Hoofdstuk Negen – Gekte

 

D0AA91787C

Een dag na het vertrek van zijn familie pakte Thomas zijn normale werktijden op. Het appartement leek nog leger dan anders toen ik er alleen achterbleef; het klonk bijna hol. Het was me weer duidelijk dat ik dringend een baan nodig had. Toen ik achter de computer zat lukte het me echter niet om me op vacatures te concentreren. Ik kon alleen aan Thomas denken. Zoals me wel vaker overkwam, rook ik zijn aftershave en dacht ik zijn stem te horen; alles in me verlangde ernaar hem aan te raken – het deed pijn dat dat niet kon.

Ik besloot naar buiten te gaan. Het was een warme dag en de Theems weerkaatste duizenden splinters zonlicht; ik was ervan overtuigd dat ik me zou amuseren. Maar ik had nog geen vijf stappen de straat in gezet toen er een stem achter me klonk.

‘Dat is lang geleden, Caroline.’

Ik ademde diep in. Het kostte me moeite om me om te draaien. ‘Hallo Steve.’

Hij was veranderd de afgelopen weken. Hij zag eruit alsof hij ziek was: hij leek magerder en zijn ogen deden me denken aan naderend onweer, broeierig en dreigend. ‘Je hebt me ontweken,’ zei hij.

‘We hebben bezoek gehad – zoals je kon zien. Is de bewaking trouwens weer laks vandaag? Ik zie niemand die jou of mij in de gaten houdt.’

‘Was je bang?’ Steve deed een stap naar me toe. ‘Vreesde je dat ik dingen zou vertellen die je beeld van Garland verder zouden aantasten?’

‘Steve, houd ermee op om van alles over Thomas te suggereren. Hij is niet verantwoordelijk voor wat er met je vrouw is gebeurd. Ik heb er uitgebreid met hem over gepraat. Hij –’

‘Uitgebreid? Hij is geen man die uitgebreid praat. Dat zei Belinda altijd: hij is een man van hoofdlijnen; hij geeft opdrachten en verwacht dan dat ze worden uitgevoerd. Hij –’

‘Zo stelde hij zich misschien tegen Belinda op, maar zij was zijn PA. Ik ben…’

Steve trok zijn wenkbrauwen op. ‘Jij bent? Niet zijn vrouw. Je bent jong en onzeker en je weet niet waar je aan toe bent met hem. Zo is het toch? Je voelt je slecht op je gemak.’

‘Nee. Je moet niet steeds denken dat je weet wat er in mijn hoofd omgaat.’

‘Maar dat weet ik echt, Caroline.’

‘Helemaal niet – dat weet niemand.’

‘Ook Garland niet? Ben je bang om het aan hem te laten zien of is hij niet geïnteresseerd? Ik ben wel geïnteresseerd. Ik wil alles van je weten, Caroline. Ik geef om je. Ik –’

Er werden spelletjes met me gespeeld – ik hield het me opnieuw voor. Alleen Thomas gaf om me. Steve had andere motieven. ‘Houd ermee op Thomas te belasteren,’ beet ik.

Hij glimlachte. ‘Het is geen kwestie van belasteren. Ik wil dat je de waarheid ziet. Hij had een affaire met Belinda, maar liet haar vallen zodra het lastig werd. Ik heb liefdesbrieven van hem gevonden – brieven uit de tijd dat het zogenaamd goed ging. Wil je ze lezen?’

‘Liefdesbrieven zijn niets voor Thomas.’

‘Geloof je dat of maak je jezelf dat wijs omdat hij ze niet naar jou stuurt? Hij kan heel gepassioneerd zijn als hij dat wil – als het hem uitkomt. Alleen als het moeilijk wordt, is hij minder –’

‘Jij bent bevooroordeeld.’

‘Ja, dat ben ik inderdaad.’ Hij legde zijn hand tegen mijn wang en het onweer week uit zijn ogen; ze waren weer lichtblauw – lichtblauw en bijna liefdevol. ‘Ja, dat ben ik inderdaad,’ herhaalde hij, heel langzaam. ‘Vanwege jou. Ik vind jou bijzonder. Meer dan bijzonder.’

Ik duwde zijn hand weg. ‘Dat gevoel is niet wederzijds.’

‘Weet je dat zeker? Je bent boos op me omdat ik je dingen vertel die je niet wilt horen. Maar ik denk dat je mij ten diepste niet onaardig vindt. Ik hou van je, Caroline.’

Bijna huilde ik. Niet omdat ik hem geloofde, maar omdat Steve woorden sprak die Thomas nooit gebruikte. ‘Dat is onzin – je kunt niet houden van iemand die je twee keer hebt ontmoet. En ik hou van Thomas.’

‘Maak je van hem los. Ik smeek het je. Niet alleen omdat ik je voor mezelf wil, hoe diep dat verlangen ook is. Ik ben bezorgd om je. Ik ben bang dat je ongelukkig wordt, of erger.’

Ik liep weg. ‘Laat me met rust.’

‘Ik hou echt van je, Caroline,’ riep hij me na.

Ik dwong mezelf om niet om te kijken.

 

Drie kwartier lang liep ik langs de Theems en probeerde ik tot rust te komen. Toen dat niet lukte besloot ik tot een andere strategie. Ik bezocht een bakker en pakte een taxi. Na het uitstappen staarde ik lange tijd naar een bedrijfspand. Het was beige, rank en eindeloos hoog. Bovenaan stond in grote blauwe letters “Garland Oil” op de gevel. Ik wist dat het gebouw aan Thomas toebehoorde, maar tegelijkertijd was die gedachte totaal onwerkelijk.

Ik liep naar binnen en stond stil in de hal, of eigenlijk het atrium: de hal was wijds en meerdere verdiepingen hoog. Op de vloer lag een dik tapijt, maar in het midden was ruimte gemaakt voor een kleine fontein met planten eromheen. Op hogere verdiepingen zag ik achter gaanderijen mensen aan het werk. Ik dronk de ingetogen weelderigheid in en luisterde naar het kalmerende geluid van het water. Het was toch niet zo’n vreemd idee dat het gebouw van Thomas was. Ik vond het jammer dat ik niet eerder de moed had gehad om hem hier te storen.

Tegen de tijd dat ik me compleet op mijn gemak voelde, kreeg ik een receptioniste in de gaten die me wantrouwig bekeek. Ik liep naar haar toe en bracht de volgende vijf minuten door met haar ervan te overtuigen dat ik echt de vriendin van Thomas was.

Toen ze eenmaal zijn PA had gebeld, kwam deze nog geen minuut later naar me toe. Het was een huiselijke vrouw van in de vijftig bij wie het term secretaresse meer leek te passen. Ze stelde zich voor als Leah, zei hoe fijn ze het vond om me “eindelijk” te ontmoeten en nam me mee naar de twintigste verdieping.

Net toen ze vroeg of ik koffie wilde, verscheen Martin. ‘Wat schattig dat je voor ons zorgt. Daar hebben we lang op moeten wachten. Wat eten we?’

Ik trok een wenkbrauw op. ‘Wat jij eet weet ik niet. Ik heb alleen aan Thomas en mezelf gedacht.’

‘Zo gaat dat met verliefde mensen. Maar er is vast genoeg. Wat heb je meegenomen? Vind ik het lekker?’ Martin deed een greep naar mijn tas; ik trok hem net op tijd weg.

Toen stond Thomas opeens naast me. ‘Martin, ga terug naar je hok.’

‘Baas, zo spreek je niet tegen me. Gewoonlijk niet tenminste.’

‘Vandaag wel. Vort, ga werken.’ Tot mijn verbazing protesteerde Martin niet verder: hij deed wat hem gezegd werd, hoewel hij wel iets mompelde over hoe monomaan verliefde mensen waren. Thomas kuste me. ‘Wat een perfecte verrassing. Je hebt eindelijk besloten dat je hier een baan wilt?’

‘Het spijt me dat ik je moet teleurstellen.’ Ik hield mijn tas omhoog. ‘Ik kom je alleen een lunch brengen. Daar ben je vast aan toe nu je moet afkicken van het eten van Julie en Eliza.’

Hij wierp Leah een blik toe die haar leek uit te nodigen om te zeggen hoe bijzonder ik was. ‘Dat is geen teleurstelling – dat is nog steeds perfect. Kom verder, lieveling.’

Hij leidde me naar zijn kantoor. De kamer was dermate groot dat hij intimiderend had moeten zijn, maar ik voelde me er onmiddellijk op mijn gemak. Dat kwam misschien door de koraalrode tint van het tapijt en de gordijnen: die kleur bracht warmte. In het kantoor stonden houten beelden van dieren en planten die zo vaardig gesneden waren dat ze haast leken te bewegen. Die indruk dat er iets leefde straalde eigenlijk het hele kantoor uit, alsof het hout van de beelden en de vloer nog vol sap was en ieder moment nieuw blad kon voortbrengen. Het leek meer bij Thomas’ smaak te passen dan het penthouse. Ik kon zijn trots voelen terwijl ik rondkeek.

‘En?’ was alles wat hij vroeg.

‘Overweldigend. Dit had je aan je familie moeten laten zien.’

‘Op zondag gaven ze de voorkeur aan de kerk, en als ik ze op andere dagen had meegenomen was ik besprongen door fanatiek personeel. Kom, Caro, dit gaat niet over mijn familie. Wees eerlijk: zij zouden veel meer onder de indruk zijn dan jij. De vrouw van mijn leven is diep vanbinnen een cynische socialist. Ze geeft niet om luxe en overdaad.’

‘Natuurlijk wel: luxueuze, overdadige aandacht van jou.’ Ik tikte zijn hand weg. ‘Wat niet betekent dat je gelijk praktisch hoeft te worden: we hadden het over je kantoor. Het zet me aan het denken. Ik realiseer me nu pas dat je echt… een baas bent.’

Hij keek me dubieus aan. ‘Echt een baas? Maar alleen op kantoor, neem ik aan. Sst vrouw, je hoeft het niet hardop te zeggen: ik weet dat ik vanmorgen niet klaagde toen je…’ Hij kuchte iets weg. ‘Misschien kunnen we beter eten, voordat ik me tot dingen laat verleiden waar ik helaas geen tijd voor heb – ik heb zo een afspraak. Wat heb je meegenomen? Laat me raden: croissants.’

‘Wat anders? Jij vindt ze gelukkig net zo lekker als ik.’

Thomas belde voor koffie en vertelde Leah terloops wat zijn “fantastische vriendin” aan etenswaren had meegenomen. Dat zorgde ervoor dat we even later niet alleen koffie kregen maar ook jam. We nestelden ons samen aan een tafel en genoten van de maaltijd. Thomas zei dat ik zijn dag goed maakte.

‘Echt?’

‘Echt. Hoe uitgebreid wil je dat ik je dat vertel? Ik zou je graag iedere dag op deze manier bij me hebben, maar ja… Nee, lieveling: niet slaan. Wees lief voor me.’

‘Ik wil altijd lief voor je zijn. Ik hou van je, Thomas.’

‘Dat weet ik, en daar ben ik nog steeds dankbaar voor.’ Ik kreeg een kus, maar meer woorden kwamen er niet. Ik keek naar hem en dacht aan hoe erg ik hem die ochtend had gemist. Soms vroeg ik me af wanneer ik eindelijk weer normaal zou worden.

‘Ik kwam Steve Hartford vanmorgen tegen.’

Een wolk bedekte Thomas’ zonnige ogen. ‘Je hebt hem weer ontmoet?’

‘Niet met opzet. Ik ging wandelen en hij was toevallig in de buurt. Ik ben heel duidelijk geweest over Belinda. Ik heb hem gezegd dat ik jou geloof.’

‘Goed,’ bromde Thomas.

‘Hij zei dat hij brieven heeft die jij aan Belinda hebt geschreven. Liefdesbrieven.’

‘Onzin. Ik heb nog nooit een liefdesbrief geschreven – het zou niet bij me opkomen. Die vent is in staat om mijn handschrift te vervalsen.’

‘Ik zal hem nooit geloven.’

‘Goed,’ zei Thomas weer. ‘Goed.’

‘Mis je Belinda nog wel eens?’

‘Caroline… Geloof me: ik voelde niet voor haar wat ik voor jou voel.’

‘Dat weet ik.’ Ik wilde vragen wat hij precies voor mij voelde, maar dat durfde ik nog steeds niet. ‘Volgens mij kan ik beter gaan. Je had toch een afspraak?’

Hij grimaste. ‘Ja. Sorry.’

 

Die nacht droomde ik over Belinda. In mijn droom lag ik ook in bed. Ik sliep, totdat een ijzige ademhaling mijn voorhoofd aanraakte. Toen ik mijn ogen opendeed hing het gezicht van de mooiste vrouw die ik ooit had gezien boven het mijne. Haar ogen waren saffieren. Haar mond was een reeks weelderige curven in een glanzende zachte roze tint. Haar voorhoofd was hoog, haar wangen waren bleek maar perfect. Op haar lange blonde haar droeg ze een tiara waarin één enkele parel blonk.

De vrouw staarde me aan. Haar ogen waren uitdrukkingsloos, maar tegelijkertijd vol betekenis. Intussen voelde ik iedere keer als ze uitademde ijs mijn gezicht raken. Het drong mijn vlees binnen, kroop eronder, verdoofde mijn hersenen. Ik probeerde afstand te nemen, mezelf dieper in mijn matras te drukken, maar ook mijn spieren waren al halfbevroren. Ze kwam dichterbij. Haar lippen raakten me bijna aan. Ik wist dat haar kus me voorgoed in ijs zou veranderen.

Opeens deden mijn armen het weer. Ik probeerde haar weg te duwen, maar raakte slechts mist aan: mijn handen gingen dwars door haar heen. Toen werd ik pas echt bang. Ik rolde bij haar vandaan, struikelde uit bed en rende naar de deur, maar toen dacht ik aan Thomas. Ik draaide me om en zag dat zij naast hem stond. Hij sliep nog steeds. Ze boog zich over hem heen voor een kus. Dat was het moment dat ik me realiseerde dat de vrouw Belinda was. Ik rende naar haar toe, schreeuwde “Nee!” – en werd wakker.

Hijgend zat ik in bed. Mijn nachthemd voelde klam – ik voelde klam. Zachtjes stond ik op. Ik waste en verschoonde me en liep daarna naar de woonkamer: ik wist dat ik nog niet terug naar bed kon gaan. In het donker staarde ik naar de stad en verafschuwde ik de beeldschone Belinda.

Ik hoorde Thomas niet binnenkomen. Ik weet niet hoelang hij al in de kamer stond voordat ik zijn schaduw zag. Hij kwam naast me zitten. ‘Je moet je niet zo druk maken.’

‘Dat weet ik.’

‘Ik heb geen verhouding met Belinda gehad. Echt niet.’

‘Dat weet ik.’

‘Toen ik iets voor haar voelde, kende ik jou nog niet eens.’

‘Dat weet ik, Thomas. Dat wéét ik. Er is iets mis met me; ik voel me zo raar.’

‘Steve Hartford probeert je in de war te brengen met zijn gekte. Sinds de dood van Belinda is hij zichzelf niet meer. Ik vind het heel erg voor hem, maar wij kunnen hem niet helpen. Hij zou ons kapotmaken als we het probeerden.’

Ik leunde dichter tegen Thomas aan. Hij ging verzitten, zodat hij allebei zijn armen om me heen kon leggen. ‘Ik hou van je,’ zei ik weer.

Hij kuste me. ‘Blijf bij Hartford uit de buurt. Hij is gevaarlijk voor ons.’

Toen zaten we zonder woorden bij elkaar. Vanbinnen voelde ik een verdriet waarvan ik bang was dat het nooit meer weg zou gaan.

 

Een nieuwe dag. Het goede weer was voorbij: buiten bevocht de ene storm de andere. Het was een goed excuus om binnen te blijven. Ik negeerde mijn telefoon (Steve belde twee keer) en las losse stukken uit The Lord of the Rings. Thomas kwam vroeg thuis en zag er moe en bleek uit. Na een stil diner haalde hij zijn laptop tevoorschijn. Hij bleef net als in het begin bij me in de woonkamer.

Om tien uur ging de deurbel. Ik wist onmiddellijk hoe raar het was dat we geen telefoontje hadden gehad van de portier over naderend bezoek, maar Thomas leek de bel niet eens te horen. Even keek ik naar de verticale frons op zijn voorhoofd die altijd dieper was als hij werkte. Toen stond ik op.

Natuurlijk was het Steve. Hij staarde me aan, een minuut lang, met ogen waarin koorts brandde, en ik keek zwijgend terug. Het lukte me niet om de deur dicht te doen, om bij hem weg te lopen. Ik wist niet meer wat ik voelde. Ik was uitgeput maar tegelijk alert en dacht achter hem de schaduw te zien van Belinda, de vrouw om wie allebei de mannen die beweerden om me te geven vóór mij gegeven hadden.

‘Caroline, ik hou van je,’ zei Steve. Zijn stem was zacht, bedwelmend. ‘Ik weet dat je me niet gelooft, maar het is echt zo. Jij maakt mijn leven weer de moeite waard.’

‘Ik geloof er inderdaad helemaal niets van. Ga weg voordat de beveiliging je vindt. Als ze je al vinden; volgens mij is het niet zo lastig om ze te omzeilen als jij me wilde laten geloven. Je vertelt alleen maar leugens.’ Maar ik bleef in zijn ogen kijken. Even dacht ik dat ze me beloftes deden die ik wilde horen. Steve strekte zijn hand naar me uit.

Bijna pakte ik hem. Toen was Thomas er opeens. Hij greep Steve vast en trok hem mee in de richting van de lift. Even draaide hij zich naar mij om. ‘Bel de beveiliging,’ beval hij. Intussen worstelde Steve om los te komen, maar Thomas pinde hem tegen een muur en toen gaf hij het bijna onmiddellijk op. Langs Thomas heen keek hij naar mij, maar hij sprak niet en liet zich willoos door de bewakers afvoeren. Thomas liep naar me terug, sloot de deur en leunde ertegenaan. ‘Het spijt me,’ zei hij.

‘Dat hoeft niet.’ Ik zag bloed vanaf zijn lippen op zijn witte shirt druppen. Ik legde mijn hand op het wondje. ‘Je verbaast me.’

Hij leunde naar voren en kuste me; ik proefde zijn bloed. ‘Ja.’

 

Die nacht droomde ik over Steve. Hij stond voor me, met zijn armen naar me uitgestrekt, maar ik keek langs hem heen en zag schaduwen en dreiging. Deze keer bleef ik nadat ik wakker schrok in bed. Ik voelde dat Thomas ook wakker was en wilde iets zeggen, maar ik wist niet wat. Ik vroeg me af wat me bezield had bij de deur – ik vroeg me af waarom Steve bijna aantrekkelijk had geleken. Antwoorden vond ik niet. Uiteindelijk legde ik mijn handen op Thomas’ huid en nodigde ik hem uit om één met me te zijn. Daarna viel Thomas in slaap. Ik dacht na over hoe ik de gekte van Steve kon doorbreken.

De volgende dag, om een uur of twee, belde Steve. Ik nam op en vroeg hoe het met hem ging.

‘Garland is behoorlijk sterk als hij dat wil. Wie had gedacht dat hij zo boos kon worden?’

‘Jij zou ook boos zijn in zijn plaats.’

‘Ik ben sowieso boos. Omdat jij bij hem bent.’

‘Steve, je kunt hier niet mee doorgaan. Je bent niet verliefd op mij. Het gaat je om je vrouw. Je wilt mij weghouden bij de man die jij verantwoordelijk acht voor haar dood. Niet vanwege mij, maar omdat je niet wilt dat Thomas gelukkig is. Je bent in de rouw, omdat je Belinda verloren hebt, en omdat je haar al kwijt was voordat ze stierf. Ik begrijp hoe ellendig en hoe machteloos je je voelt, maar maak van Thomas en mij niet de zondebokken. Er moet meer met Belinda aan de hand zijn geweest. Ze heeft vast niet alleen zelfmoord gepleegd vanwege een onbeantwoorde verliefdheid.’

Even was het stil. ‘Je speelt weer voor psycholoog.’

‘Je weet dat het waar is. Ik weet dat het waar is.’

‘Ik hou van je. Dat heeft niets te maken met Garland en Belinda. Ik ben een getrouwde man geweest; ik weet wat liefde is.’

‘Nu ben je een weduwnaar. Eenzaam.’

‘Voor een vrouw die zegt dat niemand weet wat er in haar hoofd omgaat, lijk je erg veel te weten over wat er in het mijne omgaat. Je bent geen vervanging, Caroline. Ik hou van wat jíj bent.’

‘Steve, je maakt het jezelf nodeloos moeilijk.’ Op het moment dat ik het zei, voelde ik dat Thomas achter me stond. Ik draaide me om en glimlachte naar hem, maar hij glimlachte niet terug. Hij ging zitten en keek, net als die keer toen ik Brigitte belde, toe terwijl ik praatte. Deze keer kon hij me verstaan. ‘Laten we hier alsjeblieft mee ophouden,’ zei ik tegen Steve. ‘Het gaat je niet om mij, maar om je vrouw.’

‘Het gaat wel om jou. Ik ben eerlijk, veel eerlijker dan jij durft te zijn. Jij bent degene die mijn gevoelens niet wilt erkennen. Jij doet net alsof je op Garland verliefd bent.’

‘Steve, ik hou van Thomas; accepteer dat.’ Ik dacht dat dat zou helpen, maar de uitdrukking op Thomas’ gezicht veranderde niet.

‘Op een dag verlaat je hem voor mij,’ zei Steve.

‘Nooit. En laat ons nu met rust.’ Ik verbrak de verbinding en deed een stap naar Thomas toe. ‘Wat heerlijk dat je thuis bent.’

Hij bleef zitten, zijn aktetas nog op zijn schoot. ‘Ik snap niet waarom je met hem praat.’

‘Het werkt niet om voor zijn gekte weg te rennen. Ik wil de confrontatie aangaan, hem de waarheid laten zien. Ik heb hem uitgelegd dat zijn gevoelens voor mij een illusie zijn.’

‘Zijn gevoelens voor jou?’

‘Hij zegt dat hij verliefd op me is.’

‘Verliefd?’ Thomas’ stem klonk heel zacht – een slecht teken.

‘Dat is natuurlijk onzin.’

‘Wat voel jij voor hem?’

‘Niets! Helemaal niets.’

‘Ik kom naar huis omdat ik denk dat je liever niet alleen wilt zijn na Steves bezoek, en merk dat je in gesprek bent met hem. Heb je totaal niet naar me geluisterd toen ik zei dat je bij hem uit de buurt moest blijven? Hij is gék.’

Ik legde een hand op zijn arm. ‘Natuurlijk heb ik geluisterd. Maar praten leek me een betere oplossing dan Steve negeren.’

‘Een betere oplossing…’ Thomas trok zijn wenkbrauwen op.

‘Ja. Ik mag toch wel mijn eigen mening hebben over hoe we met de situatie moeten omgaan?’

Thomas schudde mijn hand af. ‘Is dat een vraag of een vaststelling? Je eigen mening lijkt het enige te zijn dat nog belangrijk voor je is. Ik ga aan de slag. Je kunt me vinden in mijn werkkamer.’

 

Twee trage dagen gingen voorbij. Thomas werkte allebei de dagen thuis, maar sloot zich het grootste gedeelte van de tijd op in zijn kamer. Ik was rusteloos en dronk allebei de dagen alcohol op tijdstippen dat ik dat gewoonlijk nog niet deed. Op de derde dag escorteerde Thomas me kort voor de middag naar de parkeergarage. Ik dacht eerst dat we gingen lunchen, maar hij droeg twee koffers. Ik overwoog dat hij me zat was en me af zou zetten op een vliegveld, maar verdrong het idee: ik deed Thomas ermee tekort. In de auto vroeg ik hem waar “we” heen gingen. Ik kreeg geen antwoord; hij mompelde slechts iets over hoe belangrijk het was om te leren geduldig af te wachten.

De auto stopte op London City Airport. Even deed ik Thomas weer tekort met mijn gedachten. En ik deed het nog eens toen hij me op een bord met bestemmingen “Rotterdam The Hague Airport” aanwees. Ik kwam pas bij zinnen op het moment dat hij zei dat het tijd werd om “samen” een break te nemen. Toen kuste ik hem, behoorlijk uitbundig.

Zijn volgende verrassing kwam na de douane in Nederland: Brigitte rende me tegemoet en omhelsde me zo stevig dat het bijna pijn deed. ‘Ik huil niet,’ zei ze gesmoord. ‘Echt niet. Tranen zijn melodramatisch.’ Ze schudde me door elkaar. ‘Je bent gewoon te lang weggebleven, Lientje; dat doet rare dingen met me. Kom snel mee naar huis.’ Toen we wat later op de snelweg reden liet ze een juichkreet horen. Ik had haar net gezegd dat we het beste Engels konden praten zodat Thomas ons kon begrijpen. Lachend riep ze: ‘Die kreet hoef ik niet te vertalen – die is in alle talen duidelijk. Wat fantastisch dat je er bent!’

‘Maar de uitleg die je nu geeft kan Thomas niet verstaan. Straks zal ik hem nog moeten geruststellen dat je niet gek bent.’

‘Misschien is hij wel gek, omdat hij niet snapt dat ik je voor mezelf wil. Wat doet die man hier?’

Ik legde Thomas uit wat Brigitte gezegd had. Hij grinnikte. ‘“Die man” heeft ervoor gezorgd dat jij je vriendin weer eens in het echt ziet,’ zei hij tegen Brigitte.

‘“Die man” heeft er juist voor gezorgd dat ik haar al veel te lang níet zie,’ schoot Brigitte in feilloos Engels terug. ‘Maar ik vergeef je,’ lachte ze erachteraan. ‘Jij kunt het ook niet helpen dat je smaak hebt.’ In het Nederlands voegde ze toe: ‘Ik denk dat ik ook in het Engels mijn cynisme medium kan overbrengen. Ik hoop dat je hem een beetje hebt voorbereid op onze manier van communiceren?’

Ik vertaalde de vraag voor Thomas en antwoordde – in het Engels maar weer: ‘Hij is natuurlijk alleen gewend aan cynisme light.’

‘Is hij dat echt? Ik dacht dat je altijd lief voor hem was.’

‘Dat is ook zo,’ zei Thomas.

‘Verveelt dat nooit? Ik ga je de komende dagen laten zien wat Caroline zegt als ze zichzelf is.’ Toen vroeg ze me (in het Nederlands) of ik Londen al zat was. Ik vertelde haar (in het Engels) dat ik niet zo met Londen bezig was, maar dat ik Thomas nooit zat zou worden. Brigitte huiverde. ‘Ik geloof dat ik cynisme extra strong nodig heb om alle liefde te kunnen verdragen. Vertel me alsjeblieft niet dat jullie je vader gaan opzoeken voor een officiële introductie; dan ga ik me echt zorgen maken.’

‘Vrees niet,’ zei ik. ‘Dat zal niet gebeuren.’

‘Nou…’ zei Thomas. Toen ik hem geschokt aankeek, grinnikte hij. ‘Ik wil hem graag leren kennen. Dat mag toch wel?’

‘Zolang je hem maar niet gelijk om de hand van zijn dochter vraagt,’ zei Brigitte.

‘Ik zal proberen me in te houden.’

‘Dat is je geraden. Ik wil Caroline op een gegeven moment terug.’

Thomas trok zijn wenkbrauwen op, maar zei niets.

 

We hadden een gezellige dag met Brigitte, ondanks dat ik steeds als vertaler moest optreden: Brigitte leek niet te willen begrijpen dat Thomas echt geen Nederlands sprak. Toen we ’s avonds uit eten gingen was haar Engels weer wel goed: ze vertelde Thomas uitgebreid hoe raar ik was geweest toen ze me op de middelbare school had leren kennen. Thomas kapte het onderwerp af en vertelde Brigitte hoe blij hij met me was.

De volgende ochtend stelde Brigitte voor dat we gingen winkelen in Rotterdam en dat Thomas ons zou trakteren op nieuwe kleren. Thomas zei dat hij liever eerst naar mijn vader ging. Dat vond Brigitte zo’n saai idee dat ze probeerde ons op andere gedachten te brengen. Ik was bijna teleurgesteld dat ze daar niet in slaagde. Ondanks dat Thomas beloofd had niet om mijn hand te vragen, voelde ik me wat nerveus. Sinds mijn jeugd had ik zaken die belangrijk voor me waren (een pop, een goed rapport en later Brigitte) waar mogelijk bij mijn vader weggehouden. Hij kon met zo veel desinteresse naar ze kijken dat mijn eigen interesse leek te verschrompelen.

We gingen te voet naar mijn vader en ik probeerde me onderweg te richten op de landelijkheid van Dubbeldam, zonder er te veel over na te denken dat ik die landelijkheid miste. Toen ik aanbelde bij het huis waar ik was opgegroeid, ging de deur niet open. Een blik door het raam leerde me dat de leunstoel, de enige stoel waar mijn vader ooit zat, leeg was. ‘Volgens mij is hij er niet. Laten we maar gaan.’

‘We kunnen wel even wachten. Misschien is hij zo terug. Hij werkt toch thuis?’ Thomas legde een arm om me heen. ‘Je vindt dit spannend,’ stelde hij vast.

‘Wees niet verbaasd als mijn vader een beetje raar doet. Vat het niet persoonlijk op.’

Thomas kuste mijn slaap, maar zei niets. Ik keek naar de kastanjebomen bij de buren en bedacht me, net als ik als kind had gedaan, dat hun uitstaande bladeren leken op daken van huizen voor elven of kabouters. We wachtten vijf minuten; toen zag ik mijn vader de straat in schuifelen met een boodschappentas. Hij leek kleiner dan de laatste keer dat ik hem gezien had; zijn rug was nog verder gebogen. Pas toen hij bijna bij zijn huis was, kreeg hij ons in de gaten. Het veranderde niets: zijn tred bleef net zo traag en zijn gezicht net zo onaangedaan. Toen hij ons had bereikt, schudde hij Thomas de hand en zei in zijn langzame, hypercorrecte Engels: ‘Van harte welkom. Jij moet Thomas zijn.’

‘Inderdaad. Het is een voorrecht om eindelijk de vader van Caroline te ontmoeten. Ze heeft me erg gelukkig gemaakt.’

Toen pas keek mijn vader naar mij. ‘Hallo Caroline.’

‘Hoi pap.’ Ik boog me naar hem toe voor een kus, maar hij liep al naar de deur.

‘Jullie lusten vast wel een kopje koffie,’ zei hij.

Toen we dat bevestigden, keek mijn vader naar mij. Hij zei niets. Onmiddellijk voelde ik de oude ergernis; bijna had ik hem toegesnauwd dat hij eindelijk eens gewoon moest praten. Of erger nog: bijna had ik hem precies verteld wat ik van hem dacht. ‘Zal ik koffiezetten?’ vroeg ik.

Mijn vader wendde zich af. ‘Kom mee naar de kamer, Thomas. Hou je van lezen?’

Ik stapte de keuken in. Als kind was ik me er al bewust van geweest dat hij niet leek op de keukens uit tv-reclames. De muren waren hoog, grauwgrijs en intimiderend; er waren maar een paar kastjes, die geen van allen goed sloten, en aan het plafond hing een peertje zonder kap. Het fornuis was misschien wel dertig jaar oud. Vroeger had ik altijd het idee dat er spoken in de hoeken van de keuken zaten.

Gelukkig was Thomas er. Hij veranderde alles. Door de open deuren hoorde ik zijn stem – en die van mijn vader. Ik was een beetje verbaasd dat het Thomas was gelukt om hem aan de praat te houden, maar niet erg verbaasd: sinds onze aankomst was Thomas in een extreem ontspannen humeur.

Toen ik met de koffie binnenkwam, hadden hij en mijn vader het over boeken. Dat kon ook niet anders: als mijn vader sprak, was dat zijn enige gespreksonderwerp. Hij was zelfs van plan geweest me te vernoemen naar Jane Eyre, het favoriete boek van mijn moeder, maar dat had zij niet gewild. Ik gaf de mannen hun kopjes en keek toen toe terwijl ze praatten. Naast mijn vader zag Thomas er nog helderder uit dan hij die dag toch al was. Hij was niet zijn gewone kalme zelf; hij was levendig in de donkere kamer waar zo veel van mijn jeugdherinneringen lagen. Terwijl ik naar hem keek, snapte ik eventjes waarom mijn vader nooit had geleerd om zonder mijn moeder te leven.

Na een uur liepen we terug naar Brigitte.

‘Het was denk ik niet gemakkelijk om bij hem op te groeien,’ zei Thomas.

‘Het is geen slechte man; hij heeft alleen…’

‘Jullie hebben niets tegen elkaar te zeggen.’

Ik knikte.

‘Je moet erg eenzaam zijn geweest.’

‘Dat viel wel mee. Ik leerde mezelf in mijn eentje te vermaken.’

‘Het zou niet nodig moeten zijn om dat te leren.’

Ik keek weer naar Thomas. ‘Het is ook niet meer nodig.’

Op de een of andere manier waren mijn woorden bijna een vraag. Thomas gaf gelukkig antwoord: ‘Het is nooit meer nodig.’

 

Die avond begon Brigitte tijdens het diner een discussie over het onvermogen van mannen om trouw te zijn. Ze beweerde dat ze er niet tot toe in staat waren en er ook niet tot toe in staat wílden zijn.

‘Waarom hebben we het alleen over mannen?’ vroeg Thomas. ‘Ik denk dat het voor veel vrouwen net zo moeilijk is om monogaam te zijn.’

Brigitte snoof. ‘Echt een uitspraak voor een man. Je ontwijkt je eigen verantwoordelijkheid en wijst naar anderen.’

‘Ik ontwijk mijn eigen verantwoordelijkheden helemaal niet. Ik kijk naar de realiteit.’

‘Naar de realiteit van anderen, bedoel je, zodat niemand al te goed op jou let.’

Thomas trok zijn wenkbrauwen op en keek naar mij, alsof ik met Brigitte over hem gepraat had. ‘Brigitte, alsjeblieft,’ zei ik, ‘zullen we het over een leuker onderwerp hebben?’

Brigitte snoof opnieuw. ‘Lekker makkelijk: steek je kop maar in het zand. Je kunt je beter voorbereiden. Je verwacht toch niet dat Thomas je trouw zal blijven? Dan ben je nog naïever dan ik al dacht.’

Ik beet mijn ergernis weg en verdrong in mijn hoofd de vraag waarom ik met Brigitte bevriend wilde blijven. Kalm zei ik: ‘Jij hebt slechte ervaringen met mannen, maar dat betekent niet dat ze allemaal zoals Wesley en Vincent zijn.’

‘Jij zult net zo ongelukkig zijn als ik.’

Thomas stond op. ‘Volgens mij kunnen jullie beter zonder mij praten. Ik ga een rondje lopen. Tot straks.’ Even legde hij zijn hand op mijn schouder; toen liep hij weg.

‘En daar gaat onze romantische held,’ smaalde Brigitte. ‘Je hoeft niet zo te kijken, Caroline. Dat je in Londen woont met een rijke kerel, betekent niet dat ik vergeten ben wat je was.’ Toen begon ze te huilen: ze sloeg haar handen voor haar gezicht en snikte zo hard dat haar schouders schokten. Ik keek toe en wist niet wat ik moest doen. Brigitte huilde nog harder. ‘Houd me vast,’ riep ze. Ik deed mijn best: zo natuurlijk mogelijk legde ik mijn armen om haar heen. Al snel merkte ik dat ze rustiger werd. Ze nestelde zich tegen me aan en ik was een beetje trots. ‘Ik mis je heel erg,’ snufte ze.

‘Ik jou ook.’

Brigitte huilde weer, heel zachtjes nu. Ik wiegde haar in mijn armen. Misschien ging er een kwartier voorbij. Toen klonk de deurbel. Brigitte schoot overeind. ‘Blijf zitten,’ hijgde ze. ‘Je moet niet opendoen.’

‘Natuurlijk wel. Dat is Thomas.’

‘Nee, Caroline – nee, blijf bij me. Laat me niet alleen.’

Ik negeerde Brigitte en liep de gang in. Toen ik zag wie er werkelijk voor de deur stond, wenste ik dat ik naar haar had geluisterd.

‘Dag Caroline,’ zei Steve.

Ik had geen antwoord.

‘Het spijt me dat ik je stoor. Het is vast heerlijk om thuis te zijn. Maar…’ Hij zweeg en staarde me aan, met obsessie in zijn ogen. Wat ik ook in Londen had gevoeld, ik voelde het niet meer; ik deed een stap bij hem weg. Steve zette een stap naar me toe. ‘Ik wil bij je zijn, Caroline.’

‘Steve –’

Verder kwam ik niet. Opeens waren zijn armen om me heen; opeens perste hij zijn lippen op de mijne. Bijna op hetzelfde moment doemde er achter Steve een donkere figuur op: Thomas. Ik keek naar hem en ontdekte voor het eerst dat zijn ogen op ijs konden lijken.

 

 

© Els van Weijen

One thought on “Hoofdstuk Negen – Gekte

  1. Oh, oh, wat een ontwikkelingen. Ik kan mij goed voorstellen dat Caroline het hier moeilijk mee heeft, twee getraumatiseerde personen om haar heen.
    .

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *