Het gebed van een verslaafde

Een paar weken geleden werden we op school gevraagd het inleidende gebed te schrijven voor een kerkdienst waarvan we zelf de context mochten bedenken. Ik schreef een gebed voor een kerkdienst vol verslaafden.

Mijn gebed was ongeveer zo: ‘O trouwe Vader, vergevende Zoon, Geest die ons leidt, U bent soeverein over alles wat we doen. Hoewel we zondigen en vele vergissingen maken, laat U ons niet alleen. Help ons om daarvan bewust te zijn, zodat we het aandurven om afhankelijk van U te zijn en onze levens aan U over te geven. In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, amen.’

Natuurlijk kwam die context niet uit de lucht vallen. Ik beschouw mezelf nog steeds als een verslaafde. Aan eten, zeg ik er dan haastig bij, alsof dat minder erg is dan een verslaving aan alcohol, drugs of gokken. Dat is het niet. En de afgelopen tijd heb ik weer gemerkt hoe verslaafd ik nog ben.

De vraag wat ik als verslaafde “moet” bidden naar God speelde daarom al een tijdje door mijn hoofd. Bidden om uitredding? Bidden om overgave? Vreemd genoeg merkte ik dat als ik tegen God zei: ‘Heer, ik ben verslaafd’ ik me al beter voelde. Alsof ik dan eerlijk tegen Hem was geweest. Maar ik wilde meer. Maar wat precies? Wil ik van mijn verslaving af? En wil ik dat dan omdat ik bang ben dat ik weer dik word of omdat ik wil dat God belangrijker is dan eten terwijl Hij dat in mijn gedachten niet altijd lijkt te zijn?

Lastige vragen. Ik struikelde nou niet bepaald over hapklare antwoorden. Deze verslaafde bleef weer ervaren hoe sterk de behoefte aan snoep nog steeds is. Het is al zo’n 35 jaar een manier waarmee ik mezelf kan troosten, opvrolijken, afleiden, geruststellen. Ik kan niet eten en denken tegelijk, en dat is vaak erg fijn. Het is minder fijn dat als ik zwaarder word, me daardoor minderwaardig voel – en ook nog eens schuldig.

En riep God me intussen tot de orde? Helemaal niet. God sprak liefdevol tegen me terwijl ik naar een supermarkt liep om de verkeerde dingen te kopen. God liet me via iemand anders weten dat ik kon leren om van eten te genieten. En vreemd genoeg stelde me dat allemaal niet gerust. Ik worstelde verder, met heel veel ups gelukkig, maar ook met zwarte downs.

Weer – niet voor het eerst – liet God me zien dat Hij me niet laat vallen als ik het fout doe. Hij blijft trouw, ook als ik dat niet ben. En het is zo erg met me gesteld dat ik soms lekker achterover leun bij die wetenschap en nog een tijd doorga op mijn pad van chocolade, chips en constante gedachten aan meer, meer, meer.

Maar ik ga niet eindeloos door. Uiteindelijk gaat mijn geweten gelukkig praten, hoewel onrust over mijn uiterlijk en niet over God er een te grote rol in speelt. Die conclusie schudde me echt wakker. Want ik wil dat het wel over Hem gaat. Ik wil zo graag dat Hij de complete regie krijgt over mijn leven, dat ik Hem compleet vertrouw, dat ik niet naar snoep hoef te grijpen om alle vage angsten over de ongewisse toekomst in Japan te dempen. Ik wil me aan Hem overgeven. Maar ik weet niet hoe. Mattheüs 6:33 zit me al dwars sinds ik christen werd: ‘Zoek liever eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, dan zullen al die andere dingen je erbij gegeven worden.’ Hoe dan?

In het boek dat ik de laatste tijd ’s avonds voor het slapen gaan lees, komt het steeds weer terug: werkelijke overgave is de sleutel, in alles. Ik lees verhalen over zieke mensen die wonderlijk genazen toen God belangrijker werd dan de ziekte, over mensen die vertrouwden en een geweldig werk konden doen voor God. En ik denk weer: ‘Hoe dan?’ Ik roep al jaren dat ik me aan God wil overgeven. Maar ik geloof dat ik me nog steeds aan mezelf overgeef.

Dus dat bid ik naar God: ‘Help me om me aan U over te geven. Help me om echt alles in uw handen te leggen. En het niet terug te pakken.’

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.