wangen.

‘Ik ben geen kannibaal,’ mopper ik. En als de mandarijn weer wat zegt, leg ik hem op de fruitschaal en vergeet ik mezelf in een boek over verdwenen familieleden en paarden die maar net een moord voorkomen. Dat laatste klinkt onnozel, maar dat doet er nu even niet toe.

Wat er toe doet is dat ik uiteindelijk weer bij de mandarijn sta. Hij ligt nog steeds klaar, zonder schone schijn, zonder ruwe bolster, helemaal zoals hij is. Hij schaamt zich niet. Ik deel hem rap in partjes en probeer te vergeten dat de mandarijn een hij en hem is geworden; ik wil me niet herinneren dat hij tegen me praatte.

De partjes breken in mijn mond; het zoete, scherpe vocht ketst tegen mijn gehemelte. Het doet bijna zeer, zoals tranen als je echt van streek bent. Vitaminen komen naar me toe, water dat mijn lichaam nodig heeft, vezels voor mijn darmen. Ik word versterkt, omdat de mandarijn het niet erg vindt om zich te geven.

En ik weet wel dat hij vraagt of ik mezelf ook durf te geven. Ik hoor de stem niet meer, maar de zachte aansporing is er nog: dat ik mijn schilletje afleg, of barstjes in mijn huid durf toe te staan. Ik zal er anderen mee voeden. Maar in mij vraagt mijn eigen stem nog steeds wat er gebeurt met degene die voedt.

Nooit begrepen

De training over leertechnieken

Ik zit al zo’n acht jaar in het thuisfrontteam van Nick en Marleen, zendelingen in Zuid-Afrika. In oktober ging ik een paar weken bij ze op bezoek. Prompt vroeg ik me af of ik ooit echt had begrepen wat zij allemaal doen.

Ik arriveer in Pretoria op 30 september. De dag erna ga ik met Marleen op pad. Ze geeft op de trainingsbasis van Operatie Mobilisatie les over “storytelling”. Marleen legt deelnemers van de MDT (Mission Discipelship Traing) uit hoe je een Bijbelverhaal aan kinderen kunt overbrengen. Dat het Bijbelverhaal niet wordt aangepast, vindt ze belangrijk. Als de leerlingen aan het eind van de les verhalen vertellen aan de “kinderen” (medeleerlingen) en er hard wordt gelachen om een nogal dramatische versie van de val van Jericho, zegt ze: ‘Het is niet de bedoeling dat je iets toevoegt aan het Bijbelverhaal. Het gaat niet om entertainment.’ Zo had ik het nog nooit bekeken.

De volgende dag bezoeken we Meetse a Bopbelo. Onderweg naar de township Mamelodi worden de straten armoediger. Soms zien de huizen er heel normaal uit; soms zijn het hutjes van tin. Meetse a Bophelo biedt vier dagen per week naschoolse opvang aan kinderen die extra aandacht nodig hebben. Na schooltijd stroomt het snel vol. Schoenen worden uitgetrapt, handen gewassen; het is tijd om te voetballen. Een paar meisjes spelen met de jackrussellterriër Easy. Na het eten wordt er gebeden en gezongen. Het zingen wordt dansen, met geweldige overgave. Daarna is het tijd om de kinderen in kleinere groepen te helpen bij hun huiswerk. Marleen helpt mee. Nick pakt de auto om voedsel op te halen dat supermarkten doneren aan Meetse.

Als we teruggaan naar Pretoria is het al donker. Mensen lopen langs de weg en steken onverwacht over. Er is geen straatverlichting; ik vind het een wonder dat er niet constant ongelukken gebeuren. Nick vertelt intussen dat hij het eten ophaalt echt als zijn bediening ziet. De kinderen krijgen iedere dag bij Meetse a Bophelo een maaltijd en op donderdag krijgen ze ook eten mee voor thuis. Dan worden ze ook thuis afgezet, omdat de tas zo zwaar is (en het misschien niet veilig is om er mee over straat te lopen).

De volgende dag valt het me op hoeveel Nick allemaal doet. We zijn op The Link, het gebouw van OM Africa. Ik hoor verhalen over wat voor kosten Nick bespaart door dingen zelf uit te voeren. Waar vroeger een aannemer kwam, huurt hij een steiger en vervangt lampen die zo hoog hangen dat niemand durft toe te kijken.

We hebben deze ochtend een gebedsbijeenkomst waarbij voor allerlei aandachtsgebieden wordt gebeden, zoals een medewerkster in Irak en twee vermisten in Nepal. Marleen houdt een presentatie over haar werk. Ze vertelt over de reizen van de laatste tijd: bijvoorbeeld naar Tanzania om leesonderwijs te geven. Ze vertelt over Jacqueline die in Namibië kinderwerk opzet en die wordt begeleid door Marleen. Jacqueline zorgt voor kinderen van illegale immigranten, die door hun ouders vaak slecht worden behandeld door de stress waaronder die staan.

We horen dat de meeste christenen als kind de keuze voor Christus maken. Des te belangrijker dus om kinderen te bereiken! Zoals Marleen zegt: ‘Het gaat niet alleen om een programma, het gaat om aandacht voor kinderen.’ Ze vertelt ook dat de Lees Vakantie Club die zeheeft ontwikkeld steeds verder wordt verspreid. Er zijn nu zelfs mensen die het in het Frans willen vertalen. Aan het eind wordt er gebeden voor Marleen en haar team.

Na de lunch doe ik mee aan een training van Marleen over het overbrengen van leertechnieken. We spelen onder andere met duplo. Er wordt veel gelachen: als ik iets niet verwacht had, was het wel dat ik in Afrika terug zou gaan naar mijn kindertijd! Het lachen vergaat ons een paar dagen later als bekend wordt dat een van de vermisten in Nepal dood gevonden is, en uit Dordrecht kwam. Zo kwetsbaar kan het zijn om zendeling te zijn.

Na die eerste week volgen er nog twee weken, zo veel indrukken dat het te ver voert om alle details hier op te schrijven. Eén ding is duidelijk: ik weet nu beter dan ooit hoe belangrijk het werk van Marleen en Nick is.