Geen inspiratie, geen KFC, geen sneeuw en geen eenhoorn

Photo by Nivia Espinoza on Unsplash

Ik zucht eens diep. Ik heb toegezegd een artikel te schrijven voor het kerstnummer van het kerkenblad, maar de inspiratie ontbreekt.

Samen met mijn teckel wandel ik door het groen rondom de Krommedijk, op zoek naar wat ik zou kunnen delen met de lieftallige lezers van de Omgang. Als mijn plannen door hadden kunnen gaan en ik naar Japan was vertrokken, zou ik het gehad hebben over Japanse kersttradities – of het logische gebrek eraan in een boeddhistisch land. Hoewel door wat slimme reclamemensen er toch één kersttraditie is: op kerstavond eten de Japanners… kip van Kentucky Fried Chicken. Tafels zijn weken van tevoren volgeboekt. Rare jongens, die Japanners.

Ik had ook kunnen schrijven over de stad waar ik zou gaan wonen, Sapporo. Daar ligt in de winter zo’n vijf maanden sneeuw. Ik las laatst dat door alle klimaatsveranderingen Sapporo de enige stad is waar ze nog zonder gebruik van kunstsneeuw Winterspelen kunnen houden. Ik zou over klimaatverandering kunnen schrijven, over onze taak voor de planeet te zorgen. Maar ik peins vooral over het feit dat er in zo veel kerstverhalen sneeuw ligt. Terwijl Christus toch echt in een warm land geboren werd.

Ik heb geen inspiratie voor een verhaal met sneeuw. Het is oktober, bijna twintig graden, en ik hoor parkieten krijsen. Iedereen die niet gelooft in klimaatverandering moet me eens uitleggen hoe die vreemde vogels tegenwoordig zo goed gedijen in Nederland. En ik ga niet naar de enige stad waar ze nog Winterspelen kunnen houden: ik zit midden in chemokuren. Terwijl ik dit schrijf is het de tweede week na kuur drie: mijn lichaam voelt alsof ik honderd ben in plaats van bijna vijftig. Met krakende botten loop ik verder, terwijl de inspiratie ook kraakt.

Dan word ik afgeleid. De teckel schiet tussen de brandnetels; hij is opeens bijna onzichtbaar. Ergens in de verte zie ik eenden opvliegen. ‘Brutus, hou op,’ roep ik, maar het is een teckel: die zijn eigenwijs. Ik loop verder, naar een bruggetje. Het water eronder is zo helder dat de bladeren op de bodem blinken als goud in een sprookje. Ik moet opletten dat ik niet te diep buk en beland bij Vrouw Holle.

Dan wordt er gekucht. ‘Fijn u te ontmoeten,’ zegt een verrassend diepe stem. Naast me staat een eenhoorn. Zijn hoorn is blinkend wit, zijn manen ook. Ik frons en hij hinnikt en duwt zijn gezicht dichterbij. ‘Had u verwacht dat mijn manen alle kleuren van de regenboog hadden?’ vraagt hij, terwijl hij me met donker glanzende ogen verdrietig aanstaart. ‘Dat komt door die akelige, op jonge meisjes gerichte reclame. Mijn soortgenoten en ik zijn eigenlijk heel ernstig, maar door films als –’

Woedend geblaf onderbreekt de eenhoorn: Brutus stormt op hem af en wil hem in zijn enkels (hebben eenhoorns enkels?) bijten. Opeens is de eenhoorn verdwenen. Hij was denkbeeldig. Dat is mijn teckel trouwens ook. En hij heet zeker geen Brutus. Ik loop in mijn eentje verder en denk: Waarom wil ik een sprookje schrijven voor kerst? Kerst is geen sprookje. We hebben de woorden uit Lucas zo vaak gehoord – ‘’Het was in die dagen…” – dat ze misschien dezelfde lading hebben gekregen als “Er was eens” of “In a galaxy far, far away”, maar ze zijn vandaag nog net zo echt als altijd. Ze zijn het begin van het verhaal waarvan wij het einde mee helpen schrijven.

Ik strompel door de tunnel onder de rondweg, langs het park Dubbelmonde. Er dwarrelen bladeren van de bomen. Als ik mijn ogen een beetje dichtknijp kan ik geloven dat het sneeuw is. En ze hebben bij Dubbelmonde twee Schotse Hooglanders. Met een beetje fantasie hebben we de os voor in de stal. De ezel denken we erbij, of ik speel er zelf voor.

Maar nee, ik laat de sneeuw en de stal los. In de sloot naast het pad zwemt een puberzwaan een stukje met me op. Hij is nog grijs, maar zijn veren beginnen wit te worden. Nu worden mijn gedachten ernstiger. Is deze zwaan geen voorbeeld voor ons? Wij zijn ook grijs, maar met potentieel om blinkend te worden, ons licht te laten schijnen. Nog een stukje verder loop ik naar Dubbelmonde, en nu word ik met voorbeelden om de oren geslagen: daar zie ik een vrouw staan vissen, en verderop een man. Vissers van mensen kunnen we worden, als we ons durven laten leiden door de man van Nazareth, die in Bethlehem werd geboren, in die stal, zodat hij in Jeruzalem gekruisigd kon worden, voor ons. Geen sprookje, maar een waarheid die we nog steeds te vertellen hebben aan de wereld.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.