Eerste licht en wietlucht

Een collega heeft me uitgenodigd een ochtend bij haar te komen werken. Dus loop ik in het eerste licht door Dordrecht. Eind februari, iets meer dan een week na ijs en sneeuw, twijfelde ik voor het weggaan of ik mijn winterjas nodig had. Ik droom van licht met warmte erin.

Maar het is nog maar kwart over zeven – het is niet meer donker, maar het echte licht verbergt zich onder de horizon. Ik peins over mijn route. Ik loop graag door parken, maar schat in dat het Merwestein Park nog dicht is: het gaat na zonsondergang tot aan zonsopkomst op slot. Maar de poort is open (de sleutel is niet gebroken). Ik glip door de poort en geniet.

Wat is dat toch met het eerste licht, of met parken? De wereld lijkt nieuw gemaakt, het licht is het eerste licht van de eerste dag. Ik tuur naar bomen langs een donker watertje en het voelt alsof ik mijn ogen moet scherpstellen, of eigenlijk alsof de bomen nog scherp moeten worden, alsof ze nog niet helemaal te voorschijn zijn gekomen uit het Eden waar ze ’s nachts gemaakt zijn, of waar ze zich terugtrekken als de duisternis over de aarde ligt.

En dan ruik ik wiet. De wereld is door de verdovende lucht gelijk normaal. Want wie is er aan het roken – en waar? Ik zie nog niemand.

Ah – daar, bij een bankje. Donker haar, een slungelige gestalte, wat gebogen, zodat ik niet weet of er een tiener staat of iemand die veel ouder is. Ik kom dichterbij. Er wordt een gezicht naar me opgeheven en dan weet ik het nog niet. Ik zeg gedag en er is stilte. Ik loop door en de wereld is nog steeds normaal.

Nou ja, bijna normaal. Want dat Merwestein Park is toch wel bijzonder – ik moet er vaker komen. Er staat een boom waarvan de stronk zich vertakt als een boeket, waarvan de takken zich rechtstreeks vanuit de wortels lijken uit te spreiden. De stronk is compleet omringd door steen, alsof mensen zonder fantasie bang zijn dat haar bijzonderheid zich te ver verspreidt. De herten van het park liggen allemaal bij elkaar rondom één boom, bewegingsloos. Ze staren me aan alsof mijn komst de hertentovenaar heeft verdreven. Haastig loop ik door – misschien heb ik net iets te veel wiet opgesnoven.

Ik passeer weer een poort en loop terug de wereld in. Vlak bij het station bel ik aan bij mijn collega. Die ochtend hoor ik goederentreinen en maar liefst drie brandweerwagens. Maar ik zit in het mooie interieur van mijn creatieve collega, waardoor de wereld toch bijzonder blijft, en ik geniet van haar licht. Gewoonlijk zit ik tegenover haar op kantoor. Nu ben ik me weer veel meer bewust hoe waardevol dat is. Ze is niet meer vanzelfsprekend. Ik voel mezelf lichter worden, meer mezelf, gewoon omdat ik er iemand tegenover me zit zonder schermen tussen ons in. Die lockdown doet toch meer met me dan ik had gedacht.

Even peins ik over de dagopening die ik aan het voorbereiden ben voor de volgende dag. Ik heb laatst een mooi stukje gehoord over Jesaja 60: Sta op en schitter – of: Sta op en word verlicht. Die tekst die bijna een cliché is geworden voor christelijke vrouwenbijeenkomsten is weer voor me gaan leven. Ik heb er een mooie stuk over gevonden (lees het hier), waarin het wordt gekoppeld aan Jezus’ opdracht om ons licht te laten schijnen zodat onze Vader verheerlijk wordt. Het verlangen om dat te doen wordt steeds sterker. Ik voel het fonkelen in me.

Aan het eind van de morgen loop ik terug door het Merwestein Park. Er wordt gesnoeid en iemand leegt vuilnisbakken – ik snuif de geur op van achtergebleven energydrank. Van betovering is weinig sprake meer, behalve dan door externe invloeden. Er fietst iemand achter me. Hij spreekt iets Oost-Europees en zit nogal wankel op zijn fiets. Wat verderop loopt een moeder die in een soortgelijke taal spreekt. Naast haar drentelt een kleuter, die dingen optilt uit het grindpad. Misschien ziet zij juwelen waar wij steentjes zien. Ik bid haar toe dat zij haar hele leven de schoonheid van de wereld zal zien zonder er stukken van zichzelf voor hoeven te verdoven.

Geboren in een stal (3)

Photo by Debby Hudson on Unsplash

Vorige keer lazen we dat Freek midden in de oorlog een joodse man tegenkomt en onderdak biedt. Lees hier het slot van het verhaal.

De man holt naar de bomen. Even later komt hij terug met een vrouw. Haar ogen zijn net zo blauw als die van Dina. Haar buik is dik. Er zit een grote baby in. Ze kreunt en fluistert woorden die Freek niet verstaat. Haar man houdt zijn arm om haar heen en kijkt naar Freek. “Waar gaan we heen?”

Freek slikt. Het is nog nooit zo spannend geweest om naar huis te gaan. “Kom maar mee,” zegt hij.

Ze lopen langzaam. De vrouw blijft kreunen en staat soms stil, met haar handen op haar rug. Maar ze komen bij de boerderij en ze hebben geluk: Benny holt hen tegemoet en blaft wel, maar hij doet het maar één keer, alleen om te zeggen dat hij blij is om Freek te zien. Hij snuffelt aan de joodse mensen, kijkt naar Freek en houdt zijn kop scheef alsof hij wil vragen wie dat zijn.

Freek hijgt van opluchting. “Brave Benny,” fluistert hij. “ Hij wenkt de joodse mensen naar de schuur en legt zijn vinger op zijn mond: ze moeten nu héél stil zijn. Bij iedere stap die ze zetten hoort Freek zijn hart bonken. Hij probeert heel goed te luisteren. Is pa nog buiten? In de schuur? Op het erf? Of is hij al binnen, bij mama?

Héél zachtjes doet Freek de schuur open. Het is er donker. Het kan haast niet dat pa hier is. Alleen de schapen zijn er, met hun dikke winterwol, en hun warme adem. Het is niet koud in de schuur. Maar Freek twijfelt. Dit is geen plek om mensen achter te laten. Er is geen lamp, geen tafel en geen stoel. Hij heeft niet eens wat te eten voor ze.

De joodse man loopt langs hem heen. “Dit is een goede plek. Bedankt, jongen. Laat ons nu maar alleen, zodat Mirjam kan doen wat nodig is.”

Freek gaat naar de boerderij. Benny loopt naast hem en raakt met zijn snuit Freeks hand aan, maar Freek reageert er niet echt op. Freek denkt na. Hij moet ervoor zorgen dat pa de schuur niet in gaat. En hij denkt aan Stijn. Stijn zal zijn mond toch wel houden? Hij heeft gehoord dat mensen die joden verstoppen, worden opgepakt door de Duitsers. Sommige worden zelfs doodgeschoten.

Freek heeft een rare kerstavond. De hele tijd houdt hij pa in de gaten. Soms gaat pa na het eten nog bij de schapen kijken. Wat zal hij doen als hij de joden ziet? Zal hij ze aangeven bij de politie? Maar pa blijft zitten. Hij drinkt een glaasje jenever, en dan nog eentje. Bij zijn derde glaasje begint hij te snurken. Freek ademt rustiger; zijn hart klopt niet meer zo snel.

Mama loopt naar de keuken. Ze komt terug met lucifers en steekt de kaarsjes in de boom aan. Ze knipogen weer naar Freek. Freek voelt zich opeens heel moe; de dag was lang. Maar hij staat op en pakt zijn moeders hand. Hij weet dat hij nog niet naar bed kan.

“Wat is er, jongen?” vraagt mama.

Zonder iets te zeggen, neemt Freek haar mee naar de schuur. Daar slaat mama haar handen voor haar mond. Midden tussen de schapen ligt de joodse mevrouw in het hooi. In haar armen houdt ze een baby’tje. Het huilt niet. Het lijkt wel of het weet dat het stil moet zijn.

Freek weet niet zo goed meer wat er daarna gebeurt. Hij is opeens zo moe. Maar hij gelooft dat de joodse mensen schrikken en dat mama fluistert dat ze niet bang hoeven zijn. Ze holt weg, om eten te halen, of kleren voor de baby.

Freek blijft bij de joodse mensen staan. Hij heeft vreselijk veel slaap, maar hij merkt nog net dat de joodse mensen naar hem glimlachen. De man zegt iets, maar Freek hoort hem niet. Hij kijkt naar het baby’tje dat is geboren. Het is echt kerstmis, denkt hij.

Geboren in een stal (2)

Photo by Антон Дмитриев on Unsplash

Vorige keer vertrok Freek net naar huis. Lees wat er onderweg met hem gebeurt.

Freek is net in het veld als iemand zijn pet van zijn hoofd gooit. “Hé uk,” roept Stijn. “Waarom wachtte je niet op mij?”

Freek holt achter zijn pet aan. Hij drukt hem stevig op zijn hoofd en loopt door.

Stijn houdt hem makkelijk bij, met zijn lange benen. “Nou?”

“Jij was met Dina aan het praten.”

Stijn lacht. Freek kijkt niet, maar toch weet hij dat Stijn zijn hoofd achterover gooit, en zijn mond heel ver opent. Dat doet Stijn altijd. Freek loopt nog harder door. Het wordt nu echt donker, en de monsterbomen komen dichterbij.

Stijn loopt nog naast hem; terwijl Freek bijna holt, loopt Stijn normaal. “Ben je jaloers?” vraagt Stijn. “Jij vindt Dina leuk, hè?”

Freek haalt zijn schouders op. “Ik wil snel naar huis. Het is kerstvakantie.”

Stijn lacht weer. “Je pa laat je de hele vakantie werken.”

Dat is waar. Pa laat hem vast iedere dag de mest van de schapen opruimen. En als Freek niet opschiet zal pa schreeuwen. Maar ’s avonds is het fijn. Dan heeft pa zijn jenever op en valt hij in slaap. Als pa snurkt, zingt mama zacht de kerstliedjes over stille nacht en dan is heel de wereld mooi. Freek zegt: “Ik heb zin in Kerst. Het is fijn.”

Stijn lacht weer, nog harder dan de vorige keren. “Je weet niet eens wat Kerst is.”

Freek plet zijn pet steviger op zijn hoofd. “Dat Jezus is geboren.”

“Jezus is niet geboren in de winter,” zegt Stijn. “Mijn pa zegt dat de geleerde heren weten dat het geeneens winter was toen Jezus werd geboren. Heb je goed geluisterd naar Oldekamp? Hij vertelde niets over sneeuw en kou. En zie jij weleens herders in de winter? Natuurlijk niet! In de winter zijn de herders niet in het veld! Er klopt niets van.”

Freek voelt zich een beetje duizelig. Hij ziet de hoge monsterbomen staan. Het lijkt net of ze Kerst opeten. Hij stampt verder, over de harde, koude grond. Hij voelt zich vanbinnen ook koud. De bomen komen dichterbij, en dat is bijna niet eens meer eng. Maar als ze er langs lopen…. grijpt een hand Freek heel hard vast.

Freek gilt, want het is niet Stijn. Een man heeft hem gegrepen. Een lange man, die heel mager is, met een brilletje op met blinkende glazen waarachter Freek zijn ogen niet kan zien. “Hulp,” sist de man. “Geef ons hulp. Zeg het tegen niemand of ik…” De man grijpt met zijn andere hand Freek ook vast en kijkt even naar Stijn. “Ik wil jullie kunnen vertrouwen. Want anders…”

Hij maakt zijn zin niet af. Tussen de bomen klinkt een schreeuw, hoog en bang. De man krimpt ineen.

“Dat is mijn vrouw. Zij moet een baby krijgen. We hebben een plek nodig. Geen dokter, alleen een plek waar we warm en veilig zijn. Geef ons die plek.” De man kijkt naar Freek, en dan weer naar Stijn. Freek is niet meer bang. Hij kan nu door de blinkende brillenglazen kijken. Hij ziet dat de man huilt.

Stijn doet een stap weg. “Jij bent een jood. Mijn pa zegt dat we joden niet kunnen helpen. Dat is te gevaarlijk. Joden moeten zich melden bij de Duitsers.”

“En dan worden we gearresteerd en in kampen gezet,” zegt de man. “Sommige mensen fluisteren dat ze ons doden. Wij willen niet dood. Wij willen een veilige plek voor ons kindje.”

Stijn doet nog een stap weg. “Kom, Freek, we gaan.”

Freek zegt, heel rustig: “Ga maar vast, Stijn.” Terwijl hij het zegt, denkt hij heel snel na. Pa wil vast geen joden op de boerderij. Maar er is een grote stal… Als hij zorgt dat Benny niet begint te blaffen als hij de vreemdelingen ziet, hoeft niemand te weten dat er mensen zijn. En als pa zijn jenever heeft gedronken, slaapt hij en heeft hij niets meer in de gaten. Voor mama is hij niet bezorgd. Sommige mensen verraden joden, maar dat zou mama nooit doen.

Stijn loopt weg, zo snel dat Freek hem niet eens bij zou kunnen houden. De joodse man kijkt naar Freek, heel lang. “Jij helpt ons, hè?”

Freek knikt. “Tuurlijk.”

Lees volgende keer hoe het afloopt.

Geboren in een stal (1)

Photo by Kimon Maritz on Unsplash

Recent vroeg een collega of ik een kerstverhaal wilde schrijven. Het was in eerste instantie bedoeld voor kinderen, maar ik deel het ook met jullie.

Het is winter, in een jaar dat er in Nederland oorlog was. Freek wordt wakker en wil het liefst zijn deken helemaal over zich heen trekken, om zijn koude neus warm te maken. Maar hij haalt diep adem, gooit zijn deken opzij en springt zijn bed uit. Hij holt naar de badkamer, doet een plas en wast zich zo snel mogelijk. Het water is zooooo koud!

Tijd om te ontbijten. In de kamer is het donker. Alleen het licht boven de tafel is aan. Mama heeft zijn bord met pap op tafel gezet en zit klaar om zijn thee in te schenken. Ze bidden, en Freek begint snel te eten. Als zijn buik warm is geworden en hij minder snel eet, ziet hij dat er toch nog meer licht is. In de hoek staat de kerstboom, met echte kaarsjes. Het lijkt of ze naar hem knipogen.

Mama aait over zijn haar. “Eet eens door, jongen. Je moet naar school. De kerstvakantie begint vanmiddag pas.”

Tien minuten later loopt Freek buiten, het pad af van hun boerderij. Ergens hoort hij zijn vader schreeuwen naar Benny, de hond: “Schiet eens op, lui beest!” Freek loopt wat harder. Het is een half uur lopen naar school, dwars over kale grond, waar in de zomer hei en struiken groeien, maar nu bijna niets. De maan schijnt nog, alsof het midden in de nacht is. Overal zijn sterren. Net als de kaarsen van de kerstboom knipogen ze naar hem.

Freek loopt door de velden. Hij wil vaart maken, maar vlakbij staan er reuzen op de vlakte. Niet echt natuurlijk, maar in het donker lijkt het zo: hoge dennenbomen, met takken die in het maanlicht net armen van monsters lijken. Freek haalt diep adem. Soms verstopt zijn vriend Stijn zich tussen de bomen en springt plots tevoorschijn. Freek probeert er altijd om te lachen, maar soms… is het eng. Dan denkt Freek dat er een Duitse soldaat tevoorschijn springt, die naar hem schreeuwt dat hij mama zal arresteren en Benny zal doodschieten.

Freek heeft de dennenbomen bereikt. Hij loopt nog harder, maar hij tuurt tussen de bomen of hij Stijn ziet. Maar er gebeurt niets. Freek is de bomen voorbij. Hij loopt stevig door, op naar school.

Als Freek het schoolplein opkomt is Stijn er al. Stijn leunt tegen het hek en staat te praten met Dina, het mooiste meisje van de klas, met blauwe ogen als de lucht in de zomer. Stijn is lang, veel langer dan Freek. Hij zegt iets tegen Dina, en ze lachen samen.

Freek gaat de klas in. Hij zit achter zijn houten tafeltje en de les begint. Meester Oldekamp vertelt over breuken. Freek houdt van rekenen, maar toch is het lastig om te luisteren. Toen hij liep had hij het warm; nu voelt hij pas hoe koud het was. Monstertjes met ijskoude tanden proberen in zijn tenen te bijten, en zijn vingers voelen als ijspegels. Mama heeft gezegd dat ze nieuwe wanten voor hem zal breien, maar nieuwe schoenen kan ze niet kopen. Nu het oorlog is, zijn schoenen duur geworden. Pa heeft gezegd dat hij minder snel groot moet worden, maar hij weet niet hoe hij klein kan blijven.

Het is de laatste dag voor de kerstvakantie, maar meester Oldekamp lijkt het vergeten te zijn. Ze oefenen zolang de topografie van Groningen dat Freek zeker weet dat hij nooit naar Hoogezand of Sappemeer wil. Maar ’s middags pakt meester Oldekamp een dik boek: de Bijbel. “En het geschiedde in die dagen…” begint hij. Meester vertelt over Jozef en Maria, die van Nazareth naar Bethlehem reizen, waar geen plek voor hen is in de herberg. Maria krijgt een baby in de stal, een heel bijzondere baby. Drie koningen komen hem eerbied geven, en herders in de velden vertellen dat de engelen over de baby zingen. De baby is Jezus.

Als de schoolbel klingelt en Freek naar buiten holt, wordt het alweer een beetje donker. Hoog in de lucht ziet Freek de eerste ster naar hem knipogen. Zijn lange tocht begint weer. Even nog kijkt hij om of Stijn met hem meeloopt, maar hij staat weer bij Dina, en Dina lacht zo lief dat Freek harder loopt, snel naar huis.

Maar onderweg gebeurt er van alles. Wat precies, lees je de volgende keer.

Een blinde wandeling door de echte wereld

Laatst liep ik in het Wantijpark langs taxussen. Toen ik mijn ogen wat dichtkneep dacht ik bijna een weg naar een andere wereld te zien. Maar het was onzin. Toen ik een paar dagen later weer door het park liep zag ik dat de echte wereld een heel andere wereld kan zijn.

Ik wandel graag ’s morgens vroeg. In de zomer liep ik om zes uur, of nog eerder, al buiten. In december is dat niet handig. Alle enge mensen schijnen vooral in het donker actief te zijn. Dus mopperend ga ik later, maar meestal is zeven uur mijn uiterste grens. Ik loop eerst over de dijk, zodat tegen de tijd dat ik in het park kom, het daar licht is.

Behalve op zaterdag. Dan doe ik na het wandelen boodschappen en is het handiger dat ik andersom wandel: vanaf de dijk sta ik met een kleine afslag bij de supermarkt. En ik wil daar graag om acht uur zijn, voor de drukte uit, dus ik wandel even na zeven uur het park in. Iedere keer zeg ik dat ik dat niet moet doen, en iedere keer doe ik het toch. Ik laat me betoveren in het duister, en ik ben bang.

Vorige week deed ik een keer op vrijdag boodschappen. Toen was alles opeens anders in het park. Het eerste stuk is het meest bijzonder – daar ben ik alleen betoverd en is er geen ruimte voor onrust. Er staan hoge, kale bomen, en eromheen is de lucht ijlwit. Dat komt natuurlijk door de lichtvervuiling van de stad, maar het lijkt alsof ik in een besneeuwde wereld loop, ergens rond het avonduur, als de sneeuw reflecteert in maanlicht. Of misschien loop ik heel ergens anders: tussen de kale bomen dwaalt de verbeelding, de mogelijkheid dat de wereld heel anders is dan we zien.

De vogels zijn al druk bezig om zeven uur. Reigers schreeuwen naar elkaar als Italiaanse familieleden, kauwen krassen als chagrijnige oude mannen, mussen en andere kleine vogeltjes piepen als kleuters in hun spel. Het lijkt wel of vogels zich vrijer laten horen als mensen zwijgen, alsof ze kunnen zijn wie ze echt zijn als de mensen hen met rust laten. Ze zijn niet bang voor me, of zich niet bewust van me. Alleen de waterhoentjes vluchten nog steeds voor me weg, met spetterende haast.

Op zaterdag is er om zeven uur bijna nooit iemand in het park, maar deze vrijdag is het anders. Ergens hoor ik de flard van een vrouwstem, en dan de echo van een hond die blaft. Maar ik zie niemand. Als ik verderloop, richting het bruggetje, komt er een rood licht me tegemoet. Vaag ontwaar ik een grote hond. De mens ernaast is een schaduw. Ik zeg blind goedemorgen. Een mannenstem wenst mij hetzelfde.

Het park uit. Stiekem adem ik toch wat gemakkelijker als ik beter zicht heb. Alhoewel: ook op de dijk is het nog niet erg licht. Op zaterdag kom ik hier zelden iemand tegen. Op vrijdag is het duidelijk drukker. Ook hier zie ik bewegende lichtjes in het donker. Het zijn geen honden: joggers zorgen ervoor dat ze opvallen, of hebben lichtgevende apparatuur om hen te helpen met hun prestaties. Ik kom erachter dat joggers niet erg spraakzaam zijn. Ik zeg goedemorgen. Zij hollen hijgend verder, naar onbekende vertes. Bij één man hoor ik wel wat: ‘Over driehonderd meter rechtsaf.’ Het is een vrouwenstem, die hem blijkbaar helpt de weg te vinden in het duister.

Eén iemand heeft geen licht op: een gestalte die ik pas ontdek als hij vlak bij me is. Een slungelige jongen met warrig haar. Als hij me voorbij is, ruik ik de wietlucht. Hij loopt blind een andere wereld in, terwijl ik er weer achter ben dat de echte wereld al bijzonder genoeg is. Ik loop op de dijk richting de supermarkt en zie boven de stad een rode waas, alsof Sodom en Gomorra nog maar net verwoest zijn en de vuren nog branden.

Wat later doe ik boodschappen. Onderweg naar huis ga ik opzij voor iemand die opzichtig angstig afstand probeert te houden. Ik glij uit over modder en val op de stoep. Ik ben weer geland in de normale wereld.

De kledingspion

Al een tijdje staat het op mijn to-dolijstje: een zwart mondkapje kopen. Ik heb een herbruikbare donkerblauwe, maar die past niet bij mijn paarse winterjas. Sommige vrienden vinden dat ik me aanstel. Maar toch… Eigenlijk staat dit hele jaar voor mij in het teken van nieuwe mode-afwegingen.

Het is jammer dat ik me aan het begin van het jaar niet heb gewogen; dan zou ik nu trots heel precies kunnen vertellen hoeveel ik ben afgevallen. Het moet dit jaar zo’n 35 kilo zijn; ik ben nu meer dan honderd kilo lichter dan twaalf jaar geleden. Ik zeg tegenwoordig maar dat de essentie van mezelf is overgebleven.

Ik ben me erg bewust van alle verschillen, maar een stuk van mijn hoofd (eigenwijs of irrationeel?) wil het maar niet onthouden. Ik sta in een grotematenwinkel en de kleinste maten zijn te groot. Dat stuk van mijn hoofd begrijpt niet hoe dat kan. Dat gedeelte van mijn hoofd denkt dat de maat precies goed is. In werkelijkheid is het precies wat ik gewend was.

Ik waag me “gewone” winkels in. H&M… een populaire keten, maar ik kwam er nooit. Weifelend loop ik rond tussen klanten die allemaal dunner lijken dan ik. Ik zie kleren die totaal niet lijken op wat ik meer dan twintig jaar gedragen heb. Ik voel me een spion, eentje die maar net haar vermomming in stand houdt. Er gaat vast iemand lachend naar me wijzen als ik een kledingstuk naar een pashokje waag mee te nemen. Ik kijk naar matenlabels en vraag me af of ik die nu echt bij me passen. Ik durf het niet uit te proberen.

H&M is misschien een te grote overgang na de grotematenwinkels. Ik sta bij C&A, ook de afgelopen jaren een winkel waar ik terecht kon. C&A maakt bij truien en broeken niet altijd onderscheid tussen grote en “gewone” maten. Ik pak een trui die ik echt mooi vind en pas hem. Veel te groot. Aarzelend ga ik terug voor een L. Nog steeds erg ruim. Mijn hoofd is in de war.

Behalve die ene trui zie ik niet echt leuke dingen. Weer een andere winkel dan maar. Een leuke trui in L en XL. Dan zou ik L moeten passen, stel ik rationeel vast. Mijn minder rationele kant neemt voor de zekerheid de XL ook mee. Wurmend in het pashokje stel ik vast dat L niet past. Als ik XL aantrek, is ook die trui een boa constrictor waar ik maar net aan ontsnap.

Ik geef het op. Andere winkels waarvan ik vermoed – of hoop – dat ze mode verkopen die ik leuk kan vinden, krijgen geen bezoek van de kledingspion. De spion is te bang dat uit zal komen dat ze daar niet hoort. Ik draag maar weer vertrouwde kleding. Alleen fladdert een broek die eerst precies paste nu wijd om me heen. Een shirt lijkt net een tuniek. Maar ik durf niet terug naar de winkels. Ik houd me maar voor dat dit jaar de mode niet naar mijn smaak is.

Er zijn mensen die niet alleen de mode maar het hele jaar niet naar hun smaak vinden, vanwege corona. Ik wil een mondkapje in een andere kleur; er zijn mensen die helemaal geen mondkapje willen. Daar ga ik maar niet over discussiëren, behalve dan dat als ik een ziekte “draag” ik die liever niet “overdraag” aan een ander, als een mantel waar ik misschien niks van merk, maar die een ander kan doden.

Ik moet wel toegeven dat ik nog niet erg ben gewend aan mondkapjes. Als ik – bij uitzondering – weer eens op kantoor mag werken, gebruik ik een hemelsblauw wegwerpmondkapje. Iedere keer als ik de gang op ga vergeet ik maar net niet om hem op te zetten. Mijn “echte” mondkapje blijft goed zitten, maar mijn wegwerpmondkapje zit al snel voor mijn ogen. Als ik naar het toilet ga zet ik hem af, hoewel ik het belachelijk vind van mezelf.

Sorry, ik begin af te dwalen. En dan heb ik het nog niet gehad over mijn meest actuele modedilemma: volgende week heb ik tv-opnames voor De Verandering. Wat doe ik dan aan, om te laten zien dat ik echt veranderd ben? Hopelijk fluistert mijn kledingspion me nog iets in.

Mevrouw Duyster op reis in het Ondermaanse

Een paar weken geleden wandelde ik langs een huis waar op de deur ‘Familie Duyster’ geschilderd stond. Ik peinsde erover dat die naam te nadrukkelijk zou zijn als ik hem voor een personage in een boek gebruikte. Maar hij liet me niet los.

Het wordt duister om ons heen. In de zomer denken we dat we de wereld naar onze hand kunnen zetten. Dan is het bijna altijd licht, en is het donker aangenaam – een tijd waarin de hitte even wijkt.

Maar nu is het herfst. Het is langer donker dan het licht is. En in het donker is het koud. Ik denk plots aan “het Ondermaanse”. Dat is slechts een ouderwetse formulering voor ons leven op aarde, maar in de herfst is de maan wel opvallend aanwezig, een koel oog dat ons vaker in de gaten houdt. Een oog dat ziet dat wij klein zijn en weinig te betekenen hebben.

Vorige week ging ik op bezoek bij vrienden, om met hen te bidden (we waren ons bewust van onze kleinheid). Op de heenweg was het nog licht. De zon schilderde: ze mengde roze en andere pasteltinten met haar eigen stralen. De avond was mild.

Toen ik terugkwam was alles donker. De wind was koud en ik ook (ondanks het gezelschap waar ik me aan had gewarmd). De straten waren eenzaam – iedereen behalve ik was er uit weg gevlucht. Nou ja, dat was niet helemaal waar, maar de mensen die er nog waren, waren schaduwen waarvan ik niet wist of ik ze kon vertrouwen. Ik was in het Ondermaanse – en de maan keek alleen maar toe.

Ik liep snel. Ik deed of ik me weer eens verbaasde over mijn goede conditie, maar ik was niet helemaal eerlijk. Angst, al is hij mild of goed verborgen, geeft snelheid. Terwijl ik liep dacht ik niet over wat er kon gebeuren in het donker. Ik dacht over de toekomst, over vage plannen, die soms ook duister lijken. Ik was me ervan bewust dat in mijn eigen hoofd te veel verborgen is voor mezelf. Zoals bijvoorbeeld de vraag wat ik echt wil. Die vraag dreef me misschien nog meer voort dan de angst.

Ik was bijna thuis – en er was niks engs gebeurd. Ik stond bij het Wantij, keek uit over de nieuwe wijk aan de overzijde van het water, maar richtte me vooral op de wolken die erboven voorbij waaiden. Ondanks het duister waren ze opvallend wit, alsof er een scherp licht in ze was aangestoken. Ik kon goed zien hoe hard het waaide. Ik voelde bijna hoe ik meewaaide. De wind was dan wel koud, maar toch voelde de wind als de adem van God, die alles onder controle heeft, ook als Hij mensen weg blaast van alles dat vertrouwd voor ze is. Ik ging rustig naar bed, en sliep in het duister van mijn onderbewuste.

De volgende ochtend ging ik weer vroeg op weg. Het was nog duister, en de maan staarde nog naar me. Er waren vele sterren in de leeggeblazen lucht die langzaam blauwer werd. Maar onder de populieren van de Noordendijk, hoog en nog bebladerd, was het donker en wist ik dat ik klein was. Ik liep weer flink door.

Pas vlak bij het werk hield ik mijn pas in. Het is walnotenseizoen en na de wind van de afgelopen nacht was de oogst op de dijk groot. Ik vind een paar walnoten wel lekker, maar ik had er uiteindelijk veel meer dan een paar – het was goed dat ik een plastic tasje bij me had.

Toen ik het terrein van mijn werk op liep, was de lucht sereen blauw. Het duister was weggevaagd, en de meeste sterren waren uitgefloept. Eén ster was er nog over – vast een planeet: Venus of Mars. Ze staarde me aan alsof zij nu het oog was dat me in de gaten zou houden. Maar dat is het voordeel als je veel in het duister bent. Je weet niet alleen dat je afhankelijk en klein bent, maar ook dat je niet hoeft te luisteren naar iedere stem die tot je spreekt over duisternis, zelfs niet als ze zich vermomt als een stralende ster.

Honderd kilo lichter

Ik heb heel lang gewacht op de kans om de titel boven dit artikel te schrijven en te weten dat hij waarheid was. Het is me eindelijk gelukt: ik ben honderd kilo lichter.

Terwijl anderen klaagden over coronakilo’s, ging bij mij vanaf de eerste maandag van de lockdown de spreekwoordelijke knop om. Sinds ik in 2008 bij De Hoop werd opgenomen, was ik zeventig kilo structureel kwijt. In 2012 tikte ik bijna de honderd kilo gewichtsverlies aan, maar toen sloeg de somberheid weer toe en leek eten de enige oplossing om me beter te voelen. Sinds die tijd bleef ik fluctueren in de laatste dertig kilo.

Tot maart dus. Ik weet niet precies wat er gebeurde. Misschien was ik mijn eigen gedrag zat, of misschien gebeurde er zo veel in mijn leven dat deze actie er ook nog wel bij kon. Er veranderde iets in mijn hoofd, en mijn lichaam veranderde mee.

De afgelopen maanden herontdekte ik botten waarvan ik bijna vergeten was dat ik ze bezit. Mijn ribbenkast liet voor het eerst sinds jaren haar vormen zien. Rondom mijn bekken verschenen contouren die ik niet echt herkende. Van mijn schouders bleef belachelijk weinig over. Ik liep in de stad, zag mezelf in etalages en schrok soms, want de gestalte die ik daar zag was niet het spiegelbeeld dat zit opgeslagen in de spiegels van mijn geheugen.

Ik moest niet alleen aan mijn buitenkant wennen. Ik holde trappen op en hijgde niet. ’s Morgens had ik geen rugpijn bij het opstaan. Ik ging steeds langer wandelen en had pas na een tijdje in de gaten dat ik daarna geen spierpijn had. Ik had – heb – zo veel energie dat ik er soms moe van word. Nu ik bijna middelbaar ben, voel ik me opeens jong.

Mijn omgeving moest ook wennen. Ik kwam op straat een collega tegen die zijn duim naar me opstak. Wat later begonnen wildvreemden me op straat aan te spreken. Een dame tijdens het wandelen: ‘Volgens mij bent u de laatste tijd heel veel afgevallen, hè? Wat knap!’ Een jonge, verlegen, mollige vrouw – bijna nog een meisje: ‘Ik zie u altijd lopen. U bent een voorbeeld voor me.’ Ik had kippenvel, want ik ben vaak geen voorbeeld voor mezelf geweest.

Ik denk aan het contrast met de tijden dat ik op mijn zwaarst was. Mensen die voorbij fietsten en iets schreeuwden over “Ma Flodder” of over “Big Diet” (de termen zeggen genoeg over hoelang het gevecht met de kilo’s al duurt). De man die naast me zat in de trein en toen hij wegliep het nodig vond om me te vertellen hoe vervelend hij naast me zitten had gevonden. De minachtende blikken, waarvan bekenden dan ook nog eens zeiden dat ik ze me verbeelde. Natuurlijk – of ik niet alleen dik maar ook achterlijk was. En het ergste: al die mensen die me kenden voordat ik dik werd en pas stopten met me negeren toen ik weer afviel. Heel veel dank aan de mensen die anders keken en voelden!

Ik kan maar beter ophouden over die oude boosheid. Ik zou hem graag loslaten, samen met de kilo’s. Maar te vaak valt het me op – nu misschien juist nog meer – dat met iedere groep die niet standaard is rekening gehouden moet worden behalve met dikke mensen. Als je homoseksueel bent, mag de ambtenaar van de burgerlijke stand die je huwelijk niet wil inzegenen, ontslagen worden. Voor mensen die niet weten of ze man of vrouw zijn wordt het paspoort aangepast. Maar dikke mensen mag iedereen belachelijk maken.

Juist daarom sluit ik graag af met iets wat een collega zei toen we weer wat vaker op kantoor mochten werken en ook de mensen daar zich verbaasden over mijn gewichtsverlies. Iemand die me al vaak heeft laten nadenken over andere zienswijzen, complimenteerde me met hoe ik eruitzag. En toen zei ze: ‘Maar voor de duidelijkheid: daarom ben je niet opeens waardevoller.’

Amen! Laten we dat maar goed onthouden, ook omgekeerd. Dikke mensen lijken steeds onzichtbaarder te worden naarmate ze meer omvang krijgen. Zullen we eens voorbij het vet kijken, naar de ziel die schreeuwt om aandacht en liefde?

Wat de krokodil ervan vond

Een jaar geleden waren de meeste grenzen open, en leek naar de andere kant van de wereld reizen normaal. Dat was het natuurlijk niet. daar was ik me wel een beetje van bewust, op die dag dat mijn gastvrouw in Zuid-Afrika en ik, onderweg naar Kruger National Park, God’s Window en de omgeving bezochten.

God’s Window is een hoog uitkijkpunt tussen rotsen, dat we bereikten via een woud vol planten die ik tot dan toe als kamerplanten kende. De naam was goed gekozen: het uitzicht vanaf God’s Window was ontzagwekkend groots – de hele wereld leek voor ons geopend te zijn.

In de omgeving liggen allerlei toeristische attracties. De weg zelf was al een attractie: nu eens reden we langs verre velden, dan weer langs oprijzende heuvels met een dorp dat bestond uit metalen huisjes. We stopten bij de “Potholes”: een gebied vol diepe en ondiepe kloven. We keken uitgesleten afgronden in, waar water glansde en geld blonk: al jarenlang werpen hier mensen munten in die niemand eruit kan vissen. Wat verderop waren er geen kloven meer, alleen stenen die vreemd kwetsbaar voor slijtage leken, oneffen als marmer waar nog aan gewerkt wordt. In ondiep water schoten kleine visjes weg.

Verder gingen we, naar Blyde River Canyon. Aan de overkant van de kloof lagen de Drie Rondawels: drie rotspartijen die lijken op traditionele Afrikaanse hutten maar dan enorm groot. Daarna liepen we een stukje door, tot de Blyde River Canyon. Honderden meter onder ons glansde onmogelijk blauw water. Boven ons scheidde alleen lucht zonder wolken ons van het heelal.

’s Middags reden we over stoffige binnendoorweggetjes, langs bananenbomen en borden die ons waarschuwden voor overstekende olifanten. We sloegen af bij een bordje voor een koffiebar en bonkten verder over een onverharde weg. We belandden bij een zaakje aan een meer, met voor de deur koffiestruiken. Bij het meer stond een bord: Beware of the crocodile. Hoe een krokodil eruitziet werd er voor de duidelijkheid bij getekend.

Ik gniffelde om het bord, maar had wel haast om veilig in de koffiebar te komen. Door dat bord was ik me er heel praktisch bewust van hoe ver ik van huis was, en hoe anders het stuk wereld was waarin ik mij bevond. Die krokodil was er echt, al zagen we haar niet.

We zaten op een terras dat op palen boven het meer was gebouwd. Het meer zelf was sprookjesachtig: waterlelies, zachte rimpelingen, een donkere spiegel van de hemel. Ik hoorde vogels en stilte, ik genoot van mijn taart en amarula milkshake. Maar ik was wel alert: ik bleef het meer afspeuren naar de krokodil. Ik bleef verwachten een gekartelde rug te zien verschijnen, of een enorme opengesperde mond met tanden die net onder het terras in de zon zouden blinken. Ik stelde me voor dat de palen onder het terras allemaal tegelijk zouden afbreken en mijn gastvrouw en ik naar de kant moesten zwemmen.

‘En ik zou sneller zwemmen dan jullie,’ zei de gedachte van de krokodil in mijn hoofd.

Mijn gedachten waren stil.

De krokodil was het ook. Ze dook ergens in het meer naar diepere dieptes, waar het water zwart en bijna koud was. Ik dook in gedachten met haar mee en genoot van de koude. Toen hapte ze naar een vis, miste net, en was ik weer klaarwakker.

De krokodil zei in mijn gedachten: ‘Jij woont ver weg in een huis waar in de omgeving supermarkten zijn. Jij hoeft nooit na te denken over je eten. Maar ik…’ De krokodil had geen tijd om haar gedachte af te maken: ze zwenkte naar links, waar ze in het duister iets voelde bewegen. Weer een vis. Deze keer had ze beet: wat voor soort vis het was, wisten de krokodil en ik niet. We wisten alleen dat hij klein was: de krokodil slikte hem weg zonder te kauwen. En toen zei de krokodil: ‘Ik ben wie ik ben. Ik jaag omdat ik moet jagen. Daar hoef ik me niet voor te schamen. Maar weet jij wie jij bent?’

Ik dacht aan al die jaren met binge eating disorder. Eten omdat je honger hebt, niet omdat je je gedachten wilt afleiden… wat is dat eigenlijk? Peinzend nam ik nog een hap van mijn enorme stuk taart.

Ik ben eigenlijk een meeuw!

Negeer iedere blog waarin ik mopperde op de wind. Ik bedoelde er niets mee – ik ben verkeerd begrepen. De wind is mijn vriend. En mijn vriend is terug van weggeweest!

Ik ben geen heet-weer-mens. Warme zon op mijn gezicht ben ik heel snel zat; op een strand hangen heeft weinig charme voor me. Dus de laatste weken, met die eindeloze lome dagen, met die drukkende hitte die me zelfs in mijn slaapkamer niet verliet, deden me verlangen naar de vriend waar ik zo graag over zeur. Waar was de wind om wolken voor de zon te schuiven? Waarom blies de wind die saaie warmte niet weg naar Spanje?

Maandag op het werk viel het me op dat mensen die gewoonlijk na mij naar huis gaan, allemaal voor mij vertrokken. Een collega kwam vragen waarom ik nog niet naar huis ging. ‘Wil je die bui niet voor zijn?’ vroeg hij. Bui? Ik wist van niets. Maar inderdaad: Buienradar gaf blauwe uitschieters aan voor Dordrecht. Ik besloot maar snel mijn pc af te sluiten – door de hitte was mijn verstand toch al enigszins afgesloten.

Buiten sloeg de zon me in het gezicht – die doet nog steeds niet aan social distancing. Mijn verstand ging op de spaarstand. Maar ik was me nog net bewust van de wolkenkastelen die de wind aan het bouwen was. De wind gebruikte er donkerblauwe, bijna zwarte blokken voor.

Voordat ik een paar honderd meter van het werk vandaan was – ik had nog maar net de eerste dijk bereikt – verdween de zon. Mijn vriend de wind waaide langs mij heen. Het was niet weer een klap in mijn gezicht, maar de wind liet wel merken dat mijn gemengde gevoelens over diens karakter bij de wind bekend zijn. De walnotenbomen langs de dijk probeerden eerbiedige buigingen voor de wind te maken. De reactie van de wind daarop was… koud. Gelukkig was die kou aangenaam.

Verder dan maar, met een toch wat zorgelijke blik op de zwarte luchten die de wind als dikke pap door elkaar roerde. Vlak bij mij morste de wind de nodige regen: ik zag de vlagen naar beneden vallen. Ik keek eens welke kant de wind uit blies. Ik begon te denken dat de bui misschien precies voor mij langs zou gaan. Ik bad er zelfs voor. Het was geen schietgebedje – het was oprechter. Afkoelen is fijn, maar verkild worden door de regen is dat niet.

Verder op de dijk liet de wind de nodige creativiteit zien. De takken van de fluweelbomen waaiden verschillende kanten uit. Bladeren, door de hitte in augustus al geel en afgevallen, dansten over de straat in het rond, nog net niet hand in hand. Druppels vielen, maar de wind blies zo hard dat ze bijna niet de kans kregen me te raken.

Onderaan de dijk, onder het viaduct, vonden mensen het nodig om te schuilen. Drie jongens op de stoep, van wie er eentje zijn regenjas zocht. Een meisje ging midden op het fietspad op zoek naar de hare. Ik wilde zeggen dat de regen voor hen uit zou waaien, maar de wind blies onder het viaduct door en nam mijn woorden mee. Toen ik onder het viaduct uitstapte trok de wind nog net niet mijn gezicht weg.

Wat verderop, voorbij de rotonde, liep ik de dijk weer op. De wolkenkastelen waren nu wolkenkrabbers – zo zwart als een dreigende terroristische aanslag. Ik begon bijna te lachen toen een meeuw schreeuwend richting de wolken vloog. ‘Geweldig!’ riep ik zonder woorden.

En de wind riep: ‘Je vindt het nog steeds erg als je nu natregent!’

‘Ik ben een meeuw!’ riep ik terug. ‘Ik wil naar je toe komen!’

De wind blies door de populieren, om te laten merken wat de wind van me vond. Alle blaadjes begonnen door elkaar heen te ritselen. Misschien moest het dreigend zijn, maar ik voelde vrolijkheid ritselen in mezelf. Toen een Aziatisch stel, zij in een keurige rok, hij met twee dozen eieren in de hand, me tegemoet jogden, lachte ik bijna. En de wind spaarde me: ik kreeg geen bui op mijn hoofd. Voordat ik aan het einde van de dijk was, verscheen er lichtblauwe lucht. De zon keerde terug, en nam hitte met zich mee. Ik begon de wind alweer te missen.