Op de Voorstraat

Eind augustus begon mijn Japanse les weer. Eindelijk. Het is geweldig – en frustrerend – om woorden te leren die zo ver van je af staan dat je geen enkel kader hebt om ze gemakkelijk te onthouden. En het is nog geweldiger – en frustrerender – om te proberen om die woorden ook echt te gebruiken.

De wandeling naar en van Japanse les is ook de moeite waard. Mijn docente, Mamiko, zit helemaal aan het begin van de Voorstraat, zo dicht bij de Grote Kerk dat het gebeier bijna onheilspellend hard is (alsof God je een laatste kans geeft voordat Hij het oordeel aankondigt). Ik loop zo’n beetje heel de Voorstraat af om er te komen.

Op de Voorstraat (zo zegt een echte Dordtenaar het; niet IN de Voorstraat) is er altijd leven; er gebeuren vaak dingen die ik niet verwacht. Vooral ’s avonds voel ik me er niet extreem veilig, maar dan zijn wel de meest interessante dingen te zien.

Na de eerste les in augustus is het nog licht als ik om negen uur op weg naar huis ga; de warmte hangt nog in de straat. Ik kom twee jongen vrouwen tegen, gehuld in kogelwerende vesten. Ze hebben het vast vreselijk warm. Werken bij Handhaving moet een vreselijke baan zijn. Wat je naar je hoofd geslingerd krijgt als je auto’s controleert, gaat dwars door je kogelwerende vest heen.

Rond negen uur sluiten alle snackbars. Heel fijn, want ik ben vaak in de verleiding geweest om er binnen te stappen. De bars zijn allemaal nog open. Deze avond zijn de terrassen vol. Maar mijn blik gaat een café in. Daar zit Johannes Vermeer. Of is het Rembrandt van Rijn? Echt, daar zit een clichébeeld van een schilder van een paar eeuwen geleden: lang krullend haar, spitse baard, intense blik. Alleen het pallet ontbreekt.

Verder maar weer. Het zou raar zijn als ik dat café in stap en de schilder vraag sinds wanneer we tijdmachines hebben. Er wandelen mij wat Oost-Europeanen tegemoet. Ik vind mezelf walgelijk bevooroordeeld als ik in hen pogromleiders zie.

Deze week, bij de laatste les voor mijn vakantie, is het al helemaal donker als ik om negen uur naar buiten stap. ‘Regent het nog, Els?’ roept mijn medecursist achter mij aan. Gelukkig is het droog.

Bijna onmiddellijk loopt er iemand achter me, onrustig, te dicht bij me. Ik zeg tegen mezelf dat ik ontspannen ben, maar ik ontspan pas echt als hij me voorbij snelt. Een jonge jongen in trainingspak. Zonder woorden verontschuldig ik me voor nieuwe vooroordelen.

De snackbars zijn weer allemaal al dicht, maar her en daar lopen nog wat mensen. Zoals altijd verbaas ik me erover dat ik het wel nodig vind om opzij te gaan, maar de meeste andere mensen niet. In Japan houden mensen op straat een stuk meer rekening met elkaar.

Vlak voorbij de Augustijnenkerk staat een man met een fiets op de stoep. Weer eentje die niet opzij gaat, denk ik. En terwijl ik dat denk, ziet de man me en schuift zijn fiets opzij. Hij glimlacht naar me, bijna verlegen, of trots, omdat hij ook rekening houdt met anderen. Ik glimlach terug.

Ik ben hem bijna voorbij als hij zegt: ‘Mag ik u wat vragen, mevrouw?’

Mijn grapje naar vrienden zou zijn: ‘Dat doe je al,’ maar ik zeg: ‘Dat hangt ervan af wat u gaat vragen.’

De man heeft kroezend haar en prachtige donkere ogen, groot, glanzend maar ook weemoedig. Als hij praat zie ik dat hij zijn voortanden mist. ‘Hebt u misschien wat geld over voor een dakloze?’

‘Ja,’ wil ik zeggen, maar ik heb nooit contant geld bij me. Dat vind ik slim van mezelf, want zo word ik niet verleid tot impulsieve snoepaankopen. Nu baal ik van mezelf. ‘Nee,’ zeg ik. ‘Het spijt me.’ Ik meen het echt, vooral als ik de teleurstelling in zijn ogen zie, teleurstelling die hij vast heel goed kent.

Ik loop door. Ik zie een jonge vrouw richting een café lopen, op hoge laarzen waarvan ik zelfs in het donker zie dat ze geel zijn. Haar pas is aarzelend, haar gezicht drukt walging uit, alsof ze iets gaat doen dat ze helemaal niet wil. Vreselijke scenario’s gaan door mijn hoofd.

Ik loop door. Het regent weer.

Onverwacht bezoek

‘Ik denk dat je ervan af ziet.’ De stem sist net vanachter mijn oor. Terwijl ik alleen thuis zou moeten zijn.

Ik klem mijn hand tegen mijn borst. ‘Laat me niet zo schrikken!’

De stem krijgt een lichaam. Matthew Fontaine staat bij me, vanuit Noord-Engeland opeens in mijn werkkamer, waar een intensief seizoen uit zijn leven vorm kreeg op een scherm. Hij kijkt nu naar datzelfde scherm. ‘Ik geloof niet dat dit een bijzonder inspirerend begeleidend schrijven is,’ zegt hij. Zijn stem is als een kil, nat bos na een herfststorm.

‘Je bent bevoordeeld,’ waag ik te zeggen. Ik zeg niet dat ik misselijk en trillerig was toen het moment was aangebroken om dat begeleidend schrijven in elkaar te zetten. En dat ik, toen ik van tevoren boodschappen deed, bang was dat ik op straat zou gaan staan kotsen. Matthew vindt het van slechte smaak getuigen om over fysieke ervaringen te praten.

Hij snuift. De lange, krachtige gestalte lijkt nog wat langer te worden – en sterker. Hij fronst terwijl hij mijn bescheiden werkkamer bekijkt. Eén bureau en één stoel. De schilderijen aan de muur komen van Leen Bakker. Hij heeft in zijn kamer een jachttafereel hangen dat een paar eeuwen oud is. De leren stoelen bij zijn bureau zullen niet veel jonger zijn. Ik doe of ik de trek van weerzin niet zie als hij op een randje van mijn logeerbed plaatsneemt.

‘Er worden bijna geen romans meer uitgegeven.’ Zijn stem is nu redelijk. De herfststorm is voorbij – het is het allereerste begin van de lente. Nog wel koud, maar her en der wagen zich sneeuwklokjes de grond uit. ‘De kans dat er iets met jouw verhaal gedaan wordt is… nihil.’ Even denk ik dat hij zal zeggen dat hij dat jammer voor me vindt, maar Matthew is geen huichelaar. In de blauwe ogen die hij op mij richt is het nog geen lente. Ik zie een gletsjer die geen last heeft van de klimaatsverandering.

‘Als die kans nihil is, waarom ben je hier dan?’

Hij gaapt, hand beleefd voor zijn mond. ‘Ik ben hier zo vaak.’ Allebei kijken we even naar het scherm.

‘Je bent bang, hè?’

Stomme vraag: Matthew is dan wel geen huichelaar, maar hij gaat nooit bevestigen dat hij bang is. ‘Ik ben bezorgd om mijn gezin.’ De niet-smeltende gletsjer ademt koude uit. ‘Vind je niet dat ze genoeg hebben meegemaakt?’

‘Meer dan genoeg.’ Ik tuur naar zijn leren schoenen. Ik vraag me af hoe duur ze zijn. Raar eigenlijk dat ik dat niet weet. Dan tuur ik – omzichtiger – naar zijn kostuum. Zelfs als hij als een soort spookbeeld verschijnt draagt die man een kostuum.

‘Ik kan je veel vaker komen lastigvallen,’ snauwt hij. ‘Op momenten waarop je het het minst verwacht.’

Ik glimlach en probeer nog steeds zijn blik te vermijden. Hij snapt niet dat hij altijd welkom is, zelfs als hij dreigt. Hij is bijna familie – heel goede familie. En waar hij is, is zijn gezin vlak in de buurt. Straks hoor ik Anna lachen, ergens beneden. Zoë zal misschien de trap op hollen.

‘Laat ons los.’ Hij gaat staan, vouwt zijn handen op zijn rug. Hij wordt nog meer de graaf van Northend zoals hij was voordat Anna hem mildheid bijbracht. ‘Hoe je aan ons hangt is onnatuurlijk. Je mag op bezoek komen op Northend Abbey, zo vaak als je wilt’ – het aanbod wordt op onenthousiaste toon gedaan – ‘maar geef ons de kans om door te gaan met onze levens.’

‘Dat is precies wat ik wil, ook voor mezelf.’ Het liefst zou ik net als Matthew gaan staan, maar de kamer is klein en hij lijkt hem te vullen met zijn stille gletsjer-aanwezigheid. Ik waai wat met mijn handen. ‘En dat lukt pas echt als ik jullie verhaal deel met de wereld. Dat snap je toch wel?’

Matthew bijt zijn tanden steviger op elkaar. Zelfs al was zijn gezin er, dan zouden ze nu niet naar ons toe komen.

‘Misschien zullen andere mensen ervan genieten om jullie te leren kennen,’ mompel ik.

Matthew is verdwenen. Ik werk verder aan mijn begeleidend schrijven voor de uitgeverij. Voordat ik op vakantie ga, wil ik dat mijn verhaal ook op reis gaat. En wie weet waar de reis stopt…

De Stooplaan in september

Photo by Gian Guinto on Unsplash

De eerste maandag en dinsdag van september liep ik in de avondschemering door straten die ik mooi vind, maar waar ik te weinig kom.

Op beide avonden dwaalde ik vanaf het Halmaheiraplein naar huis. Ik kwam door de Bankastraat, waar de bomen en de huizen niet meer jong zijn. De bomen hellen over, misschien door hun leeftijd. Sommige lijken te groot voor een stad. De huizen uit de jaren dertig zijn bescheiden en de tuinen zijn klein, maar ze geven een gevoel van geborgenheid. Je gelooft dat je er een mus kunt zijn die onder een dakpan een veilige slaapplek vindt. Dat gevoel heb ik niet in de Vogelbuurt die zich rechts achter de Bankastraat uitstrekt, waar de straten vuil zijn en waar dingen gebeuren die opkomen in de gedachten van vervuilde zielen. Maar links van de Bankastraat heb ik het gevoel ook niet, in de nettere Indische buurt. Die buurt lijkt vaak onverschillig.

Aan het einde van de Bankastraat steek ik de nieuwe rotonde op de Oranjelaan over. Gelijk er voorbij houd ik stil bij dieporanje Afrikaantjes. Ik voel me opeens duizelig: aan het eind van hun bloei zijn hun bloemen overdadiger, uitbundiger, mooier dan ik dacht dat Afrikaantjes kunnen zijn. Wat aarzelend stap ik de Stooplaan in. Ik heb al een voorgevoel van wat er gaat gebeuren: nu de zon werkelijk onder is maar de nacht de wereld nog niet opeist, nu het laatste licht tovenaarskracht krijgt, wil de wereld me betoveren.

De Stooplaan heet met recht een laan. De tuinen zijn groter, de bomen statiger; het laatste licht is plechtig, eerbied opeisend. Ik geef het die eerbied: nu de herfst nadert, het licht niet meer hard is en de hitte verdwenen is, lijken de ranke takjes van bloemen als elfjes die echter zijn dan wat de Efteling op dat gebied produceert. Heel stilletjes loop ik verder. Als ik af moet slaan naar rechts, kijk ik naar links. Ik sta nu echt op de grens van dag en nacht: in de ernstige schemering lijken de kastanjes van de dijk pilaren van een poort naar een andere wereld. Ik geloof niet echt dat zich achter de Groenedijk alleen het Merwestein Park uitstrekt. Duizelig maar gelukkig zoek ik mijn eigen straat en huis op. Ik weet weer waarom de herfst me verrukt.

En dan wordt het gewoon woensdag, met werk en een slecht humeur (die twee hebben overigens niets met elkaar te maken). Als ik in de middag naar huis loop, holt de wind voor mij uit door de populieren door de Noordendijk. De wind die de populieren lastigvalt kan een fijn geluid zijn, maar mijn hoofd vindt dat vandaag niet. Ik neurie een zelfgemaakt liedje: ‘Let me fly away, like a leaf in autumn.’ Het liedje escaleert al snel. Ik fluister: ‘Let me be like a snowflake in spring.’

Maar ik wil geen blad meer zijn dat zich willoos laat meevoeren door de wind. Ik wil de somberheid in mezelf beheersen. Stel dat ik een afgevallen blad ben, dan gaat het er niet om dat ik voor eeuwig wegwaai en verdwijn in een wolk die boven zee uiteenvalt als een bui. Als ik een blad ben, dan kan ik me maar beter voorstellen dat ik langs de stoep neerval op vruchtbare aarde en een insect mij kan gebruiken als een deken om onder te overwinteren. En als ik tot een nerf verga, wat te aanlokkelijk kan lijken, dan dien ik me te herinneren dat ik zo voeding word voor de planten van het nieuwe jaar.

Al snel voel ik me wat beter. Willoos meewaaien met je gevoel is minder aantrekkelijk dan het jarenlang heeft geleken. Of het nu mijn calvinistische aard is of niet, ik vind het aangenaam dat ik er in slaag mezelf tot de orde te roepen. Met stevige tred loop ik door. Maar mijn gevoel loopt sneller – al snel haalt het me in, met zijn zelfde dreinende deuntje over weggewaaide bladeren en gesmolten sneeuw. En dan denk ik aan de maandag en dinsdag. Ik denk aan de Stooplaan in september, aan de glorie van de Groenedijk. Mijn gevoel glimlacht. Het blad is werkelijk aan de wind ontkomen.

De wereld voorbij de grenzen van de slaap

Foto: Zdeněk Macháček on Unsplash

Ik sta in mijn pyjama in de deuropening, mijn telefoon in handen. De zon verheft zich uit het water en eist dat ik haar fotografeer. Ik wil niet anders. Wat is ze mooi: gigantisch groot en rood als de prachtigste rozen. Dan knipper ik met mijn ogen: de zon verblindt me.

En ik ben wakker. Het is half 4. Om half 3 was ik eindelijk in slaap gevallen. Dit is de negende nacht waarin de vergetelheid niet naast me wil liggen op mijn bed. Ik tuur met zere oogleden naar het zwarte plafond.

Ondanks het slaaptekort gaat werken die dag best aardig. Ik doe zelfs meer dan ik had gedacht. Als iemand doorvraagt naar hoe het met me gaat voel ik even tranen in mijn ogen, maar die knipper ik weg.

Onderweg naar huis merk ik dat de wereld mooier is geworden. Op de dijk praten alle blaadjes. Niet met elkaar: ze kletsen met miljoenen door elkaar heen en ik zie ze allemaal individueel bewegen. Verderop staat frisgroen onkruid. Het is maar een paar centimeter hoog en toch sta ik eronder, naast een muisje dat een gesprekje met me voert. Bijna ben ik terug in mijn kindertijd.

Ik dwaal verder en geniet: zonnestralen die door de frisse wind alle kanten uit worden geblazen, de geplukte braam die heerlijker is dan gebak. Ik begin me langzaam te realiseren dat slaaptekort voordelen heeft: je wordt er high van. Op dat moment knal ik tijdens het oversteken bijna tegen een fietser die ik totaal niet heb gezien – dat dan weer wel. Maar even verderop hoor ik de wind als een vriendelijke draak door de populieren ruisen en droom ik verder.

Ergens weet ik wel dat ik niet mezelf ben. Mijn ringtone voor WhatsApp klinkt alsof ik iemand het tweede woord hoor zeggen van: ‘Nanika nomimasenka’ (‘Wil je iets drinken?’ in beleefd Japans). Ik heb ’s avonds thuis een vergadering over een magazine van de kerk. De aanwezigen zijn gezellig, maar misschien vind ik het wat té leuk. Ik lach te hard en vind het bijna onmogelijk om daarmee te stoppen. En waarom kan ik een eenvoudig woord als “bordje” niet meer uit mijn mond krijgen? Het is vast goed om te gaan slapen.

En dat slapen lukt zowaar. Twee uur lang. Dan is het middernacht en hoor ik buitenlandse muziek. Vast van de jongeren die vaak ’s avonds in de straat in hun auto’s chillen. Even ben ik zo kwaad dat ik me kan voorstellen dat ik op Geert Wilders zou stemmen. De slaap is weg en iets anders komt er voor in de plaats: de donkere uren waarin ik niet high ben, de uren waarin mijn hoofd eindeloos met zichzelf discussieert. Over boeken die klaar zijn om naar uitgeverijen te gaan terwijl mijn zenuwen daar nog niet klaar voor zijn.

Uiteindelijk, na half twee, slaap ik toch nog even. Ik word wakker van de wekker en stel me voor dat er een politieke partij wordt opgericht die alle wekkers het land wil uitzetten.

De zon is net op als ik buiten stap, wel groot, maar niet rood: ze is zo bleek als ik me voel. Op de kade liggen blikjes, omhulsels van gegeten noten en verpakkingen van McDonald’s. Kauwen pikken eraan. Er dwaalt ook een collectie jonge Egyptische ganzen over de kade, mager en met hoog opgetrokken poten, alsof lopen nog nieuw voor ze is. Ze gaan schuchter voor me opzij, maar er is er slechts één die echt opvliegt.

Ik loop verder en hoor eksters. Voor het eerst valt het me op dat die Chinees praten. Ik moet nog moeier zijn dan ik me voel. Op de Noordendijk lukt het me niet eens meer om te denken. Dat is op zich niet erg – lekker rustig als er niemand tegen me praat. Bij het Vlij (wat een geweldige naam is dat toch) dwaalt er lichte mist op het water. Dat geeft precies weer hoe het er in mijn hoofd aan toegaat. Voor het eerst sinds al die jaren dat ik er loop valt het me op dat de stoep heuvelachtig is: ik moet uitkijken dat ik niet struikel over oneffenheden – of grassprietjes. Op een verkeersbord zit een kraai, die toekijkt terwijl ik stuntel. Dan lacht hij en vliegt weg. Het wordt denk ik een lange dag.  

Een onzichtbaar, zichtbaar, gesloten of toch open boek

Komende december ben ik tien jaar in dienst bij (Vrienden van) De Hoop. Er is één iemand die tien jaar geleden al op dezelfde afdeling werkte als ik en dat nu nog steeds/weer doet. En juist die collega vroeg zich af of ik in staat zou zijn over haar een column te schrijven. Ha! Een boek zou me ook lukken, Ellen Brouwer.

Eigenlijk kwam ik al elf jaar geleden naar de afdeling Media, als cliënt van De Hoop die “een paar maanden” werkervaring zou opdoen. Maar toen was Ellen met zwangerschapsverlof. Ze was een onzichtbare collega. In de jaren erna bleef ze dat een beetje. Ellen is een vormgever. Vormgevers zijn ook mensen, maar ze zijn… anders.

Er waren in mijn begintijd twee vormgevende cliënten, en die waren zo temperamentvol dat ik bang voor ze was. Ze gaven ook aan hun emoties nogal duidelijk vorm. De professionals waren vriendelijk, maar stonden niet dicht bij me. Ik trok meer op met de schrijvers. Er was één uitzondering, een oudere man met wie ik goed kon praten. Maar juist hij zei ooit iets tegen een cliënt dat me zo raakte dat ik mijn geringe moed bij elkaar verzamelde en hem vertelde dat hij zoiets niet kon maken. Ellen zat erbij. Haar enige opmerking was: ‘Ik vind dat hij gelijk heeft.’ Ellen is een Zeeuwse, en ik ken de Zeeuwse leus over dat worstelen en boven water komen. Ik had het niet erg gevonden om haar even onder water te laten worstelen. Ik ademde diep in en hield me voor dat Zeeuwen stug zijn. Of bot.

Mijn veilige-nest-jaren bij Media kwamen ten einde. Mensen met verder reikende blikken dan ik vonden dat ik voortaan het magazine van De Hoop bij Vrienden van De Hoop moest gaan schrijven. Vreselijk vond ik het. Ik ging weg bij mensen die me nader stonden dan sommige familieleden. Het werd nog erger: de afdeling Media werd opgeheven. Mijn familie ging verhuizen naar een ver land, en ik mocht niet mee.

Ellen werd ook achtergelaten. Ze ging voortaan vormgeven bij Vrienden. Daar werd ze niet blij van. Dat wist ik wel, ook al zei ze er niet er veel over. Ze zei sowieso niet veel toen ze eenmaal op de afdeling zat. Ik zag vanaf mijn eigen werkplek nog net haar kuif boven het grote Apple scherm waarachter ze zich verborg.

O, wacht, even een kleine zijweg in. Voor de duidelijkheid: die kuif is heel stijlvol. Dat is zo irritant aan Ellen, dat alles bij haar altijd een mooie vorm heeft. Ellen gaat naar een winkel vol tweedehands spullen waar ik alleen lelijkheid zie en komt terug met een prachtig plantenpotje. Ellen draagt prints en leer, en wat bij een ander kitsch zou zijn is bij haar stijlvol. Planten die bij mij doodgaan, groeien als zij ze aandacht geeft. Zij geeft tegenwoordig de planten water op de hele afdeling, en we werken nog net niet in een oerwoud.

Ellen bleek ook te kunnen praten. Wow, een Zeeuw die grapjes maakte (over heksen, dat wel, met de suggestie dat een bezem best een goed vervoersmiddel voor mij zou zijn). En toen – nog een keer wow – ging ze ook af en toe over zichzelf praten. Bijvoorbeeld over hoe moeilijk ze verandering vond. Het werd me duidelijk dat ze niet een botte maar een verlegen, soms angstige Zeeuw was.

Ik zag Ellen werken met cliënten. Dat deed ik zelf ook, en ik werd er soms moedeloos van, maar Ellen gaf het energie. Zij heeft een diepe passie om ze verder op weg te helpen. Dat is het uitgangspunt bij alles wat we doen, en dient belangrijker te zijn dan de dagelijkse drukte. Bij haar is het echt zo.

Ellen werd steeds eerlijker. Ze vertelde dat ze het niet leuk vond als ik fronsend op haar af kwam lopen – het riep associaties bij haar op die niet aangenaam waren. Ze praatte over haar gezin. Ze vertelde over haar zorgen, maar ik zag ook haar nuchterheid. Ze liet zich niet meeslepen door stress, kwam in actie voor haar kinderen en kon nog steeds lachen. Ze is geen stugge Zeeuw. Ze is een eerlijke Zeeuw, en daardoor een machtig mooi mens.

De warmste dag ooit

Foto: Pixabay

Donderdag was de warmste dag ooit in Nederland. Weinig mensen zullen dat niet weten. Zelfs al sloot je je op in een kelder met airconditioning, dan nog schreeuwden alle media het je toe. Iedere vriend op Facebook vond het nodig om te zeggen hoe warm ze het hadden. Ik durfde er niet te schrijven dat ik nauwelijks last had van de hitte. En al helemaal niet dat ik de dag ervoor de wind frisjes had gevonden.

Donderdag had ik een afspraak bij de kapper. Ondanks dat de zon me niet deerde en ik ’s nachts heerlijk had geslapen (zonder hulp van slaappillen of ventilators) twijfelde ik toch of ik, zoals gebruikelijk, te voet zou gaan. Ik probeerde verstandig te zijn. Maar uiteindelijk stopte ik een flesje water in mijn tas en ging ik op pad. Alleen de brug naar Zwijndrecht was hoger dan anders.

Ik was voor het eerst sinds een half jaar weer bij mijn vertrouwde kapster. Hoera! De aanblik in haar spiegel was minder geweldig. Wat zag ik onder mijn rechteroog? Een vouw in mijn huid die er permanent uitzag. Hij heeft de vorm van een traan, niet door mij gelaten maar door de tijd. Confronterend. Ik dacht aan dagcrèmes, nachtcrèmes en net niet aan facelifts. Ik dacht aan jaren die voorbij zijn, aan mijn jeugd en sommige dromen. Geen gezin. Nooit. Echt nooit.

Maar de laatste tijd weiger ik somber te worden. Dat ben ik al te veel geweest. Twee weken geleden heb ik de film Tolkien gezien. De jonge man die maar net de Eerste Wereldoorlog overleefde en daarna miljoenen inspireerde met The Hobbit en Lord of the Rings, maakte me strijdlustig. Voor iemand die schrijft ligt de hele wereld open.

Ik heb toch immers mijn eigen boek? Steeds meer wordt het zoals ik het altijd gewenst heb. Ik heb het twee maanden weggelegd en werk er nu weer aan met nieuwe energie. De rustpauze was zinvol. Ik zie beter hoeveel zinnen totaal onnodig zijn. Waar ik twee bijvoeglijke naamwoorden in een zin gebruikte, schrap ik er eentje en plots verschijnt uit de klomp klei de vaas die ik in gedachten had. Nog even en ze is geglazuurd.

Donderdagavond ging ik alweer naar de film, met iemand van het werk. We keken elkaar alleen maar aan toen, vlak voor aanvang, een vrouw met een kruk binnenstapte die in haar vrije hand een stok voor een dweil vasthield. In mijn hoofd begonnen synapsen spontaan te jeuken. In kleine dingen komt een wereld aan fantasie vrij. Ik dacht aan die keer toen ik een collega tegenkwam die, op de dijk, onderweg naar het werk, een boek tevoorschijn haalde en begon voor te lezen over hoe de zon opkwam. De inspiratie ligt op straat. Of loopt de bioscoop in.

We zagen overigens Yesterday. Geen slechte film, maar de trailer beloofde meer dan hij waarmaakte. Toen ik na afloop de bioscoop uitliep dacht ik even dat ze een hittescherm hadden opgehangen. Maar nee, dat was de buitentemperatuur, die leek op die van een oven waarin iets zachtjes wordt ontdooid. Oké, de warmte viel me nu toch wel op.

Het was half elf, het was donker, mijn gezelschap holde naar de bus en ik liep naar huis. Ik dacht weer aan Tolkien, die een hele wereld schiep die mensen liet dromen. Hij werd geïnspireerd werd door de nachtmerrie van een oorlog, maar ook door alles wat mooi was aan zijn jeugd. Ik geloof dat mijn eigen boek ook mensen kan meevoeren een andere wereld in. Voilà, ik heb het geschreven en ik zal het niet haastig of onzeker wissen.

Ik maakte een kleine omweg zodat ik even langs de oever van de Merwe liep, waar een frisse wind blies, die dromen meevoerde. En dat zou een mooie afsluiting van dit verhaal geweest zijn, maar ik moet nog vertellen dat iemand aan wie ik feedback op mijn boek had gevraagd, na vele maanden wachten twee dagen later eindelijk begon te reageren op het eerste stuk. Hij gaf feilloos aan wat er nog niet aan klopt. Dat was waardevol. Maar zijn opmerking ‘Ik vind je personages een beetje lijken op die van The Little House on the Prairie’ was erg. Er is nog meer te doen dan ik dacht.

Verbeeldingskracht

De meeuwen scheren door de lucht als de wapens die een messenwerper willekeurig weg werpt. Als Zoë ze ziet, rent ze met gespreide armen rondjes om me heen en gilt: ‘Ik kan vliegen!’ Ik hef mijn hoofd naar de zon en glimlach.

We lopen naar de berging, voor mijn fiets. Zoë is een verzinsel van mijn verbeelding (hoewel ik een aai kan geven over haar blonde haar, en ik haar lach in mijn oren duidelijk hoor, ijl als van een kwetterende vogel), maar mijn verbeelding is vreemd genoeg niet in staat een kinderzitje te verzinnen. Zoë zit op de bagagedrager. In mijn straat liggen de stenen nogal ongelijk en achteloos, dus Zoë stottert als ze roept:

‘I-i-ik vind het l-le-le-leuk achterop. Het-t-t is – au!’ (een wat grotere, bottere steen) ‘Het-t-t is leuker dan met de auto!’

‘Mooi zo!’

Rechts en nog eens rechts en we rijden de Noordendijk op, waar asfalt ligt. Plots zoeven we. Naast ons stuiven nog veel snellere auto’s voorbij; Zoë grijpt zich steviger vast. Dan kijk ik of er geen auto’s te dichtbij zijn en gaan we naar links; we racen de dijk af. Zoë juicht en trekt haar handen los. Ik zie het niet, maar ik weet dat ze ze de lucht in gooit. ‘We vliegen!’

‘Houd je vast, Zoë! Anders is het gevaarlijk!’

‘Nee hoor,’ roept ze. ‘Ik zit prima-pal-perfect achterop en jij kijkt uit, hè Els?’

‘Vasthouden, Zoë,’ roep ik, al zijn we allang weer in platte straten.

Het zijn niet de beste straten: smal en vuil, ook op zonnige dagen vol schaduwen en grauwigheid. We komen in de straat waar het Leger des Heils een opvang heeft. Een man met haar dat te lang geen kapper heeft gezien, steekt vlak voor me over. Ik knijp in de remmen – en knijp mijn lippen op elkaar om niet te roepen dat ook als je bij het Leger zit, je kunt uitkijken waar je loopt.

‘Je moet bellen met je fietsbel, Els!’ roept Zoë. ‘Dan let hij op als wij hallo zeggen. Hallo, meneer, hallo! Wij zijn aan het fietsen!’ Maar de man hoort het verzinsel van mijn hoofd niet. Hij sloft verder, met het obligate bruine blik goedkoop bier in zijn hand.

Wat later lopen we in de supermarkt. Ik wil dat Zoë mijn hand vasthoudt, maar mijn verbeelding gaat haar eigen gang. Bij de groenteschappen knielt ze neer bij een stuk gember, waar ze aandachtig naar tuurt. Ik wil zeggen dat ze met haar vingers overal vanaf moet blijven, maar ik vind mezelf onderhand een zeur. En niemand ziet Zoë. Dat scheelt.

Ik dwaal door de winkel. Champignons. Diepvriesspinazie. Brood. Kaasblokjes? Bonbons? Andere dingen die mijn gezonde ik zou willen mijden en ook weer niet?

Opeens glijden Zoë’s vingers in de mijne. ‘Een bonbon is lekker, hè? Zomaar eentje, die precies op je tong past en die je dan lang-lang-allerlangst op je tong laat smelten en waar je de hele dag nog aan denkt.’

Als ik een bonbon eet, denk ik aan de rest van de doos. Maar dat zeg ik niet. Ik leg de doos bonbons terug en loop met Zoë naar de kassa. Ik overweeg om met haar naar een chocolaterie te gaan en ons daar te trakteren op allebei één bonbon. Alleen zijn we dan te lang in de stad en ontdooit mijn diepvriesspinazie.

We gaan terug naar huis. Bij het Leger des Heils zie ik dezelfde man als van de heenweg tegen een muur geleund staan. ‘Goedemorgen,’ roep ik, voordat Zoë dat kan doen.

De man zegt niets terug, maar zijn zwarte ogen worden lichter. Zijn hand zwaait even, als een trage vogel.

Als ik weer bij de berging ben, zie ik dat Zoë niet meer achterop zit. Even die vreselijke schrik: ik heb haar toch niet bij de supermarkt laten staan? Maar nee, ik weet dat Zoë overal is, en tegelijk nergens. Helaas.

Later lig ik op de bank en heb ik er spijt van dat ik die bonbons niet heb gekocht. Het is zo stil in huis. Ik denk aan de woorden van Zoë. Ik vraag me af hoe het mogelijk is dat mijn verbeelding wijzer kan zijn dan ikzelf.

Wat de muis ervan vond

In mei zijn bomen het weelderigst. Hun bladeren zijn groot, maar nog zo nieuw en fris dat de bomen er uitbundig mee pronken. Hun bladerdak is – of lijkt – breder dan in de zomer, als het groen donker en normaal is geworden. Onder de bomen wuift of juicht het gras. De boterbloemen glanzen mooier dan ieder boeket bij de bloemist.

De hernieuwde levendigheid van de natuur zorgt helaas wel voor enige zaken waar ik niet blij van word. Als ik op een zonnige middag naar huis loop en net bedenk dat het leven prachtig is, zie ik op de Oudendijk een kat waarvan ik even denk dat hij een sprongetje van vreugde maakt. Dan komt mijn menselijk realisme terug. De kat holt de dijk over en voor hem uit holt een zwart miniwezentje.

Ik loop verder, in de richting van de kat, en zet me schrap voor wat ik zal zien. Het moment dat de kat net de muis bespringt? Of nog erger: de kat al aan de maaltijd?

Maar het gaat anders: kat en muis zijn in gesprek, of kijken elkaar in ieder geval rustig aan. Dan trippelt de muis weg, in de richting van hoog gras bij een kastanjeboom. Ik hoop dat ze onzichtbaar wordt voordat de kat zich zijn normale gedrag herinnert en loop intussen haastig verder. Ik hoef de uitkomst niet te weten. Ik kom op een stukje dijk waar lindes staan. Genieten.

Dan trippelt er wat naast me. Eén van mijn oren werkt niet meer zo goed, maar ik hoor toch duidelijk voetstapjes op het asfalt. ‘Ben je blij voor mij?’ piept de muis. Vanaf mijn grote hoogte zie ik haar oogjes nog net glanzen.

Ik zeg niets. Ik loop door. Ik praat niet met muizen, ook niet in mijn gedachten. Daar krijg je – juist, je had het al geraden – muizenissen van.

‘Jij hielp mij niet, maar ik vond het toch leuk dat je bezorgd om me was,’ roept de muis naar mij omhoog. ‘Wij wilde dieren zijn meestal alleen bezorgd om onze eigen familie. Ben jij stiekem een muis?’

Ik kijk de dijk af, naar een veld waar paarden en pony’s onbekommerd grazen. De zon schijnt op hen.

‘Ja, hè?’ piept de muis. ‘Toch? Nou?’

‘Ga nu maar naar je hol. En kijk uit met katten.’

Even is het stil. Geen gepiep, geen getrippel. Dan jeukt mijn enkel plots. Bijna schud ik met mijn been, maar ik realiseer me nog net of tijd dat ik dat niet moet doen. De muis holt over mij heen omhoog. Even later zit ze op mijn schouder. ‘Mooi uitzicht!’ piept ze verzaligd.

‘Heb je geen jongen waar je voor moet zorgen?’ Ik probeer mijn schouder stil te houden, maar de kleine pootjes van de muis kietelen mijn huid, of misschien zijn het de vlooien die ze vast bij zich draagt. ‘Als je te lang bij me blijft, is het een enorm eind teruglopen.’

De muis is even stil. Dan kruipt ze dichter bij mijn (goede) oor. ‘Jij bent toch geen muis. Jij denkt heel veel na.’

Ik zucht en zwijg. De muis zucht ook, maar dan alsof ze zonnestraaltjes uitademt.

‘Serieus,’ zeg ik. ‘Je bent klein, en je –’

De muis knabbelt aan mijn oor – liefdevol, denk ik. ‘Maak je niet dik.’ Ze piept weer een paar keer, en de zonnestralen kriebelen in mijn gehoorgang.

‘Niet grappig.’ Ik schud een beetje met mijn schouder.

‘Dat was geen commentaar op jou.’ De muis knabbelt wat verder; ik voel rillingen tot in het kleinste kootje van mijn kleinste teen. ‘Jij denkt echt te veel na, hoor. Geniet gewoon van de zon, en van de bomen en van –’

‘Dat deed ik. Totdat jij kwam. En nadenken is goed. Zo zorgen mensen ervoor dat ze niet door beesten worden opgegeten. Denk daar maar eens over na.’

Misschien doet de muis dat: het is even heel stil. Ik voel zelfs niets kriebelen. Ik denk ook na. Ik voel me plots schuldig over mijn onaardige woorden. Maar ik schud mijn schuldgevoel van me af. Ik kijk niet eens om om te zien of de muis wel goed landt. Ik loop snel verder. En toch denk ik – ondanks mijn slechte oor – dat ik een iel stemmetje hoor roepen: ‘Wat kattig van je!’

De zeventiende graaf van Northend

De laatste keer dat ik bij Northend Abbey was, vluchtte ik samen met Zoë voor een onweer. Net toen de regen striemend zijn energie op ons af begon te reageren, holden we de zijdeur in van het landhuis. Waarom weet ik niet, maar daar verloor ik Zoë uit het oog.

Nu sta ik alleen op de zwart-witte tegels van een gang met hoge, kleine ramen. Er is bijna geen licht: de tegels lijken grijs. Ik glibber verder het huis in en de stilte tuurt naar me vanuit de stille gang, waar ze overal op me wacht of me juist afweert.

Ik kom in de grote hal van Northend Abbey. Een imposant brede trap leidt naar schaduwen, alsof wie hem betreedt op kan klimmen naar het onweer dat ik nog steeds hoor grommen, onvriendelijk on ongenuanceerd. De vele voorvaders en -moeders van de familie Fontaine die op schilderijen staan afgebeeld, schuilen voor de regen: ik zie ze nauwelijks in de doffe lijsten. Het harnas dat op de begane grond staat glanst niet. Alleen op de hellebaard valt licht, misschien van de bliksem, zodat het snijvlak dodelijk scherp lijkt.

Dan staat hij opeens naast me, opgedoemd vanuit de schaduwen, of afgedaald vanuit het onweer. Matthew Fontaine, de zeventiende graaf van Northend. Mijn hart slaat even wat sneller, omdat het zo’n knappe man is, of toch uit angst. Zijn gezicht is marmer, glad en koud (ik weet het zonder dat ik hem aanraak). Zijn ogen zijn gletsjermeren. Ik snap niet altijd waarom zijn vrouw zo gek op hem is.

‘Dat hoef je ook niet te begrijpen,’ zegt hij, en dan realiseer ik me pas dat ik hardop heb gedacht (hoop ik).

Ik doe een stapje bij hem weg en struikel nog net niet tegen het harnas. ‘Hoe gaat het?’ stamel ik.

‘Weet je dat ook niet?’ Hij glimlacht en zijn gezicht is als een reclame voor een mannenparfum, of een droom van perfectie. Zijn ogen worden meren in de zomer, warm en uitnodigend.

Hij ís ook warm en uitnodigend – echt. Maar alleen voor zijn vrouw en zijn kinderen. En misschien voor de mensen die op bezoek komen in het rustoord dat hij en Anna hebben gevestigd in Northend Abbey. Maar het liefst wil hij dat buitenstaanders hem met rust laten.

‘Zeg,’ mompel ik heldhaftig, ‘ik dacht dat ik jouw gedachten kon bepalen. Het is niet de bedoeling dat jij de mijne –’

‘Volgens mij lijken we meer op elkaar dan jij wilt. Of ben ik wat jij wil zijn.’ Iets dichter komt Matthew bij me staan. ‘Jij wilt toch ook een rots zijn op volle zee, waar de noordenwind op blaast zonder dat je huivert? Jij wilt toch ook niets voelen? Of wil je juist wel voelen, maar dan zonder dat het pijn doet?’

Ik kijk weg, naar het harnas, dat nu helemaal in het duister gehuld is. Het lijkt of het onweer terugkomt. Zijn handen strekken zich door de ramen naar ons uit.

Matthew staat nog steeds vlak naast me, een pilaar in zijn paleis. Ik hoor hem niet eens ademen. Ik hoor alleen mezelf – ik voel mijn adem in mijn longen alsof ik gerend hebt.

‘Wel?’ zegt Matthew. Ik heb nooit geweten dat zijn stem kan zijn als van de eerste bries van een naderende storm. Dat moet ik misschien eens in een boek gebruiken, of zou dat te theatraal zijn?

‘Wel?’ herhaalt Matthew. Ik voel klamheid. De storm nadert; zo zal het opnieuw regenen.

‘Laat me met rust,’ snauw ik.

‘Zo moet jij niet tegen mijn papa praten!’ Opeens is Zoë er weer. Ze dringt haar kleine, sterke gestalte tegen ons in. ‘Papa is lief!’

Ik wil iets zeggen, over wat papa echt is, maar Zoë trekt Matthew mee aan een hand, bij mij vandaan. Hij laat zich leiden en even denk ik dat ik zijn glimlach voor zijn dochter voel, ergens vanbinnen. Dan draait Zoë zich om. Een bliksem flitst uit haar ogen naar me toe.

Ze is solidair met haar vader – dat is mooi. Toch wil ik roepen: ‘Kijk maar uit. Solidariteit doet pijn.’ Maar ik zwijg. Solidariteit is als onkruid. Je roeit het niet uit, en misschien is dat goed.

De eerste indrukken van Porto

Goede Vriendin en ik zijn in Porto. Ik weet niet of het aan ons ligt dat de serveerster begint te huilen terwijl ze onze koffie inschenkt en meeuwen bij een kathedraal spontaan poseren. Sommige mensen – mensen die ons goed kennen – nemen waarschijnlijk aan van wel.

Soms heb je van die reizen dat alles goed gaat. Mooi op tijd de auto bij de parkeerplaats, waarna je mooi op tijd naar Zaventem wordt gebracht. Daar heb je mooi de tijd om je te ergeren aan al die mensen die voordringen in verschillende rijen, waarna je bijna mooi op tijd door de regen een vliegtuigtrap opholt. In Porto snel de metro in, maar één keer zoeken naar een perron en eenmaal bovengronds gelijk je “residencia” zien. Mooi. Heel mooi.

Dus we beginnen ontspannen aan 7 mei, de eerste volle dag in Porto. We dalen door kronkelstraatjes vol vale gebouwen af richting de oude stad, maar al snel besluiten we dat we koffie nodig hebben voordat we verder kunnen. Geen probleem: de stad stikt van de “confiterias”: kleine koffiebarretjes met kwijlveroorzakende uitstallingen vers gebak. De serveerster neemt vriendelijk onze bestelling op (we wijzen aan welk gebak we willen), maar terwijl ze op knopjes drukt voor de koffie, zien we stille tranen over haar gezicht rollen. Ze begint te mompelen naar een man achter de balie (Portugees klinkt trouwens alsof een Rus zich waagt aan een Romaanse taal). De man legt een arm om haar heen, mompelt dingen terug, dirigeert ons naar een tafeltje en zorgt ervoor dat we ons bijna schuldig voelen. Gelukkig is de “americano” zo sterk dat die al snel onze aandacht afleidt.

We dwalen verder, door een stad die chiquer en kleurrijker wordt. Smalle straatjes, bonte huizen, brede lanen, uitbundige kerken. De eerste kerk die we van binnen zien, Clerigos, is een shock. In Porto hebben ze de barok uitgevonden. Wij als twee protestanten kunnen niet anders dan vaststellen dat we ons ongemakkelijk voelen als een altaar eruitziet als een gigantische suikertaart met daar bovenop een gedaante die lijkt op een operadiva. Is het toeval dat ik als ik ga zitten bijna een kerkbank omgooi, of is het een niet zo stil protest? Overigens is er in de kerk wel een indrukwekkend beeld van Christus nadat Hij van het kruis is gehaald, waarbij zijn wonden zo “levensecht” zijn dat je ervan huivert. Bij zijn tenen zie je het begin van de ontbinding.

We wandelen (nou ja, we kruipen hijgend) verder door smalle, steile straatjes, waar we stilhouden bij een muurtekening van een gigantische blauwe kat, of doorkijkjes bewonderen van eindeloze balkons en muren die bekleed zijn met geglazuurde tegeltjes die je bij ons aan de binnenkant van gebouwen ziet in plaats van aan de buitenkant.

We arriveren bij de kathedraal van Porto, waar een meeuw op een muurtje poseert met toeristen. Ik denk eerst dat hij toevallig blijft zitten voor iemand, maar als Goede Vriendin naar hem toe loopt, houdt hij zijn kopje schuin alsof hij wil zeggen: ‘Ik ga wel met je op de foto, maar alleen als ik een boterham van je krijg.’ Wij bewonderen kloostergangen bij de kathedraal die bekleed zijn met schilderijen van Delfts blauw, komen weer naar buiten en zien dat de meeuw inmiddels liggend op de foto gaat.

Wij dalen af richting de rivier, nog steeds door onmogelijk smalle, steile straatjes. Op balkons, op straatstoepen, overal waar maar plek is, groeien planten. Op andere plekken hangen Portugezen, die gapend de wereld nastaren of in gesprek zijn met hun buren.

Bij de rivier ruiken we de Atlantische oceaan. We steken over naar de andere oever, waar we lunchen en voelen hoe moe we al zijn. O, trouwens, in Portugal liggen de borden omgekeerd op tafel. Ze worden pas omgedraaid als er iets geserveerd wordt. Je eten krijg je supersnel en het is bizar goedkoop, net als de koffie (meestal een euro per kopje). Ik denk dat de Portugezen ook verwachten dat je weer snel weggaat, maar wij blijven zolang mogelijk hangen, terwijl we moed verzamelen om op te klimmen naar het hoogste uitkijkpunt over de stad. Onze vakantie is nog maar net begonnen. We moeten onze krachten sparen.