Hoofdstuk Drieëntwintig

gun

Toen Matthew uitstapte bij het huis van Louis Rendaux ging zijn telefoon: Anna. Hij keek even naar haar foto op het scherm, maar nam niet op. Waarschijnlijk wilde ze nog een keer proberen hem over te halen om Richard in te schakelen en niet persoonlijk in te grijpen. Maar hij was de onduidelijkheid over wat er allemaal gaande was onderhand zat. Het werd ook tijd dat hij zelf wat ondernam. Hij zette de telefoon uit en beende met stevige pas in de richting van antwoorden.

Louis Rendaux woonde in een herenhuis van grijze steen. Schuin erachter, half verscholen door hoge dennen, lagen de stallen en een renbaan. Matthew was vaker in het huis geweest, en had ooit met Louis onderhandeld over een investering in de stallen. Het was er nooit van gekomen. Een vaag gevoel van wantrouwen had hem weerhouden.

Hij belde aan en vertelde een Filippijnse dienstbode van ergens in de vijftig wie hij spreken wilde. De vrouw, in smetteloos wit gekleed, klein en pokdalig, keek twijfelend. ‘Mr Rendaux heeft het erg druk, meneer. Hebt u een afspraak?’

‘Mijn naam is Matthew Fontaine – de graaf van Northend.’ Hij gebruikte zijn titel wel eens vaker als hij dacht dat het van pas zou komen. Zijn inschatting was ook deze keer juist: de ogen van de vrouw werden groter. Matthew glimlachte beminnelijk. ‘Louis kent me en vindt het vast niet erg om tijd voor me vrij te maken.’

‘Natuurlijk, meneer de graaf – komt u binnen, meneer de graaf.’ Het accent van de vrouw werd sterker terwijl ze achterwaarts terug het huis in week. Ze leidde hem naar een wachtkamer en zei dat ze Mr Rendaux zo snel mogelijk ging waarschuwen. Ze vroeg hem om tot die tijd plaats te nemen in een stoel.

Matthew bleef staan en keek de kamer rond, die in rococostijl was ingericht, met weelderige tierelantijnen die totaal niet pasten bij zijn eigen smaak. Aan het plafond hing een gouden kroonluchter die te groot was voor het vertrek. Matthew wandelde naar een raam en keek richting de stallen. Hij vroeg zich af of Lightning Strike daar ooit verbleven had, en zo ja: hoe Gerald erin was geslaagd het dier te ontvreemden. Er stonden imposante hekken om het terrein heen.

Toen stond Louis achter hem. ‘Matthew!’ riep hij. Matthew had maar net tijd om zich om te draaien voordat hij werd omhelsd: smalle armen werden met onverwachte kracht om hem heen geslagen.

Matthew maakte zich haastig los. Hij was vergeten dat Louis, misschien vanwege zijn naam, een voorliefde had voor Franse uitbundigheid, hoewel zijn ouders – en grootouders – in Engeland waren geboren. De man keek hem stralend aan, met een enthousiasme dat aan David deed denken. Hij was net als David smal en klein, maar wel een stuk ouder: een energieke vijftiger in kleding die paste bij het Hollywood van de járen vijftig, een strak kostuum met een pochet en blinkende manchetknopen.

‘Goed om je weer eens te zien,’ beweerde Louis. ‘En dat in deze tijd… Terrible om te horen over die vreselijke moord, en de…’ Hij maakte gebaren met zijn handen die pasten bij een kok van ergens rond de Middellandse Zee. ‘De film,’ kuchte hij uiteindelijk. De man glimlachte verontschuldigend. ‘Waaraan heb ik dit voorrecht te danken, mon ami?’

Nu dacht Matthew aan Susanna en haar voorliefde voor Franse termen – allerhande complottheorieën doemden op in zijn hoofd. Haastig schudde hij ze af. ‘Zaken, Louis – zaken. Kunnen we ergens praten?’

Louis klapte in zijn handen. ‘Je bent van mening veranderd over onze samenwerking? Dat doet me deugd. On y va!’ Met die woorden leidde hij Matthew mee naar een werkkamer, waar hij via een intercom koffie en brioches bestelde. Totdat de dienstbode kwam praatten ze over het weer en de aanstaande verkiezingen en dacht Matthew na over hoe hij Gerald ter sprake zou brengen. Even twijfelde hij of de tactiek die hij had bedacht de juiste was.

Toen de Filippijnse haar dienblad had neergezet, de lepeltjes in de koffiekoppen had gedrapeerd en breed naar hen had geglimlacht, liet ze hen alleen. Louis nam een eerste slok, beet enthousiast in een brioche en leunde toen achterover in zijn grote leren stoel. ‘Heb je zelf plannen, of kan ik suggesties doen?’ vroeg hij.

‘Allebei.’ Matthew pakte een foto van Gerald uit de binnenzak van zijn colbert. ‘Maar ik wil eerst graag weten of je deze man kent.’

Matthews tactiek werkte: hij zag de korte schrik op Louis’ gezicht, voordat die erin slaagde om verbaasd te lijken. ‘Deze man… Non, ik geloof het niet.’

‘Ik geloof het wel. En ik geloof ook dat jullie hier een paard kwijt zijn. Niet zo goed voor de zaken, hè?’

Louis nam nog een hap van zijn brioche en leunde weer achterover. ‘Er zijn dingen waar je je beter niet mee kunt bemoeien, mon ami.’

‘Ik heb ook geen behoefte om me ermee te bemoeien. Alleen is deze man mijn schoonvader. Dat verplicht me om toch interesse te hebben.’

Louis nam nog een hap van zijn brioche en depte zijn mondhoeken af. ‘Ga naar huis, Matthew. Vraag niet verder. Dat is beter.’

‘Voor wie is dat beter?’

‘Voor ons allemaal. Geloof me, deze zaken gaan je boven de pet.’

‘Dat denk ik niet. Kunnen we samen tot een oplossing komen? Is het een geldkwestie? Ik ben bereid om –’

Louis legde zijn brioche neer. ‘Het doet er niet toe waar je bereid toe bent. Je hebt andere dingen aan je hoofd. Is je vrouw niet zwanger van de tweede spruit? En dan die film…’ Er gleed een glimlach om Louis’ lippen, spottend en insinuerend. Hij depte zijn mondhoeken weer af, heel secuur. ‘Ik verzeker je dat hij hier niet ligt.’

‘Dat verwacht ik ook niet. Maar ik denk wel dat er hier iets aan de hand is. Iets waar mijn schoonvader mee te maken hebben. Vandaag wil horen wat. Eerder ga ik niet weg.’

‘Dat weet ik zo net nog niet.’ Louis trok een la van zijn bureau open en legde een pistool op zijn schoot. ‘Een Walther PPK,’ vertelde hij kalmpjes.

‘Werkelijk,’ antwoordde Matthew. De spieren in zijn armen en benen gingen strakker staan, alsof hij te veel koffie op had. ‘Mijn vrouw is trouwens zwanger van de tweede en de derde spruit tegelijkertijd.’

‘Heel vruchtbaar, en dat voor iemand…’ Louis liet weer een glimlach zien die geen glimlach was. ‘Genoot je van wat je vader deed?’

‘Nee,’ zei Matthew.

‘Maar je hebt niets gedaan om hem te stoppen? Je was het arme kleine jochie dat netjes deed wat zijn vader zei? Dat op bevel een mietje werd? Très tragique.’

‘Ik weet niet precies wat dat ermee te maken heeft, behalve als de film een rol speelt bij de paardendiefstal. En er is hier echt een paard gestolen, hè?’

‘Wat een loser ben je, Matthew.’ De zin spoot uit Louis als water uit een fontein. ‘Ik had het niet achter je gezocht.’

‘Wat zou loser zijn in het Frans?’ vroeg Matthew zich hardop af. Hij vouwde zijn armen over elkaar. Een wonderbaarlijke rust kwam over hem nu een pistool zijn leven bedreigde. De vermoeidheid die hem zo vaak probeerde te verstikken was weg. Hij voelde zich helder en beheerst, totaal zichzelf. Wat Louis zei deerde hem niet. Natuurlijk moest het er eens van komen dat een man ongenuanceerd commentaar gaf op wat zijn vader had gedaan – nu hij erover nadacht verbaasde het hem dat Gerald niet explicieter was geweest. Het was bijna bevrijdend om de woorden te horen. Hij besefte dat hij er beter tegen kon dan hij had gevreesd. ‘Mijn vader gebruikte een pistool om me zijn wil op te leggen,’ zei hij. ‘Je bent natuurlijk pas echt een loser als je zoiets doet bij een kind van twaalf.’ Matthew realiseerde zich de waarheid van wat hij zei op het moment dat hij de woorden sprak. Hij glimlachte. ‘Het was een antiek wapen, handgemaakt. Ik zie het nog voor me. Beslagen met messing, met een houten handvat dat was ingelegd met een bloemenmotief van ivoor.’

‘Veel geld waard,’ concludeerde Louis. ‘Heb je het verkocht of bewaar je het als aandenken?’ De glimlach van de man werd steeds breder.

Matthew gaf geen antwoord. Langs Louis heen keek hij uit het raam, naar de dennen die zacht wiegden in de bries. Hij leefde, en hij realiseerde zich dat hij wilde blijven leven. De afgelopen maanden had het bestaan vaak zinloos geleken en was zijn diepste wens geweest dat hij niet meer hoefde te denken aan wat er allemaal was gebeurd. Nu besloot hij dat hij zijn leven nooit meer zou laten bepalen door dreiging – dat hij zich niet meer door een wapen of door woorden zou laten dwingen in een richting die niet de zijne was. ‘Ik ben geen loser, Louis. Ik heb mijn leven opgepakt na wat mijn vader heeft gedaan. Eerst met een bedrijf dat ik zelf vanaf de grond heb opgebouwd, later met het leiden van Northend Abbey. Ik heb een bijzondere vrouw gekregen en een mooi gezin. Ik heb een succes gemaakt van alles wat ik ondernam, en ik heb daar nooit onderhandse praktijken voor nodig gehad.’

Louis bleef glimlachen. Hij streelde langzaam over het pistool. ‘Een Walther PPK is het wapen van James Bond.’

‘Een fictief personage,’ merkte Matthew op. ‘Het was ook het favoriete wapen van Adolf Hitler – die heeft helaas wel echt bestaan. Ze denken dat hij het gebruikt heeft bij zijn zelfmoord.’

‘En wat wil je daarmee zeggen?’ Louis richtte het pistool op Matthew en vernauwde één oog, alsof hij zijn precieze doel probeerde vast te stellen.

‘Dat we beter kunnen ophouden met dit gedoe, voordat het komt tot een onnodige escalatie. Ik wil alleen –’

‘Je kunt me vertellen waar je schoonvader is. Dan praten we misschien verder.’

‘Misschien? Dat klinkt wat te vaag. Ik heb te veel films gezien waarin iemand informatie gaf en daarna een kogel in zijn hoofd kreeg.’

‘Is hij bij jou op Northend Abbey?’

‘Vertel me wat hij gedaan heeft, Louis.’

Op dat moment klonk er rumoer in de gang: geschreeuw van de dienstbode, maar ook van anderen. Louis hief zijn Walther PPK iets hoger. Net toen zijn vinger om de trekker sloot, werd de deur opengegooid. ‘Politie!’ riep Richard. ‘Leg uw wapen neer!’

Louis schoot.

 

Uit het dagboek van Marieke Markestein

 

… Nadat Anna DI Mather had gebeld bleven we lange tijd bewegingsloos in de salon wachten. Praten deden we niet. Er was alleen maar angst, en in mijn geval ook schuld, over wat ik had moeten doen en niet had gedaan. Ik had alles kunnen voorkomen.

Toen Anna’s telefoon eindelijk afging, griste ze hem van tafel. ‘Richard?’ hijgde ze. En toen: ‘God zij dank – God zij dank… Pistool?’ Ze sloeg haar hand voor haar mond. ‘Hij handelde dus echt in wapens… Ja, ja, ik snap dat jullie dat nog moeten onderzoeken, maar de subtiliteiten interesseren me even niet… Weet je heel zeker dat alles goed is met hem?… Lieve help… Dank je! En zeg tegen hem dat hij voorzichtig rijdt. Of klink ik nu vreselijk overdreven?’

‘Pistool?’ snakte ik toen ze de telefoon neerlegde – mijn hart klopte sneller.

‘Louis heeft hem bedreigd. Maar Richard was net op tijd. Bedreigd! Lieve help!’ Er kwam een boze gloed in Anna’s ogen en ze zag er opeens anders uit: sterk en verbeten, maar tegelijkertijd bezorgd. ‘Verdorie, ik zal die eigenwijze kerel precies zeggen wat ik ervan vind dat… dat hij… dat hij… Ik zal hem… kussen – natuurlijk kussen, omdat ik jammer genoeg niet anders kan – maar ook… Verdraaid! Als hij wil dat ik onbesuisd en gevaarlijk ben, zal hij het merken ook!’ Anna sprong op en rende naar de deur bij de binnenplaats. Ik geloof niet dat ze in de gaten had dat ik haar volgde.

Bij de deur drentelde ze rond, tien minuten lang, en al die tijd mompelde ze voor zich uit wat ze allemaal met Matthew zou doen als hij terug was. Volgens mij bleef ze twijfelen tussen hem plat knuffelen of heel boos worden. Ik hield afstand en stelde me voor wat er allemaal met Matthew had kunnen gebeuren. Ik had hem echt moeten waarschuwen – ik had moeten aandringen. Ik had hem moeten dwingen naar me te luisteren. Ik voelde me steeds trilleriger worden.

Toen reed Matthews auto de binnenplaats op. Anna rende naar buiten. Ik bleef in de deuropening staan en keek toe hoe ze haar man omhelsde en hem steeds opnieuw kuste. ‘Dit moet je nooit meer doen!’ riep ze, misschien wel vijf keer. ‘Ik ben zo bang geweest.’

Matthew escorteerde haar terug naar de deur en zag er vreemd tevreden uit. ‘Daar was geen reden toe.’

‘Richard zei dat Louis je met een pistool bedreigd heeft.’

‘Met een Walther PPK, maar ik heb geen moment gedacht dat hij zou schieten. Hij heeft uiteindelijk alleen een poging gewaagd met Richard, maar voor een wapenhandelaar kan hij slecht mikken. Hij heeft het plafond geraakt.’

‘Ik heb geen moment gedacht dat hij zou schieten?’ Anna stampvoette. ‘Zeg dat niet zo achteloos. En “met een Walther PPK”? Alsof ik wil horen wat voor wapen hij had. Al was het met een pijl en boog geweest, dan zou ik nog geschrokken zijn!’

Matthew grinnikte en gaf Anna een kus. Toen liet hij haar los en hing zijn jas aan de kapstok. ‘Ik ben veel wijzer geworden.’

‘Wijzer geworden?’ Anna plantte haar handen in haar verdwenen middel en snoof. ‘Denk je dat je grappig bent, of zo, of denk je dat het belangrijk is dat je veel wijzer bent geworden? Je had wel dood kunnen zijn. Dood, Matthew. Hoe dúrf je?’

Matthew kuste haar weer, blijkbaar onbekommerd door het feit dat ik erbij was – hij was echt niet helemaal zichzelf. ‘Je lijkt op je vader,’ zei hij. Toen keek hij naar mij. ‘Marieke. Ik begrijp dat jij Susanna’s laptop hebt bestudeerd.’

‘Ja. Sorry.’

Hij grijnsde. ‘Excuses zijn niet nodig. Bedankt voor wat je hebt gedaan. En nu gaan we allemaal naar de salon. Ik denk dat we even moeten overleggen.’ Matthew keek naar Anna. ‘Waar is je vader? En David?’…

 

… Het duurde een half uur voordat Gerald gevonden was. Hij bleek in de stallen te zijn. Toen hij de salon binnenstapte bleef hij even bij de deur staan. Hij leek een revolverheld die de situatie in de bar in ogenschouw neemt voordat hij naar de barman struint en om bier vraagt. Langzaam deed hij de deur achter zich dicht.

‘Ga zitten, Gerald – we wachtten op je.’ Matthews woorden klonken behoorlijk koel.

Op zijn gemakje liep Gerald naar de bank. ‘Therapeutisch gesprekje met de groep? Ik dacht dat jullie daar niet aan deden.’

Matthew gaf niet gelijk antwoord. Hij vouwde zijn benen over elkaar en zag er erg kalm uit. ‘In zekere zin is dit inderdaad een therapeutisch gesprek. We hebben rare weken achter de rug. Over en weer hebben we elkaar verdacht van de moord, vaak zonder dat tegen elkaar te zeggen. Dat moet maar eens over zijn.’

‘Zo, dus we gaan nu David duidelijk vertellen dat hij moet maken dat hij wegkomt?’ wilde Gerald weten. Hij ging wat rechter zitten.

‘Ik ben vandaag bij Louis Rendaux geweest,’ zei Matthew.

Het enige wat aan Gerald zichtbaar was, was dat zijn linkerarm bewoog: heel even op en neer, onbewust.

‘Hij kende je, Gerald.’

Gerald keek Matthew recht aan. ‘Ik ken hem niet.’

‘Ik wil vanaf nu duidelijk zijn over wat ik denk,’ ging Matthew verder. ‘En ik denk dat jij en hij zich met schaduwachtige zaken bezighouden. DI Mather denkt het ook. Hij komt zo even met je praten, vermoed ik.’

‘Oh, dus nu ben ik opeens de –’

‘Wat nog niet betekent dat ik denk dat jij de moordenaar bent, al is het maar omdat ik geen idee heb hoe dat paard en Poppy met elkaar te maken hebben. Maar onthoud wel: als ik reden heb om te geloven dat jij door je dealtjes de mensen die hier wonen in gevaar brengt, zet ik je het huis uit. Ik denk dat je eigenlijk zelf al lang had willen vertrekken, maar dat niet durft omdat je bezorgd bent om Anna. Dat is onnodig. Ik zorg voor haar.’

Gerald snoof en deed zijn mond open, maar Anna was hem voor. ‘Twijfel er niet aan, pa. Matthew zorgt voor mij – beter dan wie dan ook.’

‘Ik ben je vader,’ riep Gerald. ‘Ik zorg voor je.’

‘Je bent mijn verwekker,’ antwoordde Anna, heel zacht. ‘Je hebt nooit voor me gezorgd.’

Even was het stil. Toen Gerald niets zei, ging Matthew verder: ‘We weten helaas nog steeds niet wie de moordenaar is, maar ik wil niet dat we verder geheimen hebben. Vanaf nu praten we eerlijk over onze verdenkingen en onze twijfels. Ik ben de sfeer in dit huis zat.’

‘Je wordt eindelijk verstandig,’ zei Gerald. ‘Dus nu mag ik uitpraten als ik zeg dat mijn verdenkingen gaan naar –’

‘Ik heb het niet gedaan,’ zei David. ‘Echt niet.’

‘Er zijn natuurlijk nog andere verdachten,’ zei Gerald. ‘Zoals jij, Matthew. Ik heb heus wel gezien hoe je naar Poppy keek.’

‘Ik heb dat ook gezien,’ zei Anna. ‘Ben ik nu verdacht? Heb ik haar vermoord uit jaloezie?’

Gerald snoof weer. ‘En dan is Marieke er nog.’

Matthew zuchtte. ‘Iedereen is blijkbaar verdacht – iedereen behalve jij, terwijl jij connecties blijkt te hebben met een man die mij net heeft bedreigd met een wapen.’

‘Hè?’ riepen Gerald en David tegelijk.

Ik stond op en liep met wankele benen de kamer uit. Ik had even genoeg gehoord over dit onderwerp…

 

 

© Els van Weijen

One thought on “Hoofdstuk Drieëntwintig

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *