Hoofdstuk Tien

flower

Na het gesprek met Richard wist Matthew niet wat hij moest doen. Of eigenlijk wist hij dat wel, maar hij wilde nog nadenken over hoe hij zijn verhaal tegenover Anna zou verwoorden. Hij liep naar zijn werkkamer en verdiepte zich in rekeningen en offertes.

Het lukte hem echter niet om zich te concentreren. Al snel betrapte hij zich erop dat hij werkeloos door het raam zat te staren. Het was voor november alweer een zonnige dag – hij besloot even naar buiten te gaan. Wat later, in de tuin achter Northend Abbey, liep hij onvermijdelijk naar de ommuurde kruidentuin. De bedden waren al kaal. Alleen de bordjes waarop in de zomer werd geschreven wat waar groeide stonden er nog.

Tegen de zuidelijke muur zag Matthew de bank waar Poppy gezeten moest hebben toen ze haar telefoontje pleegde. Hij wenste dat hij kon horen wat ze precies had gezegd. Toen bedacht hij zich hoe onwerkelijk het was dat Poppy een week geleden op deze plek was geweest, hem minder dan drie dagen geleden had gekust, en nu dood in een mortuarium lag. Alles wat ze had gedacht, had gewenst en had gezocht was voorbij. Ze kon Anna niet meer schaden, en hem niet meer –

‘Heb je er nog over nagedacht?’

Matthew schrok op. Celia Harper-Scott stond naast hem; voor de tweede keer had ze hem beslopen zonder dat hij iets in de gaten had. ‘Nagedacht? Over wat?’

‘Of ik kan blijven. Voor de feestdagen.’

Celia liet haar glimlach weer zien, maar Matthew keek naar haar ogen. Die zagen er ook haaiachtig uit. ‘Ik dacht dat ik de vorige keer al had uitgelegd dat we rond de feestdagen geen gasten hebben,’ zei hij. ‘Tegen die tijd zijn we te druk met luiers verschonen.’ Hij trok zijn spieren in een glimlach. ‘Het spijt me, Celia.’

Celia glimlachte niet terug. ‘Rupert zei al dat je…’ Ze stokte.

Matthews glimlach viel van zijn gezicht. Spieren door heel zijn lichaam spanden zich aan. ‘Rupert zei wat?’

Celia trok haar schouders op. ‘Dat je meestal nogal afstandelijk bent.’ Ze klonk zelf ook afstandelijk. ‘Maar dat je ook andere kanten hebt, en dat hij je van die kanten had gezien. Hij moest er nogal om lachen. Ik dacht dat hij bedoelde dat je wat meegaander bent dan je eruitziet. Dat je er geen moeite mee zou hebben dat ik blijf.’ Haar stem veranderde van toon; Matthew dacht een zeurende tiener te horen.

‘Het spijt me, Celia. Het gaat niet.’

Celia wendde zich af. ‘Ik ga terug naar binnen – het is hier frisser dan ik dacht. Is er al iets bekend over de moord? En wanneer wij weg kunnen? Ik maak bij voorkeur haast als ik ongewenst ben.’

‘Je bent niet ongewenst; je zou hier acht weken blijven en die tijd is nog niet voorbij. Ik geloof ook niet dat DI Mather klaar is om jullie te laten gaan.’

‘Wij zijn verdacht, begrijp ik. Ben je dat zelf ook?’

Celia wachtte niet op antwoord en liep de kruidentuin uit.

 

Matthew slenterde langzaam terug naar Northend Abbey, langs borders waar al danig was gesnoeid. Alleen sommige dahlia’s bloeiden nog, en een enkele roos. Even overwoog hij er eentje te plukken voor Anna, maar Ethel Hickley kwam zijn kant uit wandelen, met haar zakdoekje in haar handen geklemd. Mentaal zette hij zich schrap voor alweer een verhaal.

Toen ze hem bereikt had, keek Ethel naar de grond. ‘Lord Northend,’ mompelde ze.

‘Matthew, Ethel. Dat hadden we toch afgesproken?’

Ethel keek op en glimlachte waterig. ‘Matthew. Ik moet je iets vertellen.’

‘Wel?’ vroeg hij, toen ze vervolgens zweeg.

Ethel tuurde weer naar het gravel aan hun voeten. ‘Wijlen mijn moeder zei altijd dat ik me niet moest bemoeien met dingen die me niet aangaan. Ze heeft lang in het ziekenhuis gelegen, Lo – Matthew. Er waren altijd mensen om ons heen. Ik hoorde gesprekken waar ik eigenlijk niets mee te maken had. Eén keer hoorde ik iemand zeggen – een grote man, met heel veel tatoeages – dat hij ’s avonds naar een kennis zou gaan en hem zou vermoorden. Hij was boos en ging steeds harder praten. Ik dacht dat ik de politie moest waarschuwen, maar mijn moeder vond van niet. “Bemoei je er niet mee, Ethel,” zei ze. “Leven en laten leven.” Dat was haar motto.’

De gedachte schoot door Matthew heen dat als “leven en laten leven” het motto was geweest van Mrs Hickley, ze haar dochter juist had moeten stimuleren om de politie te waarschuwen over een mogelijke moordenaar, maar die overweging hield hij voor zich. ‘Liep het goed af?’

‘De volgende dag was die man er weer. Hij had een blauw oog en praatte minder hard dan de dag ervoor.’ Ethel keek twijfelend naar hem op.

‘Wat wil je vertellen?’ Hij stelde de vraag zo vriendelijk als Anna dat kon.

‘Ik heb iets… gehoord, vlak voordat Poppy stierf. Een paar dagen voor de moord was het net zulk mooi weer als nu en… en…’

‘Je was in de tuin.’

‘Ja!’ zei ze. ‘Ja, inderdaad. Hoe wist u dat?’

‘Wat hoorde je?’

‘Ik was samen met Carmen aan het wandelen en ik hoorde Poppy praten in de ommuurde kruidentuin. Het was een telefoongesprek, denk ik, want ik hoorde alleen haar. Ik ben natuurlijk zo snel mogelijk doorgelopen met Carmen, zodat we niet per ongeluk zouden meeluisteren, maar ik geloof dat Carmen het toch gehoord heeft: na de dood van Poppy zei ze dat ze Poppy gehoord had maar niet gezien. Dat klonk raar, maar zo bedoelde ze het niet. Carmen is echt niet… niet…’ Ethel leek geen woorden te vinden voor Carmens verwarring die vaag genoeg zouden zijn naar haar zin zouden zijn.

‘Ik weet het.’

‘Toen ze een plekje had, liep ik terug om wat te drinken te halen. Carmen had dorst – dat komt door haar medicijnen. En toen hoorde ik Poppy en… David.’ Ethel aarzelde weer.

‘Ze hadden ruzie.’ Matthew glimlachte geruststellend. ‘De politie weet het al. David heeft het uitgelegd aan DI Mather.’

Ethel blies haar adem uit. ‘Gelukkig. Wat fijn om te horen. En heeft hij ook uitgelegd waarom hij ’s avonds in haar kamer was?’

Matthew zoog adem in. Natuurlijk wist hij dat David daar geweest was, maar het was een schok om te horen dat anderen het ook wisten. ‘In haar kamer?’

‘We waren met zijn allen beneden, in de grote salon, maar ik had het een beetje fris en ging een shawl halen. Poppy slaapt – sliep – naast mij.’ Ethel schudde traag haar hoofd. ‘Sliep,’ herhaalde ze traag, alsof ze zichzelf probeerde te overtuigen. ‘Ze is echt dood. Wat onwerkelijk hè?’

‘Inderdaad. Wat zag je toen je je shawl ging halen?’

Ethel greep haar zakdoekje steviger vast. ‘David die haar kamer in… sloop. Ja,’ mompelde ze, ‘dat was het: sluipen – niet gewoon lopen. Alsof hij wilde dat niemand hem zag. Ik vond het raar, omdat ik wist dat Poppy beneden was, maar ik besloot er niets van te zeggen. “Leven en laten leven,” weet u wel. En David maakt natuurlijk graag grapjes. Ik dacht dat hij Poppy voor de mal wilde houden.’

‘Waarschijnlijk. En ik denk –’

‘Maar ik ben ’s avonds nog wel naar Poppy gegaan om te vragen hoe ze zich voelde. En toen kwam David ter sprake en heb ik haar toch maar verteld wat ik had gezien.’ Ethel frummelde aan haar zakdoek. ‘Ze was erg van streek. Ze zei dat David haar bedreigd had, dat ze zich niet meer veilig voelde. Moet ik… moet ik dat ook aan de politie vertellen, Lord Northend?’

Matthew sloot even zijn ogen. Niets aan de hand, hield hij zichzelf voor. Hij wist al dat David in de kamer van Poppy was geweest, en David had er ongetwijfeld een goede reden voor. Waarschijnlijk had hij willen controleren dat Poppy de film niet had gevonden. Die zogenaamde bedreiging waar Ethel over sprak was een dramatisering van Poppy. Ze hadden gewoon een meningsverschil gehad over de film. ‘Dat lijkt me een heel goed idee. Er is vast een logische verklaring.’

‘Ja. Ja!’ Ethel begon er wat enthousiaster uit te zien. ‘Natuurlijk. David wilde vast een grapje uithalen, of hij was in haar kamer vanwege zijn werk. Hij is toch ook een beetje de klusjesman?’ Toen betrok haar gezicht weer. ‘Maar na de moord… Ik was zo bang, Lord Northend. Ik was zo bang dat hij misschien… nou ja… u snapt me wel. Ik heb me er de afgelopen dagen vreselijk druk over gemaakt. Eigenlijk al een beetje vóór de moord. Ik heb het er nog met Zandra over gehad, en die zei dat ik het maar moest vergeten, maar ik kon het niet. Echt niet.’

Hij knikte. ‘Ik snap het, Ethel. Vertel alles maar aan DI Mather.’

Toen liep hij bij Ethel vandaan. Hij besloot Anna op te zoeken en zelf ook dat te vertellen waar hij niet over moest zwijgen.

 

Drie kwartier later zat Anna bijna bewegingsloos naast hem op de bank van hun privésalon. ‘Houd me vast,’ zei ze.

Matthew legde zijn armen om haar heen, drukte zijn huid tegen haar huid en probeerde haar te verwarmen toen zij huiverde. ‘Sorry,’ zei hij. ‘Ik moest dit verhaal wel delen.’

‘Natuurlijk. Dank je wel dat je het gedaan hebt.’ Ze huiverde steeds harder en hij trok haar dichter tegen zich aan. ‘Gek dat het zo’n pijn doet,’ fluisterde ze.

‘Dat is helemaal niet gek. Het is…’ Hij probeerde zich voor te stellen hoe het zou zijn als een dergelijke vernedering… Daar stokte hij al. Vernedering? Het was veel meer dan dat. De mannen hadden geprobeerd haar lichaam en haar ziel te breken. En daar zou een film van zijn. Hij nam zich voor dat zodra dit gesprek voorbij was, zodra hij Anna met goed fatsoen even los durfde te laten, hij ernaar op zoek zou gaan.

Anna staarde voor zich uit. ‘Een film. Ik kan me niet herinneren dat ik iemand bezig heb gezien met een telefoon of zo. Totaal niet. Weet je het echt zeker?’

‘Je hebt zelf altijd gezegd dat je veel bewusteloos bent geweest.’

Anna duwde haar hoofd tegen zijn hals. ‘Een film,’ herhaalde ze. ‘Een film waar Poppy naar op zoek was. Dat kan toch niet, Matthew? Zo was ze toch niet? Dat moet een vergissing zijn.’

‘Lieveling –’

‘En waarom zou die film hier verstopt liggen? Dat is toch niet logisch? Luke kent vast een miljoen plekken waar hij hem beter kan verbergen.’ Anna beet haar lippen op elkaar. ‘Ik geloof er niets van. Helemaal niets.’ Toen boog ze zich voorover en legde ze haar handen op haar buik, in een eeuwenoud gebaar van bescherming. ‘Stel je voor dat de tweeling of Zoë het op school van hun vriendjes horen,’ fluisterde ze. ‘Dat ze geplaagd worden tijdens de lunch. “Er is een film van jouw moeder. Een film over…”’

‘Anna…’

Anna kreunde. Opeens gutsten de tranen over haar wangen. Matthew trok haar weer dichter naar zich toe, maar ze begon alleen maar harder te huilen. ‘Ze mogen hier nooit van weten. Niemand mag het weten.’

‘Je moet je niet schamen. Jij kon er niets aan doen. Het is je áángedaan.’

‘Doe niet zo lief.’ Anna trok zich los, maar schoof net zo snel weer naar hem terug, zoals hij van haar gewend was als haar emoties raasden. ‘Ik wil gewoon dat het voorbij is. Ik wil kunnen genieten van jou en van Zoë en straks van de tweeling. Ik wil niet meer denken aan wat er vroeger gebeurd is. Waarom komt het weer terug? En waarom nú?’

Hij trok haar in zijn armen, kuste haar, probeerde haar te omhelzen, alles te doen wat mogelijk was om haar af te leiden van haar pijn. ‘Sorry,’ zei hij.

Ze snikte nog harder. ‘Zeg dat niet steeds. Het is niet jouw schuld.’

Hij maakte zich los. ‘Toch wel. Onze kinderen zullen zich ooit afvragen waarom ik je heb weggestuurd toen we nog maar een half jaar getrouwd waren. Waarom ik je rechtstreeks naar Luke en zijn handlangers –’

Anna kuste hem, kuste hem steeds opnieuw. ‘Ik zal me nog verplicht voelen je net zo lang te zoenen totdat je aandacht totaal is afgeleid. En nu ga jij natuurlijk zeggen dat je dat een heel goed idee lijkt.’ Ze probeerde te lachen. ‘Houd er rekening mee dat ik zeven maanden zwanger ben, lieveling. De geest is gewillig, maar het vlees is zwak.’

Hij wond een streng van haar haren om zijn vingers. ‘Ik verwacht helemaal niet dat je iets voor me doet. Ik wil juist van alles voor jóu doen. Ik wil…’

‘Me troosten?’ suggereerde Anna, toen hij zijn zin geen einde gaf. ‘Blij maken?’ Ze kuste hem weer. ‘Dat doe je al, al zie ik er misschien niet blij uit.’ Ze wreef over haar gezicht, alsof ze zo de sporen van haar tranen kon uitwissen. ‘Je staat op het punt om in actie te komen, hè? Je gaat vast zelf op jacht naar de film?’

‘Natuurlijk. Ik heb alleen geen idee waar dat ding zou moeten liggen.’

‘Ik weet niet eens of ik wel wil dat we hem vinden.’ Anna kroop weer tegen hem aan. ‘Ik kan me echt niet voorstellen dat Poppy alleen naar de Abbey is gekomen om die film te vinden. Ze leek zo van streek tijdens de intake, en het verhaal over haar man was oprecht. Zijn gewelddadigheid, haar angst…’

Matthew snoof. ‘Sommige mensen zijn overtuigende toneelspelers.’

Anna schudde haar hoofd. ‘Ik denk dat ze het meende – ik denk dat ze echt bang was voor haar man. En het kan natuurlijk best dat toen ze hier eenmaal was, ze zich bevrijd van hem voelde. Misschien…’ Anna keek wat aarzelend naar Matthew. ‘… Misschien voelde ze zich schuldig over haar plannen. Misschien veranderde ze van gedachten.’

Matthew snoof weer.

‘Je lijkt zo net mijn vader,’ gniffelde Anna.

‘Anna…’

‘Sorry; dat vind je natuurlijk geen compliment. Maar ik meen het, lieveling. Over Poppy, bedoel ik. Die avond in de groene salon – in wat vroeger de groene salon was, bedoel ik… Ze zou nooit zo gehuild hebben als ze bezig was ons te bedriegen.’

‘Je hebt haar maar een paar weken meegemaakt,’ bromde Matthew. ‘Jij schat mensen ook wel eens verkeerd in, hoe zeldzaam dat ook is.’

Anna greep zijn handen en streelde er langzaam over heen. ‘Jij voelde je tot haar aangetrokken, hè?’

Hij trok zich los. ‘Hoe bedoel je?’

‘Precies wat ik zeg. Val jezelf niet zo zwaar. Het overkomt iedere man vast wel eens. Ze was erg mooi.’

Matthew schreeuwde bijna van frustratie. ‘Vroeger had je last van jaloezie. Toen kon je de gedachte dat ik interesse zou kunnen hebben in een andere vrouw niet verdragen. Ik verlang er bijna naar terug. Je kunt ook té begripvol zijn.’

Anna kuste hem. ‘Heb je jezelf afgevraagd waarom Richard je zo veel vertelt over het onderzoek?’

‘Ik heb geen idee.’

‘Hij vertrouwt je. Hij weet dat jij niet de dader bent.’

‘Onzin. Een politieman verdenkt iedereen. Richard wordt gewoon laks. Hij heeft geen reden om mij te vertrouwen.’

Anna kuste hem opnieuw. ‘Die heeft hij wel. Heel veel redenen.’

Matthew stond op en liep de kamer uit.

 

Uit het dagboek van Marieke Markestein

 

… Toen DI Mather mijn kamer binnenkwam struinde hij naar de fresia’s. Een paar dagen geleden waren de ranken met de rij kelkjes de mooiste die ik ooit gezien heb. Als ik in het verleden fresia’s kocht, viel het me altijd op dat niet alle kelken opengingen, dat de voedende stengel moe werd voor ze het einde van de rij bereikte. Maar bij deze fresia’s ontvouwde de ene witte bloem na de andere zich, totdat iedere bloem een overdadig juweel leek, een hanger aan de ketting van een gravin: glanzend wit, perfect gevormd, met in het hart een dun spoor tengere stampers.

Inmiddels is de schoonheid van de bloemen aan het vergaan. De bloemen die het dichtst bij de stengel zitten hebben rimpels en het zal niet lang duren voordat de andere bloemen volgen. Ze geuren nog wel, maar het aroma is bijna te overweldigend – decadent.

DI Mather boog zich even over de bloemen heen. ‘Mooi,’ oordeelde hij. Toen pakte hij een stoel. Hij haalde zijn notitieblok tevoorschijn, maar liet het gesloten op schoot liggen. ‘Hoe gaat het met u?’

Ik haalde mijn schouders op.

‘Nog steeds van streek?’

‘Het is nog maar twee dagen geleden. Wilt u misschien iets drinken?’

Hij schudde zijn hoofd. Op zijn gemak nam hij me op, net zo openlijk als Anna dat doet en net zo neutraal. ‘U ging veel met Poppy Sanders om.’

‘Is dat een vraag?’

‘Vertel eens wat over uw relatie.’

Ik haalde opnieuw mijn schouders op. ‘Dat heb ik toch al gedaan bij het vorige gesprek? We waren de twee jongste gasten. Misschien dat we daarom naar elkaar toe trokken. We waren allebei 28.’

Ik dacht iets te zien in de diepte van Mathers ogen, alsof hij zich afvroeg of ik loog. Ik maak wel vaker mee dat ik ouder word ingeschat. Een vriendin van mijn broer heeft me ooit voor zijn moeder aangezien. ‘Was dat de enige reden dat u goed met elkaar omging? Het lijkt me een schrale basis voor een vriendschap.’

‘DI Mather, we zitten hier 24 uur per dag op elkaars lip. Je gaat hier anders met elkaar om dan je thuis met vrienden of collega’s zou doen. Het is intenser; mensen begrijpen elkaar beter omdat ze allemaal uit situaties komen die op elkaar lijken. Je vertrouwt elkaar sneller. Ik denk dat relaties die in de gewone wereld jaren kosten om op te bouwen, hier in weken ontstaan. Het is alsof je in een broeikas zit.’

‘Je vertrouwt iedereen?’

Ik keek naar de fresia’s en vroeg me af of ik ze moest weg doen. Ze waren niet echt mooi meer, wat de Detective Inspector ook zei. De gedachte schoot door me heen dat ze waarschijnlijk uit Nederland kwamen. ‘Ik ben er wel selectief in. Poppy was het denk ik ook.’

‘Maar ze vertrouwde u.’

‘Ja. Dat heeft ze een aantal keer gezegd, zeker toen ze wist dat haar man in de buurt rondzwierf.’

‘Heeft ze u verteld over de opdracht die haar man haar had gegeven?’

‘Opdracht?’

‘Heeft ze u verteld hoe boos ze was op David?’

‘Op David? Wat bedoelt u?’

DI Mather sloeg zijn boekje open en schreef er wat in. ‘Ze heeft u sommige dingen niet verteld, begrijp ik. Maar u was wel echt bevriend.’ Het klonk wat cynisch.

‘Misschien gelooft u niet dat dat mogelijk is tussen iemand als Poppy en iemand als ik. Dat mag u heus wel zeggen. Ik ben het gewend. Nou ja, niet dat mensen het openlijk zeggen, maar wel dat ze het denken.’ Ik keek Mather recht aan en deed mijn best om niet te laten zien dat ik schrok van mijn eigen felheid.

Hij glimlachte loom. ‘Ik geloof u, hoor. Waar hebt u die fresia’s trouwens vandaan? Die verkopen ze niet in Northend. U hebt er vast een flink stuk voor moeten reizen.’

‘Ik heb geen auto – en ook geen rijbewijs – dus ik heb ze niet zelf kunnen halen. Ik heb ze gekregen. Van Poppy. Op een avond toen ze me vroeg om wat te drinken op haar kamer. Toen ze de bloemen gaf zei ze dat ze zo blij was dat ze mij kon vertrouwen. Ze zei dat ik haar vriendin was.’

DI Mather grimaste. ‘Het spijt me voor u.’

Ik boog mijn hoofd en hield mezelf voor dat ik niet zou huilen. ‘Het spijt mij ook. Dat ze dood is.’ Steeds meer was ik me ervan bewust hoe compleet onwerkelijk die werkelijkheid is. ‘Hebt u verder nog vragen?’ Pas toen ik het zei, had ik door dat het klonk alsof ik wilde dat hij wegging.

‘Nog een paar; daarna laat ik u met rust.’

‘Ik bedoelde niet –’

‘Dat weet ik, Miss Markestein.’ DI Mathers stem was onverschillig. ‘U hebt me net verteld dat Poppy tegen u niets gezegd heeft over haar moeizame relatie met David. Hebt u er ook niets over gehoord van andere gasten? Of van de daghulpen misschien?’

Ik schudde mijn hoofd.

‘Weet u dat zeker?’

‘Natuurlijk. Als u wat wilt horen over conflicten, kunt u beter naar Gerald Bryers vragen. Hij heeft Poppy echt lastiggevallen, ook al heeft ze blijkbaar tegen Lord Northend gezegd dat het niet zo was. Poppy wilde niets met hem te maken hebben.’

‘Met Lord Northend?’

‘Met Gerald. Ze is een keertje huilend weggerend toen hij haar aansprak in de tuin. Sommige andere vrouwen vinden hem wel aardig. Zandra Price heeft dagen achter hem aan gelopen. Pas sinds kort doet ze opeens koel tegen hem. En Melinda Hayes… ik heb Gerald met iemand in het donker in de tuin zien staan en ik denk dat zij het was.’

DI Mather sloeg zijn boekje dicht. ‘Dank u wel. U hebt me erg geholpen.’

Ik dacht dat hij zou opstaan en vertrekken, maar hij bleef zitten en bekeek me weer, zwijgend. Ik wou dat het niet zo was, maar ik vroeg me toch af wat hij van me dacht. Terwijl ik de mogelijke antwoorden overwoog, wilde ik het liefst wegrennen. Het was bijna net zo erg als nadenken over wat Matthew van me denkt…

 

… De rest van de dag heb ik geschreven, in mijn eentje in de bibliotheek. Soms wenste ik dat er iemand langskwam, maar meestal niet. Ik vraag me waarom ik alle details zo precies probeer te registreren, waarom ik de exacte zinnen van mensen probeer te vangen. Misschien zullen deze pagina’s later een parfumfles worden: als ik ze open, terug in Tilburg, kan ik dan weer ruiken hoe mijn leven in Northend Abbey was. Ik heb alleen geen idee hoe ik me dan zal voelen…

 

© Els van Weijen

3 thoughts on “Hoofdstuk Tien

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *