Hoofdstuk Elf

XM2BU5FAKM

Die avond weken de heldere luchten en onweerde het boven Northend Abbey. Terwijl de regen loodrecht naar beneden raasde, werd de lucht soms doorkliefd met een licht dat van nacht dag maakte. Bijna onmiddellijk daar achteraan volgden donderklappen die de ruiten deed rinkelen, alsof in de hemel een deur werd dichtgegooid.

Matthew bedacht zich dat ze onweer niet vaak meemaakten in november, maar dat het wel toepasselijk was dat onrust en agressie zich samenpakten boven hun hoofden. Nadat hij de hele middag tevergeefs naar de film had gespeurd in de catacomben onder Northend Abbey, zat hij na het eten een tijdje bij zijn gasten in de grote salon. De vrouwen leken echter net zo rusteloos als hij: al voor negen uur was de kamer leeg. Matthew zocht Anna op in de privésalon.

Ze stond voorover gebogen over een stoel, haar handen om een leuning geklemd. ‘Niets om je druk over te maken,’ bromde ze, toen hij naar haar toesnelde. ‘Pijn in mijn rug. Ik weet niet meer hoe ik moet zitten, hoe ik moet liggen en wat ik moet voelen. Ik ben echt te oud voor een zwangerschap.’

‘Zeg dat niet steeds. Je bent jong en gezond.’

‘Ik ben 38 – stokoud en versleten. Vrouwen van mijn leeftijd hebben tienerkinderen, Matthew. Sommigen zijn al oma.’

‘Alleen vrouwen die hun kinderen niet voorlichten om wijzer te zijn.’ Hij streelde over haar rug. ‘Massage?’

‘Nee. Geen zin in.’ Ze boog nog wat dieper over de stoel en strekte haar benen, als een jogger die stretchoefeningen doet. ‘Denk je dat Richard iedereen zal vertellen over de film?’ vroeg ze, zonder hem aan te kijken.

‘Ik vermoed van niet. Het staat niet eens vast dat de film met de moord te maken heeft. Richard zal waarschijnlijk heimelijk proberen te achterhalen of meer mensen ervan weten, en of die kennis aanleiding voor ze was om Poppy te vermoorden.’

‘Een moord vanwege mij?’ Anna ging recht staan, maar keek niet naar hem.

Ze klonk zo onzeker dat hij naar omzichtige woorden zocht. ‘Een moord vanwege een film die geld waard is.’

‘Geld?’ Nu staarde Anna hem recht aan.

Even voelde Matthew irritatie. Anna had haar halve jeugd allerlei dingen gedaan die illegaal waren. Hij begreep niet hoe ze nu soms een naïviteit over zich heen kon hebben die bijna ongeloofwaardig was.

Voordat hij scherp kon zijn daagde er begrip in haar ogen. ‘De pers,’ mompelde ze. Ze keek weg.

Hij knikte. ‘Die zou er inderdaad veel voor betalen. Ik ook.’

Anna keek hem weer aan. ‘Echt?’

De irritatie was terug. ‘Wat denk je zelf?’ Hij gromde van frustratie terwijl hij dacht aan de vruchteloze middag waarin hij van kelderkamer naar kelderkamer was gegaan en zich opgesloten had gevoeld. ‘Ik wou dat ik dat ding kon vinden.’

‘Zo belangrijk is het nou ook weer niet.’

Matthew wankelde. Hij wendde zich af en maakte een rondje door de kamer, om te voorkomen dat hij dingen zei die hij later zou betreuren. “Zo belangrijk is het nou ook weer niet.” Het was lang geleden dat Anna zoiets onzinnigs had beweerd. Soms wilde hij haar niet eens begrijpen. Hij wilde geen uitleg horen over waarom een film waarin zij werd verkracht niet van belang zou zijn. Niet nadat ze vanmiddag had gehuild om het idee dat hun kinderen van die film zouden weten, niet nadat hij zich de rest van de dag had afgevraagd hoe die film eruitzag en wat er zou gebeuren als hij in verkeerde handen viel.

‘Boos?’ mompelde Anna.

Zwijgend maakte hij nog een rondje door de kamer – en toen nog één. Boos. Wat een belachelijk ontoereikend woord was dat. Nee, hij was niet boos. Er gingen emoties door hem heen die veel sterker waren. Niet alleen om wat Anna zei. Om heel andere zaken. Om… Hij wist niet precies waarom. Hij wist alleen dat er een woede in hem was die hem zowel ijskoud en stomend heet maakte en die hem soms dodelijk vermoeide, alsof er binnenin hem een monster huisde dat hem orgaan na orgaan opvrat.

Uiteindelijk kwam hij bij zijn echtgenote terug. Hij deed zijn best om te glimlachen, maar Anna keek kritisch. ‘Je mag heus wel zeggen wat je denkt. Als je gelooft dat je nu neutraal naar me kijkt, moet ik je teleurstellen. Je ziet eruit als de wolf die Roodkapje ontmoet. Heb je honger?’

‘Als jij denkt dat ik in de stemming ben voor grapjes, moet ik jou ook teleurstellen. Het is wel belangrijk dat we die film vinden. Ik wil niet dat iemand hem te zien krijgt. Ik wil niet dat jíj hem te zien krijgt. Snap je dat echt niet of wil je dat om een of andere vage reden niet begrijpen?’

Daar dacht Anna over na. Toen keek ze hem aan met een net zo recalcitrante blik als hij soms bij Zoë zag. ‘Ik wil het om een of andere vage reden niet begrijpen.’

Hij haalde diep adem. ‘Een eerlijk antwoord. Daar moet ik waarschijnlijk blij mee zijn. Dat lukt me alleen niet. Kun je ook uitleggen waarom je het niet wilt begrijpen?’

‘Nee.’

‘Anna…’

‘Ik weet het niet, oké?’ snauwde ze. Nu liep zij van hem weg. ‘Ik heb geen logisch en rationeel antwoord, en ik wil er ook niet eentje bedenken. Ik ben zwanger, ik heb een kind van twee en een man om wie ik bezorgd ben, en ik wil me niet ook nog eens druk maken over die stomme film. Daar! Dat is mijn reden.’ Anna plofte in een bank. Ze zag er bleek uit, en – Matthew zag het en besloot erover te zwijgen – ouder dan anders.

Hij ging eveneens op de bank zitten, niet heel dicht bij haar maar ook niet te ver weg. ‘Je moet je niet bezorgd maken over mij. Dat is nergens voor nodig.’

‘Werkelijk, schat?’ beet ze, terwijl een donder rolde. ‘Daar denk ik toch echt anders over. Dat soort opmerkingen van jou maken me pas echt bezorgd. Het gaat goed met je, hè? Je bent een tevreden man. Toch?’

Matthew haalde zijn schouders op. ‘Richt je op Zoë. Zij heeft je zorg nodig.’

Anna snoof. ‘Houd toch op. Ze krijgt mijn zorg. Praat over wat belangrijk is.’ Anna schoof dichterbij. ‘Lieveling, je krijgt zonen. Maakt dat herinneringen en twijfels bij je wakker? En wil je daar liever niet met mij over praten?’

Hij stond weer op. ‘Dat wil ik inderdaad niet. Je bent mijn vrouw. Ik heb er geen behoefte aan om je nog een keer te vertellen hoe mijn vader mij als een vrouw gebruikte. Er is een film van jou, een film waarvan ik wil dat niemand hem ooit ziet. Je bent zwanger en er loopt hier een moordenaar rond. Daar wil ik me op richten. We hebben andere dingen aan ons hoofd dan iets dat dertig jaar geleden gebeurd is.’

‘Dat is gewoon niet waar!’ Anna worstelde zich overeind uit de bank en drukte zich tegen hem aan. ‘Het is niet dertig jaar geleden gebeurd. In jouw hoofd gebeurt het nu! Daar moet je iets mee doen.’

‘Houd erover op.’ Hij maakte zich los en draaide zich om.

‘En nu loop je de kamer uit,’ zei Anna. ‘Zoals altijd als je niet wilt praten. Dat mag je ook gewoon zeggen. Dan kun je bij me blijven.’

Hij draaide zich terug. ‘Doe niet zo therapeutisch. Wees mijn vrouw – wees gewoon mijn vrouw.’

Anna pakte zijn armen vast. ‘Dat probeer ik, maar ik ben zwanger en moe en ik kan je niet alles geven wat je wilt. Sorry, maar het gaat echt niet. Ik ben bang en ik voel me klein en ik vind het vreselijk om je zo ongelukkig te zien.’

‘Ik ben niet ongelukkig.’

‘Matthew –’

‘Echt niet.’

Anna zweeg even; hij voelde door de handen die ze op zijn armen hield dat ze trilde. ‘Soms ben ik bang dat je bij me wegdrijft,’ fluisterde ze. ‘Op dit soort momenten, als je glashard ontkent wat ik zie. Het is alsof ik helemaal niet tot je doordring, alsof je het niet eens meer belangrijk vindt om met me te praten. Ik had niet verwacht dat ooit nog mee te maken. Het is weer zoals toen we net getrouwd waren.’

Vlammen – vlammen rezen in hem op, alsof er benzine over hem heen gegoten was en de lucifer hem raakte. Hij trok zich los. ‘Waag het niet om te beweren dat ik met je omga zoals toen. Dat zal ik nooit meer doen. Nóóit.’

Anna was niet onder de indruk: het verdriet in haar ogen bleef. ‘Werkelijk?’ vroeg ze.

‘Werkelijk,’ snauwde hij.

Anna keek weg. ‘Als ik eerlijk ben, vind ik het soms wel erg dat jij je tot Poppy aangetrokken voelde. Dan wil ik mijn mooiste jurk aandoen en je eraan herinneren hoe gelukkig je was toen alles net weer goed was tussen ons. Maar mijn mooiste jurk past me niet. Niets past me op dit moment.’ Ze keek hem weer aan. ‘Ik voel me mezelf niet, en jij voelt ook niet als jezelf. Blijf bij me, lieveling.’

Tot zijn verbazing bemerkte Matthew tranen in zijn ogen, tranen die niet vielen maar poelen vormden rondom zijn wimpers. Hij bleef bewegingsloos staan. ‘Heel mooi dat je jaloers bent. Dan ben je wel degelijk jezelf. En ik weet niet wat me bezielde met Poppy. Echt niet.’

‘Je bent een man.’ Anna stapte dichter naar hem toe, legde haar hoofd tegen zijn borst. ‘Een man die zijn eigen moeiten heeft. Het hoort erbij.’

Hij legde zijn armen om haar heen. ‘Ik ben een man die beter moet weten. Een christen die zich aan zijn geloften wil houden nadat hij daar veel te lang laks mee om is gegaan.’

Ze hief haar hoofd naar hem op. ‘Een christen die samen met de Heer het trauma in zijn leven aangaat?’

De tranen waren verdwenen; hij sloot zijn ogen. ‘Ik loop niet weg, maar ik wil hier niet over praten. Echt niet. Kom naast me zitten en wees gewoon mijn vrouw.’

Ze knikte, nog steeds verdrietig, maar toch stellig. ‘Ik zal altijd jouw vrouw zijn.’

 

Toen Anna naar bed was gegaan, nam Matthew plaats in de groene salon. Hij deed geen licht aan. Het onweer was weggetrokken, en door de restanten van de wolken tuurde de maan naar binnen, de verlegen tweelingzus van de zon. Matthew zag haar koelwitte licht de vormen aftasten van stoelen en tafels. Door het raam heen legde ze een tapijt neer dat zich uitstrekte tot vlak voor zijn voeten.

Hij overdacht wat er vroeger in de salon was gebeurd en zag het zonder emotie aan, bijna afstandelijk, alsof het een vreemdeling was overkomen. Het stond in geen verhouding tot Anna’s herinneringen. Toen keek hij naar zichzelf en constateerde hij dat hij de laatste tijd inderdaad anders was. Die woede en vermoeidheid pasten niet bij hem. Misschien zou hij toch eens rondkijken naar een nieuwe psycholoog, hoewel na het falen van de vorige hij nog minder zin had om er met eentje te praten. Therapie was meer iets voor vrouwen. Hij vroeg zich af of Anna extra hulp nodig had om met haar herinneringen in het reine te komen.

Uiteindelijk besloot hij te gaan slapen. Toen hij de gang in liep, schoot echter een oude bekende voorbij – zijn cape raakte hem nog net.

‘Superman,’ siste Matthew.

De held rende naar hem terug. ‘Ik ben niets aan het voorbereiden hoor. Het is geen tijd voor grapjes, en ik geloof dat de meeste gasten sowieso niets van me willen horen.’ David trok zijn cape dichter om zich heen. ‘Ik denk dat ze mij als dader zien.’

Op die laatste zin had Matthew geen weerwoord. ‘Waarom hol je hier rond?’

David haalde zijn schouders op. ‘Beetje energie kwijtraken. En mezelf ervan overtuigen dat ik vanbinnen sterk ben en het allemaal wel aankan.’

Matthew legde een hand op Davids schouder. ‘Ik heb ooit een stagiair aangenomen – nog niet zo heel lang geleden – die beweerde dat hij graag wilde laten zien dat God juist door de zwaktes, de pijn en het onvermogen van mensen heen werkt.’

David kreunde. ‘Is ook zo. Maar –’

‘Ik denk dat God niet in Superman gelooft, David. Jezus was geen Superman. Hij werd aangeklaagd. Zijn dienaren overkomt soms hetzelfde. Ze zeggen dat het goed voor ons is als wij delen in het lijden van Christus, ook al voelt dat niet zo.’

David liet zijn schouders hangen. ‘Ik kan dit kostuum echt beter wegdoen.’

‘Welterusten, jongen. Houd vol.’

Matthew liep door naar zijn slaapkamer en schudde het idee van zich af dat hij David dingen had verteld die hij zelf niet geloofde. Toen hij zich had uitgekleed sloeg Anna de deken voor hem open. ‘Welkom,’ klonk haar stem slaperig in het duister. Hij ging dicht naast haar liggen, voelde haar warmte, rook haar geur, raakte haar aan en besloot eens te meer dat het allemaal wel meeviel met zijn problemen.

 

Uit het dagboek van Marieke Markestein

 

… Vanmorgen leidde David de dagopening. Hij stond bewegingsloos bij het spreekgestoelte en zag er kleiner uit dan anders. ‘Ik heb niets voorbereid,’ zei hij. Hij sloeg de Bijbel die voor hem lag dicht. ‘Ik wilde het wel, maar het lukte niet.’

Gerald zat achterin en snoof, zo hard als alleen hij het kan. ‘Ik kan het me voorstellen,’ riep hij. ‘Dat is een beetje lastig met een slecht geweten.’ Een paar van de daghulpen waren ook aanwezig en giechelden. Ik zag Melinda Hayes bij ze staan – zij was de enige die niet meedeed. Misschien probeerde ze de schijn op te houden dat ze niets met Gerald te maken heeft. ‘Ook voor een christen is het vast lastig om het over God te hebben als hij net iemand heeft vermoord,’ ging Gerald verder.

Hij lachte hartelijk om zijn eigen opmerking, maar de daghulpen deden niet meer mee. Ze waren stil, behalve de vrouw die leiding aan ze geeft: Charlotte Preston, lang, mager en in het zwart gekleed, grinnikte hoorbaar.

Matthew, die samen met Anna naast het spreekgestoelte zat, leek aanstalten te maken om overeind te komen, maar veranderde van mening. Hij strekte zijn benen voor zich uit. ‘David, we hebben alle vertrouwen in je. Voor mij en Anna ben je onschuldig. De anderen zal dat later ongetwijfeld ook duidelijk worden. Ik kan me voorstellen dat je je onder druk voelt staan, maar juist dan is het belangrijk om je op God te richten. Wat zegt Hij tegen je?’

David boog zijn hoofd. Het was me niet duidelijk of hij probeerde te bidden of zijn onzekerheid wilde verbergen. Toen hief hij zijn hoofd met een ruk weer op. ‘Luister, Israël: de Heer, onze God, de Heer is de enige!’ Opeens glimlachte hij, alsof hij honger had en Eileen binnen zag komen.

Matthew leunde verder achterover en glimlachte ook. ‘Amen,’ mompelde hij voor zich uit. Toch had ik de indruk dat hij niet meer zo ontspannen zat. Anna schoof iets dichter naar hem toe. Ik dacht dat ze haar hand op de zijne zou leggen, maar ze trok de vingers die ze al naar hem uitstrekte terug en liet ze zakken op haar eigen been.

‘De Heer, onze God, de Heer is de enige,’ herhaalde David. Stralend keek hij de zaal rond. ‘Dat is de waarheid. Onze God is de enige, en Hij is almachtig. Almachtig! Probeer je dat eens voor te stellen. Het is zo waar, en toch zo gemakkelijk om te vergeten als het niet goed met ons gaat, als we zorgen en verdriet hebben.’

‘Als we moorden plegen?’ wilde Gerald weten. ‘Of denken “we” dan dat we zelf almachtig zijn?’

Ik zag Matthew zijn tanden op elkaar bijten, maar hij zei niets.

‘Zorgen en verdriet kunnen allesoverheersend zijn,’ ging David verder. ‘Ze lijken goden te worden – of demonen eigenlijk. Ze vertroebelen ons zicht op de waarheid van onze Verlosser. Soms willen we er niet eens aan denken dat Hij ook in deze situatie onze eerbied verdient. We kunnen ons dat niet meer voorstellen; we zijn boos omdat Hij met al zijn macht niet ingegrepen heeft. We twijfelen eraan of Hij ons wel ziet. Maar God is echt nabij, in onze angst, in onze pijn.’

‘In onze schuld?’ riep Gerald. De daghulpen giechelden weer. Het leek of ze besmet waren met het virus waar de gasten aan hadden geleden voor de dood van Poppy.

Nu stond Matthew wel op. ‘We hebben in de Abbey de goede gewoonte om mensen uit te laten praten. David heeft waardevolle dingen te zeggen. Ik stel voor dat iedereen die niet de beleefdheid kan opbrengen om daarnaar te luisteren, buiten wacht tot we klaar zijn.’

Op dat moment ging de deur open. DI Mather stapte binnen. Er viel een diepe stilte. De vrouwen keken allemaal naar hem om, bijna met ontzag, leek het wel. Matthew staarde hem ook aan, maar op een heel andere manier: terughoudend en tegelijk geërgerd, alsof hij al wist wat er ging gebeuren.

Natuurlijk was Gerald degene die de stilte verbrak. ‘En?’ vroeg hij. ‘Komt u David arresteren?’

Tot mijn absolute verbijstering knikte de Detective Inspector. ‘Inderdaad. Helaas.’…

 

© Els van Weijen

6 thoughts on “Hoofdstuk Elf

  1. Mooi wat je schrijft over de maan 😍 de verlegen tweeling zus van de zon.

    Perfecte timing en coole entree van DI Mather.

    Het kan David niet zijn.. te voor de hand liggend. Haha het lijkt wel cluedo 😂

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *