Eigenlijk ben ik een merel

Eigenlijk ben ik een merel. Toen ik vorige week op een receptie mijn bitterbal in de mosterd doopte, vroeg ik me af wanneer ze eindelijk insecten gaan serveren. Ze hoeven niet eens gefrituurd te zijn.

Ik heb op die receptie niets gezegd over mijn behoefte aan insecten. Tot nu toe heb ik mijn aviaire status (klinkt chic, hè?) zo veel mogelijk verborgen gehouden voor mijn omgeving. Niet iedereen begrijpt je als je ultieme idee van ontspanning is om wormen te prikken in het weiland langs de Noordendijk. Lang geleden ben ik erachter gekomen dat mensen zich niet kunnen voorstellen hoe aangenaam het is om je snavel op een drassige morgen tussen de grassprietjes te steken en eens goed te wroeten. Maar nu ik er eindelijk over spreek – of schrijf – of fluit: dat zouden meer wezens moeten doen. Echt. Je wordt er uitermate rustig van. Je krijgt spontaan meer wind onder je vleugels.

Sowieso zouden mensen meer ruimte moeten geven aan de vogel in hen. Ik zie er nog weinig praatgroepen voor, laat staan therapie om beter te leren vliegen. Het is jammer dat het zo’n taboe is om een vogel te zijn. ‘Vlieg op’ klinkt meer als spottend commentaar dan een stimulans, om over ‘een vreemde vogel’ nog maar niet te spreken. Vogels zijn niet vreemd. Nooit. Prent het in je oren, fluit het van de daken.

Daarom mijn besluit om deze blog te schrijven. Ik wil mijn aviaire status niet langer stil houden. Als ik eerlijk ben is die kant van mijn bestaan een stuk leuker dan de menselijke. In de weekenden hip ik bij de vroegste dageraad op de vensterbank van mijn slaapkamer, wurm mij naar buiten en strek mijn vleugels. Het eerste wat ik doe is zo hoog mogelijk vliegen. Omdat ik doordeweeks nauwelijks vlieg moet ik altijd even oefenen. Ik ben een paar keer tegen de ruiten van de flat aan de overkant gevlogen, maar zo vroeg op de dag heeft geen mens dat in de gaten.

De enige die helaas wel zien wat ik doe, zijn meeuwen. Ik kan me voorstellen dat mensen die eigenlijk meeuwen zijn dat stil houden. Dat zijn de enige mensen die beter mensen kunnen blijven. Het geschreeuw van die meeuwen altijd… Dat hun geschreeuw op gelach lijkt, is geen toeval, kan ik u vertellen.

Omdat ik aan het water woon, zijn er helaas meeuwen zat. Toen ik net ruimte gaf aan mijn merelidentiteit en in de weekenden begon te vliegen, raceten ze regelmatig achter me aan boven het water. Als ik zelfs maar de indruk wekte interesse te tonen in een halve boterham die op straat lag, kwamen ze in duikvlucht op me af. Dus daarom vlieg ik tegenwoordig eerst de hoogte in. Zo schud ik de meeuwen van me af. Meeuwen zijn laag-bij-de-gronds.

Een bijkomend voordeel van de hoogte in vliegen is, dat ik de wind in mijn vleugels voel. Alleen daarom al zou u de vogel in uzelf de ruimte moeten geven: om de wind door uw vleugels te voelen gaan, van de kleinste donsveer tot de grootste vleugelpen. Dat gevoel… dat gevoel is nauwelijks te beschrijven. Die wetenschap dat je in de lucht bent, van alles los, zogenaamd kwetsbaar maar eigenlijk ultiem vrij, en dat de wind om je heen is en door je heen en dat die wind je draagt… Je gaat ervan zingen, niet alleen met je snavel maar ook met je hart en met al je andere organen.

Poe… als ik er zo over schrijf lukt het me nauwelijks mijn menselijke status vast te houden. Ik moest even stoppen met typen om een liedje te fluiten – en omdat mijn vingers veren begonnen te krijgen. Maar ik ben weer mens. Ik moet niet vergeten om te vertellen dat nadat ik de hoogte in ben gevlogen en de wind heb gegroet en dank heb gegeven voor het feit dat ik een vogel ben, dat ik dan naar dat weiland aan de Noordendijk vlieg en wurmen ga pikken. Als ik het zo schrijf, klinkt het niet aantrekkelijk, maar dat is het dus wél. Ik hip tussen de ganzen en de duiven en ik ben gewoon mezelf. Dat wilt u toch ook?

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.