Hoofdstuk Achttien – Aanwezigheid

KX8A3TCTIA

Een paar dagen later, op zondag 15 januari, ging ik met Eliza en Julie mee naar de kerkdienst. ‘Jullie moeten er niets van denken,’ zei ik van tevoren tegen ze.

Ze knikten. ‘Oké,’ zei Eliza.

‘Gezellig dat je meegaat,’ zei Julie.

Mrs Garland trok haar wenkbrauwen op toen ik naast haar in de kerkbank schoof. ‘Miss Jacobs. Wat bijzonder.’ Er lag een blik in haar ogen die de verleiding bij me wakker maakte om haar te vragen waarom Thomas zijn geloof had losgelaten.

Ik deed het niet. Ik luisterde naar de liederen, die veel moderner waren dan ik vroeger gewend was geweest in de kerken waar mijn vader me mee naar toe nam. Soms leek het meer op een popconcert dan op een kerkdienst, en vroeg ik me af of ik niet in een sekte terecht was gekomen. Ik schudde de gedachte van me af probeerde me te concentreren op de preek van Lawrence Shultz. Veel kreeg ik daar echter niet van mee. Ik keek naar het kruis en bad, als je het zo kunt noemen: ik vroeg God om me te laten zien of Hij toch bestond en of Hij wilde dat ik Hem volgde.

Er leek niets te gebeuren. De preek ging verder en het lukte me nog steeds niet om ernaar te luisteren. Ik dacht niet aan God maar aan Thomas. Even was het alsof hij naast me zat, alsof hij mijn hand pakte. “Als ik hem nog één keer zou mogen zien, God,” bad ik, “dan zou ik daarna in U geloven. Geef me één keer wat ik echt wil. Geef Thomas heel even aan me terug, zodat ik…” Maar zelfs in gedachten kon ik die zin niet afmaken: bij het idee dat ik dan afscheid van Thomas zou kunnen nemen, schoot mijn keel dicht. Ik kon helemaal geen afscheid van hem nemen. Ik kon niet zonder hem leven. Tegelijkertijd werd ik boos bij het idee dat ik dat niet zou kunnen. Ik was geen hopeloos geval, geen zielig disfunctioneel typetje. Het werd tijd dat ik eindelijk weer eens wat deed, in actie kwam, mijn leven oppakte. En God had ik daar niet voor nodig.

Maar mijn hoofd wilde niet meewerken – het leek alles wat ik dacht oninteressant te vinden. Ik kwam weer uit bij die Aanwezigheid die ik ’s nachts voelde, de Aanwezigheid die me bleef vragen om juist niet te denken aan wat ik moest doen. Hij leek me uit te nodigen om Hem de leiding over mijn leven in handen te geven.

Ik vroeg Hem waarom Hij nu geïnteresseerd in me was, terwijl ik jarenlang als kind naar Hem gevraagd had en toen niets had bemerkt. Ik vroeg Hem waarom sprookjes en de natuur uiteindelijk interessanter waren geworden dan Hij en waarom Hij daar niet in had ingegrepen. Daarop kwam geen antwoord. Heel vertrouwd.

 

Na afloop van de dienst had ik de indruk dat de zussen en moeder van Thomas niet zo goed wisten wat ze tegen me moesten zeggen. Eliza vroeg of ik zin had om koffie te blijven drinken. ‘Niet heel erg veel, maar jullie vast wel,’ zei ik.

Eliza zuchtte. ‘Zeg gewoon wat jij wilt, Caro. Dat mag.’

Ik stelde me mensenmassa’s voor en mompelde dat ik graag naar huis wilde.

‘Goed. Dan doen we dat.’

Het voelde als een overwinning dat ik eerlijk was geweest, maar in de auto twijfelde ik al aan mezelf, en na de lunch voelde ik me egoïstisch toen ik me terugtrok mijn slaapkamer. Lang hield ik het daar overigens niet uit. Ik dacht aan God en dat rare gevoel van tegenwoordigheid was er weer, alsof ik echt niet alleen was. Ik vluchtte naar de woonkamer.

Eliza was aan het strijken. ‘Vraag niet of je mag helpen,’ zei ze, met haar rug naar me toe. ‘Dan zal ik me verplicht voelen heel akelige dingen met je te doen.’

‘Zoals?’

‘Weet ik nog niet. Misschien knoop ik je met sokken aan de bank vast en ga ik zeven uur tegen je praten over God.’ Ze draaide zich naar me om en grijnsde. ‘Word je al bang?’

‘Om met me te praten hoef je me niet vast te binden – ik wil je juist wat vragen. Ik ben benieuwd hoe je christen bent geworden. Ben je opgegroeid met het geloof?’

Eliza pakte een lila jurkje van Sophie en drapeerde het over de strijkplank. ‘In zekere zin. Mijn vader was christen. Dat was niet bepaald een stimulans om het christendom serieus te nemen. Moeder geloofde niet, maar mijn vader eiste wel dat ze iedere zondag meeging naar de kerk. Daarna sloeg hij haar in elkaar. De rest van de week ook, maar Thomas en ik waren ons er al jong van bewust dat het op zondag nog wranger was.’

‘En toch werden jullie zelf ook christen.’

‘Moeder is christen geworden. Ik heb nooit begrepen waarom en hoe. Toen ze eindelijk de moed vond om te scheiden, dacht ik dat we de rest van ons leven geen kerk meer vanbinnen zouden zien. Niets was minder waar. De volgende week gingen we gewoon weer. En niet omdat ze de schijn wilde ophouden: het was algemeen bekend dat zij en mijn vader uit elkaar waren en ze wist ook dat dat helemaal niet geaccepteerd werd in de gemeente waar we toen kwamen. Maar ze bleef gaan. Ze had jaren hypocriet geloof gezien, en juist toen ze daarvan bevrijd werd vond ze zelf echt geloof.’

‘Zij. Maar jij zag het misschien anders.’

Eliza vouwde het jurkje van Sophie op. ‘Mag ik eerlijk zijn, Caro?’

‘Tuurlijk.’ Ik zette me schrap voor wat ze zou zeggen.

‘Ik vraag me af wat je wilt horen. Wil je bevestigd worden in het idee dat het geloof een holle troost is of wil je horen wat er echt is gebeurd?’

Daar dacht ik over na. ‘Vertel me wat er echt is gebeurd. Ik zal proberen eerlijk te reageren.’

‘Ik had van jongs af aan in de kerk gezeten en ik voelde me er niet veilig. Ik dacht dat alle christenen als mijn vader waren, dat je je voor ze moest verstoppen zodra je de kerk uit was. Maar de houding van moeder zette Thomas en mij aan het denken. Ze bleef zeggen dat God echt was. Wij gingen steeds meer de Bijbel lezen, in eerste instantie om tegenargumenten te vinden, en verdiepten ons ook in andere boeken over het geloof. We –’

‘Jij en Thomas lazen de Bijbel?’

‘Heel veel. Hoezo?’

Ik dacht aan wat Thomas had gezegd over het feit dat ik de Bijbel helemaal had gelezen: hoe weinig hij daar zelf aan toe was gekomen. ‘Laat maar. Ga door.’

‘We konden God niet negeren, hoe graag we dat ook wilden. Los van elkaar hebben Thomas en ik erkend dat we het offer van Christus nodig hadden. We konden wel naar vader wijzen voor alles wat fout was gegaan, of mopperen over hoe moeilijk moeder deed, maar wij keken naar onszelf en naar God en zagen onze onvolkomenheden en de overweldigende liefde die Christus ons aanbood.’ Even glimlachte Eliza en lag er een glans in haar ogen die ik nooit eerder had bemerkt. Het was alsof ik haar die dag pas voor het eerst echt zag, sterker en kwetsbaarder tegelijk. ‘Die eerste weken en maanden… We waren verliefd op God – we konden niet anders dan over Hem praten. Soms sprongen we door de kamer van blijdschap.’ Ze grinnikte bij de herinnering. Toen fronste ze. ‘Ik zal proberen niet té enthousiast te zijn. Het leven met God was geen sprookje. Zijn komst was levensveranderend, maar aan de buitenkant leek onze situatie niet gelijk te veranderen. Moeder had nauwelijks geld en werkte keihard. Thomas en ik zorgden na school voor Julie en hadden daarnaast baantjes om wat extra inkomsten binnen te brengen. Onze biologische vader keek financieel nog niet naar ons om, en in het begin leek het of onze hemelse Vader ook geen haast maakte om ons te helpen. Maar we bleven op God vertrouwen en gingen steeds meer zijn trouw zien. We hadden bijna niets, maar wel altijd net genoeg. Langzamerhand, terwijl we God beter leerden kennen, werden ook onze omstandigheden beter. Moeder kreeg een baan met een redelijk salaris en Thomas kreeg al heel jong een beurs. Ik vind het nog steeds apart: de rijkdom van Garland Oil kwam pas toen we begrepen dat we niet afhankelijk waren van geld maar van God. Tegen die tijd wist God waarschijnlijk dat we ook als we rijk waren bij Hem zouden blijven.’

‘Thomas is niet bij Hem gebleven. Wat is er met zijn geloof gebeurd?’

Eliza zette het strijkijzer neer. ‘Misschien kunnen we ons beter afvragen wat er met hemzelf is gebeurd. Zijn tijd bij Buitenlandse Zaken is hem niet in de koude kleren gaan zitten.’

‘Buitenlandse Zaken?’

Eliza staarde me aan. ‘Zeg dat het niet waar is. Vertel me niet dat hij dat voor je heeft stilgehouden.’

‘Wat heeft stilgehouden?’

Eliza pakte een broek en begon die te strijken. ‘Thomas kreeg al jong aandacht van het Ministerie. Zij hebben die beurs geregeld. Vanwege zijn hoogbegaafdheid.’

‘Pardon?’

Eliza’s streek steeds harder, maar ze kon haar ogen niet verbergen: ik zag verdriet dat zich over haar hele gezicht verspreidde. ‘Dat heeft hij je ook niet verteld. Het zou me niet moeten verbazen. Ik wist niet wat ik meemaakte toen ik Martin Saunders sprak. Thomas had hem geprofileerd als superintelligente man en de kwaliteiten van zijn eigen hersenen verborgen. Volgens mij wilde hij niet herinnerd worden aan wat hij zelf kon.’

‘Hij was hoogbegaafd? Zo hoogbegaafd dat hij werd ingezet door jullie regering?’

‘Ik weet niet wat Thomas precies heeft gedaan bij Buitenlandse Zaken. Hij mocht er niet over praten. Ik weet wel dat hij invloed had en dat vanwege wat hij wist en deed onze familie tot op de dag van vandaag omzichtig behandeld wordt. Ik weet ook dat hij veel moeite had met de opdrachten die hij heeft uitgevoerd.’

‘Thomas heeft er nooit iets over gezegd.’

Eliza zette het strijkijzer weg. ‘En dat is erg, maar het gaat vandaag niet om Thomas. Wat denk jij over God, Caro?’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Ik weet het niet meer. Ik dacht altijd dat Hij niet naar me omkeek. Nu lijkt het steeds of er iemand heel dicht bij me is, maar tegelijk denk ik dat ik me maar wat verbeeld. Ik denk dat ik wil dat er iemand bij me is omdat Thomas er niet meer is. Dat is de reden dat God minder onlogisch lijkt. En omdat ik tussen allemaal christenen zit, ben ik misschien nog gevoeliger voor het geloof. Dat bedoel ik niet vervelend, Eliza, echt niet, maar ik denk…’ Weer haalde ik mijn schouders op. ‘Ik weet niet meer wat ik denk.’

‘Ken je het verhaal van de verloren zoon?’

Ik zuchtte. ‘Iedereen gaat er maar van uit dat ik helemaal niets weet over de Bijbel. Ja, natuurlijk ken ik het. De verloren zoon vroeg om zijn erfenis voordat zijn vader gestorven was en gebruikte het geld om feest te vieren. Uiteindelijk was alles op en ging hij met hangende pootjes terug naar huis, waar zijn vader hem met open armen ontving. Zijn oudere broer was woest en dat heb ik altijd heel goed begrepen: die broer deed wel zijn best, terwijl voor de jongste zoon een feestmaal werd aangericht.’

‘Die vader is God. En wij zijn stuk voor stuk de jongste zoon. De jongste zoon had niet verwacht dat zijn vader blij zou zijn om hem weer te zien. Hij was van plan om aan zijn vader voor te stellen dat hij een knecht werd. Dat klinkt heel nederig, maar dat is het niet. Het is veel gemakkelijker om als een knecht of als die oudste zoon te werken voor je brood en zo respect af te dwingen, dan om onverdiend liefde en genade te ontvangen.’

‘Eliza? Caro?’ Julie stond in de kamer. Ze glimlachte ons wat aarzelend toe. ‘Ik stoor geloof ik in een goed gesprek. Sorry. Ik wil alleen even zeggen dat ik vanavond weg ben. Ik ga een hapje eten met Alfred. Misschien gaan we ook naar de film.’

Volgens mij deed Eliza net als ik haar best om geen kreten van vreugde te slaken. ‘Oké,’ zei ze. ‘Leuk.’

‘Heel leuk,’ zei ik. ‘Doe Alfred de groeten.’

Julie glimlachte weer wat onzeker, nam ons allebei nog eens op, en verdween. Zodra de deur achter haar dichtviel hapten wij naar adem, gaven elkaar een high five en maakten zonder geluid een rondedans door de kamer.

‘Zo gemakkelijk en zo snel?’ fluisterde Eliza in mijn oor. ‘Dat had ik echt niet verwacht!’

‘De liefde – en haar verstand: ze zijn allebei gaan werken. Cool!’

‘Maar ook lastig?’ vroeg Eliza, toen ons rondedansje voorbij was. ‘Het lijkt me raar om toe te moeten kijken bij de verliefdheid van iemand anders als je zelf –’

‘Doe niet zo psychologisch, Eliza. Ik ben gewoon blij voor Julie. En nu laat ik je strijken terwijl ik van de rust ga genieten. Mag een christen eigenlijk wel strijken op zondag?’

‘Caro…’

‘Als je probeert dreigend over te komen, ben je niet zo overtuigend. Het is maar dat je het weet: ik denk dat je kinderen er ook niet intrappen.’

Eliza gooide een broek mijn kant uit, die ik ternauwernood ontweek. Grinnikend liep ik terug naar mijn kamer. Maar daar verliet de geamuseerdheid me. Ik zat op mijn bed en wist niet wat ik moest denken. Thomas was hoogbegaafd geweest en had – in overheidsdienst – dingen gedaan die hij betreurde en die hij voor mij had stilgehouden, zoals hij zo veel dingen had stilgehouden. En Thomas was dood. Dat besef kwam weer over me als stroop die over mijn hele lichaam werd uitgegoten. Voor dat besef probeerde ik steeds weer te vluchten – die pijn was de enige reden dat ik God als realiteit wilde overwegen. God was wel een stok om op te leunen, wat Irene ook had gezegd.

Of toch niet. Ik dwong mezelf om te blijven zitten toen ik wilde opspringen, en realiseerde me dat het idee dat God aanwezig zou kunnen zijn de echte reden was dat ik steeds wilde wegrennen. In het begin had ik me na lange dagen tussen de clan benauwd gevoeld als ik in mijn kamer alleen was, omdat ik de pijn over Thomas dan nog scherper voelde, maar inmiddels was het anders. De pijn over Thomas voelde ik overal. In mijn kamer gebeurden andere dingen.

‘Heer, als U bestaat…’ Ik stopte en begon opnieuw. ‘Ik denk dat U bestaat. Ik ervaar U, op de grens van mijn leven. Maar waarom hebt U zich niet eerder laten zien? Waarom hebt U mijn moeder laten doodgaan? Waarom hebt U jarenlang niets gedaan als ik bad? Waarom hebt U me laten opgroeien op een plek waar zwijgen het veiligst was en brengt U me nu op een plek waar de mensen en Uzelf verwachten dat ik praat? Waarom hebt U me Thomas gegeven en hem toen weer afgepakt?’

Stilte. Het leek of er iemand afwachtend naar me stond te kijken, iemand die niet helemaal overtuigd was dat ik echt antwoord wilde op de vragen die ik stelde. Even voelde ik woede in me, woede omdat God blijkbaar weer zou blijven zwijgen, net als vroeger. Toen herinnerde ik me het ontzag dat me ze destijds in de kerk hadden bijgebracht en werd ik bang.

‘Ik weet dat miljoenen mensen in de wereld het slechter hebben dan ik,’ mompelde ik. ‘Kinderen sterven van de honger, vrouwen worden verkracht, mannen worden vermoord. Ik mag eigenlijk niet klagen. Zo erg is het vergeleken met al die anderen niet.’

De stilte verdiepte zich. Ik wist dat dit niet over het lot van vreemdelingen ging, of over dat van Thomas en mijn moeder. Het ging ook niet over ontzag dat op vrees was gebaseerd. Dat ontzag was hol. Dit ging over God en mij. Er was niets en niemand anders meer over.

‘Heer, ik zou U beter willen leren kennen. Ik zou U in mijn leven willen bemerken – ik zou willen dat U het verandert. Maar het is zo moeilijk. Het idee dat U de zaken overneemt, vind ik… Help me alstublieft. Als U echt bestaat, laat het dan zien.’

En toen was het niet stil meer. Geen stem sprak. Ik hoorde helemaal niets, en toch was de stilte weg. Ik luisterde, of ik gebruikte zintuigen waarvan ik niet eerder beseft had dat ik ze bezat. Ik wist dat Iemand me omhelsde. Ik voelde een kalmte die ik sinds de dood van Thomas niet had ervaren, of nog nooit had ervaren.

Ik ging op bed liggen en was opeens heel moe, alsof ik weken niet had geslapen en nu eindelijk rust mocht nemen. Ik vond het raar dat ik op zo’n moment wilde slapen, maar terwijl ik dat dacht gingen mijn ogen dicht. Het leek of ik werd toegedekt en toen wist ik niets meer.

 

Toen ik een paar uur later wakker werd, wist alles in mij dat God in mijn leven was gekomen. Tegelijkertijd had ik nauwelijks woorden om te benoemen hoe ik mij voelde of wat ik dacht. Gods aanwezigheid was te groot om met mijn verstand te overzien; ik onderging het.

De rest van de dag was ik heel rustig. Ik voelde me bijna gelukkig. Na een paar uur had ik in de gaten dat ik geen pijn had, niet in mijn lichaam en niet in mijn hoofd. Ik had even niet aan Thomas gedacht. Zodra ik me dat realiseerde voelde ik me schuldig, maar het leek of het schuldgevoel niet wilde blijven plakken. Ik liet het weer los.

’s Avonds nam ik mijn schrijfspullen mee naar de woonkamer. Mijn plannen voor een roman bleven nogal onbestemd. Ik had het eerste hoofdstuk af, maar vond het moeilijk om verder te schrijven. Die avond deed ik geen nieuwe poging en probeerde ik in plaats daarvan te verwoorden wat er met me was gebeurd. Dat lukte ook niet.

Julie bood afleiding. Ze kwam naar me toe in een jurk die nog mooier was dan degene die ze een paar dagen eerder in de kerk had gedragen. Zonder woorden vroeg ze hoe ik vond dat ze eruitzag. Ik gaf haar een knuffel. ‘Je bent prachtig.’

Toen ik haar los wilde laten stond ze het niet toe. ‘Je geeft mij nooit uit jezelf een knuffel,’ zei ze. Ik hoorde haar tranen en die keer maakten ze me niet moe of kregelig.

‘Ik ben niet zo aanrakerig. Maar geloof me: ik ben blij dat ik dit moment mag meemaken. Het is goed dat je op stap gaat met Alfred.’

‘Je vindt het niet erg, hè? En Thomas zou het toch ook niet erg vinden?’

‘Thomas zou het fantastisch vinden. Ga nou maar. Geniet.’

Even verborg Julie zich opnieuw in mijn armen; toen vertrok ze. Ik keek haar na en zag een vrouw die jonger leek dan ik, een vrouw met dromen. Ik zag een vrouw die liefhad en wist dat ik dat ten diepste nooit had gedurfd. Bewegingsloos bleef ik naast de tafel staan terwijl ik daar over nadacht. Toen ging ik zitten en had ik een ingeving voor hoofdstuk twee van mijn boek. Ik had zelfs nieuwe ideeën voor hoofdstuk één.

Kort nadat Julie was weggegaan, wandelde Mrs Garland binnen. Eén blik was genoeg om te weten dat ze in haar tweede stemming was. Zonder iets tegen me te zeggen ging ze bij Eliza op de bank zitten. Bijna fluisterend praatte ze met haar. Ik schreef verder. Heel hoofdstuk twee was af toen ik ten slotte mijn laptop afsloot en me bij Eliza en haar moeder voegde. Mrs Garland glimlachte naar me – ik controleerde even of ik het goed zag – en besloot zowaar een vraag te stellen.

‘Hoe vond u het vanmorgen in de kerk, Miss Jacobs?’

‘Mam, wanneer ga je haar Caroline noemen?’

‘Ze weet wanneer. Nou, Miss Jacobs?’

‘Eerlijk gezegd vond ik het moeilijk om mijn aandacht bij de dienst te houden, Mrs Garland.’

Ik zag iets van haar eerste stemming in haar ogen verschijnen. De minachting duurde echter niet lang. ‘Kunnen we iets voor u doen waardoor u zich beter gaat concentreren?’ vroeg ze.

‘Nee. Dat is ook niet nodig.’

Mrs Garland nam me op. ‘Jammer,’ zei ze. Toen ging ze met Eliza in gesprek over de talenten – of eigenlijk het gebrek aan talenten – van haar kapper. Eliza staarde haar aan: haar moeder was blijkbaar nog steeds in staat om ook haar te verbazen met haar bruuskheid.

‘Eliza,’ zei ik, ‘is het goed als ik zondag weer met jou naar de kerk ga?’

Nu staarde ze mij aan. Mrs Garland deed dat ook.

‘Ik denk dat ik iedere zondag mee wil. Ik ben van mening veranderd over God. Hij bestaat. Ik wil Hem volgen.’

Eliza verstijfde. ‘Meen je dat?’ vroeg ze. Toen ik knikte, begon ze te huilen. ‘Oh, Caro, dit maakt alles anders. Je bedoelt het serieus?’

‘Ja.’ Zodra ik dat woord uitsprak besefte ik wat een stap ik zette en vroeg ik me af wat andere mensen zouden zeggen, vooral Brigitte, maar die gedachte liet ik snel weer los. Terwijl Eliza praatte over hoe blij ze was, bekeek Mrs Garland me weer. Ik geloof dat ze tranen in haar ogen had, maar ik kan me vergist hebben. Als zij dit ooit leest, zal ze dat ongetwijfeld suggereren.

Ongeveer drie uur later kwam Julie binnen. Haar gezicht gloeide alsof het buiten winter was in plaats van zomer.

‘En, hoe was het?’ vroeg Eliza, maar die vraag was eigenlijk overbodig.

‘Heel fijn,’ bracht Julie uit. Ik had zomaar de indruk dat dat een understatement was.

 

© Els van Weijen

3 thoughts on “Hoofdstuk Achttien – Aanwezigheid

  1. Mmmh. Klinkt nog best makkelijk als ik best het zo lees. Blijf benieuwd naar het vervolg.
    En ik vind je nog steeds een geweldige schrijfster 😊

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *