Hoofdstuk Één – Dubbeldam

01-150x150

De zon scheen, een kastanje voor het huis glansde van zomerse groenheid, de vogels leken me naar buiten te willen lokken door nog overdadiger te zingen dan anders, maar ik had nergens zin in behalve in lezen. Met De Verborgen Geschiedenis van Donna Tartt op schoot dwaalde ik ver weg van Dordrecht, in de winterse bossen van Vermont. 

De reis duurde echter niet lang. Mijn huisgenoot Brigitte fladderde de kamer in, trok het boek uit mijn handen en gooide het over haar schouder een verre hoek in. ‘Bewonder me, Caroline,’ eiste ze. ‘Zeg dat ik oogverblindend, jaloersmakend prachtig ben.’

‘Dat is een bibliotheekboek, Brigitte – een beetje voorzichtig alsjeblieft. En ik was net in het spannendste gedeelte.’

‘Boeken zijn saai, en bibliotheekboeken zijn nog erger dan saai: die zijn stoffig en zitten onder de bacillen van andere mensen die niets beters te doen hebben dan lezen. Zeg het, Caroline. Zeg het alsof je het heel oprecht meent: ik ben oogverblindend –’

‘… Jaloersmakend prachtig. Ja, ja, inderdaad. En dat wist ik al lang.’ Brigitte had een T-shirt en een spijkerbroek aan, maar droeg ze, zoals ik van haar gewend was, alsof ze in een galajurk op de rode loper stond. Wat ik niet meer gewend was, was dat haar blonde haar glansde en er licht scheen in haar ogen. ‘Je bent meer dan prachtig. Je lijkt op jezelf.’

‘Ik lijk op mezelf?’ Brigitte rolde met haar ogen. ‘Dat klinkt soft, Lientje. Alsof je me een hart onder de riem probeert te steken, of lief wilt doen of zo. Dat was leuk toen het niet zo lekker met me ging, maar ik ben niet meer die loser die zeven maanden van haar leven heeft verspild omdat haar puisterige vriendje haar liet zitten. Ik ga uit. Je mag nu je ware gevoelens tonen. Geef in alle ernst toe dat je jaloers bent op hoe fabuleus ik eruitzie.’

‘Vreselijk jaloers zelfs.’ Ik deed mijn best de woorden te grommen, alsof ik ze met tegenzin uitsprak. Ik lette er wel op dat ik niet klonk als een monster in een tekenfilm, en ik zweeg over het feit dat ik ook vreselijk dankbaar was. Brigitte had net voor Kerst haar oma verloren, haar enige familielid met wie ze een goede band had. Op de dag van de begrafenis had Wesley, haar vriend, haar in de steek gelaten. Ze was de afgelopen maanden zo depressief geweest dat ik zonder te slapen nachtmerries had over wat ze zou doen als niemand haar in de gaten hield. Ondanks dat ik in die tijd aan het afstuderen was, was ik zo veel mogelijk bij haar langsgegaan. Uiteindelijk was ik zelfs bij haar ingetrokken.

Brigitte nam me wat weifelend op. ‘Vreselijk jaloers,’ herhaalde ze. Ze fronste. ‘Dat meen je, hè? Eefke en Janine hebben me niet gevraagd om op een doordeweekse dag uit te gaan omdat ze in het weekend niet met me gesignaleerd willen worden?’

‘Natuurlijk niet. De enige persoon met wie ze niet gesignaleerd willen worden, op welk tijdstip dan ook, ben ik. Heb je ze nooit verteld dat ik veranderd ben sinds de middelbare school? Dat ik geen audities meer doe voor het monster van Frankenstein?’

Brigitte kon weer glimlachen. Ze hief verontschuldigend haar handen op. ‘Ik heb het geprobeerd uit te leggen, maar ze weigerden me te geloven. Het is natuurlijk ook een onwaarschijnlijk verhaal. Sorry, Lientje: je zult thuis moeten blijven. Ik stel voor dat je de tijd gebruikt om te solliciteren, in de hoop dat iemand je nog eens aanneemt. Of misschien kun je je inschrijven op een datingsite. Het wordt gênant: bijna 23 en nog steeds geen vriendje.’

Ik keek op mijn horloge. ‘Zouden Eefke en Janine er niet al moeten zijn?’

Brigittes grijns werd steeds breder. ‘Nog heel even geduld; straks kun je ongestoord op me mopperen.’ Toen verdween haar grijns; ze leunde tegen mijn stoel en keek alsof ze een van haar familieleden signaleerde, de ooms en tantes die volgens haar geen andere hobby’s hadden dan haar erop wijzen dat ze lui, ongedisciplineerd en verwend was, en schaamteloos teerde op haar ouders. ‘Waarom ben ik eigenlijk zo belachelijk blij dat ik uitga?’ vroeg ze. ‘Ik kom niet verder dan Dordrecht, maar ik doe alsof ik naar New York vertrek. Het is te erg voor woorden dat ik terug ben in de stad waar ik ben geboren. Ik had inmiddels rijk en beroemd moeten zijn en in een villa aan de Middellandse Zee moeten zitten.’

‘We zijn zelfs terug in de wíjk waar we zijn geboren,’ zuchtte ik mee. Brigitte had van haar ouders de beschikking gekregen over een eengezinswoning in Dubbeldam, een groen voormalig dorp waar veel mensen dolgraag wilden wonen. Ik alleen niet. Toen ik in Utrecht was gaan studeren had ik me plechtig voorgenomen zo min mogelijk terug te keren. Zonder Brigitte zou ik me ongetwijfeld aan die belofte gehouden hebben.

‘Ik regel wel twee knappe vreemdelingen die ons meeslepen naar een exotische bestemming. Dan moet je alleen wel minder ijs gaan eten.’ Brigitte ging weer recht staan en bekeek me kritisch. Ik was net zo lang als zij, maar donker en minder slank.

Ik keek streng terug. ‘Ik ben niet dik!’

‘Nog niet, Lientje. Nog niet.’

‘En ik vind heus wel iemand.’

Brigitte trok haar wenkbrauwen op, maar voordat ze iets kon zeggen werd er aan de deur gebeld. Met een kreet van triomf holde ze weg. Ik zocht mijn boek op en vroeg me af of het door de restanten van mijn christelijke opvoeding kwam dat ik Brigitte nog steeds niet alleen had gelaten en weer een eigen huis had gevonden.

 

Later die avond dwaalde ik door Dubbeldam, richting het Dubbelsteynpark. Het was 7 juli, een uur of negen en nog volop licht, maar het pad onder de beuken was al donker. De geluiden van de wereld werden gedempt en de bomen leken stil te wachten op de nacht. Ik werd ook stil. Bijna geloofde ik weer, zoals ik als kind had gedaan, dat het park ’s nachts veranderde in een woud, waar zilverachtige schaduwen op open plekken hun handen ophieven naar de sterren en de wind geheimen fluisterde in het gebladerte.

Toen dacht ik aan wat Brigitte zo beschamend vond, het feit dat ik nog steeds alleen was, en werd de betovering verbroken. Haastig liep ik het park weer uit.

Bijna botste ik tegen iemand aan. ‘Caroline!’ klonk het, en een man uit een reclame ving me op: blond, gespierd, met een stoppelbaard die hem een stoer aanblik gaf. Even moest ik nadenken voordat ik een oud-klasgenoot van de middelbare school herkende, een van de weinige jongens die me nooit had uitgelachen.

‘Vincent! Wat leuk!’

Vincent bekeek de contouren van mijn lichaam voordat hij bij mijn ogen eindigde. Hij glimlachte alsof hij het ook leuk vond om mij te zien. ‘Wat doe jij hier? Een paar dagen bij je vader? Je studeert toch in Utrecht?’

‘Ik woon hier. Tijdelijk, bedoel ik, tot ik een baan heb. Ik ben net afgestudeerd.’

‘Je woont weer in Dubbeldam? Bij je vader?’

‘Nee. Ja, bedoel ik. Wel in Dubbeldam, niet bij mijn vader. Ik woon bij Brigitte.’

Er trok een dieprode gloed over Vincents gezicht. ‘Brigitte woont in Dubbeldam?’ Ik herinnerde me opeens dat hij vroeger verliefd op haar was.

‘Al een paar jaar. Sinds ze gestopt is met haar studie Italiaanse taal en cultuur.’

‘Werkelijk?’ Vincent deed een stap bij me vandaan en staarde naar het park. ‘Ik kom eigenlijk nooit meer in Dubbeldam. Mijn ouders zijn verhuisd. Alleen mijn oma woonde hier nog. Zij is gisteren overleden. Ik help een beetje bij de voorbereidingen voor de uitvaart. Nog een heel gedoe.’

‘Gecondoleerd.’

Hij keek me weer aan. ‘Brigitte woont in Dubbeldam. Waar?’

Ik noemde de straat en weer werden zijn wangen rood. Hij mompelde dat zijn oma één straat verder had gewoond.

Ik zocht naar dingen die ik kon zeggen. ‘Misschien moet je eens langskomen,’ stelde ik voor. ‘Dat vindt Brigitte vast leuk.’

‘Denk je?’ Vincent maakte een vaag wapperend gebaar met zijn vingers. ‘Op school vond ze me saai – en ze heeft me heel vaak uitgelegd dat saaiheid erger is dan dom zijn.’

‘Toen zaten we in de derde klas. In die tijd wilde ze haar “cynisme medium” perfectioneren en moest ik van haar met “cynisme light” oefenen. Ze is nu anders.’

Vincent haalde diep adem. ‘Oké. Je ziet me verschijnen.’ Toen pakte hij zijn telefoon en keek er even op. ‘Bijna halftien. Ik moet terug naar mijn ouders.’

‘Tot later.’

Misschien hoorde hij me niet: zonder nog iets te zeggen liep hij weg. Ik keek op mijn horloge, zag dat het kwart over negen was en wandelde verder, tot ik in de straat van mijn vader belandde. Van een afstandje tuurde ik naar het huis waar ik was geboren en opgegroeid.

Ik overwoog om bij mijn vader wat te gaan drinken, maar bij het idee alleen al voelde ik een boosheid die ik zelf niet begreep. Ik draaide me om en liep de straat weer uit. Eigenlijk vond ik het helemaal niet zo erg dat ik geen partner had, bedacht ik me. Als ik eenmaal een baan had ging ik weer op mezelf wonen, ver buiten Dubbeldam, en dan had ik helemaal niemand meer nodig.

 

Vincent stond de volgende ochtend al aan de deur, maar toen lag Brigitte nog in bed. Het was de avond ervoor erg laat geworden, en volgens Brigitte ook “erg vloeibaar”. Toen ze hoorde dat Vincent langs was geweest lachte ze – cynisch – en zei ze dat ze hoofdpijn van hem kreeg. Ik suggereerde dat de hoofdpijn door de drank werd veroorzaakt, maar dat ontkende ze.

De dag erna kwam Vincent terug. Nadat Brigitte hem gecondoleerd had verliep het gesprek moeizaam. Toen Vincent voorstelde dat ze samen uitgingen, beweerde Brigitte dat ze mij niet alleen kon laten: was het goed dat ik meeging? Vincent keek twijfelachtig, maar stemde toe. Ik probeerde nog te zeggen dat ik geen zin had om uit te gaan, maar dat leidde tot niets: Brigitte zei dat als ik niet ging, zij ook thuisbleef.

We spraken af voor de dag na de crematie – en toen voor de dag daarna, want Brigitte zegde een uur voor vertrek af. Dat werd al snel een patroon: Vincent deed in totaal zeven vergeefse pogingen om Brigitte mee te krijgen. De laatste keer dat ik haar excuses aan hem doorgaf, bleef het lang stil aan de andere kant van de lijn. ‘Ik denk dat het tijd is om terug naar Zwolle te gaan,’ zei hij ten slotte.

‘Dat denk ik ook. Sorry.’

‘Ik geef om Brigitte, Caroline. Ik kruip al jaren door de modder voor haar. Als ze me zou vragen om mijn arm af te hakken, dan deed ik het. Waarom duwt ze me steeds van zich af?’

‘Ze bedoelt het niet zo. Ze heeft de afgelopen maanden veel meegemaakt.’

‘Ik hoor dat ze bijna iedere avond uitgaat. Waarom wil ze dat niet met mij?’

‘Sorry.’

Vincent snoof en verbrak de verbinding.

 

Een paar dagen was ik namens Vincent boos op Brigitte, maar al snel had ik andere dingen aan mijn hoofd. In augustus vond ik een baan in Rotterdam, als marketingassistent voor de Nederlandse vestiging van een Britse multinational, Garland Oil. Bijna onmiddellijk ging ik ook op zoek naar een flat in de buurt, maar het was lastig om iets geschikts te vinden. Toen het herfst werd, mijn favoriete seizoen, woonde ik nog steeds in Dubbeldam.

Op donderdag 7 oktober zag ik vanuit de bus de zon opkomen in een bijna compleet heldere hemel. Ik maakte plannen om dat weekend de Biesbosch in te trekken, waar ik dat wonderbaarlijke gevoel van beschutting kon ervaren dat ik altijd kreeg als ik door lanen vol geelgekleurde bomen liep. Waarschijnlijk zou ik alleen gaan: voor Brigitte was wandelen een hobby waar ze het plezier nog steeds niet van begreep. De vorige keer dat ik een tocht had gemaakt, had ze zich terwijl ik mijn schoenen schoon schrobde hardop afgevraagd waarom vrouwen vrijwillig het risico namen om hun heupen nog verder te vergroten. Ik had haar een stomp gegeven en Brigitte had gelachen en gezegd dat ik haar liefste vriendin was – ondanks het feit dat ik ook “erg raar” was.

Toen ik uitstapte op het industrieterrein dacht ik niet meer aan de natuur of aan Brigitte. Ik dacht aan mijn werk. Al een paar dagen was ik bezig met een folder over Garland Oil Holland. De tekst was nog steeds niet helemaal naar mijn zin, maar terwijl ik naar kantoor liep schoten me nieuwe ideeën te binnen. Ik ging steeds harder lopen.

Ik zette net mijn computer aan toen er een collega bij mijn bureau verscheen en me bedeesd aankeek. Femke Beersma was een jaar of veertig en ik wist inmiddels dat als ze bedeesd keek ze iets van me gedaan wilde krijgen. ‘Druk,’ mompelde ik. ‘Erg druk.’

‘We hebben geen receptionistes,’ hijgde ze (ze hijgde als ze gestrest was). ‘Niet één. Lotte is ziek, Soraya is op vakantie en Charlene kan ik niet bereiken. Net op de dag dat Thomas Garland langskomt. Thomas Garland, Caroline.’

‘Thomas Garland. Dat klinkt als –’

‘De baas. De baas der bazen, uit Londen. Hij schijnt een spoedbezoek af te leggen. Wat zal hij wel niet denken als hij een lege receptie aantreft? Ik kan Fred van Bezemen of Germaine moeilijk vragen om daar zelf op hem te gaan zitten wachten.’

Fred van Bezemen was de directeur van onze vestiging en Germaine zijn PA. Femke gaf leiding aan de receptionistes. Ik zei wat voor de hand lag: ‘Dan ga je er toch zelf zitten?’

‘Ze belden net van school: Vera is ziek. Alsjeblieft, Caroline, red me. Doe de receptie, voor één keer. Het is vandaag helemaal niet druk: Thomas Garland opvangen is het enige dat echt belangrijk is.’ Femke giechelde. ‘Wie weet waar het toe leidt. Hij is nog redelijk jong – ergens in de dertig – en hij schijnt vrijgezel te zijn.’

‘Ik ben bezig met een folder – een folder die echt af moet.’

‘Dat kun je ook achter de balie doen. Alsjeblieft, je zou me enorm helpen.’

Ik zuchtte. ‘Oké.’ Vervolgens was ik blij dat ik achter mijn bureau stond: Femke begon te stralen en ik denk dat ze me omhelsd zou hebben als ze de kans had gekregen. Niet veel later had ze me geïnstrueerd en zat ik bij de receptie. Collega’s trokken hun wenkbrauwen op als ze me zagen en ik legde bijna twintig keer uit dat het maar voor één dag was.

Toen de stroom mensen minder werd, richtte ik me op mijn tekst. Gelukkig waren niet alle goede ideeën weggezakt. Toen ik eenmaal begon te schrijven kwamen er zelfs steeds meer. Al snel was ik me nauwelijks meer van mijn omgeving bewust. Ik realiseerde me pas dat er iemand bij me stond toen er een schaduw over de balie viel. Een stem waarin ik iets van geamuseerdheid ontwaarde, zei: ‘Ik geloof dat ik uw werkinstelling waardeer.’

‘Hoezo?’ Volautomatisch stelde ik de vraag in het Engels, de taal waarin ik was aangesproken. Ik keek op, in de grijze ogen van een man. En toen… toen gebeurden er rare dingen. Ik werd duizelig en mijn lippen voelden droog aan, alsof ik dorst had. Het was alsof er ergens een deur open waaide, alsof er zonlicht kwam op een plek die altijd in schaduw had gelegen. Of misschien keek ik op in een avondhemel, trokken alle wolken opzij en zag ik een maan die groter en helderder was dan ik ooit had aanschouwd, een maan die me deed beseffen dat de werelden waarvan ik altijd het bestaan had vermoed maar nooit had betreden, hun poorten hadden geopend.

De man schonk me een glimlach: beleefd, iets afstandelijk, en toch uitnodigend, alsof hij mij verwelkomde. ‘U bent een van mijn personeelsleden. Ik juich het toe als zij geconcentreerd aan het werk zijn. Ik had in ieder geval de indruk…’ – hij boog zijn hoofd zo dat hij op mijn scherm kon kijken – ‘…dat u niet over het internet aan het surfen was, en inderdaad: tekst in wording. Ik kan hem niet lezen, maar dat logo bovenin komt me erg bekend voor. Ik had het goed ingeschat: een ijverige employee.’ Zijn blik gleed naar mijn badge. ‘Een ijverige employee die Caroline Jacobs heet. Met die naam zou u Brits kunnen zijn.’

‘U hebt een afspraak,’ zei ik.

‘Ja. U moet Fred van Bezemen natuurlijk waarschuwen. Dat is uw taak.’

‘Ik ben eigenlijk geen receptioniste. Ik –’

‘Dat is mooi: dan is het niet uw taak om hem te bellen, of hoeft u dat niet onmiddellijk te doen.’ Terwijl zijn glimlach ergens om zijn mond bleef dwalen, nam hij me op.

Ik kon niets anders dan terugkijken. Vooral zijn ogen trokken me naar zich toe: ze waren ondoorzichtig maar toch helder, zacht maar ook streng, en mooier dan alles wat ik ooit had gezien. Van de totale Thomas Garland kon ik me geen samenhangend beeld vormen – ik was me er nog niet eens compleet van bewust dat de man die tegenover me stond, de hoogste baas was van het bedrijf waar ik voor werkte. Het enige wat ik wel heel duidelijk wist, was dat hij mijn zintuigen van slag bracht.

‘Hebt u het ook?’ vroeg hij.

‘Wat bedoelt u?’

Hij schoof zijn handen in zijn broekzakken. ‘Een gevoel in uw maag alsof u op zee bent? Moeite om samenhangende gedachten te vormen?’

‘Ja,’ zei ik. ‘Een beetje wel.’

Hij nam me weer op. Ik probeerde uit de betovering van zijn ogen weg te komen en ook hem te bekijken: zijn lange gestalte, niet bijzonder gespierd maar ook niet slungelig; zijn hoekige gezicht, met kaken die iets te geprononceerd waren; zijn hoge voorhoofd, met één verticale, net niet loodrechte frons; zijn korte donkere haar waarvan ik wist dat het zou krullen als het langer was. Ergens in mijn hoofd probeerde de gedachte zich te vormen dat ik hem niet buitengewoon aantrekkelijk vond, maar toen keek ik weer naar zijn ogen, zijn ogen waardoor ik me willoos naar hem toe liet drijven. Ze leken me uit te nodigen al mijn geheimen met hem te delen. De maan die ik aan de nachthemel zag schijnen werd helderder, deed sterren verbleken, vulde de lucht totaal, verpletterde me.

‘Laten we maar niet proberen te analyseren wat er aan de hand is,’ zei hij. ‘Ik ga u enkele normale vragen stellen; wie weet gaan we ons dan ook normaler voelen. U hebt net onthuld dat u geen receptioniste bent. Wat bent u dan wel?’

‘Ik ben marketingassistent.’

‘Marketingassistent. Dat klinkt heel normaal – dank u. En hebt u er plezier in om marketingassistent te zijn?’

‘Natuurlijk.’

‘Zo natuurlijk is dat niet. Kom, u mag eerlijk zijn. Nu ik heb gezien hoe ingespannen u werkt terwijl u een klusje doet dat helemaal niet bij u past, zal ik minstens twee weken bereid zijn het beste van u te denken. Misschien maak ik er een maand van. Dat is lang voor een hardvochtige algemeen directeur.’

‘Soms zou ik meer uitdaging willen, maar ik ben bang dat ik het werk echt leuk vind. Sorry.’

Zijn blik werd alsmaar intenser. Hij tuurde naar me of hij mijn ziel aftastte – ik kon terwijl hij bewegingsloos voor me stond zijn vingers bijna voelen. ‘Heel origineel. En hoelang hebt u dit leuke werk al?’

‘Twee maanden; sinds het eind van de zomer.’

Hij knipperde met zijn ogen, alsof hij wakker schrok. Toen fronste hij. Even dacht ik dat hij iets zag dat hem niet beviel. ‘U bent jong, en waarschijnlijk nog maar net afgestudeerd. Daarna hebt u natuurlijk eerst uitgebreid vakantie gevierd. Waar bent u geweest? Een plek met veel zon en cafés?’

Ik schudde mijn hoofd. ‘Ik ben liever in de natuur.’

‘In de natuur? U maakt het me niet gemakkelijk – uw antwoorden blijven net iets te onverwacht. Meestal hoor ik verhalen over feesten en doorwaakte nachten. Ik…’ Hij stokte, wendde zich af en nam met zijn rug naar me toe de ontvangsthal op. Zeker een minuut zweeg hij. ‘Ik hoor ook verhalen over deze vestiging, verhalen die me niet zo aanstaan,’ zei hij toen. Hij draaide naar me terug. ‘Het hoger kader schijnt zich met drugs bezig te houden. Dat is geheim, Caroline, en toch onthul ik het aan je. Je zult erover moeten zwijgen.’ Hij maakte een gebaar naar de telefoon. ‘Bel Fred van Bezemen alsjeblieft. Ik moet nu met hem gaan praten.’

Ik deed wat hij me opdroeg. Toen ik daarna de telefoon neerlegde, merkte ik dat hij me weer stond op te nemen. Eigenlijk was ik me daar constant bewust van geweest.

‘Apart,’ mompelde hij. ‘Ik had absoluut geen zin in deze afspraak, maar nu wel.’ Ik kreeg geen kans daarop te antwoorden: ik hoorde Germaines hakken al tikken in de gang. Thomas Garland deed weer een paar stappen naar me toe. Zijn gezicht was koel. ‘Ik neem aan dat we elkaar terugzien,’ zei hij. Toen was hij verdwenen.

Ik staarde naar mijn computer, maar kon mijn ogen niet scherpstellen op de woorden op het scherm. Al mijn ideeën waren weg.

 

Vier uur later kon ik me nog steeds nauwelijks concentreren. Ik had geprobeerd verder te schrijven, maar dat was niet gelukt. Ik had overwogen om Brigitte te bellen of een bericht te sturen, maar ik wist niet wat ik moest zeggen. Constant zag ik het gezicht van Thomas Garland voor me. Ik voelde me misselijk.

Op het moment dat ik me begon af te vragen of ik misschien ziek was, kreeg ik een app van Brigitte. ‘Ik ben ontslagen. Claire Vink – ook wel bekend als Claire Varken – beweert dat ik te vaak afwezig ben. In werkelijkheid kan ze er niet tegen dat haar makelaars mij een stuk knapper vinden dan haar.’

Ik probeerde iets zinnigs terug te sturen, maar kwam niet verder dan: ‘Wat erg.’

‘Ik vind wel weer wat anders. Ik was het ook allang zat om de hele dag achter een bureau te zitten. Eindelijk vrijheid!’

Brigitte was receptioniste geweest; even mijmerde ik over het feit dat zij en ik zes uur hetzelfde werk hadden gedaan. Dat was echter een niet ter zake doende gedachte; ik probeerde me weer op de folder te richten. Maar iedere keer als ik voetstappen hoorde was ik afgeleid, en iedere keer als het niet Thomas Garland was, was ik teleurgesteld.

Het was al tegen vijven toen hij terugkeerde. Hoewel ik me niet omdraaide, wist ik dat hij in de ontvangsthal stond, en dat kwam niet omdat ik Fred van Bezemen zijn pijnlijke Engels hoorde hakkelen. Ik wist het gewoon. Ik moest me dwingen om voor me te kijken en net te doen alsof ik professioneel was. Ik moest me dwingen om te blijven zitten. Als ik opstond zou ik wegrennen of naar hem toe hollen. Toen hoorde ik de stem van Thomas.

‘Je hoeft me niet verder uitgeleide te doen, Fred. Laat me alleen. Sorry: dat klinkt een stuk onaangenamer dan ik het bedoel. Bedankt voor je uitleg.’

Ik weet niet hoe Fred reageerde: het was fysiek onmogelijk om mijn oren scherp te stellen op zijn woorden. Ik voelde me opnieuw misselijk en mijn ledematen trilden. Er stond iets te gebeuren – daar was ik me net zo van bewust als van Thomas’ aanwezigheid. Toen hoorde ik hem mijn kant uit lopen. Hij kwam voor me staan en zijn gezicht was weer koel.

‘Dit is het moment dat ik alle regels die ik zelf heb opgesteld, ga overtreden,’ zei hij. ‘Caroline, je zou me erg gelukkig maken als je vanavond met me wilt dineren. Zeg alsjeblieft ja.’

 

© Els van Weijen

10 thoughts on “Hoofdstuk Één – Dubbeldam

  1. wat een geweldig opbouwend verhaal en ben zeer benieuwd waar dit naar toe gaat.
    Een fantastische manier van het schrijven van een verhaal en roman.
    Een goede schrijfster die hier heeft over nagedacht en wellicht haar eigen leven heeft
    in verweven.

  2. Wauw, alsof ik je het hoor voorlezen.
    Je schrijft zoals je praat.
    Ik wil meer lezen, ik wacht met spanning op de 1e druk en dan lekker onderuit liggen lezen.
    Groet,
    Elle

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *