Hoofdstuk Drie – Bij ons

Processed with VSCOcam with f3 preset

Op donderdag 14 oktober, een week nadat ik Thomas had leren kennen, vertrok ik met hem naar Londen. ’s Morgens om zes uur droeg ik mijn koffers de trap af en deponeerde ze bij de voordeur. Daarna liep ik naar de keuken voor mijn ontbijt. Het was echter lastig om yoghurt te bemachtigen: Brigitte stond met gevouwen armen voor de koelkast.

‘Je gaat niet weg,’ zei ze. ‘Pertinent niet.’

Even vroeg ik me af waarom ze bij de koelkast stond en niet bij de voordeur als ze mijn vertrek wilde verhinderen, maar aan haar ogen te zien was Brigitte voor die discussie niet in de stemming. Ik haalde een schaaltje tevoorschijn en goot er muesli in. ‘Mag ik er even bij?’ vroeg ik, zo rustig mogelijk. ‘Ik weet dat jij ontbijten onnatuurlijk vindt, maar ik moet echt wat eten. Anders val ik halverwege de Noordzee flauw.’

Brigitte drukte haar armen steviger tegen zich aan. ‘Je – gaat – niet – weg. Het is niet goed voor je. Ik wil je beschermen, Caroline. Snap dat dan.’

Ik tuurde naar mijn muesli en zweeg. Door een aantal eisen van de burgerlijke stand was mijn vertrek minder overhaast geworden dan de bedoeling was geweest. Brigitte had de extra dagen gebruikt om me er eindeloos op te wijzen hoeveel spijt ik zou krijgen van mijn besluit. Haar scenario’s hadden gevarieerd tussen vrouwenhandel en verstikkende verveling aan de arm van een man die alleen in zaken geïnteresseerd was. Ervaring had me geleerd dat tegenargumenten aandragen geen zin had.

‘Zeg wat, Caroline.’ Brigitte stampvoette. ‘Sta niet naar je eten te kijken alsof je in een gesticht thuishoort. Zeg dat je blijft.’

‘Gesticht zeg je tegenwoordig niet meer – dat is niet politiek correct.’

Brigitte drukte zich tegen de koelkast aan en hief haar hoofd omhoog alsof ze goden om geduld smeekte. ‘Snap je het nou niet? Begrijp je niet wat je me aandoet? Ik ben vreselijk bezorgd over je en ik ga je ook nog eens vreselijk missen. Ik kan nog niet alleen zijn. Het lijkt of het beter met me gaat, maar sinds ik weet dat je weggaat, slaap ik weer heel slecht. Ik voel me onzeker. Ik heb je nodig.’

Ik staarde haar aan. Dit argument was nieuw. Brigitte sloeg met haar vuist tegen de koelkast en begon te huilen, hard en ongegeneerd. Ze viel op haar knieën en verborg haar hoofd in haar handen. Ik zette ik mijn schaaltje neer en ging op mijn hurken bij haar zitten, een hand op haar schouder.

Ze schoof dichter naar me toe. ‘Je blijft bij me,’ snikte ze.

‘Nee, Brigitte. Sorry.’

Bijna verwilderd keek ze op. ‘Ik heb je nodig, zeg ik net! Ik kan depressief worden als ik alleen ben.’

‘Brigitte –’

Ze duwde mijn hand van zich af, en sloeg op mijn arm toen ik niet snel genoeg afstand nam. Op handen en voeten kroop ze bij me weg. ‘Sodemieter dan gelijk maar op. Je bent mijn vriendin niet meer.’ Vlak bij de keukentafel wees ze naar me met een priemende vinger. ‘Jij bent nooit mijn vriendin geweest. Het maakt je niets uit hoe ik me voel.’

‘Dat is niet waar. Maar Thomas –’

Ze sprong overeind. ‘Heb je die fantastische Thomas Garland gegoogeld? Er staan niet alleen artikelen over zijn bedrijf op internet. Er zijn ook verhalen over wat hij in zijn vrije tijd doet. Verhalen over vriendinnen, Caroline. Stapels vriendinnen. Denk je nou echt dat hij –’

‘Hij heeft me verteld dat er van alles over hem geschreven wordt, niet alleen over zijn werk maar ook over zijn privéleven. Dat is normaal voor iemand in zijn positie. Zakenlieden komen in Engeland veel vaker in de roddelbladen terecht dan bij ons. Het meeste is onzin. Er –’

‘Bij ons.’ Brigitte herhaalde de woorden met grote nadruk. ‘Je zegt het zelf: je hoort hier. Wij zijn “ons”.’

‘Wij zijn altijd “ons”. Dat gaat echt niet veranderen. Maar “ons” is nu ook –’

‘Je laat me in de steek voor iemand die je net kent,’ siste Brigitte.

‘Nee. Ik –’

‘Genoeg.’ Brigitte wuifde mijn woorden weg en wreef toen, met een nonchalante veeg, haar ogen droog. ‘Ik heb mijn best gedaan,’ zei ze. ‘Nu moet je het zelf maar weten. Ik wens je heel veel sterkte, Caroline. Als je doorhebt dat je de verkeerde keuze hebt gemaakt, kun je bij me terugkomen.’ Met die woorden schreed ze de keuken uit.

Ik pakte yoghurt, at en wachtte op Thomas.

 

Toen Thomas en ik op het vliegveld persoonlijk werden welkom geheten en naar een lounge werden geëscorteerd waar we in alle rust op onze vlucht konden wachten, twijfelde ik er even aan of het een goede keuze was geweest om mee te gaan naar Londen. Toen ik de business class van het vliegtuig instapte en voor het eerst ontdekte hoe weelderig die was, overwoog ik om met de trein terug te reizen naar Dubbeldam.

Kort na het opstijgen vertelde Thomas dat zijn vader een privévliegtuig had gehad, maar dat hij toen hij het werk had overgenomen het ding had afgestoten – hij reisde te weinig om het rendabel te maken. Die opmerking zorgde er niet voor dat ik me beter ging voelen, zeker niet terwijl ik zag hoe achteloos Thomas de luxe om hem heen onderging. Ik moest mezelf streng toespreken om te voorkomen dat ik allerlei conclusies trok over de verschillen tussen hem en mij. Niettemin dacht ik toch weer na over het feit dat Thomas een heel ander leven leidde dan ik.

Toen er in Londen een Jaguar met chauffeur op ons bleek te staan wachten, wist ik niet meer wat ik dacht. Ik kreunde binnensmonds.

‘Te decadent?’ vroeg Thomas, die me blijkbaar toch gehoord had.

‘Te onwerkelijk. Heb je die man en die auto alleen voor vandaag ingehuurd, of…’

Thomas grinnikte. ‘Het is een auto van Garland Oil en George is mijn vaste chauffeur. Ik heb niet genoeg tijd om als een Nederlander de fiets te pakken. Stap in, Caroline. We gaan naar huis. Naar ons huis.’

We verlieten het vliegveld en doorkruisten Londen, niet de eeuwenoude stad die ik drie jaar eerder bezichtigd had, het Londen van Buckingham Palace en St Paul’s Cathedral, maar een eindeloze metropool vol moderne gebouwen. Ten slotte reden we een ondergrondse parkeergarage in en even later zoefden we met de lift naar het appartement van Thomas.

“Appartement” – dat woord had hij steeds gebruikt. Het had beelden bij me opgeroepen van een zitkamer, een keuken en een paar slaapkamers, smaakvol ingericht maar niet al te groot. In werkelijkheid bezat Thomas een penthouse op de zuidelijke oever van de Theems, vlak bij het beroemde oude pakhuis Butler’s Wharf. De hal van het penthouse, met daarin een beeld van een boogschutter die zijn pijl richtte op een onzichtbare prooi, leek al groter dan Brigittes complete benedenverdieping. De woonkamer had een muur die helemaal uit glas bestond en een weids uitzicht bood op de rivier en de stad. Brigitte had in Nederland één bank. Thomas had er vijf, die bij elkaar gezet in een hoek van 90 graden toch maar een klein deel van de kamer vulden. Er was een eettafel, er hingen enkele schilderijen en verder was er vooral veel lege ruimte: crèmekleurige muren en eindeloze glanzende houten vloeren. Thomas leidde me langs andere kamers: zijn werkkamer en zijn slaapkamer, logeerkamers en een keuken vol blinkende apparatuur. We stonden ook even stil in de badkamer. Hij was donker en leek uit graniet gehouwen.

Thomas liet zijn lippen langs mijn voorhoofd dwalen. ‘Mooi?’

‘“Mooi” vind ik opeens een ontoereikend woord. En dit is geen appartement, Thomas. Dit is een paleis.’

Hij grinnikte. ‘Een paleis voor ons samen. Welkom thuis.’ Zijn lippen gleden lager: ik hief de mijne naar hem op. Maar toen ik daarna opnieuw om me heen keek, voelde ik me benauwd.

Thomas nam me mee uit lunchen en sleepte me vervolgens mee naar een straat vol kledingwinkels die er vanbuiten al veel chiquer uitzagen dan de confectieketens die ik gewend was. Weer kreeg ik het benauwd. ‘Misschien is dit het juiste moment om te onthullen dat ik weinig gevoel voor mode heb. Brigitte zegt dat ik niet de flair bezit om iets anders te dragen dan een spijkerbroek.’

Thomas fronste. ‘Niet erg aardig van Brigitte.’

‘Oh, zo bedoelt ze het niet. Brigitte en ik zeggen gewoon eerlijk tegen elkaar wat we vinden. Zie het maar als die bekende Nederlandse botheid. Zij zou nu de boetieks in rennen en helemaal gelukkig zijn, terwijl ik liever door een boekwinkel struin.’

‘Een boekwinkel? Je geeft me nieuwe bewijzen dat je bijzonder bent. Niet dat ik die nodig heb: ik wist het allang. Ik heb inmiddels een week niet geslapen, lieveling, maar ik ga me alleen maar gelukkiger voelen. Nu je in Londen bent en me niet meer zult ontsnappen, kan ik weer ademhalen. Misschien kan ik zelfs aan werken denken. Maar eerst ga ik mijn verovering aan de wereld tonen. Morgen neem ik je mee naar een feest van kennissen en hoop ik je voor te stellen aan goede vrienden van me, en zaterdag hebben we een diner bij mijn onderdirecteur en zijn vrouw. Ik zal ze allemaal laten zien hoe prachtig je bent.’

‘Dat ben ik niet. En ik ben ook niet zo goed in feestjes en sociaal zijn. Ik –’

Hij kuste me, lang en grondig. Dat deed hij nogal regelmatig, en hij was er goed in. Toen tuurde hij met die bedwelmende ogen van hem in de mijne. ‘Je bent de allermooiste, en ik zal je vandaag kleren geven waarin dat nog beter opvalt. Kom maar mee.’

De uren daarna gingen in een waas aan me voorbij. De kledingwinkels waren vanbinnen zo luxueus en de verkoopsters zo elegant dat ze me intimideerden. Thomas droeg me op om te selecteren wat ik leuk vond, maar het aanbod was te groot om keuzes te maken. Tenminste, dat vond ik; Thomas lukte het wel. De stapels kleding die de verkoopsters apart legden werden steeds hoger.

In de eerste winkel haalde ik mijn eigen creditcard nog tevoorschijn. Thomas grinnikte en beweerde dat mijn gevoel voor humor ook bijzonder was. Ik kreeg de kleren van hem cadeau, zei hij, als ik beloofde ze allemaal voor hem te dragen.

Ik kreeg het warm. ‘Zoiets moet je niet zeggen.’

‘Niet? Maar ik meen het, lieveling. Ik zou ook graag iets willen zeggen over die kleur die ik weer op je wangen zie. Hij is –’

Ik kreunde. ‘Niet doen. Ik voel me net een maîtresse. Ik ben van plan carrière te maken, en volgens mij kopen carrièrevrouwen hun eigen kleding. Ze laten die niet uitzoeken en betalen door een man die hun intussen zijn mening over hun uiterlijk toefluistert.’

Ik voelde zijn lach tegen mijn kaakbeen toen hij me strelend kuste. ‘Sorry. Dat is meestal jouw favoriete woord, maar deze keer zal ik het gebruiken. Sorry dat ik me niet druk maak over je carrière en me vooral concentreer op dat woord “maîtresse”. Ben ik nu heel verderfelijk?’

Ik duwde hem van me af. ‘Natuurlijk,’ bromde ik, terwijl ik tegelijk trilde, om redenen die ik op dat moment geen woorden kon geven.

Hij trok me naar zich terug. ‘Vertrouw me,’ zei hij zacht.

Die woorden sprak hij opnieuw uit toen hij ’s avonds de woonkamer in liep. Ik zat op één van de vijf banken en probeerde de abstractie van de schilderijen te doorgronden.

‘Vertrouw me?’ Vragend keek ik naar hem op.

Thomas kwam bij me zitten. ‘Je bent de hele dag al slecht op je gemak. Je hoeft niet bang te zijn. Echt niet.’

Ik schoof iets bij hem weg. ‘Ik ben niet bang.’

‘Een beetje overdonderd dan. Tot vorige week was je een verstandig meisje dat haar keuzes liever met haar hersenen maakte dan met haar hart. Toen ging het lot zich met je bemoeien en werd je tegen je zin impulsief. Nu woon je met een rare kerel in Londen en voel je je… Vertel me hoe je je voelt, Caroline. Ik zal rekening met je houden.’

Ik durfde Thomas weer aan te kijken. De afgelopen dagen was hij constant bij me gebleven. Toen de burgerlijke stand mijn vertrek vertraagde, had hij de afspraken die hij eigenlijk niet kon missen via conference calls afgehandeld. Hij zei dat hij had besloten dat ik belangrijker was dan zijn werk. De hele week was hij ook heel geduldig geweest. Hij had me gekust, maar verder was hij niet gegaan. Hij had niet eens gepraat over verdergaan.

Ik ademde diep in. ‘Alles wat ik weet over… nou ja… heb ik in boeken gelezen. Jij bent geen boek. Ik wil je niet teleurstellen.’

‘Je kunt me niet teleurstellen. Ik ben blij dat je bij me bent – ik zal altijd blij zijn dat je bij me bent. We leren samen wat er allemaal nog meer mogelijk is.’

‘Ik heb geen ervaring. Stel nou dat ik niet… dat jij het niet fijn vindt om met mij…’

‘Dat verwacht ik niet. Dat verwacht ik helemaal niet.’ Thomas pakte mijn hand. ‘Zullen we het samen ontdekken? Op ons gemak? Zonder angst?’

Ik knikte en ging met hem mee naar wat zijn slaapkamer was geweest en nu de onze werd.

 

Gewoonlijk hield ik niet zo van feestjes, maar toen we de volgende dag de club instapten die was afgehuurd door een zakenrelatie van Thomas voelde ik geen zenuwen. Ik had een koningsblauwe jurk aan waar ik me meer vrouw in voelde dan ik voor mogelijk had gehouden en Thomas liep vlak naast me, met een sprankelende glimlach op zijn gezicht.

‘Tony!’ Hij greep een passerende man bij zijn arm. ‘Je moet kennismaken met Caroline. Caroline, dit is Tony Hayes, de oprichter van…’ De naam die hij noemde ging verloren in de muziek. ‘Tony, dit is Caroline Jacobs, de vrouw die me ontzettend gelukkig maakt.’

De Tony in kwestie, een man met een mager gezicht en bolle ogen die hem het aanblik gaven van een verbaasde kikker, keek naar Thomas alsof hij nog verbaasder was dan anders. Toen keek hij naar mij en merkte ik dat de kikkerogen me bestudeerden met een alertheid die wees op een hogere plek in de voedselketen. ‘Caroline – welkom. Ongelooflijk dat je Thomas’ aandacht lang genoeg hebt vastgehouden om hem van zijn werk af te leiden. Ik dacht dat hij sliep in zijn kantoor en dat zijn goudvis thuis gestorven was van eenzaamheid.’

‘Leugens. Mijn goudvis en ik hadden een uitstekende band. Ik kon het ook niet helpen dat hij allergisch was voor water. En praat niet zo over mij tegen Caroline, Tony.’ Thomas sleepte me mee naar zijn volgende slachtoffers. Er leek geen einde te komen aan de stroom mensen aan wie hij me voorstelde; al snel gaf ik het op om namen te onthouden.

Toen we stilhielden bij een stel dat ook “iets met olie” te maken had, werd onze rondgang onderbroken. De man was al wat ouder, in de vijftig. Hij knikte even naar me, maar trok Thomas bijna onmiddellijk terzijde. ‘Ik moet je spreken. Gisteren had ik contact met die rare onderdirecteur van jou. Ik vroeg hem naar jullie plannen in de VS, maar ik werd geen wijs uit zijn antwoord; ik weet met die man nooit wat hij nou precies bedoelt.’

Thomas grinnikte. ‘Dat is zijn handelsmerk, Bill. Martin bedoelt precies wat hij zegt, maar hij vindt het saai als mensen dat onmiddellijk begrijpen. Hij…’ Meer hoorde ik niet: de mannen liepen nog wat verder weg.

De vrouw die bij “Bill” hoorde was een stuk jonger dan haar partner, begin dertig. Ze droeg een zwart glanzende jurk die me deed denken aan de boeken van Jane Austen, maar haar uitstraling was modern: ik kon me haar voorstellen als een bedrijfsjuriste die onzacht onderhandelde over een contract. Ze rolde met haar ogen. ‘Mannen… Ze willen maar niet geloven dat er ook momenten zijn dat je niet over zaken hoeft te praten.’

‘Het is vast belangrijk.’ Ik dacht na over wat ik nog meer kon zeggen. ‘Ik ben er nog niet zo aan gewend,’ riep ik over de muziek heen. ‘Ik ken Thomas nog maar kort.’

‘Voor je het weet is het normaal. Waar heb je Thomas leren kennen?’

‘In Nederland. Ik werkte daar voor Garland Oil. We –’

‘Je werkte voor hem? Wat… romantisch.’

‘Ja.’ Ik giechelde en geneerde me toen. ‘Ja.’

De vrouw zweeg, alsof ze wachtte op wat ik verder zou zeggen, maar er schoot me niets te binnen. Na een zee van stilte die een uur duurde, of een minuut, glimlachte ze. ‘Leuk je ontmoet te hebben. Ik spreek je later.’ Ze draaide zich om en riep: ‘Naomi! Wat enig je te zien!’ Voor ik het wist was ze in gesprek met iemand anders.

Ik bleef alleen achter. Ik deed of ik mijn haren nog wat perfecter modelleerde (Thomas had me ook getrakteerd op een bezoek aan de kapper) en dwaalde toen quasi achteloos richting de dansvloer. De muziek liet mijn hart een ander ritme slaan. Ik dacht iets te horen dat ik gewoonlijk alleen in de natuur of in boeken bemerkte, iets dat me meezoog en blij maakte; even geloofde ik dat als ik de vloer op ging ik zou kunnen dansen.

Plots was Thomas er weer. ‘Een beeldschone dame, en helemaal alleen. Hoe is het mogelijk.’ Hij pakte mijn hand. ‘Mag ik het voorrecht hebben met u te dansen?’

‘Mooi gezegd, maar toch volgens mij totaal niet origineel. En ik moet bekennen dat ik niet kan dansen. Sorry.’

‘Natuurlijk kun je wel dansen. Ik zal het je laten zien.’ Hij nam me mee de vloer op. Er draaide inmiddels een nummer dat voornamelijk bestond uit een man die steeds opnieuw een bepaald scheldwoord herhaalde. Thomas bleef stilstaan, al botsten er mensen tegen hem aan. ‘Dit nummer negeren we. Het past niet bij ons.’ Zijn mond was vlak bij mijn oor en hij sprak rustig en duidelijk. Ondanks het lawaai kon ik hem perfect verstaan. ‘Ontspan je. Luister naar de muziek en naar je eigen lichaam – luister ook naar het mijne.’ Even streelde hij mijn arm – ik huiverde. ‘Je hoeft niet na te denken. Kijk niet naar anderen; probeer niet te dansen zoals zij. Richt je op ons. Deze dans is van ons samen. Geef je eraan over.’

Het nummer waar hij doorheen had gepraat kwam ten einde. Er werd iets heel anders ingezet: ik hoorde een piano en een zangeres die met hese stem over de liefde zong. Thomas trok me verder de vloer op. Hij begon te dansen en ik deed hetzelfde, heel soepel. De muziek sleepte me mee; de uitdrukking op Thomas’ gezicht maakte me dronken, en ik dacht niet meer. We dansten en we bleven dansen. Toen we ons later – voor mijn gevoel uren later – weer onder de mensen begaven, had ik het gevoel dat ik tegelijk met het dansen had geleerd om te praten: het liefst wilde ik de ene persoon na de andere aanspreken, om ze allemaal te vertellen hoe gelukkig ik was.

Thomas gaf me geen kans. Hij voerde me door de menigte mee naar zijn vrienden, Clark en Eve Roberts. Ik wist al het een en ander over hen. Thomas kende hen sinds zijn jeugd in Nieuw-Zeeland. Ze waren eerder dan hij naar Londen verhuisd en hadden hem een warm welkom geboden toen hij hen volgde. Zonder dat hij het gezegd had, wist ik dat het belangrijk voor hem was dat wij allemaal goed met elkaar zouden kunnen opschieten.

Met Clark zou dat geen probleem worden, vermoedde ik. Hij was een man van begin veertig met lijntjes om zijn ogen die hem de uitstraling gaven dat hij veel glimlachte. Hij had een verzorgde baard en een beginnend buikje dat zijn lach weerkaatste toen hij Thomas omhelsde. ‘Alle geruchten zijn dus waar. Gefeliciteerd, kerel. Ik zal met genoegen toekijken terwijl jij je verstand verliest.’

‘Ik had niet anders verwacht – bedankt.’ Thomas wendde zich tot de vrouw naast Clark. ‘Eve, het is gebeurd. Ik heb gedacht aan al die keren dat jij me vertelde dat ik me niet moest binden, maar het hielp niets. Dit is Caroline.’

Eve was opvallend mager: haar schouderbladen waren messcherp zichtbaar boven haar strapless jurk. In haar smalle, bleke gezicht dat omlijst werd door sluik witblond haar, waren haar ogen bijna zwart, als gangen die naar onderaardse grotten voerden. ‘Caroline,’ zei ze. Ze negeerde mijn uitgestoken hand en staarde me aan alsof ze iets zag dat ze niet begreep. Toen richtte ze zich op Thomas. ‘Ik heb je gemist. Je had eerder terug moeten komen.’

‘Het leven was onverdraaglijk zonder mijn aanwezigheid?’ Thomas glimlachte.

Eve glimlachte niet. ‘Bijna wel, ja. Ik zal je uitleggen waarom.’

En dat deed ze, tien minuten lang, exclusief tegen Thomas. Ze was betrokken geweest bij de organisatie van een liefdadigheidsbal. Officieel had ze dat samen met een groep vriendinnen gedaan, maar die hadden zich er blijkbaar nogal makkelijk vanaf gemaakt: alles was op haar schouders neergekomen. Wat dat “alles” precies inhield vertelde ze in minutieus detail; Thomas merkte op dat ze indrukwekkend veel werk had verzet.

‘Niemand heeft dat ooit door, Tommy – niemand behalve jij. Daarom wilde ik ook dat jij erbij was afgelopen zaterdag. Maar je zat opeens in de rimboe. Waar was het ook alweer? Oezbekistan?’

‘Iets dichterbij: Nederland.’

‘Jij zat opeens in Nederland en Clark had het “te druk”, hoewel je zou denken dat iemand die alleen investeert in de bedrijven van anderen en ze niet zelf leidt, tijd kan vrijmaken voor zijn vrouw. Ik moest het allemaal alleen doen. Ja, de “dames” waren er natuurlijk, opgedirkt en kirrend over hun organisatietalent. En maar kletsen over de arme kindertjes die ons zo hard nodig hebben.’

‘En dat is natuurlijk ook zo,’ zei Thomas.

‘Gelukkig maar; anders was het echt een verspilde avond geweest.’

‘Gelukkig dat er nog leed in de wereld is, Eve? Vroeger zou je daar genuanceerder over hebben –’

‘Anders was die avond echt verpest. Zeg nou zelf. Het was ook eigenlijk één groot drama. Thomas, je zult Pauline Trent tot de orde moeten roepen. Ze had alweer een jurk aan die haar taille benadrukte. Wanneer accepteert ze dat ze geen taille hééft? Toen ik haar binnen zag komen, wilde ik het liefst net doen of ik haar niet kende – het was vreselijk gênant.’

Clark grijnsde mij toe. ‘Eve kan laksheid bij het organiseren van een evenement nog net vergeven, maar je niet gepast kleden is een doodzonde.’

‘Als je dat wilt, zal ik je mening doorgeven,’ zei Thomas. ‘Ik snap alleen niet goed waarom juist ik de boodschapper moet zijn.’

‘Had jij geen stomende relatie met…’ Eve keek naar mij, knipperde met haar ogen en nam een slok van haar wijn. ‘Wat is het spreekwoord ook alweer? Zwijgen is zilver?’

‘Goud zelfs,’ zei Thomas. ‘Ik weet niet wat er wordt beweerd, maar als iemand Pauline tot de orde moet roepen, dan is Albert Trent daar de aangewezen persoon voor; hij is met haar getrouwd. Ik besteed mijn tijd liever aan het bewonderen van Caroline.’

Eve nam me opnieuw op, vooral mijn kleding. Ik probeerde te glimlachen, maar onder haar blik leek mijn jurk te verworden tot een soort worstomhulsel.

‘Laten we het niet over Pauline hebben,’ besloot Clark. ‘Laten we over Caroline praten – en met haar.’ Weer grijnsde hij naar me. ‘Je moet wel heel bijzonder zijn; ik had de hoop al opgegeven dat ik ooit getuige zou zijn op het huwelijk van Thomas.’

‘Huwelijk?’ Thomas snoof. ‘Overdrijf je gebruikelijke onsubtiele hinten niet. Laten we mijn escapades niet nog dramatischer maken dan ze toch al zijn.’

Clark greep mijn hand. ‘Nogal onhandig geformuleerd door de man van je dromen. Ik neem aan dat je je nu gekwetst voelt. Moet ik je troosten?’

‘Dank je, maar dat is niet nodig. Nederlanders zijn bot – Thomas probeert zich aan te passen aan hoe ik met hém omga. Hij is bang dat ik me anders niet bij hem thuis voel. Ik vind het erg attent van hem.’

Thomas kreunde. ‘Kijk, dat is nou het soort reactie waardoor ik haar niet kan weerstaan. Ze is gewoon te lief.’

Clark kwam dichter bij me staan. ‘Ben je bot genoeg om Thomas te zeggen dat hij zich soms beter met zijn eigen zaken kan bemoeien?’

‘Pardon?’ Ik deed een stap bij Clark vandaan.

Thomas legde een arm op mijn schouder. ‘Zo bot is ze niet, nee. Clark, laten we het ergens anders over hebben.’

‘Laten we het voorgoed ergens anders over hebben.’ Clark pakte een glas van een voorbijkomend dienblad en hief het op naar Thomas. ‘Op een goed gesprek.’

Thomas fronste. ‘Op een goed gesprek.’

De toost werd niet bewaarheid: Eve begon over haar volgende liefdadigheidsproject en was weer als enige aan het woord. We luisterden een kwartier, totdat Thomas zei dat we naar huis gingen. Hij negeerde Eves protesten dat het nog erg vroeg was en begon me richting de uitgang te manoeuvreren. Clark en Eve liepen mee. Onderweg stelde Clark me vragen over hoe ik erin slaagde Thomas van zijn werk af te leiden. Thomas fronste opnieuw, zo diep dat ik me op de vlakte hield.

Toen we bij de buitendeur waren, schudde Clark Thomas de hand. ‘Mijn complimenten. Je hebt haar compleet geïndoctrineerd, maar ze is niettemin perfect. Ik hoop dat ze je lang genoeg in haar ban houdt om je blik te verzachten.’ Toen wendde hij zich naar mij. ‘Zorg ervoor dat hij je op waarde blijft schatten, Caroline. Mannen zijn niet te vertrouwen: voor je het weet –’

De druk van Thomas’ hand op mijn schouder werd harder. ‘Mijn blik verzachten? Daar is niet veel voor nodig. Je zou kunnen beginnen met –’

‘Ik zou het fijn vinden als je hem afleidt, minnares van Thomas. Soms ben ik bang dat hij wat al te serieus wordt. Hij is in staat om te vergeten dat jij nu zijn eerste prioriteit bent. Dan gaat hij zich druk maken over zijn werk of andere droge kwesties. Overtuig hem ervan dat het leven meer is dan regels en reguleringen, en doe het snel.’

‘Clark…’ Thomas klonk boos en uiterst kalm tegelijk.

‘Wat is er, Thomas? Vind je het niet aangenaam als de rollen omgedraaid zijn?’

Clark en Thomas stonden tegenover elkaar als voetballers die niet langer vochten om de bal maar een meningsverschil hadden over een uitgestoken been of een ploeggenoot die gevloerd was. Eve staarde bijna angstig van de een naar de ander. ‘Tommy,’ fluisterde ze.

Thomas liet zijn hand van mijn schouder vallen. ‘Caroline, zei je niet dat je nog even…’ Hij maakte een gebaar richting de wc’s en zijn gezicht was zo afstandelijk dat ik maar ja knikte. Voordat ik twee passen bij hem verwijderd was, wendde hij zich tot Clark. ‘Ik stel voor dat we het hier niet meer over hebben waar Caroline bij is. Sommige dingen houd ik liever onder ons.’ Hoe Clark reageerde ving ik niet meer op.

De vrolijkheid van na het dansen had me verlaten. Ik voelde me een beetje misselijk, en dat gevoel werd erger toen ik de wc in stapte. Een paar vrouwen hadden zich opgesteld rondom een wastafel. Een van hen stond voorovergebogen over een spiegeltje en snoof drugs op. Ik herkende haar: het was de vrouw of vriendin van Bill. Stokstijf bleef ik staan. Ik wist niet of ik moest maken dat ik wegkwam of net moest doen of ik wat ik zag heel normaal was.

De vrouw draaide zich naar me om. Er plooide zich een brede glimlach om haar lippen. ‘Aha! Het scharreltje van Thomas Garland. Wat is er, meisje? Oefen je voor standbeeld? Je komt toch uit Nederland? Je ziet vast niets nieuws.’

‘Behalve dan mensen die goed gekleed gaan,’ zei een van de andere vrouwen. Ze nam me net zo vrijelijk op als Eve had gedaan. ‘Komt die jurk ook uit Nederland? Vreselijk. Hij ziet eruit als iets dat je draagt als je bij oma op bezoek gaat.’

‘Is het wel een jurk?’ vroeg een derde. ‘Hij lijkt meer op een gordijn.’ De vrouwen barstten collectief in lachen uit.

Ik draaide me om en liep de zaal weer in, terug naar Thomas. Hij stond nog steeds bij de uitgang met Clark en Eve, maar verder was het tableau compleet veranderd: hij praatte lachend met Clark, terwijl Eve aan Thomas’ arm hing en aanbiddend naar hem opkeek. Ik trok aan de arm die hij overhield en sprak zijn naam, maar hij had niets in de gaten. ‘Wij Kiwi’s moeten elkaar zo veel mogelijk opzoeken,’ zei hij. ‘Ieder excuus is geoorloofd om over cricket of rugby te kunnen praten met mensen die het juiste team steunen.’

‘En die het niet over het eeuwige voetbal van de Europeanen hebben.’ Clark sloeg Thomas op de schouder. ‘Altijd goed om met een echte maat naar echte sport te kijken.’

‘Als Kiwi’s onder elkaar, Tommy.’ Eve deed nog een stap dichter naar hem toe.

Ik trok weer aan zijn mouw. ‘Thomas,’ fluisterde ik.

Alleen Eve hoorde me. Ze trok haar wenkbrauwen op. ‘Volgens mij probeert iemand je aandacht te trekken.’

Toen pas zag Thomas me. Even fronste hij. ‘Nu al terug?’

‘Sorry als ik stoor. Thomas, in de wc staat een hele groep vrouwen drugs te gebruiken. Ik kan me voorstellen dat je kennissen die dit feest organiseren daar niet op zitten te wachten.’

Clark grijnsde en sloeg een vuist voor zijn mond om dat te verbergen. Eve proestlachte. ‘Waar heb je haar vandaan, Tommy?’ vroeg ze. ‘Uit een klooster? Weet je zeker dat deze relatie een succes kan worden? Ik denk dat je Pauline nog veel moet leren als ze –’

‘Caroline – ze heet Caroline.’ Thomas glimlachte geruststellend naar me, maar zijn blik was moeilijk te lezen. Het ene moment leek hij heel tevreden; het volgende moment dacht ik dat hij zich geneerde. ‘Het spijt me, lieveling. Ik ben geen voorstander van drugs, maar ik kan er hier weinig tegen doen. Ik denk dat mijn kennissen vooral willen dat er zo min mogelijk over gesproken wordt. We gaan naar huis; ik haal onze jassen.’ Hij liep weg, maar Eve bleef aan zijn arm hangen. Ik zag haar lachend met hem praten en vroeg me af of ze het over mij had.

Gelegenheid om daar lang over na te denken, kreeg ik niet. ‘Niets is wat het lijkt,’ zei Clark, die mijn blik had gevolgd. Toen ik hem vragend aankeek, herhaalde hij zijn woorden: ‘Niets is wat het lijkt. Vertrouw niemand. Ook Thomas niet. Hij…’ Clark zuchtte. ‘Zijn werk is zijn passie. Zijn werk en nachtvlinders. Het klinkt schraal en het spijt me voor je, maar het is de waarheid.’ Even legde hij zijn hand op mijn schouder; toen liet hij me alleen.

Ik wachtte op Thomas en vroeg me af of “nachtvlinder” een eufemisme was voor wat anders, of dat hij geïnteresseerd was in motten. Dat laatste leek me niet waarschijnlijk.

 

 

© Els van Weijen

4 thoughts on “Hoofdstuk Drie – Bij ons

  1. Ja het wordt steeds meer gissen en dat is wat deze schrijfster zo goed in haar schrijfvingers heeft.
    Altijd boeiend en intelligent!
    Ben benieuwd hoe het verder gaat en zie er naar uit!!
    Nanny

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *