Hoofdstuk Vier – Sherlock Holmes

04

De volgende dag was een zaterdag, maar Thomas ging aan het werk. Garland Oil was misschien niet zo groot als BP of Shell, maar het was een bedrijf met filialen in vijftien landen en de algemeen directeur van dat bedrijf had zijn plichten meer dan een week lang schromelijk verwaarloosd. Ik bleef alleen achter, dwaalde door het lege appartement en dacht aan Thomas. In de woonkamer probeerde ik weer vormen te ontdekken in de abstracte schilderijen, maar dat lukte me niet. Toen ik in mijn dagboek probeerde te schrijven, kwam ik niet verder dan zinnen over Thomas. Hij was nog maar een uur weg, maar ik miste hem, meer dan ik redelijk vond. Mijn ademhaling leek oppervlakkiger, mijn hartslag sneller, alsof ik ieder moment in paniek kon raken.

‘In werkelijkheid ben je natuurlijk de kalmte zelve,’ bromde ik. ‘Stel je niet aan, Caroline Jacobs. Je hebt jarenlang alleen geleefd. Je ging carrière maken, weet je nog wel? Sta hier niet als een zielig vrouwtje te simpen. Doe iets zinnigs.’

Ik bedacht me dat ik kon beginnen met het zoeken naar een baan, maar toen ik op internet onderzocht aan wat voor eisen een Engelse sollicitatiebrief diende te voldoen, lukte het me niet om me te concentreren. Ik zat in Thomas’ werkkamer (ik wilde niet te lang de vraag overpeinzen waarom) en dacht zijn geur te ruiken – al snel speurde mijn neus daar zelfs actief naar. Ik overwoog hem een berichtje te sturen en vroeg me af of hij het heel erg zou vinden als ik hem alleen stoorde om hem te vertellen dat ik hoopte dat hij snel thuiskwam.

Na veel getwijfel besloot ik dat dat kinderachtig over zou komen – ik las mijn mail. Mijn hart roffelde een ander ritme toen ik een bericht van mijn vader zag. Na twee dagen leek hij eindelijk te gaan reageren op mijn aankondiging van mijn verhuizing. Ik zette me schrap, maar hij had maar twee regels nodig om te vertellen dat hij van Brigitte al had gehoord waar ik was en dat hij het betreurde dat ik geen afscheid van hem had genomen.

Daarna was er… niets. Niets van wat ik had verwacht in ieder geval: geen opmerking dat hij niet achter mijn keuze stond, dat die keuze zelfs moreel verwerpelijk was, hoewel ze dat in zijn kerk ongetwijfeld zouden vinden. De rest van zijn mail ging over het boek dat hij aan het lezen was, Het Diner van Herman Koch. Ik vroeg me af wat zijn ouderlingen van dat boek zouden vinden. Toen deed ik een poging om een antwoordmail te sturen, maar alle zinnen die ik componeerde bevatten verwijten.

Grommend liet ik de laptop alleen. Mijn vader bleef achter op het scherm, maar Thomas liep met me mee. Ik voelde hem bijna, en tegelijk voelde ik dat ik hem niet voelde. Alweer een aanstellerige gedachte; ik sprak mezelf nogmaals streng toe. Ik was verliefd en reageerde daardoor irrationeel. Dat was vervelend, maar het was vast mogelijk om de effecten te minimaliseren totdat het ergste voorbij was. En daar kon ik maar beter hard mijn best voor doen; anders zou ik me later heel erg schamen.

In de woonkamer kroop ik op de bank. Ik drong alles dat leek op vochtigheid terug in mijn ogen en probeerde zo hard mogelijk naar buiten te staren. Toen de boten op de rivier en de gebouwen op de noordoever mijn aandacht niet vasthielden, keek ik naar de hemel. Het was een dag met rustig weer: de opbollende wolken, soms dofgoud, soms bijna roze, veranderden heel traag van vorm. Ze deden me denken aan zeilschepen die langzaam de wereld uit voeren. Terwijl ik met ze meedreef, luisterde ik naar stemmen. Ik hoorde de vrouwen die het over mijn jurk hadden, Clark die sprak over Thomas’ passie voor nachtvlinders, maar ik hoorde ook Thomas zelf, die zei dat ik hem gelukkig maakte. Ik vroeg me af –

‘Caroline?’ klonk het. ‘Caroline? Waar ben je?’

Ik sprong op en holde de gang in. Thomas had zijn das losgetrokken, maar zag er niettemin wat verhit uit. Zodra hij mij zag begon hij te grijnzen.

‘Kom bij me, vrouw.’

Dat deed ik natuurlijk. Een paar minuten later, toen praten weer mogelijk werd, zei ik dat ik dacht dat hij de hele dag moest werken.

‘Dat dacht ik ook. Maar ik had buiten jouw betovering gerekend. Ik had een bespreking met Martin Saunders. Hij is die onderdirecteur die veel te laat belt en bij wie we vanavond gaan eten. Hij probeerde me bij te praten over de afgelopen week, maar ik was afgeleid. Erg afgeleid. Terwijl hij het had over wat we zoal opgepompt hebben, zag ik…’ Thomas kreunde.

‘Zag ik…?’

‘Jou. Gaat mijn leven nog normaal worden? Heeft mevrouw Lot het op mijn verstand voorzien? Dit zou tot een faillissement kunnen leiden, Caroline. Wil je dan nog steeds bij me zijn?’

‘Natuurlijk,’ zei ik. ‘Altijd.’ En ik schrok ervan hoe serieus ik het meende.

 

Voordat we die avond naar Martin Saunders en zijn vrouw Cassandra vertrokken, liet Thomas me in een tijdschrift een foto van de vrouw in kwestie zien. Dat maakte me wantrouwig, maar ze kwam me niet bekend voor. Ik merkte op dat ze er mooi uitzag. Daar grinnikte Thomas om. Cassandra bleek een wereldberoemd model te zijn, zo beroemd dat haar voornaam voor de meeste mensen voldoende was om te weten om wie het ging.

‘Bijzonder,’ zei ik.

Thomas grinnikte opnieuw. ‘Zo zou je het kunnen formuleren.’

Wat eveneens bijzonder was, was het huis van de familie Saunders. We stapten uit de auto in de wijk St John’s Wood, bij een villa die net zo goed midden op het platteland had kunnen staan. We werden omgeven door een tuin die het etiket “bos” waardig was; ik zag de silhouetten van beuken en kastanjes. De lampen tussen de bomen gaven een schemerige suggestie van smalle paadjes het duister in, die ik graag had willen volgen.

Die kans kreeg ik niet: Thomas belde aan en de deur ging vrijwel onmiddellijk open. Voor ons stond een kleine man van Thomas’ leeftijd. Hij had donkerzwart haar dat alle kanten uitwaaierde, ogen die fonkelden als vuurvliegjes en hij droeg een kostuum dat strak en slordig om zijn stevige lijf zat. Krachtig omvatte hij mijn vingers. ‘Aha,’ zei hij. ‘De sirene.’

‘Dat is niet zo handig verwoord, Martin,’ vond Thomas. ‘Caroline zou kunnen denken dat je het alarm wilt aanzetten nu zij er is.’

‘Natuurlijk denkt ze dat niet – ze is niet achterlijk, baas. Dat had ik ook geen moment verwacht; dan zou jij je maar vervelen. Ze is wel knap – dat had je me moeten vertellen; dan had ik me beter kunnen voorbereiden. Die haren… glanzend en dik. En die ogen… donker en diep. Perfect. Van harte welkom, Caroline.’ Martin maakte een buiging, gooide de deur verder open en trok me naar binnen. Thomas kreeg nog net de kans ook de hal binnen te stappen voordat hij de deur weer dichtgooide. ‘Dus jij bent de vrouw van wie ik dacht dat ze niet bestond, de vrouw die mijn baas –’

‘Niet te uitgebreid kletsen,’ zei Thomas. ‘Vergeet niet dat ik indirect jouw… manier van leven mede financier.’

‘Onzin – je draagt hoogstens bij aan mijn elektriciteitsrekening. Caroline, wat heb je met Thomas gedaan? Hij was altijd zo afstandelijk en gestructureerd. Dat was eng, maar nu is hij helemaal niet meer gestructureerd en praat hij alleen over jou. Dat is nog veel enger.’

Voordat ik antwoord kon geven, ging de deurbel. Thomas keek tevreden. ‘Meer bezoek, Martin. Moet je niet opendoen?’

‘Helaas – de conventie roept. Ik probeer haar stem zo veel mogelijk te negeren, maar soms schreeuwt ze te hard.’ Martin boog opnieuw voor me, gaf me een handkus, en beloofde dat hij bij me terug zou komen.

Wij liepen door. Thomas had gezegd dat we waren uitgenodigd voor een diner. Bij dat woord had ik me iets eenvoudigs voorgesteld met acht mensen, maar in de kolossale woonkamer, veel groter dan die van Thomas (ik realiseerde me voor het eerst dat hij eigenlijk heel bescheiden woonde voor iemand in zijn positie), telde ik er minstens twintig. Een paar ervan waren ook mij niet onbekend. ‘Hé,’ mompelde Thomas, ‘Eve en Clark; die had ik hier vandaag niet verwacht.’ Hij liep hun richting uit.

Ik volgde hem niet. Een vrouw die carrière wil maken blijft niet constant in de buurt van haar partner. Ik keek om me heen en probeerde iemand te ontdekken met wie ik een ontspannen gesprekje kon aanknopen. Starende ogen keken naar me terug – ik dacht er een hele zee van te zien. Haastig liep ik Thomas toch maar achterna.

Hij en Clark waren al in gesprek; het leek over zaken te gaan, maar er werd bij gelachen. Eve nam intussen de tijd om mijn jurk te bekijken. Hij was koraalrood, lang en simpel – ik had het idee dat hij echt mooi was, en Thomas wist het zeker. ‘Caroline,’ zei ze. ‘Dat is niet bepaald lang geleden.’

‘Wat een verrassing jullie weer te zien.’

‘Inderdaad.’ Eve keek opnieuw naar mijn kleding en daarna snel even naar Thomas, die nog steeds met Clark praatte. ‘Volgens mij staat een dergelijke jurk een slankere vrouw beter,’ zei ze. ‘Misschien had je er een jasje overheen moeten dragen; dat zou al veel verschil uitmaken op je heupen. Je hebt niet echt gevoel voor mode, hè?’

‘Niet heel veel, nee.’

Ze stootte een lach uit, laag, bijna onhoorbaar. ‘Ik weet wat je me nu gaat vragen: of ik je wil helpen. Ik denk het niet, Caroline. Je hebt een figuur waar weinig mee te beginnen is en je zult snel weer verdwijnen. Thomas’ vriendinnetjes blijven nooit lang. Alleen Clark en ik maken permanent onderdeel uit van zijn leven. Wij zijn als familie voor hem: wat hij voor anderen geheimhoudt, ook voor zijn vriendinnen, deelt hij met ons. Als wij het zouden vragen, zou hij jou zonder pardon –’

‘Gisteren hadden Thomas en Clark bijna ruzie. Ze –’

‘Jij snapt niet hoe mannen in elkaar zitten: ze hebben het nodig om af en toe de confrontatie aan te gaan. Soms zijn ze het niet met elkaar eens, maar dat is maar tijdelijk. Clark heeft ooit het neefje van Thomas gered toen hij bijna verdronk; alleen daarom al hebben Clark en Thomas – en ik – een band die jij je niet kunt voorstellen. Wij hebben dingen beleefd waar jij nooit van zult weten, dingen die –’

Een zachte stem onderbrak haar. ‘Caroline?’ Ik draaide me om en zag de mooiste vrouw die ik ooit ontmoet had. De foto had Cassandra geen recht gedaan: haar uiterlijk was bijna etherisch – ze leek een elvenkoningin uit The Lord of the Rings. Haar gestalte was tenger, maar tegelijkertijd statig. Haar ogen waren poelen die de zon weerspiegelden, liefdevol en wijs. En toen ze me omhelsde en een tel haar lippen tegen mijn wang drukte, voelde ik me kalm worden. ‘Wat fijn om je te ontmoeten. Ik was erg nieuwsgierig naar je. Martin heeft me verteld dat Thomas nauwelijks meer…’ Ze brak af en keek naar Thomas, die naast me was komen staan.

Hij zuchtte. ‘Martin zou moeten leren dat het soms beter is om te zwijgen, maar dat is natuurlijk te veel gevraagd. Het is allemaal waar, Cassandra. Bekijk haar en je zult me begrijpen.’

Me bekijken is precies wat Cassandra, het wereldberoemde model, deed. Ze richtte haar aandacht niet op wat ik aan had; ze bestudeerde mijn gezicht. Even zag ze er ernstig uit. Toen glimlachte ze, niet alleen met haar mond, maar ook met haar ogen. ‘Ik begrijp je inderdaad. Wat heerlijk dat je Thomas zo gelukkig maakt.’

‘Een jong blaadje,’ mompelde Eve. ‘Nooit gedacht dat jij daarvoor zou vallen, Tommy.’

Ik hoorde Thomas antwoorden dat hij 34 was, niet oud genoeg om ervan beschuldigd te worden dat hij jonge blaadjes zocht, en Eve reageren dat als hij ouder was geweest hij ongetwijfeld voor een “ander soort jong blaadje” had gekozen, maar daarna was ik afgeleid: Cassandra vroeg me of ik het naar mijn zin had in Londen.

‘Dat weet ik eigenlijk niet; ik ben er nog maar net. Tot nu toe probeer ik vooral te wennen aan het penthouse van Thomas.’

Weer nam ze me op. ‘Je ben niet echt een stadsmens, hè?’ En voordat ik dat kon bevestigen: ‘Misschien moet je Thomas vragen om dat kale appartement te verkopen en je mee te nemen naar een dorp in de Cotswolds. Volgens mij ben jij iemand die begint te stralen als ze met regenlaarzen door het bos kan lopen.’

‘Het doet er niet toe waar ik woon, zolang…’

Toen ik stilviel, klonk Cassandra’s lach, tokkelend als een zachte gitaar. ‘Zolang je maar bij Thomas bent, wilde je zeggen, maar nu schrik je van jezelf.’ Ze boog zich naar me toe. ‘Heel verstandig. Verliefd zijn is heerlijk, maar het gaat voorbij. Deze relatie die nu een wonder lijkt waardoor je nooit meer dezelfde kunt zijn, wordt anders – niet minder de moeite waard hopelijk, maar ánders. Dan zul je merken dat je een plek nodig hebt waar je… je vertrouwd voelt.’ Cassandra rechtte haar rug en fronste. ‘Laat voor je zorgen, Caroline. Dat is belangrijker dan je nu denkt. Martin en ik zijn enkele jaren geleden christen geworden. Wij hebben ontdekt dat alleen God echte vreugde en vervulling geeft. Dicht bij Hem leven is het mooiste dat er is.’ Ze glimlachte even voor zich uit, alsof ze zelf verliefd was. ‘God biedt je de liefde die ik jou toewens, een altijd trouwe, overstelpende liefde, waardoor je… jezelf wordt.’

Ik haalde diep adem. ‘Ik ben christelijk opgevoed.’

Cassandra staarde me aan. De verliefdheid in haar ogen week; ik dacht er nu verdriet te zien. ‘Je gelooft niet meer,’ zei ze. Het was geen vraag.

‘Nee. Niet echt. Ik…’ … Had geen woorden, zoals zo vaak.

Ze kwam dichter bij me staan. ‘Heb je Zijn liefde nooit gevoeld?’ fluisterde ze. ‘Mis je Hem niet?’

Ik wist niet wat ik moest zeggen – ik dacht niet dat ze zou willen horen wat ik had gevoeld als ik naast mijn vader in de kerk zat, of in de zondagsschool naar verhalen luisterde die ik een stuk oninteressanter vond dan de sprookjes die ik doordeweeks las. Ik keek weg, naar Thomas, die nog steeds in gesprek was met Eve. Het leek niet gepast om te zeggen dat ik God niet kon missen zolang ik Thomas had, maar het voelde wel zo.

Cassandra knuffelde me. Gewoonlijk hield ik niet van dat aanrakerige gedoe, maar haar armen waren aangenamer dan van de meeste andere mensen; even was het bijna pijnlijk dat ze me heel snel alweer losliet. ‘Sorry,’ zei ze. ‘Ik begin altijd over God, maar ik kan nooit precies uitleggen hoe bijzonder Hij is en hoeveel Hij van mensen houdt. Ik kan me ook nooit voorstellen dat sommige mensen dat anders ervaren. We komen hier later op terug, Caroline, als we een keertje alle tijd hebben. Dat zou ik graag willen.’ Toen veranderde ze van onderwerp en vroeg ze uitgebreid naar mijn achtergrond en interesses.

 

Tijdens het diner bleek ik bij Martin te zitten, die het hoofdeinde van de tafel innam. Aan het andere einde van de tafel zat Cassandra, met vlak bij haar Eve en Clark. Thomas zat naast mij, maar ik kreeg weinig gelegenheid om hem aandacht te geven: Martin wilde net als zijn vrouw alles van me weten. Toen ik hem vertelde dat hij vragen stelde waar zijn wederhelft al antwoord op had gekregen, grijnsde hij breed. ‘Dat weet ik – dat is onderdeel van mijn strategie. Cassandra en ik hebben even gepraat. Ze heeft je gered van Eve, hè? Wij noemen haar ook wel de Slang. Liefkozend, natuurlijk.’

‘Liefkozend?’

‘Cassandra heeft je verteld dat wij christenen zijn. We proberen onze naasten lief te hebben. Soms is dat lastig. Maar genoeg over Eve. Als je niet over jezelf wilt praten, laat mij dan over míjzelf praten. Ik ben heel bijzonder. Dat was je vast al opgevallen.’

‘Dat klopt, ja.’

‘Dank je. Ik ga ervan uit dat je opmerking complimenteus bedoeld is. Thomas is altijd belachelijk terughoudend – die heeft vast nog niets over mij verteld of alleen die onzin dat ik in mijn ondergoed een speech gehouden heb bij de Parlementsgebouwen en geprobeerd heb om Tower Bridge te beklimmen in een smoking. Leugens, allemaal leugens, of in ieder geval…’ Hij kuchte. ‘Laat ik het over mijn achtergrond hebben. Mijn grootvader van moederskant was een Poolse graaf en mijn grootvader van vaderskant straatveger in Londen. In mij zijn de beste kwaliteiten van beide kanten van de familie samengekomen.’

‘En één van die kwaliteiten was bescheidenheid?’ De vraag was mijn mond uit voor ik hem kon tegenhouden.

Martin trok een wenkbrauw op. ‘Verlegen meisjes stellen in mijn nabijheid wel vaker vrijmoedige vragen waar ze vervolgens zelf van schrikken. Bescheidenheid is sociaalwenselijke waanzin – daar doe ik niet aan mee. Ik ben een genie, Caroline. Heeft Thomas dat verteld? Toen ik drie was, las ik vanuit de kinderstoel mijn vader de krant voor.’

‘Bijzonder, maar minder uniek dan het lijkt,’ zei Thomas. ‘Ik heb een neefje met soortgelijke talenten. Alleen wil Martin dat liever niet horen. Hij praat er ook niet graag over dat hij zo geniaal is dat hij van alle dure scholen is afgetrapt waar hij ooit op gezeten heeft. Op de universiteit wilden ze hem evenmin houden – dat krijg je ervan als je laboratoria in brand steekt. Maar hij is wel goed in zakendoen. De conclusie van het verhaal dat ik in één minuut kan vertellen, maar waar Martin het hele diner voor nodig zal hebben, is dat Thomas Garland hem eeuwig dankbaar mag zijn dat Martin voor hem wil werken. Heb ik gelijk, Martin?’

‘Natuurlijk. Maar dat wil ik Caroline graag zelf uitleggen.’

En dat deed hij. En hij had er inderdaad het hele diner voor nodig, met veel uitwijdingen over zijn ongeëvenaarde kwaliteiten, maar ook met zo veel humor dat ik alleen maar kon lachen. Tegen de tijd dat het toetje werd geserveerd, keek hij me voldaan aan.

‘Je bent de ultieme luisteraar. Dank je wel. Intussen heb ik ook van alles ontdekt over jou. Dat had je niet gedacht, hè? Ik ben een soort Sherlock Holmes.’

‘Maar dan nog beter, neem ik aan. Los je veel misdaden op?’

‘Vleien helpt niet om de confrontatie te vermijden. Ik ga je vertellen wat ik heb gezien. Je bent erg verliefd op Thomas. En nu kijk je haastig of Thomas dat hoort. Nee, hoor – die bankier die hij eigenlijk dodelijk saai vindt leidt zijn aandacht effectief af. Je hebt geen idee of je gevoelens voor hem wel normaal zijn. Je vindt de intensiteit ervan eng. Je hebt vanavond drie glazen wijn gedronken om niet meer bang te hoeven zijn dat je iets doet wat Thomas niet aanstaat. Jammer, want om optimaal van mij te kunnen genieten, kun je beter nuchter zijn. En serieus: kijk uit met alcohol. Het laat je rare dingen doen en je hebt het niet nodig.’

‘Martin…’

Hij wuifde mijn woorden weg. ‘Voel je niet gelijk opgelaten – dat kun jij al veel te goed. Jij bent zo’n meisje dat altijd bang is dat ze aanstoot geeft. Ongetwijfeld een jeugdtrauma – als het dessert al niet geserveerd werd en ik geduldiger was, zou ik je ernaar vragen. Je bent geen kind meer. Doe iets aan wat je dwarszit. Nu begin je trouwens geïrriteerd te raken, en daar zeg je niets over. Jammer. Ik ben benieuwd hoe jouw boosheid eruitziet, maar ik denk dat het lang zal duren voordat zelfs Thomas die ervaart. Wees dapper, Caroline. Praat. Als jij niet zegt wat je denkt, zal behalve een genie als ik niemand de waarheid raden.’

Ik had geen idee wat ik daarop moest antwoorden, behalve: “Laat me met rust.” Martin grijnsde. Ik had het beangstigende idee dat hij precies wist wat ik dacht.

 

Op zondag deed Thomas weer een poging om te werken, maar hij vertrok pas ’s middags naar kantoor. ’s Avonds gingen we samen uit eten. Dat “samen” klonk mij vooraf veelbelovend in de oren, maar Thomas droeg me wel op iets nets te dragen. Daar bleek hij goede redenen voor te hebben. In het restaurant ontdekte ik een minister van de Britse regering. Ondanks dat het er vol was, was het er ook erg stil. Ik hoorde bijna geen geluid van bestek, en de gasten leken allemaal te fluisteren.

Zodra we zaten verscheen er een ober aan onze tafel. Hij zette champagne voor ons neer en deed suggesties voor de maaltijd. Samen met Thomas had hij het over zaken (duxelles, papillot en meer) die mij zo onbekend waren dat het me niet lukte om wereldwijs te knikken. Toen de ober ons verliet, keek ik woordeloos om me heen naar de gedempte chicheid. Ik voelde me weer eens benauwd.

‘Goed,’ kuchte Thomas. ‘Onze eerste ongemakkelijke stilte. Onverwacht en enigszins confronterend – ik zal proberen kalm te blijven. Zeg me dat je er niet van begint te dromen om terug te gaan naar Nederland. Misschien is het minder ernstig en vind je het gewoon saai om alleen met mij te dineren. Zal ik Clark en Eve vragen om de volgende keer mee te gaan?’

Hij glimlachte, maar ik bedacht me dat hij het waarschijnlijk echt gezellig zou vinden om Eve en Clark uit te nodigen. Mijn eigen glimlach was wat zwakjes.

Thomas’ blik werd weer ernstig. ‘Zeg alsjeblieft wat, Caro. Je lijkt het de afgelopen dagen niet altijd naar je zin te hebben. Wat is er aan de hand?’

‘Niets. Ik vind dit restaurant alleen nogal… exclusief. Overdonderend exclusief.’

‘Is dat erg? Zelf ben je ook overdonderend exclusief.’

‘Thomas…’

‘Kom, het is waar, en dat weet je best. Waarschijnlijk bedoel je dat dit restaurant nog niet exclusief genoeg is. Wat verlang je? Zeg het maar en ik regel het voor je.’

‘Ik zou ergens willen eten waar ik niet bang hoef te zijn dat ik de verkeerde vork pak. Een plek waar ik me niet zal afvragen of die kroonluchters boven mijn hoofd echt van goud zijn. Dan kan ik mijn aandacht volledig op jou richten en optimaal gebruikmaken van de tijd die jij voor me overhoudt na je werk – als het je tenminste lukt om te werken.’

‘Caro… Je mag me niet plagen met een probleem dat je zelf veroorzaakt.’

‘Natuurlijk mag ik dat wel. Al voelt het anders: je bent nog bijna helemaal nieuw voor me; ik wil op mijn gemak al jouw spannende details ontdekken. Hier durf ik dat niet goed. Als ik enthousiast word ga ik wat harder praten. Ik vermoed dat de mensen om ons heen me dan afkeurend zullen bekijken. En ik ben bang dat als ik lach, ze me laten afvoeren door de beveiliging. Dat is niet praktisch, Thomas.’

‘Helemaal niet praktisch.’ Thomas boog zich naar me toe en streelde mijn vingers. ‘Laten we eerlijk zijn. Het gaat niet alleen om dit restaurant. De afgelopen twee dagen was je erg stil. Ik herken je soms nauwelijks.’

Ik trok mijn hand terug en nam een stukje brood. ‘Is het de bedoeling dat ik dit doorsnijd of gaat het dan vreselijk kruimelen en kijkt de ober me straks streng aan? En mag je in dit soort restaurants boter op je brood doen of is dat absoluut niet de bedoeling?’

‘Doe wat je zelf wilt. Dat wil ik sowieso voorstellen: dat jij je eigen plan trekt. Ik wil niet dat je constant meegaat als ik naar feestjes of andere evenementen moet.’

Ik legde het brood weer neer. ‘Sorry?’

‘Je moet niet zo’n vrouw worden voor wie haar hele leven draait om het werk van haar partner, die de feestjes afloopt waar hij voor wordt uitgenodigd en verder niets zinnigs te doen heeft. Ik wist al dat dat niets voor jou is, en de afgelopen dagen heb je me daarin bevestigd.’

‘Sorry,’ mompelde ik weer.

‘Nee, niet sorry: ik ben er blij mee. Soms…’ Thomas keek weg en nam het restaurant op. ‘Soms ben ik moe van alles om me heen. Hier eten te veel mensen die het voedsel dat met passie voor ze wordt bereid niet waarderen, maar alleen gezien willen worden door anderen die ook geen interesse hebben in wat ze eten. Iedereen lijkt te jagen op rijkdom en aanzien, zonder te beseffen dat ze dat al hebben en dat het…’ Thomas’ blik werd bitter. ‘Dat het de leegte niet verandert – dat het nooit belangrijk genoeg kan zijn.’ Thomas keek weer naar mij. ‘Gelukkig heb ik nu mijn receptioniste die me wakker schudt.’

‘Ik ben geen receptioniste – ik was alleen even een vervanger.’

‘Dat weet ik wel. Bouw de carrière op die je voor ogen hebt – doe waar je zelf naar verlangt. Ik zal je niet in de weg staan.’ Thomas glimlachte bij wat hij zei, maar zijn gezicht was weer moeilijk te lezen. Ik dacht aan wat Eve had gezegd, over de geheimen waar ik nooit van zou weten, over dat zij en Clark als familie waren maar dat Thomas’ vriendinnen snel weer verdwenen.

‘Dit is dus een soort afscheidsetentje?’ vroeg ik, zo monter mogelijk. ‘Vanaf nu ga jij in je eentje uit en eet ik op mijn werk? Ik geloof dat ik de neiging krijg om heel hard te gillen, wat de gevolgen hier ook zullen zijn. Ik mis je nu al, Thomas.’

Hij kon weer grijnzen. ‘Echt?’

‘Echt,’ zei ik. ‘Heel echt.’

Thomas trok me mee van tafel. ‘Dan gaan we ergens eten waar je dat kunt laten zien. Dat geeft mij gelijk de kans om luidruchtig te vieren dat ik blijkbaar belangrijk voor je ben.’ Bij de garderobe nam hij de tijd om me te kussen. ‘En het wordt niet ons afscheidsetentje. Vanaf nu eten we zo veel mogelijk samen, maar sleep ik je niet meer mee naar plekken waar jij niet past. Ik wil dat je onbedorven en uniek blijft.’

‘Je bedoelt dat ik niet zo pas in jouw wereld. Ik – ’

Weer kuste hij me. ‘Ik bedoel dat ik je het liefst voor mezelf houd. Dat durf ik alleen nauwelijks te zeggen, omdat jij me dan ouderwets vindt. Ik zal je enkel meenemen naar leuke dingen, naar een etentje met Clark en Eve of met Martin en Cassandra misschien, waar geen honderd andere mensen je aandacht willen. Slechts heel af en toe, bij zeer belangrijke zaken, zal ik je dwingen om aan mijn arm te hangen en je te vervelen. Akkoord?’

‘Akkoord.’

Ik wist dat ik blij moest zijn met de ruimte die hij me gaf, maar vreemd genoeg was dat lastig.

 

Later die avond stapten we in vrijetijdskleding een donkere bistro binnen waar vergeelde foto’s en posters van Italië aan de muren hingen. De gordijnen waren oud en op krakkemikkige stoelen zaten heel gewone mensen die luidruchtig met elkaar in gesprek waren of zonder veel woorden verliefd in elkaar ogen probeerden op te gaan. Het restaurant wasemde een geur uit van voedsel en zonneschijn.

Een kleine man met grijze krullen holde op Thomas af, viel hem om de hals (voor zover dat mogelijk was met het lengteverschil; Thomas zakte ver door zijn knieën) en kuste hem op het voorhoofd. ‘Tommaso! Je hebt ons weer veel te lang alleen gelaten! Maria heeft gehuild in haar paprikasoep, zo lang dat de gasten het konden proeven en vroegen wat er met haar aan de hand was.’

‘Vergeef me, Marcello. Ik had het druk.’

‘Je hebt het altijd druk. Heb je bij andere restaurants gegeten?’ Marcello had Thomas losgelaten en keek nu met een ernstige, bijna tragische blik naar hem op.

‘Soms.’ Thomas hief zijn handen op. ‘Ik kan niet anders. Het komt door mijn werk.’

‘Nee, Tommaso, het heeft niets met je werk te maken. Soms vergeet je dat hier het eten het lekkerst is. Maar ik vergeef je. Je bent bij ons teruggekomen en je hebt een bella donna meegenomen. Vertel me wie ze is.’

‘Dit is Caroline. Je zult haar nog veel zien. Met deze vrouw wil ik zo vaak mogelijk bij je op bezoek te komen om haar op mijn gemak bij kaarslicht te bewonderen.’

Marcello maakte een sprongetje, alsof er onder zijn voeten een vuur was ontstoken. Hij omhelsde Thomas opnieuw en drukte zijn hoofd tegen Thomas’ borst. ‘Amore! Ik wist het wel. Wat je vroeger ook allemaal zei, jij bent niet immuun!’

Thomas grimaste. ‘Waar is Maria? Ik wil Caroline graag aan haar voorstellen.’

Maria bleek de echtgenote van Marcello te zijn. Ze was nog kleiner dan haar man: haar schort viel tot over haar enkels. Thomas kreeg een kus van haar, maar mij bekeek ze wat aarzelend. Zodra ze echter hoorde wat voor termen Thomas voor me gebruikte, begon ze te stralen. De hele avond bleef ze heen en weer lopen tussen de keuken en onze tafel om mij allerlei hapjes toe te stoppen die ik echt móest proberen.

‘Naar je zin?’ vroeg Thomas, terwijl ik experimenteerde met inktvis en dat lekkerder vond dan ik vooraf had kunnen bedenken.

‘Heerlijk. En niet alleen het eten. Ik hoef niet uit te kijken met hoe hard ik ademhaal en we zijn onderdeel van de “famiglia”.’

‘Kortom: we gaan hier vaker eten?’

‘Als jij het niet te druk hebt. Martin zei dat je vaak lange dagen maakt. Op de een of andere manier kan ik me daar weinig bij voorstellen. Was het een grapje van hem?’

‘Kijk niet zo onschuldig, Caro; je komt niet overtuigend over. Ik werk echt heel hard.’

‘Natuurlijk. Des te meer reden om vaak te ontspannen. Samen met mij. Alleen met mij.’ Ik keek naar Thomas en mijn hart sloeg over van alles dat ik voor hem voelde. Opeens kon ik niet anders dan eerlijk vertellen wat er in me omging, precies zoals Martin me had opgedragen: ‘Ik wil je zo veel mogelijk voor mezelf. Ik ben namelijk nogal erg verliefd op je.’

Thomas schonk me die tevreden glimlach die alsmaar bekender werd. Hij boog zich over de tafel heen en kuste me. ‘We gaan dit echt vaker doen. Wees maar gerust.’

Er kwamen geen woorden dat hij ook verliefd op mij was. Bijna vroeg ik hem ernaar, maar dat lukte me niet. Evenmin zei ik dat het me leuk leek om ook eens zelf voor hem te koken. Dat klonk zo ouderwets, zo niet-carrièrevrouwachtig, dat ik het niet eens tegen mezelf durfde te zeggen.

 

© Els van Weijen

 

One thought on “Hoofdstuk Vier – Sherlock Holmes

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *