Hoofdstuk Dertien

H7AG0RL6TR

‘Lieveling,’ zei Matthew de volgende ochtend, terwijl hij een hand op Anna’s arm legde en zijn best deed om te glimlachen, ‘ik stel voor dat je die frons van je gezicht haalt. Je lijkt op een piraat die aanstalten maakt om een fregat te enteren.’

Anna duwde zijn hand van zich af. ‘Ik heb heel andere plannen. Zou Richard het me erg kwalijk nemen als ik de deur van het politiebureau inbeuk?’

Ze stonden samen in de kapel. Anna was bezig met de voorbereiding van de dagopening. Ze was in de Bijbel op zoek naar de tekst die ze wilde lezen, en hij zag haar nu al een hele tijd verwoed heen en weer gaan door de pagina’s van Jeremia, terwijl ze hem had verteld dat ze iets uit Jesaja wilde gebruiken.

Matthew deed zijn best Anna’s vraag serieus te beantwoorden – ze zag er zo geërgerd uit dat het hem beter leek om niet te lachen. ‘Ik denk dat hij niet blij zou zijn met de rotzooi. En misschien is hij het er ook om principiële reden niet mee eens dat je een deur inramt. Maar waarschijnlijk reageert hij mild: je hebt een streepje bij hem voor.’

‘Als voormalig crimineel?’ Nog een keer duwde ze zijn hand van zich weg. ‘Sorry, maar ik ben niet in de stemming voor lief gedoe vanmorgen.’

‘Ik snap niet zo goed waarom. Ten eerste ben ik er niet verantwoordelijk voor dat David er nog niet is, en ten tweede is lief gedoe goed voor je humeur.’

‘Als je logisch gaat redeneren en ook van mij verwacht dat ik –’

‘Ik verwacht dat je lief gedoe waardeert. Gewoonlijk juich je het toe als ik me daar aan waag – je stimuleert het zelfs.’

Ze snoof en bladerde verder. ‘De deur van het politiebureau inbeuken is te opvallend. Ik kan beter naar binnen sluipen en David heimelijk bevrijden. En het maakt me niets uit als Richard moppert over mijn slechte neigingen. Onschuldige mensen oppakken is net zo erg. Soms is hij echt een irritante –’

Matthew pakte Anna stevig vast en drukte zijn lippen op de hare, net zo lang tot ze stopte met worstelen. Toen pas liet hij haar los.

‘Dat zijn echt belachelijk feodale manieren om een vrouw stil te krijgen!’ foeterde Anna. Maar ze lachte – een heel klein beetje.

Hij haalde zijn schouders op. ‘Daar heb je nooit eerder over geklaagd. Stel je niet zo aan, Anna. Je staat met een Bijbel in de hand overtredingen te overdenken. Als je die gedachte even laat bezinken, zul je het vast met me eens zijn dat het a) niet zo gepast is en b) ook niet erg productief. Heb gewoon geduld. David komt vast terug.’

‘Heb gewoon geduld?’ stoof Anna op. ‘Ik heb een hele slapeloze nacht geprobeerd geduld te hebben. Terwijl jij naast me lag te ronken, Matthew! En je moet ermee ophouden dingen te zeggen als “ten eerste en ten tweede”, of “a en b”. Dan klink je als een professor in een erg stoffige ivoren toren. Weet je hoe het is in zo’n cel als je twintig bent en…’

Daar stokte ze. Ze keek naar de Bijbel die ze op hem richtte alsof ze hem ieder moment naar zijn hoofd kon gooien. Stilletjes legde ze het boek neer.

‘Sorry. Je hebt gelijk. Maar stel je nou voor dat… dat er een of ander raar feit opduikt waardoor Richard gaat geloven dat David het gedaan heeft. Misschien houdt hij hem dan wel dagenlang vast. Dan… dan bekent David die moord misschien wel, ook al is hij onschuldig. En dan moet jij de allerbeste advocaat voor hem regelen, Matthew! Ik wil dat hij –’

‘Anna?’ onderbrak een aarzelende stem haar. In de deuropening stond een donkere gestalte, herkenbaar maar tegelijkertijd ook niet: kleiner dan de dag ervoor, een schaduw te midden van andere schaduwen.

Anna slaakte een juichkreet. ‘David!’ Ze rende door het gangpad met een gemak dat niet mogelijk moest zijn voor iemand met zo’n imposante buik, viel David om de hals en kuste hem uitbundig. ‘Och, lieve jongen, daar ben je dan eindelijk. Hoe gaat het met je? Is Richard een beetje aardig voor je geweest?’

Matthew liep in een bedaarder tempo achter zijn vrouw aan. David keek langs Anna heen naar hem, bijna angstig. ‘Is het echt de bedoeling dat ik hier terugkom?’ vroeg hij.

‘Natuurlijk,’ riep Anna. ‘Dit is je plek.’

David zei niets en keek nog steeds naar Matthew. Die knikte. ‘Dit is je plek,’ echode hij. Hij deed niet voor het eerst zijn best om te glimlachen.

Toen glimlachte David ook. Hij omhelsde Anna en kroop dicht tegen haar aan, zo onschuldig als Zoë dat zou doen. ‘Dank jullie wel,’ fluisterde hij.

David zag de vrouwen niet die achter hem stonden, de vrouwen die wekenlang met hem aan tafel hadden gezeten, met hem gelachen hadden en truien voor hem hadden gebreid. Celia zag eruit alsof ze iets vies had gegeten, Zandra keek teleurgesteld en Ethel… Ethel leek echt bang te zijn, alsof al haar tranen van de dag ervoor vergeten waren. Daarna keken ze allemaal naar hem, Matthew, alsof hij hen zou redden.

‘Tijd voor de dagopening,’ bromde hij.

 

Matthew was blij toen hij de kapel kon verlaten. Anna had bij de dagopening voorgelezen uit Jesaja 43, maar hij geloofde niet dat haar gasten haar hadden gehoord. Ze hadden allemaal naar David zitten staren. De jongen kon hen weer niet zien, omdat hij op de eerste rij zat en de rest allemaal een plek achterin had opgezocht, maar misschien had hij hen wel gevoeld: hij had het hele kwartier op zijn stoel zitten schuiven alsof er naalden in zijn achterhoofd werden geprikt. Toen Anna een lied had ingezet had er niemand meegezongen. Matthew vond het bijna jammer dat Gerald niet aanwezig was. Hij had ongetwijfeld vreselijk ongenuanceerde opmerkingen gemaakt, maar alles was beter dan de stilte.

Eileen was nog niet in de grote salon om de koffie en thee te serveren, maar de kannen stonden wel al op de tafel. Matthew ging erbij staan. Eén voor één kwamen de gasten naar hem toe, de meesten met gebogen hoofd. Hij gaf ze koffie of thee en bood zijn excuses aan voor het feit dat er geen koek was – Eileen wist niet dat ze vandaag wat vroeger waren dan anders; Anna was haar gaan waarschuwen. Hij kreeg negen keer hetzelfde antwoord: ‘Geeft niet, hoor.’

Als laatste kwam David. ‘Ik had wel kunnen serveren,’ mompelde hij.

‘Jij hebt een intensieve dag achter de rug.’ Matthew keek weer langs de jongen heen. Gewoonlijk zat iedereen bij elkaar, maar vandaag hadden de gasten zich verspreid door de hele salon, in groepjes van twee, behalve Marieke, die alleen zat. De kamer had niet eerder zo groot geleken. Er werd nog steeds niet gepraat en iedereen keek naar David. Matthew begon zich af te vragen waar Gerald was, en waar Anna bleef, en hoelang de gasten van plan waren hun stilte vol te houden.

Op dat moment stapte Eileen de salon in, met een grote schaal. ‘Saucijzenbroodjes,’ zei ze tevreden, alsof het haar voor het eerst in haar leven gelukt was om die te bakken. ‘Ze passen niet echt bij ochtendthee, maar ik weet hoe dol jij erop bent.’ Ze glimlachte naar David. ‘Wat fijn dat je er weer bent. Tast toe. Ze zijn nog warm.’

David deed een stap naar haar toe en staarde naar de schaal. ‘Voor mij gemaakt?’ fluisterde hij. Er verscheen kleur op zijn grauwe wangen. ‘Speciaal voor mij?’

Eileen glimlachte. ‘Bijt er maar goed in. Laat ze je smaken.’

Die woorden leken het teken voor Richard om binnen te stappen. Hij knikte om zich heen, strooide “goedemorgen” rond bij verschillende banken en flaneerde toen richting de schaal. ‘Speciaal voor mij?’ vroeg hij aan Eileen terwijl hij een saucijzenbroodje pakte. Hij glimlachte toen zij alleen maar snoof. ‘Je bent een wonder, Eileen.’

De huishoudster gaf David een kus en liep zonder iets te zeggen de kamer uit.

Richard keek haar na alsof hij de liefde van zijn leven had ontmoet. ‘Ik denk dat ik haar ga schaken,’ zei hij verzaligd. Toen gaf hij David een klap op zijn schouder. ‘Ik had niet verwacht dat ik gelijk weer met jou te maken zou krijgen. Geniet van je vrijheid, kerel, in plaats van bij mij rond te hangen – ga wat leuks doen.’

David staarde hem aan, keek nog eens de salon door, en bleef staan waar hij stond.

Richard haalde zijn schouders op. ‘Iemand saucijzenbroodjes?’ riep hij de kamer in. ‘Ze zijn heerlijk en als jullie niet snel zijn eet ik ze allemaal op.’ Er kwam geen reactie. Nogmaals haalde Richard zijn schouders op. ‘Moeilijk publiek.’ Hij nam een hap.

David liep naar Carmen en Ethel, die samen op een divan zaten. ‘Mag ik bij jullie komen zitten?’ vroeg hij.

De twee vrouwen, die gewoonlijk het liefst voor hem waren, staarden hem aan. ‘Jij hebt Poppy vermoord, hè?’ vroeg Carmen.

‘Carmen…’ zei Ethel bestraffend, maar ze keek naar David alsof ze zich hetzelfde afvroeg.

‘Nee,’ zei David. ‘Ik heb haar niet vermoord. Echt niet. Dat zou ik nooit doen. Ik was wel boos op haar, maar niet zo boos.’

‘Poppy is dood, David,’ vertelde Carmen hem. ‘Binnenkort gaan ze haar begraven. In de grond. Dan eten de wormen haar op.’

Ethel leek Carmen nog een keertje tot de orde te willen roepen, maar begon toen te huilen. ‘Ja,’ snikte ze. ‘Ja! En dat is vreselijk. Oh, David, waarom heb je haar niet met rust gelaten? Ik wou dat ik Lord Northend eerder verteld had dat ik jou in haar kamer heb gezien. Misschien had hij je tegen kunnen…’ Ethel kon niet verder praten: ze verborg haar gezicht in haar zakdoek.

Davids schouders zakten steeds verder in. ‘Ik heb haar niet vermoord,’ herhaalde hij.

‘Dat wil ik echt geloven,’ snikte Ethel gesmoord. ‘Gisteren vond ik het zo erg dat je gearresteerd was, maar nu… maar nu… nu wéét ik het gewoon niet meer. “Leven en laten leven,” zei mijn moeder. Maar zeg me alsjeblieft of je schuldig bent.’

‘Misschien kunnen we dat beter aan DI Mather vragen.’ Die suggestie kwam van Celia. Iedereen keek zijn kant uit.

Richard haalde maar weer eens zijn schouders op. ‘Ik heb geen zwaar genoeg wegende redenen om David nog vast te houden. Miss Hickley heeft David in Poppy’s kamer gezien, maar zoals ze u zelf kan vertellen was dat niet op de avond van de moord.’

‘Dat is niet echt een antwoord,’ zei Celia. ‘Denkt u dat hij onschuldig is of hebt u nog niet genoeg bewijs om hem aan te kunnen klagen?’

Weer leek het of woorden een signaal waren voor iemand om de kamer binnen te lopen. Het was Gerald. De man bleef net voorbij de deuropening staan, haakte zijn duimen om zijn riem en keek naar David. ‘Zo,’ zei hij, ‘de oorlog gaat verder.’

David deed een stap bij hem weg en zei niets.

‘Als je denkt dat ik je met rust laat omdat mijn dochter je de hand boven het hoofd houdt, dan heb je het verkeerd. Ik ga net zo lang door totdat ik je kan aanklagen.’

‘Dat weet ik,’ zei David. ‘Maar ik heb het niet gedaan.’ Hij strekte zijn rug. ‘Matthew heeft me verteld dat ik er als christen rekening mee moet houden dat ik vals word aangeklaagd. Zelfs Jezus werd vals aangeklaagd. Als ik moet lijden voor Hem dan doe ik dat. Maar ik vecht wel terug.’

Er viel weer een stilte, maar een die anders was dan daarvoor. Men leek verbaasd te zijn – zelfs Gerald zweeg. Ethels gesnik verstomde. Bijna iedereen keek naar Matthew. Hij grimaste. Zijn eigen woorden klonken vreemd nu ze naar hem teruggeëchood werden.

Marieke leidde de aandacht af: ze begon zich omhoog te worstelen uit haar stoel. Terwijl iedereen toekeek liep ze de kamer uit, of sleepte zich er eigenlijk uit, met haar vervormde lichaam. Ze struikelde over de rand van een tapijt, wankelde en behield maar net haar evenwicht.

Carmen begon te lachen. ‘Dik, dik, dik,’ zong ze. ‘Marieke is veel te dik!’

Het zou wel door de spanning komen, maar bijna iedereen lachte mee, hard en ongegeneerd. Marieke draaide zich niet om: ze verkrampte maar wankelde verder. Matthew sloot even zijn ogen toen de deur zachtjes achter haar dichtviel. Dit kon er ook nog wel bij.

‘Gezellige boel hier,’ mompelde Richard.

 

Toen Anna in de grote salon was gearriveerd, besloot Matthew aan het werk te gaan. Richard liep met hem mee naar zijn werkkamer. Daar wachtte Matthew met de vraag die in hem brandde totdat de deur achter hen was gesloten: ‘Wat denk je nou echt over David?’

Richard beet in zijn tweede saucijzenbroodje. ‘Wat ik gisteren al vertelde,’ zei hij tussen twee happen door, terwijl er stukjes bros deeg op de grond vielen.

Matthew pakte zijn tablet. ‘Waarom heb je hem dan de hele nacht vastgehouden?’

Richard nam nog een hap. ‘Ik ga zo terug naar de salon. Ik wil nog even met Gerald praten, en met een van je daghulpen. Weet je dat een gast Gerald en Melinda Hayes samen in het donker in de tuin heeft gezien?’

Matthew staarde hem aan. ‘Verrassend. Maar ik snap niet waarom je dat interessant vindt. Gerald is…’ Matthew stokte. ‘Oh. Wacht. Jij denkt dat Melinda boos was omdat zij interesse had in Gerald maar hij liever naar Poppy keek. Dat ze bij mij over Gerald kwam klagen, was een poging om hem bij Poppy weg te krijgen. En toen dat niet werkte heeft ze Poppy vermoord.’

Richard slikte een stuk van zijn broodje weg en stak een duim op. ‘Mijn onbezoldigde agent doet het goed. Heb je een glaasje water voor me?’

‘Melinda Hayes werkt hier al jaren. Zij pleegt geen moord – en al helemaal niet om een zogenaamde rivale uit te schakelen. Ze moet niets van Gerald hebben. En ze is getrouwd. Haal niet zo je schouders op, Richard – dat begint irritant te worden.’

Richard trok zijn wenkbrauwen op. ‘Jij begint nogal uitgesproken te worden. Last van stress, beste jongen?’

‘Je bent ook niet iemand die “beste jongen” zegt – dat past niet bij je.’ Matthew haalde diep adem. ‘Verder nog ontwikkelingen?’

‘Bij jou?’ vroeg Richard, bijna onschuldig. ‘Dat doet me deugd. Je hebt eindelijk een psycholoog gevonden? Wanneer heb je je eerste gesprek?’

Matthew ademde al even diep uit. ‘Doe niet alsof je me niet begrijpt. En waarom hebben we het hier steeds over?’

Richard propte het laatste restje saucijzenbrood in zijn mond. ‘Te vroeg gejuicht, begrijp ik. Jammer. Succes, beste jongen.’ En met die woorden liep hij de kamer uit.

 

Matthew ging aan het werk. Net toen hij concentratie bij elkaar gesprokkeld had, werd er op zijn deur geklopt. Hij zuchtte en overwoog om te zwijgen, maar dat lukte hem niet. ‘Binnen,’ mopperde hij.

Toen hij zag wie hij toeliet, wenste hij dat hij toch zijn mond had gehouden: het was Charlotte Preston. Ze had een opgerolde krant in haar hand en liep zo gedecideerd zijn kant uit dat hij even dacht dat ze hem ermee om zijn oren zou slaan.

Abrupt kwam ze tot stilstand bij zijn bureau. ‘My lord,’ blafte ze.

Hij weerstond de neiging om “Op de plaats rust” terug te roepen. ‘Miss Preston,’ zei hij. ‘U hebt vast iets op uw hart. Wat heeft welke daghulp nu weer gedaan?’

‘Ze hebben niets gedaan, my lord. Ze –’

‘Dat is niet veel. Gewoonlijk spoort u ze aan om hard hun best te doen.’

Charlotte hield haar hoofd schuin. Deze keer was ze niet de afwachtende gier; ze leek eerder een anesthesist die zich afvroeg wanneer het verdovende middel ging werken. Matthew hield zich intussen voor dat hij zich te veel door Richard liet beïnvloeden.

‘My lord?’ vroeg Charlotte, op een toon alsof ze informeerde of hij er al klaar voor was om een serieus gesprek te voeren.

‘Miss Preston, wat is er aan de hand?’

‘David.’

Hij zuchtte. ‘Ja?’

‘De daghulpen staan onder zeer veel druk nu hij terug is.’

‘Werkelijk.’

Ze keek hem weer verwachtingsvol aan toen hij niet verder sprak. Hij keek hopelijk niet verwachtingsvol terug. Zou ze begrijpen dat hij wilde dat ze vertrok? Nee: ‘Ze vinden hem eng,’ beet ze. ‘Hij wordt van moord verdacht. U kunt hem hier niet zomaar rond laten lopen.’

‘David is niet aangeklaagd voor moord. En ik snap niet hoe u erbij komt dat ik hem hier niet kan laten rondlopen. Dit is mijn huis.’

‘DI Mather lijkt er minder van overtuigd dat hij onschuldig is dan u. Waar bent u mee bezig, my lord?’

‘Met een gesprek waar ik niet erg enthousiast over ben. Ga wat doen, Miss Preston. Bemoei u met uw eigen zaken in plaats van te informeren naar de mijne.’

Charlotte strekte haar rug. ‘Ik hoop dat u uw verantwoordelijkheid neemt als er nog meer doden vallen.’ Ze liet de krant op het bureaublad vallen en tikte weg op haar hoge hakken. Matthew vroeg zich af hoe het mogelijk was dat ze tegenwoordig zo tegen hem sprak. Vroeger deed ze net of ze respect voor hem had.

Toen pakte hij de krant. The Northend Gazette natuurlijk. De kop op de voorpagina liet niets te fantaseren over: “David Mills in de cel,” schreeuwde Susanna. Hij probeerde ervan te genieten dat haar informatie achterhaald was.

Maar genieten lukte niet toen hij het artikel las. Gisteravond had hij nogmaals Richard gebeld, die hem had verzekerd dat hij in persberichten niets zou vertellen over de redenen waarom David was opgepakt. Er was slechts een korte melding uitgegaan dat “een twintigjarige man de politie hielp bij het onderzoek”. Susanna zou niet moeten kunnen weten wat hij nu in de krant zag staan: dat David Poppy bedreigd had – dat David zonder haar toestemming in haar kamer was geweest.

“Het bewijs is geleverd,” schreef Susanna. “David is de moordenaar. Hij is de grens overgestapt waarvan we altijd al wisten dat hij hem eens zou overschrijden.”

Matthews gevoel van dreiging was terug. Even vroeg hij zich af waarom Richard David had vrijgelaten – het bewijs van schuld leek overweldigend.

 

Uit het dagboek van Marieke Markestein

 

… Bijna winter, constateerde ik toen ik door het bos rondom Northend Abbey liep. Ik had nooit verwacht dat in de twee weken sinds de dood van Poppy de wereld zo zou veranderen. De meeste bomen waren kaal, en ik dacht dat ik sneeuw kon ruiken in de wind. Ik genoot ervan, net zoals ik ervan genoot om alleen te zijn. Tenminste: ik dacht dat ik alleen was.

‘Je bent al net zo eigenwijs als mijn vrouw,’ klonk het achter me, net toen ik de laatste heuvel voor het hek naar Northend Abbey afdaalde.

Even sloeg mijn hart over. ‘Lord Northend – ik had u niet gehoord.’

‘Noem me alsjeblieft Matthew.’ Hij kwam naast me lopen. ‘Waarom ga je het bos in terwijl Paul Sanders zich daar misschien schuilhoudt?’

‘Omdat ik beweging nodig heb. Dat is goed voor me.’

Matthew fronste. ‘Maar nu ben je onderweg naar huis?’

‘Als u met “huis” uw huis bedoelt… inderdaad. Ik doe niet mee met de grote uittocht.’ Gisteren heeft DI Mather eindelijk iedereen toestemming gegeven om te vertrekken. Het onderzoek naar de moord zit vast en er is volgens hem geen reden om te geloven dat een van de gasten de dader is. De meeste vrouwen gingen gelijk hun koffers pakken en worden vandaag opgehaald door liefdevolle gezinsleden – of taxichauffeurs. ‘Ik hoop dat u daar geen probleem mee hebt?’

‘Je bent van harte welkom om zo lang te blijven als je wilt, Marieke. We hebben iedereen de mogelijkheid gegeven om de weken dat ze oorspronkelijk zouden blijven vol te maken. Anna en ik vinden het fijn dat je daar gebruik van maakt – we hadden het er gisteren nog over. Misschien ben je er nog als de baby’s geboren worden.’

Dat laatste klonk niet erg enthousiast. Ik herinnerde me dat ik een van de daghulpen had horen zeggen dat het de bedoeling was dat er absoluut geen gasten waren tegen de tijd dat de tweeling zich aandiende. ‘Vast niet,’ mompelde ik.

We kwamen bij het hek, waar geen journalisten meer stonden te wachten, en liepen het park dat Northend Abbey omringt in. Het werd moeilijker om gewoon te blijven lopen; ik had te veel van mezelf gevraagd. ‘Zwaar?’ vroeg Matthew.

‘Dat wist je toch al?’

‘Marieke… Waarom doe je zo spottend over jezelf?’

‘Iemand moet het doen, als op Carmen na iedereen zwijgt.’ Matthew zweeg ook, dus ik hielp hem op weg: ‘Ga je nu zeggen dat God blij met me is, dat God schoonheid in me ziet, zelfs als niemand anders dat doet?’

‘Dat doet Hij inderdaad,’ zei Matthew. Het klonk plichtsmatig – en dat deed zeer.

‘Straks beweer je dat je zelf nog in Hem gelooft.’

Hij nam me op. ‘Jij niet?’

‘Er is iemand vermoord, in een huis waar iedere dag tot God gebeden wordt. God heeft niet ingegrepen. Hij grijpt nooit in.’

‘Ik denk dat het genuanceerder ligt. Ik kan me voorstellen dat je vragen hebt na alles wat er is gebeurd, maar…’ Hij maakte zijn zin niet af.

Ik bleef staan en probeerde op adem te komen. ‘Jij twijfelt ook,’ hijgde ik.

Hij keek me fronsend aan. ‘Hoe bedoel je? Ik geloof in God.’ Matthew boog zich wat dichter naar me toe. ‘Gaat het? Lukt het je om het laatste stuk naar huis te lopen?’

‘Je voelt je ellendig,’ beschuldigde ik hem.

Hij trok zijn schouders op. ‘Ik vind het heel erg wat er met Poppy gebeurd is, maar persoonlijk gaat het de laatste dagen beter met me.’ Hij stak zijn hand op naar de auto die voorbijkwam. Ik dacht op de achterbank Lizzie te zien zitten. Opeens begreep ik hem: hij voelde zich beter omdat het eindelijk rustiger werd in Northend Abbey. Hij zou het wel betreuren dat niet alle gasten vertrokken.

Zwijgend liepen we verder. Hoe hij het deed weet ik niet, maar Matthew slaagde erin zijn tempo aan te passen aan dat van mij zonder dat het leek dat hij zich moest inhouden. We liepen samen naar de achteringang van het huis. De meeste auto’s die zich daar verzameld hadden, waren al weg. Op de bijna lege binnenplaats stond Richard Mather, die eruitzag of hij op Matthew wachtte.

Matthew legde zijn hand op mijn schouder. ‘Ik zie je bij het diner.’ Even nog boog hij zich naar me toe. ‘Ik zou graag eens met je verder praten. Ik vind het jammer dat je twijfelt aan God. Twijfels zijn niet slecht, maar het is ongezond om er in je eentje mee rond te blijven lopen. Ik hoop ook dat…’ Zijn ogen gingen weer langs mijn lichaam. ‘…Dat je wat milder naar jezelf zult leren kijken.’

‘Milder!’

‘Ik meen het.’ Toen liep hij echt weg.

Ik liep naar binnen, naar de kapstok, en leunde daar vijf minuten tegen de muur, tot mijn spieren niet meer trilden. Daarna pas waagde ik me naar mijn kamer. Ik voelde bij iedere stap de pijn in mijn heupen, bewuster dan anders. Ik hoorde mijn hartslag in mijn oren razen. Ik voelde de huid van mijn bovenbenen, die tegen elkaar schuurden.

In mijn kamer liep ik naar de spiegel die ik de zes weken dat ik nu in Northend Abbey ben heb vermeden. Ik keek naar mezelf. Naar mijn wanstaltig dikke lichaam, 1,80 meter hoog en bijna 192 kilo zwaar. Ik keek naar de uitpuilende wangen en de kin onder de kin die het gezicht dat ik eens had vervormen. Naar de opgepompte armen, de benen die zo dik zijn dat als ik loop het lijkt of ik een beetje mank ben. Naar de buik en de borsten die voor geen man aantrekkelijk zijn: alleen omvang, geen vorm.

Ik heb het allemaal zelf gedaan. Met iedere hap heb ik ervoor gezorgd dat ik dit monster ben geworden. En ook nu verlangde ik naar eten, wilde ik het liefst de chocoladereep openscheuren die in mijn nachtkastje ligt, of de zak chips die op de bovenste plank van de kledingkast op me wacht.

Ik dwong mezelf te blijven kijken en vroeg me af waarom Matthew zei dat ik milder moest zijn, waarom Poppy met me had willen omgaan, waarom Anna het niet erg vond dat ik nog even bleef. Ik vroeg me af wat Matthew echt van me dacht. Ik vroeg me af of hij ooit om me zou kunnen geven.

En toen hield ik mezelf voor de zoveelste keer voor dat ik niet zou huilen…

 

 

© Els van Weijen

One thought on “Hoofdstuk Dertien

  1. het zit een beetje vast in mijn gedachten over deze situatie. Iedereen lijkt verdacht en wat is de rol van Marieke? Jaloezie?

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *