Hoofdstuk Acht – Nu gaan wij je leren kennen

ELSGOZ3T4V

Nadat we iets meer dan een week naar het plafond hadden gestaard, reisden we naar Heathrow. In de aankomsthal stond Thomas stil naast me, zijn gezicht grauw en fronsend. Hij vertoonde weinig tekenen van enthousiasme over de komst van zijn familie.

Toen we gehoord hadden dat het vliegtuig was geland, kwam hij in beweging. Eerst liep hij in cirkels om mij heen. ‘Clark en Eve zijn momenteel in Nieuw-Zeeland,’ zei hij. Ik wist niet goed waar hij met die boodschap heen wilde, hoewel het fijn was om te weten dat Eve niet op bezoek zou komen om haar mede-Kiwi’s te begroeten. Toen kwam hij naast me staan. Hij legde een arm om me heen. ‘Ik hoop dat je mijn familie aardig zult vinden. Ik weet zeker dat zij van jou zullen houden.’

Ik glimlachte. ‘Vlei me niet.’

‘Dat doe ik ook niet. Wacht maar af.’

Toen was de familie er opeens. De voorhoede werd gevormd door twee kleuters die als vuurwerk de aankomsthal in schoten, terwijl ze om het hardst gilden: ‘Oom Thomas! Knuffel!’ Thomas begon te lachen en slaagde erin hen beiden tegelijk op te tillen. Even wankelde hij, en bijna viel hij om, maar de kinderen leken hem in balans te houden. De ene helft van de tweeling, Sophie, kuste hem keer op keer, terwijl haar broertje Michael bleef roepen dat hij eindelijk bij zijn oom was en dat hij dat “heel erg leuk” vond. Toen keek hij naar mij. ‘Dat is Caroline,’ zei hij.

Thomas zette de kinderen neer. ‘Inderdaad, dat is Caroline. Zij –’

‘Jij gaat met haar trouwen, oom Thomas,’ zei Michael.

Zijn moeder doemde naast Michael op. Ik had inmiddels foto’s van Eliza gezien, maar toch schrok ik toen ik haar in het echt zag: ze was een vrouwelijke versie van haar broer, net zo donker en bijna net zo lang, maar met een zachter gezicht. ‘Uit de mond van zuigelingen…’ lachte ze.

‘Wij zijn geen zuigelingen,’ zei Michael.

‘Wij zijn al bijna vijf!’ riep Sophie. Het meisje strekte haar handen naar me uit. Ik tilde haar op. Ze sloeg haar armen om me heen en gaf me een natte zoen.

Michael stond me intussen te bekijken met de frons van een Nobelprijswinnaar op zijn gezicht. ‘Wij hebben jou nog nooit gezien, maar nu gaan wij je leren kennen.’

‘Precies.’ Langs haar dochter heen kuste Eliza me. ‘Wat heerlijk om je eindelijk te ontmoeten, Caroline.’

‘Welkom in Engeland. Het is leuk om jullie te zien. Ik –’

Ik kreeg geen kans om mijn zin af te maken. Weer werd ik langs Sophie heen gekust, nu door Julie. Ze was kleiner dan haar broer en zus, mollig en rossig. Ze zag er jong en verlegen uit; het was moeilijk te geloven dat ze advocate was. Ook zij zei hoe fijn ze het vond om me te ontmoeten. Toen stortten Eliza en Julie zich op Thomas en bedolven hem onder kussen en knuffels en opmerkingen over hoe goed hij eruitzag en dat ze wel wisten hoe dat kwam. Sophie piepte dat ze ook naar haar oom wilde; ik zette haar neer. Intussen kwam het laatste lid van het reisgezelschap bij me staan: Jake. Hij was al behoorlijk lang, had piekerig donker haar en grote heldere ogen.

‘Ik vind McDonalds heel lekker. Ik wil uitzoeken of ze hier in Engeland andere dingen verkopen dan bij ons.’

‘Dat gaan we controleren,’ beloofde ik. Ik stelde me Thomas voor bij McDonalds en ik geloof dat ik grijnsde. ‘Wil je alleen naar McDonalds of ook naar andere ketens? Er zijn er heel veel in Londen. Ik denk dat we ze allemaal wel kunnen onderzoeken.’

‘Caro…’ Thomas kwam naast me staan. ‘Breng hem niet op nog meer verkeerde ideeën. Kom hier, kerel. Wat zijn dat voor rare plannen? Als je te veel fastfood eet, win je nooit van me met rugby.’

‘Oh jawel, hoor! Ik maak je in, oom Thomas!’ Jake besprong zijn oom en begon midden in de hal aan een worstelpartijtje. Thomas scheen het niet erg te vinden: hij deed voluit mee. Ik keek met enige verbijstering toe.

De komst van de familie zorgde voor meer veranderingen: we gingen niet in de Jaguar naar huis, maar in een busje. Thomas deelde een bank met zijn neefjes en was nog steeds aan het stoeien. Julie en Sophie keken een bank daarachter om zich heen naar Londen. Ik zat achterin met Eliza. Zij leek niet zo geïnteresseerd in de stad: ze richtte haar aandacht op mij.

‘De komende weken ben je de klos, Caroline. Ik wil alles weten over jou en Thomas. Ik had niet verwacht dat mijn broer nog verliefd zou worden. Daar leek hij nooit tijd voor te hebben.’

‘Hij heeft er ook niet veel tijd voor genomen. Het is allemaal nogal snel gegaan. Bizar, onverantwoord snel eigenlijk.’

‘Dat verbaasde me nog het meest. Thomas is helemaal geen type om dingen overhaast te doen. Ik was erg benieuwd naar de vrouw voor wie hij een uitzondering heeft gemaakt.’

Ik probeerde net zo theatraal als Brigitte met mijn ogen te rollen. ‘Ik zet me schrap voor het antwoord, maar mag ik vragen wat je eerste indruk is?’

‘Dat ik hem begrijp.’ Eliza glimlachte me stralend toe. ‘Dat is geen zoete halve leugen om het ijs te breken. Ik meen het echt. Jij bent geen doorsnee meisje dat alleen over zichzelf praat en over niemand anders nadenkt. Gelukkig maar.’

‘Ik moet je misschien waarschuwen dat ik wel vrij veel over je broer praat.’

Eliza gniffelde. ‘Vermoeiend, maar in jouw geval zal ik het je vergeven. Ik zal zelfs terugpraten. Ik zal je dingen vertellen die je nog niet weet – dingen die je tegen hem kunt gebruiken.’

‘Interessant – heel interessant. Kun je alvast een tipje van de sluier oplichten?’

‘Caro…’ klonk het weer.

‘Wat?’ vroeg ik, aller-onschuldigst. ‘Ik praat alleen maar met je zus.’

‘Ik had je gezegd dat je niet te veel naar haar moest luisteren. Ze is niet te vertrouwen.’

Eliza gniffelde opnieuw en schoof dichter naar me toe. ‘Ik hoop dat we goede vriendinnen worden. Ik denk het wel.’

Ik dacht het ook.

 

De rest van de dag was vol nieuwe indrukken. Michael pakte het plan mij beter te leren kennen nogal grondig aan en ging bij de lunch met me in gesprek over het feit dat ik een andere taal sprak. Hoe was dat? Waren de dingen die je voelde, bijvoorbeeld pijn als je viel, anders als je een andere taal had? Ik twijfelde eraan of hij echt “bijna vijf” was en moest hard mijn best doen om antwoorden te geven die hem tevredenstelden. Toen dat gelukt was, vroeg ik waarom hij zo graag wilde weten wat andere mensen voelden. ‘Dat vindt mama belangrijk,’ antwoordde hij. ‘Ik wil altijd ontdekken hoe dingen in elkaar zitten, maar zij zegt dat ik ook moet ontdekken hoe mensen in elkaar zitten. Ze wil dat ik snap wat gevoelens zijn.’

Ik had het idee dat ik die dag zelf ook heel wat over gevoelens leerde. Sophie wilde dat ik haar voorlas. Ik merkte dat ik het fantastisch vond om een klein meisje naast me te hebben dat bij alles dat ik las zelf ook verhalen vertelde en steeds dichter tegen me aankroop, totdat ze op mijn schoot belandde en daar niet meer weg wilde. Toen ze ten slotte toch wat anders ging doen, had ik gesprekken met Jake en met Eliza en Julie die zo leuk waren dat ik er net als tijdens mijn eerste afspraak met Thomas achter kwam wat een ontoereikend woord “leuk” eigenlijk is.

Het hele huis leek veranderd te zijn. Ik zag een vlek op een bank en de stoelen om de eettafel stonden niet meer recht. Hier en daar hingen kledingstukken van verschillende familieleden, en de rolschaatsen waarmee Sophie door de woonkamer had gecrost lagen nog in een hoek. Thomas was ook veranderd: hij grinnikte de hele dag en leek over te lopen van nieuwe energie. Toen de familie vroeg naar bed ging en we samen in de woonkamer achterbleven, kwam hij bij me zitten. ‘En?’ vroeg hij. ‘Wat vind je van ze?’

‘Ze zijn fantastisch.’

Thomas’ tevreden glimlach was terug. ‘Dat vinden ze ook van jou. Eliza zei dat zodra ze je zag ze wist dat ik een goede beslissing had genomen.’

Ik weet niet waarom ik bloosde. ‘Ze zei tegen mij dat ze begreep waarom je verliefd was geworden.’

‘Echt iets voor mijn zus.’ Thomas kuste me. ‘Die gloed van ons allereerste begin ligt over je gezicht, Caro. Hij staat je nog steeds erg mooi. Waar denk je aan?’

‘Heb je Eliza over Belinda verteld?’

Alle vreugde ebde uit hem weg. ‘Je dacht vast aan iets anders. Zelf denk ik in ieder geval dat dit niet het juiste moment is om het over Belinda te hebben.’

‘Dat denk je nooit. Je weet hoe graag ik meer over haar wil weten.’ Toen keek ik nog eens naar Thomas en besefte ik dat ik hem liever blij zag dan somber. ‘Sorry. Laat ook maar.’ Ik schoof tegen hem aan. ‘Ik weet niet waarom ik over haar begon.’

Hij legde een arm om me heen en zijn lippen streelden mijn slapen. ‘Zou je jaloers kunnen zijn op wat ik voor haar voelde?’

‘Is dat erg? En wat voelde je precies voor haar?’

‘Laat haar niet tussen ons in komen. Steve Hartford heeft al te veel mensen vergiftigd met zijn leugens. Ik wil dat je bij me blijft en als je zeventig bent nog steeds uren naar me kijkt.’

‘Dat zal ik doen – dat beloof ik. Maar praat alsjeblieft tegen me.’

Thomas stond op en liep door de kamer. ‘Soms lost praten niets op. Om antwoord te geven op je vraag: ik heb Eliza gemaild over mijn gevoelens voor Belinda. Voordat ze kon reageren had Belinda al zelfmoord gepleegd.’

‘Voel je je schuldig over haar dood?’

Hij hield stil bij het raam en keek naar buiten. ‘Ik was niet verantwoordelijk, zei je.’

‘Dat is ook zo. Maar je kunt je wel verantwoordelijk vóelen.’

‘Ik heb Belinda duidelijk verteld dat ik niet kon aannemen wat zij aanbood. Ik zou nooit een huwelijk ondermijnen. Zoiets doe je gewoon niet.’

‘Je hebt juist gehandeld.’

‘Ze heeft zelfmoord gepleegd, Caroline. Ze is dóód.’

Ik ging naast hem staan, zo dichtbij als ik kon. ‘Het was haar beslissing, niet de jouwe. Ze heeft zichzélf gedood.’

Thomas staarde nog steeds naar de stad en leek niet in de gaten te hebben dat ik bij hem was. ‘Omdat ik haar weggeduwd heb.’

‘Nee. De meeste vrouwen zouden anders gereageerd hebben. Ik zou geen zelfmoord plegen in dezelfde omstandigheden, hoeveel ik ook van je hou.’

Hij keek naar me. Ik zag lijnen om zijn ogen en zijn mond die daar gewoonlijk niet waren. ‘Belinda was de reden dat ik zo’n haast had toen ik jou ontmoette.’

‘Oh.’ Die wetenschap deed wonderlijk veel pijn.

‘Na… na haar…’ Er ontsnapte Thomas een woord waar hij zich in gewone doen nooit aan zou wagen. Hij liep bij me weg. Zijn armen zwiepten langs hem heen, alsof hij niet meer wist waar hij ze moest laten, alsof hij iets kapot wilde maken. Ik wilde naar hem toe gaan, maar ik was bang dat ik hem niet zou kunnen troosten. ‘Toen ik in Engeland kwam zat ik vol naïeve goede bedoelingen. Ik zou het bedrijf anders leiden dan mijn vader. Ik zou…’ Hij vermaalde woorden tussen opeengeklemde kaken. ‘Ik had de illusie dat ik een menselijk bestuurder kon zijn, dat ik een commercieel bedrijf winst kon laten maken en tegelijkertijd kon zorgen voor mijn naasten. Allemaal waanzin. Met Belinda werd weer eens bevestigd dat menselijkheid niet mijn sterkste kant is.’

‘Dat is niet waar. Ik heb in Nederland gezien hoe mild je bent in je werk. Je bent heel voorzichtig omgegaan met Fred van Bezemen. Je had geen zin om –’

‘Geen zin, ja. Ik had geen zin om actie te ondernemen, niet omdat ik zo menselijk was, maar omdat mijn werk me verveelde.’ Thomas keek weer naar me en er was zo veel verlangen en pijn in zijn blik dat ik naar hem toe liep en me tegen hem aandrukte. Hij streelde me, heel voorzichtig, alsof ik breekbaar was. ‘Mijn lieve Caroline… Ik was mild vanwege jou. Door jou kon ik niet scherp of koud zijn. Alleen door jou.’

‘Vlei me niet, niet nu. En wees niet zo hard voor jezelf; je doet jezelf tekort. Praat over Belinda – laat je pijn maar zien.’

‘Na haar durfde ik niets meer, behalve werken. Maar toen zag ik jou …’ Zijn grip werd steviger. ‘Wat heb je met me gedaan, Caroline? Als ik nu terugdenk aan die eerste dagen, kan ik me niet meer voorstellen dat ik grapjes maakte, probeerde te doen alsof alles normaal was. Niets was meer normaal en dat was fantastisch en verontrustend. Ik kon Belinda niet negeren. Tijdens die vergadering met Fred bedacht ik me dat haar gevoelens voor mij misschien net zo sterk en intuïtief geweest waren als wat ik voor jou voelde en wat ik hoopte dat jij ook voor mij voelde. Ik wist…’ Hij verbrak onze omhelzing maar bleef dicht bij me staan.

‘Wat wist je?’

‘Wat ik die eerste avond al tegen je zei: dat als ik je niet gelijk met me meevroeg ik het nooit zou durven. Als ik erover zou nadenken, zou ik gaan twijfelen. Ik was bang dat je gevoelens voor mij hetzelfde effect op jou zouden hebben als ze op Belinda hadden.’

‘Was je bang dat je me pijn zou doen? Dat je mij zou teleurstellen?’

‘Ik was bang dat ik je kapot zou maken – daar ben ik goed in. Ontken het niet, Caro; het is zo. Ik ben geen aardige man. Zelfs mijn angst was grotendeels zelfzuchtig. Ik was niet alleen bang voor wat ik misschien bij jou opriep, maar vooral voor wat jij bij mij losmaakte. Ik was bang dat je mijn gevoelens niet zou beantwoorden, dat je me alleen zou laten. Ik kon me niet aan de indruk onttrekken dat ik langzaam zou wegteren als jij niet…’ Hij grimaste. ‘Ik sta op het punt dingen te zeggen die jij melodramatisch vindt. Dat risico loop ik liever niet.’

‘Probeer je er niet vanaf te maken met een grapje – niet nu. Vertel me alles, Thomas.’

‘Er is niets meer te vertellen. Belinda is dood. En ik ben ook dood geweest. Niet omdat ik zo veel van haar hield – ook dat kan ik niet beweren. Ik vreesde dat als ik mezelf weer liet zien, ik nog meer onheil zou aanrichten. De afgelopen jaren heb ik mij op mijn werk gericht en iedereen behalve mijn familie en Clark en Eve op een afstand gehouden. Totdat jij alles overhoop gooide. Jou heb ik nodig, hoezeer ik er soms ook van… walg dat het zo is. Als Steve Hartford zich met ons blijft bemoeien, weet ik niet of ik mezelf kan inhouden. Ik zou hem het liefst…’ Hij trok me naar zich toe. ‘Nu heb ik echt genoeg gezegd. Blijf bij me, Caroline. Blijf bij me.’

‘Ik kan niet anders. Ik ben bang dat ik zonder jou ook niet kan leven.’

Thomas omhelsde me alsof hij me nooit meer los wilde laten.

 

De volgende morgen was de clan vroeg op. ‘Fastfood eten!’ riep Jake toen Thomas bij het ontbijt vroeg wat ze wilden gaan doen. De rest van de familie kreunde.

‘Niet nu al,’ zei Julie. ‘Mag ik alsjeblieft eerst die worstjes en dat ei laten zakken?’

Ik had mijn kans waargenomen en eindelijk zelf gekookt, al was het maar een ontbijt. ‘Het was echt Brits!’ zei ik. ‘Dat moet je uitproberen als je hier bent.’

‘Het was ook echt zwaar,’ pufte Julie. ‘Maar erg lekker, Caroline – heel erg lekker.’

‘Caro heeft onvermoede talenten.’ Thomas gaf me een snelle kus. ‘Eigenlijk is ze de perfecte vrouw, maar ze doet altijd net of ik haar in de maling neem als ik dat zeg.’ Ik duwde hem bij me vandaan en hij lachte. ‘Zie je wel?’

‘Je moet niet grijnzen terwijl je zoiets zegt,’ zei Eliza. ‘Dan ben je totaal niet overtuigend. En je moet details noemen, zodat ze weet dat je mening over haar perfectie ergens op gebaseerd is en niet zomaar een losse opmerking.’

‘Oh, is dat het probleem?’ Thomas’ ogen fonkelden. ‘In dat geval, Caro: je –’

‘Wat je nu wilt gaan zeggen, bewaar je maar voor vanavond,’ onderbrak ik hem. ‘Je bent vast ook niet overtuigend als je lieve dingen fluistert waar je familie bij zit. Ik kan je in ieder geval niet serieus nemen als iemand anders zit te grinniken. En ja: ik had het over jou, Jake – ik zag het heus wel. We gaan wat doen. Ik weet allang wat oom Thomas van plan is. Moet ik het verklappen?’

‘Ja!’ riep Sophie. ‘Ja, tante Caro!’

‘Hé, zo mag je haar niet noemen,’ riep Thomas terug. ‘Alleen ik mag Caro zeggen; voor jou is ze tante Caroline.’

Sophie stak haar tong uit. ‘Ik vind tante Caro leuker.’ Toen sprong ze van haar stoel af en begon op mijn benen te trommelen. ‘Zeg het nou: waar gaan we heen?’

‘We gaan naar de Zoo. Ga maar snel jullie spullen pakken.’

Er ging gejuich op en de kinderen renden van tafel. Ik kreeg die kans niet: Thomas trok me naar zich toe. Zijn ogen fonkelden nog steeds; zijn gevoelens van de vorige avond leken verdwenen. ‘Je hebt heel effectief de aandacht afgeleid. Was dat om mij te redden of jezelf?’

Ik kuste het puntje van zijn neus. ‘Ons allebei en geen van beiden.’

‘Een raadselachtig antwoord.’ Thomas’ lippen dwaalden over mijn gezicht. ‘Ga weg, Julie en Eliza – ik wil even onder vier ogen met Caroline praten.’

‘Juist,’ fluisterde ik terug. ‘We moeten praten – verder praten. Onthoud dat maar goed. En we zullen het niet alleen hebben over hoe perfect ik ben.’

Thomas liet me los. Even dacht ik de pijn van de vorige avond te zien. Ik was vastbesloten om die weg te wissen. Alleen daarom al wilde ik met hem praten.

Eerst richtte ik mij echter op zijn familie. Hoe kan ik beschrijven wat ik die dag allemaal met ze meemaakte? Er waren eigenlijk te veel indrukken. In de Zoo wilde Sophie steeds opnieuw dat ik haar droeg. Ze klemde zich aan haar nieuwe “tante” vast en praatte honderduit over haar poppen en over haar oom en over hoe lief ze me vond.

Haar tweelingbroertje bleef lang stilstaan bij ieder dier. De tijgers vond hij het “aller-interessantst”. ‘Tijgers jagen op dieren. Ze bespringen ze en dan eten ze ze op,’ vertelde hij mij.

‘Dat weet ik. Wel een beetje zielig, hè, voor die andere dieren?’

Michael schudde zijn hoofd. ‘Als alle dieren blijven leven, komen er te veel dieren op aarde. Daarom moeten er soms een paar doodgaan. En als de tijgers geen dieren aten zouden zij zelf allemaal doodgaan. Dan zouden ze uitsterven. Zo noem je het als alle dieren van dezelfde soort op zijn.’ Hij keek naar me omhoog. ‘Weet jij waarom er alleen op aarde mensen en dieren zijn en niet op andere planeten in het zonnestelsel?’

Ik staarde hem aan en bedacht me dat hij nog geen vijf was. Was het normaal dat kinderen van die leeftijd dergelijke vragen stelden? Waarschijnlijk niet – waarschijnlijk zou hij inderdaad steeds meer op Martin gaan lijken. Het idee was lichtelijk verontrustend. ‘Nee,’ zei ik. ‘Dat weet ik niet.’

‘Denk jij dat God dat niet wil?’

‘Ik denk eerder dat het toeval is. De aarde is precies ver genoeg van de zon om het niet te heet is en niet te koud te maken. Daarom kon er hier leven ontstaan.’

‘Op Mars is het kouder dan op aarde, maar niet heel veel kouder. En wij hebben op koude plekken wel leven. Waarom zou dat op Mars dan niet kunnen?’

Ik had geen antwoord. Wat later wandelde ik naast Julie. Zij had het over “het grote huis”: het huis in Auckland waar Eliza met haar kinderen en ook met Julie woonde. Uiteindelijk vertelde ze vooral een lang verhaal over het tuinhuisje, dat zij en Jake gebruikten om te knutselen. Ze waren de laatste tijd bezig om een oude generator aan de praat te krijgen. Het was nog niet gelukt, maar Julie werd steeds enthousiaster toen ze me uitlegde hoe ze dachten het voor elkaar te krijgen. Ik bekeek haar eens wat beter.

Julie bloosde. ‘Oké, je mag heus wel zeggen dat ik een rare hobby heb en dat hij totaal niet vrouwelijk is. Dat heb ik al zo vaak gehoord.’

Ik deed of ik overgaf. ‘Je denkt toch niet dat ik van je verwacht dat jij je tuinhuisje ombouwt tot een schoonheidssalon? Blijf maar lekker klussen. Al dat getut is voor… tutjes.’

Daar lachte Julie om, zo aanstekelijk dat ik mee moest doen. Intussen rende Jake voorbij. ‘Caroline, Julie en ik zijn bezig om van stukken van fietsen een nieuwe in elkaar te zetten. Als hij af is, gaan we hem oranje verven. Dat is toch de kleur van Nederland? In Nederland wordt heel veel gefietst, hè? Jullie hebben toch geen auto’s en lopen allemaal op klompen? En jullie hebben ook geen echte fabrieken maar alleen molens om graan te malen?’ Zijn ogen glansden.

‘Thomas, kom eens ingrijpen,’ riep ik over mijn schouder. ‘Je neef plaagt me weer.’

Thomas deed onmiddellijk wat ik vroeg. Jake rende gillend weg, terwijl zijn oom achter hem aan joeg. Vlak voor het picknickveld kreeg Thomas hem te pakken en werd de sprint een worstelpartij. Michael holde naar ze toe en danste juichend om ze heen.

Julie schudde haar hoofd. ‘Jongens.’

‘Ja,’ zei ik, ‘hoe zit het eigenlijk met jongens – in combinatie met jou?’

Julie bloosde weer en er werd een heel nieuw gespreksonderwerp geboren.

 

Die avond plofte ik op een bank en riep ik dat hij helemaal voor mezelf alleen was. Dat had ik natuurlijk niet moeten zeggen: Michael sprong bovenop me en stuiterde rond over mijn buik. Kreunend viel ik van de bank af. Sophie maakte van die gelegenheid gebruik om ook nog even op me te springen. ‘Help!’ riep ik. ‘Gevaar! Kleuters!’

‘Wij zijn geen kleuters!’ riep Michael terug.

‘Dat zijn jullie wel,’ zei Eliza. ‘En jullie zijn lieve kleuters, ook al vergeten jullie dat soms. Ga tante Julie maar even helpen in de keuken.’ Eliza schoof haar tweeling weg en deed of ze me bezorgd bekeek. ‘Hoofdwonden? Buikpijn? Niet? Dan valt het allemaal wel mee.’

Ik klom terug op de bank. ‘Een beetje medelijden zou lief zijn. Ik ben uitgeput.’

Eliza schoof me opzij en strekte zich uit over het grootste gedeelte van de bank. Haar kousenvoeten legde ze in mijn schoot. ‘Wen er maar aan. Dit is het leven met je nieuwe familie. De tijd dat je banken voor jezelf had, zijn voorbij. Als je die tijd ooit gehad hebt. Ik snap niet waarom Thomas zo nodig vijf banken moet hebben, en ik geloof er niets van dat hij ze allemaal gebruikt. Fluister het maar in mijn oor, Caro: komt hij iedere avond knus naast je zitten?’

‘Eliza…’ Dat was Thomas natuurlijk weer. ‘Noem haar niet zo, en stel haar niet zulke vragen.’

Ik duwde Eliza’s voeten van me af en zorgde ervoor dat ze weer op de grond kwamen te staan. ‘Ga eens kijken of het eten klaar is in plaats van mij tot roddelen te verleiden.’

Ze deed het nog ook. Thomas en ik grijnsden elkaar toe toen we samen in de kamer achterbleven, en dat deden we opnieuw toen Julie de kip met rijst serveerde. Het was heerlijk om met de hele familie aan tafel te zitten en iets echts te eten, iets dat niet was klaargemaakt in een restaurant of door Mrs Brian. Het was ook wel fijn dat het even rustig werd in huis. Relatief rustig dan: er werden nog steeds grappen gemaakt. Net toen Jake een mop aan het vertellen was over een rugbyspeler, ging mijn telefoon. Ik liep terug naar de zithoek, waar mijn tas lag.

‘Hallo, met de Nieuw-Zeelandse ambassade in Londen,’ zei ik in het Engels. ‘Hoe kan ik u helpen?’ Achter me hoorde ik de familie lachen.

‘Oh… oh… Ik…’

Ik schakelde over op Nederlands. ‘Grapje, Brigitte. Sorry, hoor: ik probeer de troepen te entertainen.’

‘Caroline? Wat is er met jou aan de hand?’

‘De familie van Thomas is in Londen. Dat had ik toch verteld?’

Brigitte snoof. ‘Ik begrijp de grap nog steeds niet.’

‘Het zijn Nieuw-Zeelanders.’

Ze snoof weer. ‘Oké. Zijn ze een beetje aardig?’

‘Meer dan aardig. Ze zijn fantastisch.’

‘Allemaal vreemden in huis… Vind je dat echt leuk? Het lijkt me niets voor jou.’

‘Het voelt alsof ze mijn eigen familie zijn. Ik ben alleen compleet uitgeteld.’ Ik plofte weer in een bank. Door die beweging keek ik nu richting de eettafel. Ik zag allemaal ogen die me bekeken en controleerde of mijn kleren wel goed zaten. Toen snapte ik wat de oorzaak van de aandacht was: de taal die ik sprak. ‘Sorry, Brigitte: wat zei je?’

‘Dat het wel heel fijn moet zijn om familie om je heen te hebben.’

Eén moment irriteerde haar intrieste toon me. ‘Ja. Ik ben blij dat ik eindelijk familie lijk te krijgen. In tegenstelling tot jou heb ik die nooit gehad.’

‘Je weet dat ik niets met mijn familie heb. Ik ben alleen – helemaal alleen.’ Ik hoorde haar snikken. ‘Ik voel me vreselijk – zo vreselijk, Caroline.’

‘Geef het niet op. Straks gaat het weer beter. Echt waar.’

‘Het is gewoon niet eerlijk. Ik hield zo veel van Vincent en hij heeft me in de steek gelaten voor iemand die hij nauwelijks kent. En jij bent ook weggegaan.’

‘Je kunt altijd bij me terecht. Je kunt me bellen op ieder moment van de –’

‘Je bent niet híer.’

‘Waarom kom je niet een keertje naar Londen? Nadat de familie van Thomas weer weg is, bedoel ik.’

‘Tjonge, dat lijkt me leuk. Nu alleen je uitnodiging nog wat handiger formuleren, zodat ik kan geloven dat ik welkom ben. Ik wou dat je terug naar Nederland kwam, Lientje.’

‘Dat gaat niet. Thomas’ werk is nu eenmaal hier.’

‘Snap ik. Laten we maar even vergeten dat je beloofd had om regelmatig langs te komen.’

‘Je denkt dat jij niet meer belangrijk bent nu ik Thomas heb. Dat is niet waar. Ik wil er voor je zijn, zeker nu je het zo moeilijk hebt. Maar Thomas is ook heel bijzonder voor me. Ik heb lang moeten wachten op iemand zoals hij.’

‘Ja, ja. Snap ik. Weet je wat, ik bel een andere keer wel terug. Ik heb ook eigenlijk helemaal geen geld om te bellen. Ik had gehoopt dat jij een keertje de moeite zou nemen om… Nou ja, ik spreek je later wel weer.’

‘Brigitte –’

‘Dag Caroline. Geniet van je avond. Jij kan dat. Ik zoek het wel alleen uit.’

Ik kreeg geen tijd om me ellendig te voelen. Zodra ik mijn telefoon weglegde, fluisterde Jake: ‘Wauw, ze spreekt echt Nederlands.’

‘Natuurlijk. Ik bén Nederlands.’

Thomas zei tegen Eliza dat hij het heerlijk vond als ik Nederlands sprak. Ze vroeg hem waarom: hij begreep geen woord van wat ik zei. ‘Juist,’ grijnsde hij. ‘En daar heb ik dan eindelijk een excuus voor.’

Hij bedoelde het overduidelijk als grapje – ik besloot alle interpretaties die ik aan zijn woorden wilde geven onmiddellijk los te laten.

‘Ik weet wel waar ze het over had,’ zei Jake. ‘Over oom Thomas!’

‘Precies. Mijn vriendin zei dat ze wou dat ik terug naar Nederland kwam en ik legde uit waarom dat niet kan – hoewel ik nu niet meer zo zeker ben van de redenen.’

Eliza applaudisseerde. ‘Goed gezegd.’

Thomas strekte zijn hand naar me uit en ik ging weer naast hem zitten aan tafel. Daar moest ik allerlei Engelse woorden vertalen. Toen ik vertelde wat “rugby” was dacht Jake dat Nederlands niet moeilijk kon zijn. Thomas was weer erg tevreden toen hij hoorde hoe “Ik hou van jou” in het Nederlands klonk. ‘Aha,’ zei hij. ‘Dit verklaart veel!’ Eliza gaf hem een tik en vroeg wat “Doe niet zo stom” was. Het was een genoegen om antwoord te geven: de hele familie lachte om Thomas’ bijna overtuigende pose van stille ontzetting.

Die avond kwam het er niet van om met hem te praten. Nadat de kinderen sliepen, kletsten we nog lang door met Julie en Eliza. Toen we in bed ploften wilden we elkaar alleen nog maar voelen.

 

De volgende ochtend deden Eliza en ik samen boodschappen. Zij en Julie wilden zo veel mogelijk zelf koken en deden dat met een talent en enthousiasme dat Mrs Brian vreemd was. We hadden veel dingen nodig die we niet in huis hadden.

Zodra we buiten kwamen zag ik Steve Hartford. Hij leunde tegen de muur van een appartementencomplex en keek naar mij. Ik negeerde hem en gelukkig kwam hij niet onze kant uit. In de supermarkt zochten Eliza en ik een kwartier naar harissa. Ik wist niet eens wat het was, maar Eliza beweerde dat het essentieel was voor een gerecht dat ze wilde maken. Toen ze uiteindelijk tevreden een potje in haar handen hield, zei ze: ‘Nu alleen nog een kerk vinden voor zondag.’

‘Pardon?’

Eliza grimaste, precies zoals Thomas. ‘Ik neem aan dat jij geen christen bent.’

‘Nee; en ik neem aan dat jij het wel bent. Dat bidden voor het eten was niet zomaar een oude traditie die jullie in ere houden.’

‘Onze hele familie bestaat uit christenen – met uitzondering van Thomas.’

‘Oh… Principiële christenen? Christenen die vinden dat mensen voor het huwelijk niet moeten samenwonen en zo?’

‘Inderdaad. Maar ik verwacht niet dat Thomas en jij leven volgens mijn regels. Ik vind het alleen vreselijk jammer dat Thomas nog steeds…’

Ze zuchtte en maakte haar zin niet af. Toen ze op zondag met Julie en de kinderen naar de kerk was, vroeg ik Thomas waarom hij het geloof van zijn familie niet deelde.

Hij haalde zijn schouders op. ‘Waarom zou ik vertrouwen op een God die de Zoon van wie Hij het meest houdt laat sterven? Dan hoef ik niet te verwachten dat Hij voor mij beter zal zorgen.’

‘Ik heb ooit de Bijbel gelezen,’ zei ik. ‘Het is een raar boek.’

‘De hele Bijbel?’

‘Toen ik jong was wilde ik weten waar de dominees bij ons in de kerk het nou echt over hadden.’

‘Je bent echt bijzonder. Dat wist ik al, maar het wordt opnieuw bevestigd. Ik heb ook een tijd gedacht dat ik in God geloofde, maar ik heb nooit de aandrang gevoeld om de Bijbel van begin tot eind te lezen. Wat was je oordeel, behalve dat je het een raar boek vond? Dat is overigens een mening waar je in sommige kringen mee moet uitkijken.’

‘Ik weet het niet goed. Ik vond het heftig om over al die dierenoffers in het Oude Testament te lezen, en over de mensen die gedood worden om de Joden ruimte te geven in het Beloofde Land. Ik snapte niet wat voor iemand God nou eigenlijk is. De ene keer is Hij oppermachtig en straft Hij op een vreselijke manier en dan is Hij opeens weer liefdevol. En Jezus… Sommige christenen beweren dat alles verandert als Hij deel wordt van je leven. Ze hebben het over wonderen, maar ik heb nooit wonderen gezien. Ik zie vooral regeltjes. In Nederland heb je allerlei strenge kerken waar mensen in het zwart naartoe gaan. Ze mogen niets, zeker de vrouwen niet.’ Ik zei niet dat ik zelf in zo’n kerk had gezeten.

‘Ze zijn hypocriet.’

Ik knikte. ‘Al die verhalen over Amerikaanse tv-dominees die hun volgelingen oplichten, of tegen homoseksualiteit preken maar zelf mannelijke prostituees blijken te bezoeken…’ Toen dacht ik aan Eliza en haar gezin. Zij waren helemaal niet hypocriet. Cassandra trouwens ook niet en zelfs Martin had iets heel oprechts over zich. Ik had wel eens overwogen om met Cassandra door te praten over haar geloof, maar na onze ontmoeting vlak voor Kerst had ik weer niet durven bellen, zelfs niet toen ik hoorde dat ze een miskraam had gehad.

Thomas kuste me. ‘Wij hebben genoeg aan elkaar. Dat doet me denken: zullen we deze ongekende privacy zinnig gebruiken?’

Dat vond ik een heel goed idee.

 

Twee weken is een belachelijk korte periode, ontdekte ik dat jaar. Voor ik het wist was onze tijd met de familie voorbij. Op de laatste dag was iedereen bleek en somber. Hoe erg het ook was, we moesten weer naar Heathrow. Toen we na het afscheid terug naar de auto liepen, verzuchtte ik dat ik wilde dat de familie veel langer had kunnen blijven.

Daar glimlachte Thomas om. ‘Een goed teken.’

‘Je had me eerder aan ze voor moeten stellen, hoe verlegen ze ook waren. Waarom heb je zo lang gewacht om zulke fantastische mensen in mijn leven te brengen, die ook nog eens jouw genen delen?’

‘Praktische overwegingen, lieveling. Skype leek me niet geschikt voor het eerste contact. Eliza en Julie zouden zich misschien geen houding weten te geven en dan was jij onzeker geworden en had je eraan getwijfeld of ze je wel mochten, met als gevolg dat het eerste echte contact stroef zou verlopen. Dat wilde ik voorkomen.’

Ik vond zijn “praktische overwegingen” zowel lief als bedenkelijk. ‘Jij wilt echt alles regisseren, hè? Jammer genoeg heb je niet kunnen regisseren dat ze bij ons blijven.’

‘Jammer genoeg niet, nee.’ Thomas keek op naar het luchtruim waarin zijn familie verdwenen was. ‘Het voelt niet goed. Ik wou dat we met ze mee konden gaan.’

Ik trok mijn arm door die van hem en had er geen benul van dat de woorden die hij net had uitgesproken me jarenlang zouden kwellen.

 

© Els van Weijen

3 thoughts on “Hoofdstuk Acht – Nu gaan wij je leren kennen

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *