Hoofdstuk Twaalf

sitting room

Nadat David was weggeleid, Gerald met een kreet van triomf naar buiten was gelopen om een sigaar aan te steken en de gasten verdwaasd naar de grote salon waren vertrokken voor hun thee en koffie, sprak Matthew in de kapel nog even met de daghulpen. Met weinig worden maakte hij hen heel erg duidelijk dat hij het gedrag dat ze die morgen hadden vertoond niet van ze gewend was en niet meer wenste te zien.

Charlotte Preston knikte plechtig. ‘Ik hoop dat jullie dat goed begrepen hebben, dames,’ zei ze. Ze keek streng rond.

Matthew herinnerde zich wie er het hardst gelachen had. ‘Ik hoop dat jullie dat allemáál goed begrepen hebben,’ zei hij. ‘Ik waardeer jullie ten zeerste – ik kan altijd van jullie werk op aan. Juist daarom ben ik verbaasd over jullie houding vandaag. Die past niet bij jullie.’

De vrouwen om hen heen staarden collectief naar hun schoenen, behalve Melinda, die strak haar armen over elkaar vouwde, en Charlotte, die peinzend haar hoofd schuin hield. Op zulke momenten zag ze er altijd een beetje uit als een gier die probeerde vast te stellen of haar maaltijd al gestorven was. ‘De groep wist dat David verdacht was, my lord,’ zei ze. ‘Dat had gevolgen voor ons gedrag. We voelden ons niet op ons gemak met een moordenaar in ons midden.’

‘Hoe wisten jullie dat hij verdacht is?’ vroeg hij. Maar toen Charlotte haar mond opende sneed hij haar woorden af: ‘Dat was een retorische vraag – ik ben niet bijzonder geïnteresseerd in het antwoord, omdat het ongetwijfeld met roddel te maken heeft. Ik stel voor dat jullie aan het werk gaan.’ Zonder op reactie te wachten liep hij weg.

 

Een tijdje zat hij bij de gasten in de grote salon. De sfeer was bedrukt. Lizzies ogen achter haar dikke bril zagen er nog groter uit dan anders en het leek of ze ieder moment kon gaan huilen. Ethel, een stukje verderop, had dat punt al bereikt: ze snikte in haar zakdoek alsof ze persoonlijk verantwoordelijk was voor Davids arrestatie.

Matthew pakte de stoel naast haar en probeerde haar te troosten, maar hij geloofde niet dat ze hem hoorde. Ze reageerde in ieder geval niet op wat hij zei, en toen hij een hand op haar arm legde, huiverde ze. Intussen keken Zandra en Celia vanaf een afstandje toe. De eerste leek zich ongemakkelijk te voelen; bij de ander was de spot onmiskenbaar.

‘Wil je misschien thee, Ethel?’ vroeg hij, maar ook op die steunpilaar voor iedere oudere Britse vrouw reageerde ze niet.

Carmen ging aan Ethels andere kant zitten en gooide haar smalle armen om haar heen. ‘Het komt allemaal goed, meisje,’ riep ze. ‘Straks dansen we weer. In The Mood!’

Ethel huilde nog harder.

Zandra fronste. ‘Ik snap niet zo goed waarom we van streek zijn. Het is toch goed dat de dader opgepakt is?’

‘Daar ben ik het helemaal mee eens,’ zei Celia. Ze keek naar Matthew en leek irritant voldaan. ‘Des te eerder kunnen we vertrekken.’

‘Daar zou ik niet te hard op hopen,’ zei zijn moeder, voordat hij kon reageren. Haar stem was minder zacht dan anders en haar gepenseelde wenkbrauwen bogen zich in een bijna boze frons. ‘Dat David is opgepakt betekent niet dat vaststaat dat hij de dader is.’

Zandra keek sceptisch. ‘Waarom niet? De dingen die hij gedaan heeft klinken indrukwekkend verdacht. Hij is in Poppy’s kamer geweest!’

‘Er zijn meer mensen die verdachte dingen hebben gedaan, Zandra.’ Matthew schrok ervan hoe scherp hij zelf klonk.

Zandra leek niet onder de indruk: ze stootte een zonnige lach uit. ‘Sommige mensen zijn stout, Lord Northend. Maar andere mensen zijn slecht. En die mensen zijn nu opgepakt. Het verhaaltje is uit. “En ze leefden nog lang en gelukkig.”’

‘Amen,’ zei Celia hartgrondig.

Matthew haalde diep adem, streek nog eens over de rug van Ethel, die weer harder huilde, en besloot dat het spreekwoord “spreken is zilver, zwijgen is goud” vast niet voor niets was bedacht. Zo snel mogelijk vertrok hij naar zijn werkkamer. Onderweg negeerde hij Charlotte Preston, die met Gerald stond te praten en veel te luid lachte.

 

Matthew wilde graag flink wat werk verzetten. November was over het algemeen een rustige maand op Northend Abbey, zeker nu ze geen ruimtes meer verhuurden aan externe cliënten die kerstfeesten hielden in zijn huis en de maand ervoor nerveus begonnen te worden over de voorbereidingen. In gewone jaren organiseerde hij zelf meestal een bal, voor relaties en voor bewoners van het dorp Northend, maar vanwege Anna’s zwangerschap had hij er dit jaar vanaf gezien. Toch was er veel werk in de rustige tijd, vooral omdat hij de laatste weken soms moeite had gehad om zich te concentreren.

Eigenlijk had hij dat nog steeds. Ook nu weer staarde hij naar zijn tablet en dacht hij intussen aan andere dingen. Hij hoorde David spreken. “Luister, Israël: de Heer, onze God, de Heer is de enige!” Vol vreugde had de jongen die woorden geuit. Hij was begonnen om zijn Godsvertrouwen uit te leggen en was voordat hij op dreef kon komen gearresteerd. Matthew vroeg zich af wat David op dit moment van God dacht. Hij vroeg zich ook af wat hij zelf van God dacht.

Het was een vraag die hem zowel opwond als beangstigde. Het leek alsof hij nu heel persoonlijk de keus kreeg om God te blijven volgen, terwijl in het verleden zijn geloof iets was dat hem overkomen leek te zijn, alsof hij vooral had geloofd in de zonnige overtuigingen van Anna. Dat idee van vrijheid sprak hem aan – hij nam graag zijn eigen beslissingen. Maar tegelijk was de vrijheid nerveusmakend. Ergens wist hij dat God net zo reëel en almachtig was als in de dagen dat het makkelijk was geweest om te geloven.

Hij hield zich voor dat hij zichzelf niet was door alles wat allemaal in zijn huis gebeurde en was gebeurd, dat hij helemaal niet wilde twijfelen – dat die twijfel hem gewoon overkwam. Maar die gedachte was zwak en kon hij zelf al makkelijk doorboren, laat staan een ander. Toen hield hij zich voor dat hij niet met zichzelf bezig moest zijn. Hij moest zich om David bekommeren, die onschuldig was gearresteerd. Toch? Maar de vraag of David echt onschuldig was, maakte hem ook onrustig.

 

Tegen de tijd dat Matthew zijn overpeinzingen beu was, belde hij Richard. Hij kreeg hem verrassend makkelijk aan de telefoon: al bij de tweede poging nam de Detective Inspector op. ‘Matthew,’ bromde hij. ‘Goedemiddag.’

Matthew keek op zijn horloge: inderdaad middag – de tijd was sneller gegaan dan hij had gedacht. ‘Waarom neem je de telefoon op? Ik dacht dat je bezig zou zijn om David hoogstpersoonlijk de duimschroeven aan te draaien.’

‘Duimschroeven mogen we niet meer gebruiken – ze hebben nieuwe richtlijnen doorgevoerd. Waarom bel je me als je verwacht dat ik niet opneem?’

‘Ik rekende erop dat je een eetpauze had.’ Matthew hoorde Richard op iets knagen – het klonk als nootjes. ‘En ik geloof dat ik het bij het juiste eind heb. Ik hoop dat je snapt dat ik het ook bij het juiste eind heb als ik zeg dat David onschuldig is.’

‘Geloof je dat of wil je dat geloven?’

‘Geloof jij dat hij schuldig is?’

‘Mwah…’ Richards keelklanken konden net zo veelzeggend en nietszeggend zijn als de vele manieren waarop hij zijn schouders optrok. ‘Hij heeft Poppy bedreigd en is zonder toestemming haar kamer ingegaan. Wat kon ik anders doen dan hem arresteren? Ik zou niet geloofwaardig zijn als ik niets deed. Eerlijk gezegd pushte mijn baas me ook. Maar ik verwacht dat hij vanavond weer vrij is.’

‘Mooi.’

‘Meen je dat echt?’ vroeg Richard.

‘Waarom stel je van die cryptische vragen?’ wilde Matthew weten.

‘Ik ga lunchen.’ Richard gooide de telefoon neer.

 

Matthew ging ook lunchen. Zijn schoonvader was gelukkig weer eens afwezig; Matthew deelde de privé-eetkamer met zijn vrouw, zijn dochter en zijn moeder.

‘Heb je Richard gebeld?’ vroeg zijn moeder, voordat hij kans had om zijn tafelgenoten gedag te zeggen.

Matthew tilde Zoë op, die haar handjes naar hem uitstrekte, knuffelde haar en trok haar blouse recht, die omhooggeschoven was over haar bolle buikje. ‘Natuurlijk, moeder,’ zei hij. Hij glimlachte naar Anna, die voor zich uit keek alsof ze had gehoord dat ze zelf zou worden gearresteerd. ‘Het komt allemaal goed.’

Zijn moeder tikte een stofje weg van haar rok, met nodeloze kracht. ‘Wat een rare bedoening. Ik dacht dat de man van Poppy verdacht was. Die heeft haar met de dood bedreigd. Hoe komt Richard erbij David op te pakken? Hij weet heus wel dat die jongen geen vlieg kwaad doet.’

‘Die arme Sonia en Trevor,’ zei Anna. ‘Ze maken zich vast vreselijk bezorgd. En dat terwijl David niets gedaan heeft!’

Matthew bedacht zich dat hij eraan had moeten denken de ouders van David te bellen. ‘We weten niet precies wat David tegen Poppy heeft gezegd. Het zal vast niet al te vriendelijk zijn geweest. Richard doet dit niet voor niets.’ Hij zette Zoë in de kinderstoel en maakte haar vast. Ze begon te protesteren en strekte haar handjes weer naar hem uit. Matthew dacht intussen aan zijn ontmoeting met David de vorige avond. Hij voelde zich vreemd schuldig.

‘David is onschuldig,’ bromde Anna.

‘Dat denkt Richard ook,’ zei Matthew. ‘Hij verwacht dat David vanavond vrij is.’

Anna keek hem met grote ogen aan, terwijl zijn moeder aan de andere kant van de tafel naar adem hapte. ‘En dat vertel je nu pas?’ vroegen ze, bijna simultaan.

Zoë klapte in haar handjes. ‘David lief!’ verkondigde ze.

Matthew boog zijn hoofd. ‘Laten we bidden.’

 

Na de lunch nam Matthew Zoë mee naar haar kamer. Het meisje speelde een tijdje met haar blokken terwijl hij vanuit een stoel toekeek. Ten slotte werd ze landerig en gooide ze haar speelgoed van zich af. Sommige stukken belandden in een kast, andere tussen haar poppen.

‘Niet zo gooien,’ zei Matthew.

Zoë gooide zachter en keek naar hem om, om te zien wat hij daarvan vond. Ze had één keer speelgoed naar hem gegooid, maar toen was hij streng genoeg geweest om ervoor te zorgen dat ze dat experiment niet zou herhalen.

‘Ga je lekker slapen?’ vroeg hij.

Zoë schudde verwoed haar hoofd, precies zoals hij had verwacht. Weigeren was een van de dingen waar ze de laatste maanden enorm van genoot. Ze pakte haar blokken en begon nieuwe huizen te bouwen. Matthew gaf haar nog even tijd. Hij ging bij haar zitten en samen zetten ze een toren in elkaar, die steeds hoger en wankeler werd, totdat hij omviel – Zoë kirde van plezier. Er kwam een tweede toren, die Matthew een bewust zetje gaf – Zoë lachte nog harder. ‘Oh, oh!’ riep ze, precies zoals Anna als er iets viel.

Hij was zo vertederd dat hij een derde toren in elkaar zette, maar toen die omviel glimlachte Zoë alleen maar, zwijgend. Ze wreef in haar oogjes en gaapte. Hij opende zijn armen en zij wandelde erin, nestelde zich op zijn schoot en stak haar duim tussen haar lippen. ‘Zoë niet slapen,’ beweerde ze, maar ze klonk erg onduidelijk.

‘Natuurlijk niet,’ zei hij, terwijl hij haar heen en weer wiegde.

Ze kroop nog dichter tegen hem aan en sloot haar ogen. ‘Niet slapen.’

Hij antwoordde niet, maar sloot zelf even zijn ogen en dankte God voor zijn dochter.

Na tien minuten sliep Zoë en begon ook zijn been te slapen. Het kostte hem moeite om overeind te komen met Zoë in zijn armen terwijl hij maar op één been kon steunen, maar het lukte. Hij legde zijn dochter in bed en liep door de badkamer naar zijn eigen slaapkamer. De laatste tijd deed Anna ook vaak een middagdutje.

Hij was teleurgesteld om het bed leeg aan te treffen. Het liefst was hij even naast Anna gaan liggen. Tijdens de lunch was ze vreemd afstandelijk gebleven en had ze hem soms weer net zo twijfelend aangekeken als de avond ervoor. Hij had het gevoel dat hij hun band moest bevestigen, heel duidelijk moest maken dat hij niet veranderd was.

Snel liep hij naar beneden. Hij meed zijn werkkamer en zocht de privésalon op, in de hoop Anna daar te vinden. Die hoop werd bewaarheid, maar ze was niet alleen: naast haar op de bank zat Gerald.

Anna leek opgelucht toen ze hem zag. Haar wangen waren rood en in haar ogen zag hij iets flakkeren dat hij ook de avond ervoor had gezien: rebellie. Gerald zat intussen in zijn gebruikelijke cowboypose: wijdbeens, de onaangestoken sigaar in zijn mond, voldaan en waakzaam tegelijk. Om raadselachtige redenen had hij zijn Stetson weer op.

De man tikte tegen zijn hoed. ‘Matthew, jongen, je stoort. Mijn meisje en ik hebben een goed gesprek. Laat ons maar snel alleen. Kom, wees een braaf jongetje.’

Matthew keek naar Anna. ‘Wil je dat ik jullie alleen laat?’

‘Nee,’ zei Anna, op hetzelfde moment dat Gerald ‘Natuurlijk’ zei.

Matthew trok een stoel naar Anna’s kant van de bank. ‘Waar hadden jullie het over?’

‘Over dingen tussen een vader en dochter,’ zei Gerald. ‘Daar hebben we geen pottenkijkers – of pottenluisteraars, of hoe je dat ook noemt – bij nodig. Ik heb mijn meisje mijn excuses aangeboden voor wat ik fout heb gedaan vroeger.’

Anna wendde zich naar haar vader. ‘Je hebt gezegd dat het verleden voorbij is. Dat je er niets meer aan kunt veranderen. Over excuses heb ik je niet gehoord.’

Gerald haalde zijn schouders op. ‘Het komt op hetzelfde neer. Ik had niet door hoe hard je me nodig had. Een jeugdbende…’ Gerald kauwde op zijn sigaar. ‘Als ik was gebleven, was dat nooit gebeurd.’

Anna zweeg. Matthew legde zijn hand om de hare heen. Hun vingers verstrengelden zich. Zonder Gerald aan te kijken, zei hij: ‘Anna heeft me verteld dat ze zich vroeger overbodig voelde. Bij haar moeder kon ze niets goed doen en –’

‘Haar moeder is een secreet – dat heb ik haar ook verteld.’

‘… En dus zocht ze liefde op straat. Luke gaf haar aandacht; de drugs en drank gaven haar verdoving.’

‘En de diefstallen gaven een kick?’ Gerald grijnsde. ‘Ik moet het niet zeggen, maar ik weet hoe het voelt. Het zit in de genen, meid.’

Anna schudde haar hoofd. ‘Nee. Ik wil me niet achter excuses verschuilen. Het zit niet in de genen. Ik zal het niet doorgeven aan mijn kinderen.’

‘Nee,’ zei ook Matthew. ‘Wij gaan ervan uit dat Zoë als ze een tiener is niet op straat naar liefde zal zoeken. Wij zullen haar thuis liefde geven. Wij willen dat ze zich geborgen weet. Dat gevoel heeft Anna nooit gehad.’

Gerald snoof. ‘Dus laten jullie Chloe haar gang maar gaan.’

‘Zoë,’ zei Matthew. ‘Je kleindochter heet Zoë.’

‘Met dat verwende krengetje heb je straks evenveel te stellen als ik met Anna. Ik was tenminste streng.’

‘Noem Zoë geen krengetje,’ snauwde Matthew.

‘Jij was niet streng,’ zei Anna tegen haar vader. ‘Jij was er helemaal niet.’ Ze ging iets rechter zitten en greep Matthews vingers steviger vast. ‘Wij verwennen Zoë niet. Ze is twee – te jong om al veel regels te begrijpen. Degene die ze kan begrijpen leert ze. En ze leert ook dat we… dat we…’ Anna viel stil en haar wangen werden roder.

‘Dat we van haar houden,’ zei Matthew.

‘Dat ze een opa heeft die naar haar omkijkt,’ suggereerde Gerald. ‘Die opa van haar heeft ervoor gezorgd dat er een moordenaar haar huis uit is gemikt. Het is hier weer veilig. Dat had jij me niet nagedaan, hè Matthew?’

‘David wordt vandaag nog vrijgelaten,’ zei Anna.

‘Wat?’ riep Gerald. Hij trok zijn sigaar uit zijn mond.

‘Richard – DI Mather – denkt niet dat hij de moord heeft gepleegd.’ Anna liet Matthew los. ‘Ik denk het ook niet. Voordat hij vertrok heb ik tegen David gezegd dat ik wil dat hij hier terugkomt.’

Dat wist Matthew niet, maar hij slaagde erin zijn gezicht in de plooi te houden.

Gerald wendde zich naar hem toe. ‘Grijp in. Doe nou eens wat, man. Je vrouw is gek geworden. Roep haar tot de orde.’

Matthew glimlachte om het onverwacht traditionele verzoek. ‘Ik geloof niet dat dat nodig is. Ik zou een ander voorstel willen doen. Doe een poging om je dochter echt te leren kennen. Ze heeft je meer dan dertig jaar gemist. Zou je niet willen weten wie zij is, in plaats van alleen met jezelf en met David bezig te zijn?’

‘Houd toch op, man.’ Gerald stoof overeind en banjerde de kamer uit.

Anna bleef stil zitten en pakte Matthews hand weer. ‘Dank je wel.’

‘Voor wat?’

‘Dat je voor me opgekomen bent. Dat je me snapt.’

‘Je hebt een betere vader verdiend.’

Weer liet ze zijn hand los. ‘Hij heeft alleen over zichzelf gepraat. Over hoe lastig hij het had toen mijn moeder hem de deur had uitgezet en over wat hij heeft meegemaakt in de VS. Geen enkele vraag over hoe mijn leven is geweest. Het enige wat hij over mij zei was dat die film vast spannend was. Hij lachte erbij, Matthew! Ik snap heus wel dat hij van een andere generatie is, dat hij niet gemakkelijk over gevoelens praat, maar…’

Ze begon te huilen. Matthew schoof naast haar op de bank en was zo woedend dat hij schrok van zichzelf.

Uit het dagboek van Marieke Markestein

 

… De hele dag is het gerucht gegaan dat David binnen een paar uur vrijgelaten zou worden en dan terug zou keren naar Northend Abbey, maar het werd avond en hij verscheen niet. Ik kon er niets aan doen: ik heb in een voorkamer gezeten tot de oprit te donker was om er iemand te kunnen zien.

Tijdens de maaltijd hadden we even iets anders om over te praten. Eileen kreeg bij het opdienen hulp van een nieuwe assistent: Matthew. Het was apart om de graaf van Northend de schalen te zien ronddelen, maar hij deed het met vanzelfsprekend gemak.

‘Een nieuwe rol?’ schalde Gerald vanaf het hoofd van de tafel, waar hij Matthews plek had ingenomen.

Matthew zette vlak voor mijn neus een schaal met haas neer. ‘Wij zijn wat onthand zonder David, dus bied ik hulp.’

‘Dat moet u niet doen,’ protesteerde Ethel. ‘Ik wil Eileen wel helpen.’

‘Geen denken aan,’ zei Matthew. ‘Jij bent onze gast.’

Eileen, die achter hem stond, mompelde: ‘De daghulpen hadden kunnen helpen.’

‘Die werken al hard genoeg.’ Matthew ging onverstoorbaar verder met ronddienen. ‘Eet smakelijk iedereen,’ zei hij toen hij uit de eetkamer wegliep.

‘Je moet een kanten schortje omdoen,’ riep Gerald hem na. ‘Dan is het helemaal perfect.’

Er was niemand die met hem mee lachte…

 

… Toen we al halverwege het hoofdgerecht waren, schoof Matthew naast mij aan tafel, op de enige lege stoel die over was. Ik liet mijn bestek werkloos boven mijn bord hangen terwijl hij in stilte bad voor de maaltijd, maar verder at iedereen door. Al voordat hij zijn ogen weer opende, vroeg Zandra: ‘Is het waar dat David hier terugkomt als hij wordt vrijgelaten?’

Matthew schudde zijn servet uit, legde hem op schoot, en pakte gebraden haas en aardappelen. Ik zag hem om zich heen kijken.

‘Spruitjes?’ vroeg ik.

‘Graag.’ Hij nam de schaal van me aan en schepte op. ‘Natuurlijk is het waar,’ zei hij toen. Hij sneed zijn haas en nam een eerste hap.

‘Waarom?’ vroeg Zandra. ‘Als de Detective Inspector denkt dat hij schuldig is…’

‘Juist!’ riep Gerald vanaf het hoofd van de tafel. ‘Zandra, we zijn het de laatste tijd niet veel eens, maar deze keer heb je gelijk.’

Zandra keek hem niet aan. ‘Het zou fijn zijn als sommige mensen zich niet bemoeiden met de gesprekken van anderen,’ zei ze, tegen niemand in het bijzonder.

Gerald lachte, en stikte toen bijna in wat het ook was dat hij in zijn mond had – Celia reikte hem een glaasje water aan. ‘Sommige mensen!’ lachte hij toen het glas leeg was. ‘Daar zal ze mij wel mee bedoelen. De man die weigerde om eindeloze ritjes te paard te maken en daarom nu als een paria wordt behandeld.’

‘Vervelend als mensen over mij in de derde persoon praten waar ik bij ben,’ snufte Zandra.

Matthew negeerde de discussie. ‘Jij gaat ervan uit dat de Detective Inspector denkt dat David schuldig is,’ zei hij tegen Zandra. ‘Maar ik heb de indruk dat de Detective Inspector dat niet denkt. Wij denken het ook niet. Wij geloven dat David onschuldig is.’

‘Wij?’ vroeg Zandra. ‘Wie is wij? Volgens mij zijn er hier veel mensen die denken dat David wel schuldig is.’

‘Goed gezegd,’ gromde Gerald. ‘Al geef ik het niet graag toe.’

‘Matthew en ik zijn het niet met die mensen eens,’ klonk het van het andere eind van de tafel. Anna zag er ongebruikelijk koel uit. Misschien kwam het door haar lichtblauwe jurk, in dezelfde tint als de ogen van haar man. ‘Wij willen er voor David zijn. Hij woonde hier voor zijn arrestatie, en ik heb hem gezegd dat hij ook erna hier ook mag wonen. Dat zal tegelijkertijd iedereen heel duidelijk laten zien dat wij niet twijfelen aan zijn onschuld.’

‘Maar…’ begon Zandra.

‘En dat is wat mij betreft het einde van de discussie,’ zei Anna.

Matthew begon weer te eten, met scherpe bewegingen van zijn bestek, zijn ogen strak op zijn bord gericht. Waarom heb ik de indruk dat Anna meer overtuigd is van Davids onschuld dan hij? …

 

… Middernacht: ik hoor de staande klok op de gang zijn slagen galmen. Tijd om naar bed te gaan. Volgens mij is David niet teruggekomen. Ik vraag me af of het me vannacht zal lukken om te slapen. Arme jongen…

 

 

© Els van Weijen

 

2 thoughts on “Hoofdstuk Twaalf

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *