Hoofdstuk Twee – Geen ervaring

02

‘Ja,’ zei ik. Toen streek ik over mijn trui en bekeek ik mijn spijkerbroek en begon ik te twijfelen. ‘Ik ben er niet echt op gekleed. Misschien morgen? Of –’

‘Stel alsjeblieft niet voor dat je eerst iets anders gaat aantrekken, of dat we later afspreken. Ik geloof niet dat ik dat zou overleven.’

Ik tuurde naar mijn handen en giechelde. Het was walgelijk meisjesachtig voor iemand die haar hoogste baas tegenover zich had en de ambitie had om carrière te maken, maar ik kon er niets aan doen.

Thomas tilde mijn kin op. Zijn glimlach zag er erg tevreden uit. ‘Je gaat met me mee,’ stelde hij vast. ‘Gelukkig maar: nu kan ik weer ademhalen. Kom, Caroline, maak haast en voorkom dat mijn voltallige Nederlandse personeelsbestand verwondingen oploopt. Net zag ik iemand bijna struikelen: ons begluren en tegelijk zogenaamd achteloos voorbij lopen, is niet eenvoudig. Ga je neus poederen, pak je jas en kom dan heel snel naar me terug. Ik wacht op je.’

Ik wankelde bij hem vandaan. In de toiletruimte stuurde ik met trillende vingers een app naar Brigitte. ‘Ik ben vanavond later. Ik ga uit eten.’ Even twijfelde ik; toen voegde ik eraan toe: ‘Met een man.’

Ze belde me onmiddellijk. ‘Pardon?’ gilde ze.

‘Niet zo hard; dat doet pijn aan mijn oren.’

Brigitte begon te lachen, zo luid als alleen zij dat kon, als een beierende klok. ‘Je maakt een grapje. Vertel het maar eerlijk: in werkelijkheid ga je drie uur naar de bibliotheek, maar dat durf je niet te zeggen, omdat je bang bent dat ik je dan uitlach.’

‘Dat doe je al. De hoogste baas van Garland Oil is hier. We zijn… in gesprek geraakt. En nu heeft hij gevraagd of ik met hem wil dineren.’

‘De hoogste baas is hier? Dat is hij toch altijd?’

‘Niet Fred van Bezemen – Thomas Garland. Hij is de eigenaar van het bedrijf, geloof ik, of in ieder geval de algemeen directeur. De CEO, zoals ze dat noemen.’

‘Caroline!’ Brigitte gilde weer. ‘Dat lieg je! Je zit me vreselijk in de maling te nemen.’

‘Nee.’ Opeens voelde ik tranen. ‘Nee.’

‘Je kunt niet uit eten gaan: je bent op dieet. En je moet mij troosten. Ik ben vandaag ontslagen en ik voel me natuurlijk vreselijk. Zorg ervoor dat ik opknap na alle nare woorden van Claire Varken.’ Brigitte maakte knorgeluiden en lachte weer. ‘Kom lekker naar huis.’

‘Ik geloof niet dat je veel steun nodig hebt. Wel een waarschuwing: blijf uit de buurt van slagers. Ik spreek je later.’

‘Je gaat echt? Doe niet zo gek! Die man verslindt je levend. Je denkt toch niet dat het hem om je kwaliteiten als gesprekspartner te doen is? Hij wil gewoon een nacht gezelschap, en hij denkt dat jij een gemakkelijk slachtoffer bent. Dat ben je ook. Je hebt totaal geen ervaring met mannen.’

‘Jij weet helemaal niets over hoeveel ervaring ik met mannen heb.’ Ik schrok ervan hoe scherp ik klonk.

Brigitte lachte nog harder. ‘Denk je dat ik achterlijk ben?’ Toen werd haar stem zachter: ‘Kom nou gewoon naar huis. Dat is beter voor je.’

‘Ik moet gaan, Brigitte. Ik spreek je vanavond.’

Ik verkoelde mijn gezicht met water en haalde mijn jas. Toen ik bij Thomas terugkeerde glimlachte ik, maar hij tilde mijn kin weer omhoog. ‘Tranen?’

‘Nee, hoor,’ mompelde ik.

‘Jawel. Wat is er aan de hand? Vind je het toch niet zo’n goed idee om met mij uit eten te gaan? Wees niet bang. Ik beloof je dat ik me keurig zal gedragen. Ik zal zelfs mijn bestek gebruiken.’

Ik probeerde te grinniken. ‘Ik wil graag mee uit eten. Echt. Het lijkt me leuk.’

‘Ik heb zomaar het idee dat “leuk” niet het meest passende woord voor deze avond zal blijken te zijn. Je Engels is erg goed, maar vandaag zul je erachter komen dat je je nog genuanceerder wilt kunnen uitdrukken.’

Nog een keer glimlachen, of grinniken, lukte niet. ‘Je hebt vast gelijk,’ mompelde ik.

Thomas zweeg even en tuurde in mijn ogen. ‘Zie je op tegen de avond?’ vroeg hij.

Ik schokschouderde.

Thomas bleef me aankijken, alsof hij mijn gedachten kon lezen zonder dat ik iets zei. Het effect van zijn ogen was niet veranderd – ik voelde me weer duizelig worden. Even wenste ik dat ik koorts had of hallucineerde, zodat ik me zonder erover na te denken tegen hem aan kon drukken.

‘Kom met me mee,’ zei Thomas. ‘Vertrouw me.’ Hij bracht me naar buiten en leidde me naar een Audi, waar hij bij mijn portier wachtte totdat ik zat. ‘Mijn bezoek aan Nederland was ongepland,’ zei hij toen hij de auto startte. ‘Ik heb geen staf bij me. Dat dwingt me om zelf te rijden. Ik zal goed moeten opletten met rechts aanhouden – nogal een uitdaging terwijl jij naast me zit.’

‘Ik zal muisstil zijn.’

‘Geloof me: dan leid je me nog steeds af. Ik heb liever dat je tegen me praat. Ik ben benieuwd wat je te vertellen hebt.’

Ik staarde voor me uit en had geen antwoord. ‘Sorry,’ zei ik uiteindelijk. ‘Volgens mij was wat u net zei de meest effectieve manier om me stil te krijgen. Hoe spreek ik u trouwens aan? Meneer Garland of…’

‘In de omstandigheden stel ik voor dat je me Thomas noemt. Is er helemaal niets dat bij je opkomt? Iets liefs en charmants misschien?’

‘Sorry. Eigenlijk maar één ding: je vindt het lastig om rechts te rijden maar je vraagt niet of ik wil rijden. Dat is… apart.’

‘Dat formuleer je heel omzichtig. Ben je bang dat ik een macho ben die het niet verdraagt om vrouwen dingen te laten doen waarvan hij denkt dat hij ze beter kan?’

Ik schudde mijn hoofd. ‘Nee. Zo ben je niet.’

Hij keek me even zijdelings aan. ‘En dat formuleer je heel stellig.’

‘Omdat ik het weet.’ En ik wist het echt. Ik voelde me weer misselijk worden.

Hij legde even zijn hand op de mijne. ‘Rustig maar, Caroline.’

In stilte reden we door naar het centrum van Rotterdam. We belandden aan een tafel waar we een hoog uitzicht hadden over de Maas en de donker wordende stad. Thomas koos voor ons beiden de maaltijd en overlegde met de ober over de wijn. Toen de man ons alleen liet, leunde hij achterover.

‘Heb je veel aan mij gedacht vandaag?’ vroeg hij.

Ik staarde hem aan.

Hij grimaste. ‘Sorry. Laat ik eerst zelf eerlijk zijn voordat ik eerlijkheid van jou verlang. Ik heb tijdens het hele overleg met Fred van Bezemen aan jou gedacht. Ik had gehoord dat een paar hoge heren door een ondergeschikte werden gechanteerd met foto’s die van hun drugsgebruik gemaakt waren. Ik was van plan om hard op te treden, maar ik ben mild geweest – belachelijk mild. Terwijl ik met mijn vuist op tafel moest slaan, zag ik jou voor me en glimlachte. Terwijl ik werd voorgelogen, zorgde ik ervoor dat mijn terugvlucht naar Londen werd geannuleerd. Toen ik de PA van Fred had gesproken en zeker wist dat jij de hele dag zou werken, voelde ik me rustig genoeg om het geluid van Freds stem compleet te negeren en al mijn gedachten aan jou te wijden.’ Hij grimaste weer. ‘Nu klink ik glad en onecht, terwijl ik meen wat ik zeg. Ik heb echt constant aan jou gedacht. Ik was zo afgeleid dat ik het management het voordeel van de twijfel heb gegund, terwijl ik nu al weet dat dat de verkeerde keuze was.’

‘Ik kon me ook niet op mijn werk concentreren. En dat kwam omdat ik aan jou dacht.’

Zijn glimlach was weer erg tevreden. ‘Heel goed. Dat maakt dit gesprek een stuk makkelijker. Iemand vertelde me gisteren dat Nederlanders nogal bot zijn, of in ieder geval direct. Wat dat betreft lijk jij niet al te Nederlands, maar zullen we vanavond net doen alsof je dat wel bent, en ik ook? Zullen we eerlijk bespreken wat er allemaal aan de hand is?’

Ik knikte. ‘Graag.’ En ik mompelde erachteraan: ‘Ik zou soms heel graag bot willen zijn.’

Thomas grijnsde. ‘Werkelijk? Waarom?’

Ik tuurde naar mijn vingers (ze trilden weer) en overwoog mijn antwoord. Ik wilde Thomas heel duidelijk uitleggen dat niemand die ik ooit had ontmoet zo bijzonder was als hij. Ik wilde eisen dat hij me van alles over zichzelf vertelde, tot in het kleinste detail: wat hij dacht op het laatste moment voordat hij in slaap viel; of hij net als ik van de herfst hield; en wat hij van mij vond. Vooral over dat laatste wilde ik heel specifieke antwoorden. ‘Wees jij eerst maar bot,’ zei ik. En toen Thomas kreunde: ‘Sorry, dit is een beetje alsof ik het doek optrek voor een optreden en het dan onmiddellijk weer neerlaat – ik ben me ervan bewust.’

‘Gaat het doek straks opnieuw op?’

‘Ik zal zelfs een spotlight aandoen. Praat jij nu maar. Ik wil horen wat jij denkt.’

Even keek hij me aan alsof die opmerking erg onthullend was. ‘Je bent een bijzondere vrouw. Ik voel me niet snel tot iemand aangetrokken, maar voor jou ben ik verplicht een uitzondering te maken. Dat is direct, of niet soms? Bijna bot.’

‘Niet bot. Wel direct.’

Thomas nam me op. ‘Caroline, waarom ben je zo ontzettend rustig?’

Ik lachte bijna. ‘Rustig? Dat ben jij – jij kunt normaal doen; jij kunt praten. Ik ben niet kalm. Ik voel me alsof ik op lava loop. Als er niet snel iets gebeurt val ik in het vuur.’

‘En zou dat erg zijn?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Ik ook niet.’ Thomas fronste. ‘Ik weet niet of deze situatie me wel aanstaat. Het lijkt of ik geen grip meer heb op wat er gebeurt. Dat is niet gezond – dat past niet bij de verantwoordelijkheden die ik draag.’

‘Dat past niet bij jezelf, bedoel je.’

Weer nam hij me op. ‘Je hebt me echt door. Dat had ik moeten voorzien.’ Hij schudde zijn hoofd, alsof hij helemaal niets voorzien had, en boog zich dichter naar me toe. ‘Ik zal je vertellen welke conclusie ik vanmiddag heb getrokken. Ik kan niet zonder jou naar Londen vertrekken. Ik stelde me voor dat ik aan het werk was en je ’s avonds niet zou zien. Bij dat vooruitzicht leek mijn werk onbelangrijk. Ik wees mezelf erop dat ik niet rationeel nadacht, dat ik negen jaar Garland Oil leiden niet terzijde kon schuiven na negen minuten met jou, maar het idee ging niet weg – jij ging niet weg. Ik begon me steeds onrustiger te voelen.’

‘Ik ook. En nu je bij me bent, voel ik me weer kalm, maar tegelijkertijd ook niet.’ “Want misschien laat je me straks weer alleen, en dat zou ik niet aankunnen.” Als ik net zo eerlijk was geweest als hij had ik die laatste woorden hardop gezegd, maar de ober arriveerde met ons voorgerecht: geitenkaasmarbré. Ik nam afstand van Thomas en probeerde me op het eten te richten. Tastend prikte in de laagjes bruin en wit. Het witte was vast de kaas, maar wat was dat bruine? Ik kwam er niet achter: echt iets proeven was lastig. Mijn zintuigen leken nog steeds van slag.

‘Lekker,’ concludeerde Thomas. ‘En nu, Caroline, ga ik jou een directe vraag stellen. Vertel me wat er in je omging terwijl je werd gedwongen voor receptioniste te spelen. Vertel me alles waar jij vandaag over nagedacht hebt.’

‘Over wat mij naar jou toetrekt. Ik weet het nog steeds niet. Ik heb nagedacht over wat er met me aan de hand is, maar ook dat bleef onduidelijk. En ik vroeg me af of je het meende toen je zei dat we elkaar zouden terugzien.’

‘Twijfelde je daaraan? Dat is niet nodig. Ik kon niet weggaan. Ik ben ervan overtuigd dat ik je eerder heb gezien, maar ik weet niet waar. Ben je wel eens in Londen geweest?’

‘Eén keer. Een weekend in april, drie jaar geleden.’

Hij dacht na en lachte toen, zonder vreugde. ‘Mijn zussen zijn allebei in april jarig. Dat jaar ben ik de hele maand bij ze geweest. Ze wonen in Nieuw-Zeeland.’

Weer keken we elkaar aan.

‘Ik had niet meer verwacht dat het lot zou ingrijpen in mijn leven,’ mompelde ik.

‘Denk je dat dit het lot is? Het kan niet gewoon een nogal extreme verliefdheid zijn? Hormonen die op hol slaan? Fantasierijke feromonen?’

‘Ik weet niet eens of ik wel verliefd op je ben. Het enige wat ik weet is dat je me niet alleen mag laten.’ Ik wreef over mijn keel, die zeer deed. ‘Dat was behoorlijk direct.’

Thomas zag er opeens vastbesloten uit. ‘Ga met me mee naar Londen. Kom bij me wonen.’

‘Bij je wonen?’

‘Ja. Permanent, bedoel ik. Deel mijn leven. Vanaf dit moment.’

Ik legde mijn bestek neer en keek weer naar mijn handen. Het verbaasde me dat ze nu niet trilden.

‘Het is een grote stap; dat weet ik wel,’ hoorde ik Thomas zeggen. ‘Of eigenlijk is het een bizar voorstel, maar we wonen te ver van elkaar af om de conventionele route te volgen. Ik denk ook niet dat we die route nodig hebben. Blijf bij me. Het zal goed zijn voor ons allebei.’

Ik keek nog steeds naar mijn handen. Wij hadden de conventionele route niet nodig, zei hij. Maar ik dacht juist wel aan conventies, aan regels, aan alles wat ik vroeger had geleerd. Ik herinnerde me hoe nadrukkelijk mijn vader had uitgelegd dat het huwelijk heilig was. Hij zei meestal niet veel, maar dat onderwerp kon hem spraakzaam maken. Mensen hoorden niet samen te wonen, zelfs niet… zelfs niet… als ze heel veel om elkaar gaven? Ik keek weer naar Thomas. ‘Vroeg ging ik naar de kerk,’ mompelde ik. ‘Als ik daar nu nog kwam, zou ik zeggen dat wat je voorstelt verkeerd is.’

‘Maar je gelooft niet meer in God?’ Thomas leek het antwoord op die vraag te weten zonder dat ik antwoord gaf: ‘Geloof dan in ons, in wat wij samen kunnen zijn.’

Ik keek weg. ‘Zoals je zelf zegt: dit is een bizar voorstel. Zinnig nadenkende mensen gaan niet samenwonen met iemand die ze die dag pas hebben ontmoet. Dat soort dingen gebeurt alleen op tv, in heel onrealistische films.’

‘Vertrouw me, Caroline. Ik heb een reden om je zo snel voor me op te eisen, een reden die ik je ooit zal uitleggen, maar waar ik vanavond niet over wil praten. Die reden dwingt me ertoe om…’ Thomas zuchtte. ‘Ik geef het niet graag toe, maar ik ben bang. Ik ben bang dat als ik je nu niet vraag bij me te blijven, ik het nooit zal durven. Als ik je hier achterlaat duurt het te lang voordat ik terug kan komen en zal ik gaan twijfelen aan mijn eigen motieven. Kom met me mee. Geef me de kans je te laten zien dat we het goed zullen hebben samen.’

Ik keek hem recht aan. ‘Ik weet het niet.’

‘Heb je tijd nodig om na te denken?’

‘Ja.’

‘Ik zal je alle tijd geven die je nodig hebt – als je uiteindelijk maar meegaat.’

‘Kun je wat langer in Nederland blijven?’

‘“Wat langer”, ja. Tot en met het weekend is geen probleem. Daarna moet ik echt terug. Ik wil je niet overhaasten; ik heb gewoon een paar afspraken die ik niet kan afzeggen. Het spijt me.’

‘Dat is niet nodig.’ Ik legde mijn hand tegen de hete huid van Thomas’ wang. Hij schonk me de meest prachtige glimlach die ik ooit had gezien. Ik liet mijn hand vallen en realiseerde me dat ik nu misschien, mogelijkerwijs, waarschijnlijk wel verliefd was.

 

Ik hoop dat niemand wil weten hoe de rest van de maaltijd smaakte – ik heb geen idee. Thomas en ik praatten de hele avond. Het was onwerkelijk: gewoonlijk praatte ik niet gemakkelijk, maar deze keer had ik daar geen enkele moeite mee; het kostte me eerder moeite om te stoppen. Ik vertelde hem zelfs de meest droge feiten van mijn leven: dat mijn moeder aan slokdarmkanker was overleden toen ik acht was, dat ik behalve mijn vader geen familie had en dat ik op Brigitte na niet gemakkelijk vrienden maakte. Terwijl Thomas luisterde leken die feiten minder droog – en zei ik er meer over dan ik gewoonlijk deed.

Thomas onthulde dat hij in Nieuw-Zeeland was opgegroeid en pas naar Londen was gekomen toen zijn vader negen jaar eerder was overleden. Hij suggereerde, half humoristisch en half zwoel, dat we in Engeland twee vreemdelingen in een vreemd land zouden zijn, vreemdelingen die elkaar hard nodig hadden. Ik wees hem erop dat hij in dat vreemde land een multinational leidde en dat zijn behoefte aan hulp wel mee zou vallen, maar dat zorgde er alleen maar voor dat hij me plaagde met mijn scepsis.

Toen we uiteindelijk als laatsten in het restaurant overgebleven waren, stond hij op. ‘Volgens mij wordt het tijd om te gaan. Het personeel kucht steeds harder als ze in de buurt komen.’ Hij pakte mijn vingers vast. ‘Ik zou hier nog uren met je hebben kunnen zitten.’

‘Ik ook met jou.’ Zodra ik dat zei had ik toch even geen idee meer welke kant het gesprek nu uit moest. Ik keek weg en hoorde Thomas grinniken.

‘Weet je dat de kleur van je wangen prachtig is als je verlegen bent? Ik zal nog eens moeten nadenken over wat er precies gebeurt. Je bloost niet, maar er komt een soort gloed over je gezicht te liggen en je huid wordt nog kusbaarder.’ Maar hij kuste me niet. Hij hielp me in mijn jas en nam me mee terug naar zijn auto. ‘Zal ik je thuis brengen of wil je dat ik je afzet bij Garland Oil zodat je je eigen auto kunt nemen?’

‘Ik heb geen auto. Ik ga met de trein naar huis. Misschien kun je me naar het Centraal Station brengen?’

Thomas schudde zijn hoofd. ‘Ik breng je naar huis.’

‘Dat hoeft niet. Ik vind het geen enkel probleem om de trein te nemen. Zo dichtbij is Dordrecht nou ook weer niet.’

‘Je denkt toch niet dat ik je achterlaat op een donker station? Ik heb ook helemaal geen zin om je alleen te laten – ik ben blij dat ik een excuus heb om het afscheid uit te stellen.’

‘Thomas…’

‘Aha! Dit is de eerste keer dat je mijn naam zegt, hoewel ik je daar al uren geleden toe uitgenodigd heb. En nu zie ik dat zelfs in het donker die gloed nog zichtbaar is. Dat is echt bijzonder, Caroline.’ Thomas streelde mijn gezicht. Toen kreunde hij. ‘Maar ook erg lastig voor een man.’ Hij wendde zich af en deed het portier voor me open. ‘Kom, we gaan voordat ik mijn verstand compleet verlies.’

 

Op de snelweg richting Dordrecht zweeg Thomas. Eenmaal in Dubbeldam keek hij even naar Brigittes huis. Er brandde nog licht in de woonkamer. Toen keek hij naar mij. ‘Gaan we morgen weer uit eten?’

‘Graag.’ Niet voor het eerst keek ik weg. Ik kreeg het warm en voelde de gloed waarover hij gesproken had. ‘Voor de duidelijkheid: ik ben nu niet verlegen.’

‘Een beetje wel, Caroline. Zullen we morgen ook over mijn voorstel praten?’ Halverwege de vraag begon zijn telefoon te zoemen, maar hij negeerde hem. Samen luisterden we naar het vasthoudende geluid. Toen de telefoon zweeg, en ik ook, zei hij: ‘Ik wil dat je heel goed begrijpt dat het voor mij even onwerkelijk is als voor jou dat ik je na één afspraak heb gevraagd om bij me te komen wonen. Ik maak er geen gewoonte van.’

Zijn telefoon zocht weer zijn aandacht. ‘Wie belt je nog zo laat?’ vroeg ik.

‘Mijn onderdirecteur waarschijnlijk. In Engeland is het een uur vroeger.’

‘Een uur vroeger is nog steeds laat.’

Thomas drukte de telefoon uit. ‘Je klinkt anders. Maakt dit telefoontje je wantrouwig? Of ben je verontwaardigd dat iemand me op dit tijdstip nog lastigvalt?’

‘Dat laatste. Je doet net of ik de enige ben voor wie het een lange, rare dag is geweest, maar jij bent vast ook moe. Ik hoop niet dat je straks nog gaat werken.’

Thomas bekeek me alsof hij zich afvroeg of ik een grapje maakte. ‘Vrouw, je bent te lief. Dank je wel voor alles wat je me vandaag gegeven hebt.’

‘Echt?’ vroeg ik.

‘Echt. Ga naar binnen voordat ik je niet meer laat gaan. En dank je wel dat je mijn leven verandert. Vraag me niet of ik dat meen. Het is zo.’

‘En je vindt het niet vervelend meer dat je niet snapt wat er allemaal gebeurt?’

‘Steeds minder. Ga, lieveling. Slaap zacht.’

Het lukte me haast niet om uit zijn betovering weg te komen. Even kon ik weer niet anders dan naar zijn ogen kijken. Even raakte ik weer zijn gezicht aan. Zijn ogen werden zo donker dat ik mijn hand haastig terugtrok. ‘Dag Thomas.’

Hij sloot zijn ogen en huiverde. ‘Dag.’ Het geluid was als een streling.

 

Brigitte kwam me al in de gang tegemoet en galmde een lach. ‘Wat heb jij het bespottelijk laat gemaakt! Hoe heb je het gehad?’

Ik deed mijn jas uit en dacht aan hoe de handen van Thomas gevoeld hadden toen hij me geholpen had hem aan te doen. Even bleef ik stil bij de kapstok staan.

‘Oh,’ zei Brigitte. ‘Een teleurstelling. Wat jammer, Lientje. Was hij handtastelijk?’

‘Nee. Helemaal niet.’ Ik staarde naar mijn jas en vroeg me af hoe het zou zijn geweest als Thomas me had gekust.

‘Caroline? Gaat het wel?’

‘Thomas heeft me gevraagd om met hem mee te gaan, naar Londen. Hij wil dat ik bij hem kom wonen.’

‘Dat meen je niet! Nou, ik ga ervan uit dat het je gelukt is om de weigering beleefd over te brengen, zoals alleen jij dat kan. “Dank u wel voor het heerlijke eten, meneer, en ik voel me gevleid dat u mij zo’n… bijzonder aanbod doet, maar in tegenstelling tot wat u denkt ben ik niet compleet gestoord. Dus nee: toch maar niet.” Je moet hem natuurlijk een beetje te vriend houden. Was hij echt de CIA?’

‘CEO. En ik heb nog geen beslissing genomen.’

‘Caroline! Je kent hem één dag. Eén dag!’

‘Ja. Dat weet ik. Het is natuurlijk belachelijk. Maar ik geloof…’ Ik wilde zeggen dat ik bang was dat ik ziek zou worden als ik niet bij hem was, maar dat klonk in mijn eigen oren al melodramatisch, laat staan in die van Brigitte. ‘Ik geloof dat het belangrijk is dat ik bij hem ben. Dat geloof ik echt.’ Ik keek uiteindelijk toch naar Brigitte en zag haar ongeloof.

‘Dat is onzin,’ zei ze.

‘Dat weet ik niet.’

‘Caroline, ik denk dat je ietsepietsje te snel gaat. Je kent die man nauwelijks. Ga eerst –’

‘We hebben veel gepraat. Hij heeft serieuze bedoelingen.’

‘Serieuze bedoelingen. Wat bedoel je daar precies mee?’

‘Dat hij echt een relatie met me wil. Het gaat niet alleen om… om…’

‘Seks. Dat is een heel gewoon woord, maar jij kunt het niet eens uitspreken. En je wilt wel met een wildvreemde man naar Londen vertrekken? Wat verwacht je? Dat hij alleen je handje wil vasthouden?’

‘Nee. Maar –’

‘Kom op, Caroline, je bent aan het doorslaan. Je zou carrière gaan maken, weet je nog wel? Naar bed gaan met de baas is heel wat anders.’

Ik had graag iets gezegd over hoe ze me tegen me sprak, of over haar cynisme, dat nauwelijks meer medium was, maar dat vond ik lastig. Brigitte was me ook voor. Ze legde haar hand op mijn schouder en sprak zachter:

‘Ik wil niet dat je gekwetst wordt. Je bent een schat, maar wel een beetje naïef. Ik ken dat soort mannen. Hij is net als mijn vader: alleen zijn zaken zijn echt belangrijk; een vrouw is slechts vermaak. Ik zag dat hij zelfs dezelfde auto heeft als mijn vader. Hij –’

‘Die auto is een huurauto, en zo is hij niet. Hij –’

‘Ga niet met hem naar Londen, Lientje. Houd het voor mij ook een beetje leuk. Ik heb het de afgelopen tijd al moeilijk genoeg gehad, en voor het geval je het vergeten bent: ik ben vandaag ontslagen.’

‘Ja. Sorry. Dat weet ik wel.’ Maar ik bedacht me dat het sinds de zomer beter met haar ging en dat ze vanmiddag niet veel last had gehad van haar ontslag.

Ik zei haar welterusten en ging naar bed, maar slapen lukte niet. Ik had het koud alsof ik uren in de regen had gewandeld en kreeg het maar niet warmer. Steeds zag ik Thomas voor me. Terwijl hij praatte en lachte en naar me keek, was ik me bewust van de waanzin van zijn voorstel maar deed mijn lichaam pijn omdat ik hem nu al miste.

Mijn gedachten dwarrelden rond als een herfstblad dat losgetrokken is van de boom die hem heeft gevoed. Het ene moment was ik vastbesloten om met Thomas mee te gaan; een seconde later vertelde ik mezelf dat samenwonen nog steeds tegen mijn principes inging, ook al had ik lang geleden besloten dat ik geen christen was. Soms was ik ervan overtuigd dat Thomas een spelletje met me speelde. Hij kon niet verliefd op mij zijn. Dat had hij ook niet beweerd. En zelfs al waren zijn gevoelens wel oprecht, dan nog kon ik niet met hem meegaan. Ik kon me zijn bestaan nauwelijks voorstellen, maar ik wist wel dat ik er niet in paste. Hij had natuurlijk een druk sociaal leven. Ik had me vaak al ongemakkelijk gevoeld op een studentenfeest. Wat moest ik te midden van mensen die bedrijven leidden, die de koers van de economie bepaalden?

Ik woelde en draaide tot mijn hoofd geen antwoorden meer wist en alleen nog maar vragen stelde. Uiteindelijk ontvluchtte ik mijn bed. Bij het raam keek ik naar de druilerige nacht en naar de maan, die de regenwolken was ontsnapt en vlak voordat het morgen werd nog hoog aan de hemel stond. Ze scheen alsof ze nooit zou ondergaan.

Ik stelde me voor dat het echt voor altijd nacht zou blijven, geen nacht van mysterie en verwachting, maar van duister en van droomloze slaap. Een nacht zoals uit mijn jeugd. Op dat moment maakte ik mijn keuze – en wist ik dat er nooit een andere mogelijkheid was geweest. Toen ik terug naar bed ging, sliep ik nog steeds niet, maar had ik ook niet meer koud.

 

© Els van Weijen

4 thoughts on “Hoofdstuk Twee – Geen ervaring

Laat een reactie achter aan Ellen Antwoord annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *