Hoofdstuk Vierentwintig – Je bent van mij

D0I7PPUU01

Ruim anderhalve dag reisde ik naar Thomas toe. In het vliegtuig keek ik constant naar hem. Op mijn tablet zag ik een man die bijna mager was, gespierd, waakzaam, en tegelijk verontrustend kalm. Zijn ogen waren het meest veranderd: hij leek de blik van een zeevaarder te hebben, die in de verte dingen waarnam die voor anderen onzichtbaar bleven.

Ik keek naar hem met het geluid uit. Ik wilde niet horen wat Thomas zei tegen journalisten op wie ik jaloers was omdat zij al bij hem waren. Ik wilde wachten tot ik hem kon aanraken en dingen kon horen die alleen voor mij bestemd waren, dingen die hij met niemand anders zou delen. In Londen had ik wel even met hem gesproken, maar een telefoon voldeed niet voor ons: de woorden die we hadden uitgewisseld waren eilanden in mistig water. Ze leken wazig en ik twijfelde soms of ze wel echt waren.

Op het vliegveld van Singapore moest ik vier uur wachten, vier uur die langer leken dan vier dorre wintermaanden. De vliegtuigmaatschappij had een plek geregeld waar ik me in alle privacy kon terugtrekken, maar daar had ik geen geduld voor. Ik beende door de gangen van het vliegveld, voorbij de ene gate na de andere. Ze waren allemaal poorten naar Thomas – gesloten poorten. Ik ging steeds harder lopen.

Hij was niet dood. Al die jaren was hij niet dood geweest. Hij was inderdaad ontvoerd, zoals ik veel te laat had bedacht, niet om losgeld, maar om hem te laten zwijgen. Clark Roberts had hem drieëndertig maanden bij me weggehouden omdat hij niet wilde dat Thomas de autoriteiten vertelde over dat bedrijf dat hij op een oneigenlijke manier had gekocht. Het bleek ALFRON te heten, de naam die ik ooit in een flits had gezien op de brief die Thomas had weggemoffeld. Clark had hem naar Nieuw-Zeeland gebracht en hem daar gevangen gehouden op een landgoed in de bossen van het Zuidereiland. Een landgoed waar geen hek omheen stond, vertelden de journalisten steeds opnieuw. Het was een feit waar ze geen genoeg van kregen, een detail dat saillant is als het niets met jezelf te maken heeft. Niemand twijfelde eraan dat Thomas graag had willen vluchten, en niemand wist waarom hij was gebleven. De enige reden waarom Thomas uiteindelijk vrij was gekomen, was dat de politie Clark in het vizier had gekregen voor een totaal andere kwestie.

Er doemde een journalist naast me op, een Aziaat van middelbare leeftijd, klein en gezet, zwetend ondanks de airconditioning. ‘Eén quote alstublieft, Miss Jacobs – daarna laat ik u met rust.’

‘Geen woord.’ Ik draaide hem de rug toe. ‘Bijna drie jaar lang geen enkel woord. Denkt u dat ik nu wat te zeggen heb?’

We vlogen verder. De landmassa van Australië leek zich voor eeuwig onder me uit te strekken. Een stewardess kwam me ieder uur vertellen dat het nu op begon te schieten. Ik was dat niet met haar eens.

In Auckland werd ik als eerste het vliegtuig uit geleid. Door gangen die gewoonlijk voor personeel waren werd ik naar een parkeerplaats gebracht. Daar wachtte Mrs Garland.

‘Waar is Thomas?’ vroeg ik.

Ze glimlachte, met een mildheid die me bijna duizelig maakte. ‘Het grote huis wordt belegerd door journalisten. Er is geen doorkomen aan voor hem. Daarom ben ik gekomen. Ik ben het gewend – ik doe het iedere dag.’

‘Oh.’

‘Bij Eliza en de kinderen wonen is me iets te veel van het goede, zelfs nu Thomas er is, maar ik kom natuurlijk iedere dag op bezoek. Thomas maakt veel tijd voor me vrij. We praten meestal een uur zonder dat iemand ons stoort.’

‘Oh,’ zei ik weer. ‘Ik zal er rekening mee houden. Kunnen we nu gaan? Sorry als ik bot ben, maar ik wil niet met u praten. Ik wil Thomas zien.’

Mrs Garland lachte. Ze omhelsde me en trok me tegen zich aan. ‘Waarom huil je niet of juich je niet, lieve Caro? Waarom staar je me aan alsof je slecht nieuws hebt gehoord?’

Ik maakte me los. ‘Caro? Líeve Caro?’

Ze schokschouderde. ‘Thomas zou het raar vinden als ik je Miss Jacobs noemde. Ik vraag me trouwens af waarom hij je nooit heeft verteld dat ik ook Caroline heet, en waarom de meiden het eveneens stilhielden. Misschien om mij de kans te geven om deze uitdrukking op je gezicht te zien. Hij is… hoogst interessant.’

Ik kreunde. ‘Wat doen we hier nog? Waar is uw auto?’

‘Heb je geen bagage waar we op moeten wachten?’

‘Bagage? Wie kan zich nu druk maken over bagage? We gaan. Onmiddellijk.’
Het grote huis werd inderdaad belegerd. In de straten eromheen zag ik overal busjes met schotelantennes. De gewoonlijk zo rustige wijk was gevuld met vreemden, die bij elkaar klonterden in groepjes die een aanval leken te bespreken. Bij het hek naar het grote huis leken ze te hopen op een bres in de barricade: daar was het het drukst. Ik had geen idee hoe we de oprit konden bereiken.

Mrs Garland keek strak naar de mensenmassa en gaf gas bij.

‘Kijk uit!’ riep ik, terwijl de journalisten routineus opzij sprongen. Het hek ging automatisch open en we reden de oprit op.

Mrs Garland grijnsde. ‘Het is best leuk om dit iedere dag te doen.’

Ik wankelde toen ik uitstapte, maar niet van schrik. Even hield ik stil naast de auto en legde ik mijn hand op de motorkap. Thomas. Hij was nu echt vlakbij. Achter me hoorde ik camera’s klikken en riepen de journalisten me toe. ‘Wat vind je van het nieuws, Caroline?’ ‘Je eerste reactie voor onze camera – het hoeft maar vijf minuten te duren.’ ‘Zeg wat!’

Ik liep trillend verder. Een paar meter overbrugde ik nog, naar de tuin aan de achterkant van het huis, uit het zicht van de journalisten. De tweeling holde me tegemoet. Sophie viel me om de nek. ‘Ik wist helemaal niet meer hoe lief oom Thomas is,’ gilde ze in mijn oor. ‘Hij is veel leuker dan de ooms van Joy en Zara en Lily. Als de journalisten weg zijn gaan wij samen naar de stad. Dan gaan we alle cadeautjes kopen die hij me de afgelopen jaren niet heeft kunnen geven.’

‘Oom Thomas weet wat een astrolabium is,’ vertelde Michael. ‘En hij kan uitleggen hoe een sextant werkt. Meneer Davis kan dat niet – die weet alleen wat gps is. En oom Thomas weet alles over zeevaart. Als je de journalisten weg zijn gaan wij naar Voyager, tante Caro. Dat is het maritiem museum.’

Achter hen kwam een gestalte naar me toe, een gestalte die heel geduldig wachtte, maar die ik voelde met vezels van mijn lichaam die jarenlang geslapen hadden. Ik durfde bijna niet naar hem te kijken. ‘Ga alsjeblieft weg,’ zei ik tegen de tweeling. Even streek ik Sophie over haar haar. ‘Sorry, dat klinkt niet lief, maar ik wil nu niet met jullie praten. Ik wil met oom Thomas praten. Alleen.’

‘Nou zeg!’ zei Sophie.

Michael riep verontwaardigd: ‘Wij hebben hem ook heel lang niet gezien. Hij is niet alleen voor jou.’

Er werd een hand op Michaels schouder gelegd, een hand die mijn aandacht al compleet naar zich toe trok, waarvan ik de kracht zag en waarvan ik wist hoe hij voelde als hij me aanraakte. ‘Laat ons maar even alleen,’ klonk het – ik huiverde.

De tweeling protesteerde niet meer: ze holden naar hun oma. Toen durfde ik op te kijken. Ik zag zijn gezicht, zowel vertrouwd als nieuw. Ik zag zijn ogen en zijn glimlach, tevreden maar ook vol pijn. ‘Lieveling,’ fluisterde ik.

Hij strekte zijn armen naar me uit. Ik huilde toen hij mijn naam zei en me kuste en me heel dicht tegen zich aan trok. Thomas. Ik had hem terug.

 

‘Ben je echt?’ vroeg hij wat later. ‘Weet je dat heel zeker?’

We stonden nog steeds tegen elkaar aan. ‘Jij voelt echt,’ zei ik. ‘Heerlijk echt.’

Ik had mijn gezicht tegen zijn borst gedrukt, maar hij hief mijn kin omhoog zodat hij me kon bekijken. Er was een licht in zijn ogen dat ik daar nooit eerder had gezien, een licht dat hem tegelijk jong en eeuwenoud maakte, dat zijn gezicht kracht en gezag verleende. ‘Jij bent degene van wie ik het vaakst heb gedacht dat ik je nooit meer zou zien.’

‘Vanaf nu blijf ik bij je. Voor altijd, Thomas.’

Hij leek me niet te horen: zijn ogen verduisterden. ‘Als ik het Clark moeilijk maakte, dreigde hij je wat aan te doen. Hij heeft tot in detail verteld hoe hij je zou…’ Thomas trok me weer dichter naar zich toe. ‘Je bent van mij. Helemaal van mij.’

‘Ja,’ beaamde ik. Ergens wist ik nog dat ik in ons eerste jaar gedacht zou hebben dat ik zijn claim ouderwets moest vinden, maar dat interesseerde me niet meer. Nu dacht ik aan woorden uit de Bijbel, over de uitdrukking “ten huwelijk gegeven worden”, en wist ik dat ik aan Thomas gegeven wilde worden. Ik kuste hem zacht, maar hij was te lang alleen geweest om zachtheid te verdragen: zijn eigen kus was bijna pijnlijk. Zijn handen gleden over me heen alsof hij zijn brandmerk op me zette: hij verschroeide mijn huid en alles daaronder.

Toen liet hij me abrupt los. ‘Ja,’ gromde hij. ‘En dat mag je nooit vergeten – herinner jezelf er iedere dag aan.’ Hij deed een paar stappen bij me vandaan. ‘Je maakt het me lastig, lieveling. Ik kan je niet aanraken, niet met journalisten voor de poort en de kinderen vlakbij, maar ik wil het wel heel graag.’ Het was alsof hij toegaf aan zijn wens: hij bleef staan waar hij stond, maar ik voelde zijn blik op mijn huid – ze brandde weer.

‘Je bent anders,’ fluisterde ik. Het licht in zijn ogen dat ik nog geen namen kon geven gaf hem een uitstraling van constante waakzaamheid. Hij leek op een strijder – ik kon me hem voorstellen met een zwaard in zijn hand. ‘Anders, maar precies wat ik wil. Ik kan alleen nog naar jou kijken, Thomas, net als vroeger, maar om andere redenen. Je…’ Ik wilde zeggen dat het voelde of hij me uitnodigde om op hem te leunen, maar dat was toch nog steeds iets te ouderwets. ‘Ik snap niet dat ik me er drieëndertig maanden lang van heb kunnen overtuigen dat je echt dood was. Het spijt me zo. Ik had altijd moeten voelen dat het niet waar was.’

Hij overbrugde de afstand en greep me weer vast. Hij kuste me, met zo veel kracht dat het nu echt pijn deed, maar het was een pijn die verrukkelijk was, die ik verwelkomde. ‘Wees blij dat je het niet wist. Wees blij dat je niet constant hoefde te twijfelen over hoe het me ging en over wat ik aan het doen was, zoals ik bij jou.’ Zijn omhelzing werd alsmaar steviger. ‘Soms wilde ik God smeken om…’ Daar stokte hij; hij hijgde een lach. ‘Vroeger probeerde ik me in te houden als ik uitlegde wat ik voor je voelde. Weet je dat nog?’

‘Ja. Je zei dat je bang was dat ik je melodramatisch zou vinden. Maar ik vond je nooit melodramatisch – en dat gaat ook nooit gebeuren. Praat, lieveling. Vertel me alles.’

Hij pakte mijn hand. ‘Je trilt. Kom, Caro, we gaan even zitten.’

‘Dat is niet melodramatisch – dat stelt zelfs bijna teleur. En je moet een andere naam voor me verzinnen. Je hele familie noemt me tegenwoordig Caro. Het klinkt schattig, maar ik wil niet dat jouw naam voor mij schattig is. Ik wil…’ Ik keek in het smeulende vuur van zijn ogen en begon nog meer te trillen. ‘Ik wil iets dat veel meer dan schattig is,’ waagde ik toch.

‘Vrouw, je bent nog steeds in staat om half als een grap dingen te zeggen die mij zo hongerig maken dat ik er humorloos van word.’ Thomas trok me mee naar een bankje op de veranda, plantte me er neer, maar bleef zelf staan, tegenover me, zijn benen uit elkaar geplant, zijn armen gevouwen. ‘Ik zal niet schattig zijn – ik weet niet of ik zelfs nog tot schattig in staat ben na alles wat er is gebeurd. Clark en ik hebben drie jaar gevochten, Caroline. We hebben woorden gebruikt, ons verstand ingezet, geschermd met alles dat belangrijk was voor de ander. We hebben machten aangeroepen die ons bevattingsvermogen te boven gingen. En nu kan de wereld nooit meer zijn wat ze was. Ikzelf…’ Hij schokschouderde. ‘Ikzelf ben ook niet meer wie ik was.’

‘Dat weet ik lieveling.’ Ik pakte zijn pols en dwong hem naast me te komen zitten. Ik legde een van zijn armen om me heen en schoof tegen hem aan. Zijn warmte en zijn geur waren bijna bedwelmend. ‘Vertel me wat er is gebeurd.’

‘Wil je dat echt? Moeten we het hebben over dingen die Steve Hartford zou opschrijven, over dingen die andere journalisten je vast al verteld hebben?’

‘Ik heb zo min mogelijk naar ze geluisterd – ik wilde het verhaal van jou horen. ALFRON. Dat het met dat bedrijf te maken had, is het enige dat ik weet. En ik heb die naam gezien, voordat het allemaal gebeurde. Ik –’

Hij kuste me. ‘Gelukkig heb je niet meer gezien. Clark heeft me wekenlang uitgehoord om daar zeker van te zijn. Als hij getwijfeld had…’ Thomas grimaste. ‘Om de een of andere reden kon hij mij niet doden – in mij zag hij misschien nog de vriendschap waar hij tot toe in staat was geweest toen hij nog mens was. Voor jou gold dat niet. Jij was…’ Hij sloot zijn ogen. ‘Er stond geen zichtbaar hek om zijn gevangenis. Zijn hek was liefde. Hij zei dat ik kon vluchten, maar dat als ik dat deed hij naar jou toe zou gaan, of naar mijn familie. Ik zou het bos om zijn landgoed te voet moeten doorkruisen, maar hij had auto’s en op een airstrip in de buurt stond een vliegtuig klaar. Hij zou sneller zijn, en dan zou hij jou… en de familie…’

Thomas deed zijn ogen weer open. Ik werd net als vroeger naar ze toegetrokken en wist dat Clark de familie niet had bedreigd. Ik alleen was de reden dat Thomas zich drieëndertig maanden gevangen had laten houden. Nog dichter drukte ik me tegen hem aan. ‘Sorry,’ zei ik. ‘Sorry dat ik het allemaal niet doorhad.’

Hij grinnikte. ‘Sorry – dat oude woord dat je denk ik nog steeds te veel gebruikt. Nogmaals: gelukkig dat je het niet doorhad. Je hebt geen idee wat Clark is geworden.’ Thomas stond op. Hij liep op en neer over de veranda en zag er opeens afstandelijk uit, alsof hij aan het werk was en ingewikkelde onderhandelingen voerde. ‘Frappant dat de hel die hij voor ons samen creëerde uiteindelijk door zoiets onnozels als heling werd verbroken. Blijkbaar had hij nog meer uitdaging nodig dan een man die zijn vriend was geweest op de knieën dwingen, hem laagje voor laagje zijn huid afstropen en…’ Thomas zweeg weer en beet woorden weg, precies zoals ik hem vroeger zo vaak had zien doen.

‘Praat, Thomas. Vertel me alles wat er is gebeurd.’

Nog een keer liep Thomas op en neer over de veranda, zijn armen op zijn rug gevouwen. ‘Clark kocht ALFRON in de zomer voordat ik jou leerde kennen, hier in Nieuw-Zeeland.’ Hij klonk nu alsof hij het principeakkoord na de onderhandelingen voorlas: hij sprak duidelijk en langzaam, zonder emotie in zijn stem. ‘Hij en Eve hadden plannen om hier weer te gaan wonen. Hun huwelijk was al jaren slecht en ze hoopten dat het hier beter zou gaan. Of eigenlijk hoopte Eve dat: de manier waarop Clark ALFRON kocht gaf me weinig reden om te geloven dat hij ook serieus bezig was met hun huwelijksgeluk. Toen de oprichter en eigenaar van ALFRON, Henry Dickens, twijfelde over de verkoop, overtuigde Clark hem met naaktfoto’s van zijn zeventienjarige dochter. Hij had ze zelf gemaakt, in haar bed.’ Thomas kwam weer naast me zitten en staarde naar de zee. ‘Clark vertelde me over zijn chantage alsof het een grap was, waar ik de humor wel van in zou zien.’

Ik lachte bijna. ‘Dan kende hij je heel slecht.’

Thomas bleef naar de zee kijken. ‘Katie was vrijwillig een relatie met hem aangegaan – de zoveelste in een lange lijst die Eve tot wanhoop dreef. Ik vertelde Clark dat hij wat mij betreft een grens had overtreden door seks te hebben met een minderjarige en daarmee haar vader te chanteren. Ik dreigde met maatregelen. Clark was verbaasd, maar na een paar dagen zei hij dat ik gelijk had. Hij beloofde de verkoop ongedaan te maken.’

‘En toen?’

‘Toen ontmoette ik jou – en was ik afgeleid. Het enige wat nog telde was ervoor zorgen dat ik jou voor mezelf kreeg. De rest werd onbelangrijk.’

‘Maar je verstand werd natuurlijk al snel weer wakker. Op onze tweede avond in Londen waarschijnlijk al, toen we Clark en Eve tegenkwamen.’

Strelend gleed zijn mond over mijn voorhoofd. ‘Je klinkt nogal rationeel, lieveling, of zelfs kritisch. Ik weet niet of ik dat wil. Maar je hebt gelijk. Ik dacht aan Katie Dickens en zag een meisje voor me dat maar vijf jaar jonger was dan jij, en misschien net zo lief of net zo onzeker. Ik wist dat ik de zaak niet kon laten rusten. Toen ik uitzocht of Clark zijn beloftes nakwam, hoorde ik dat hij Dickens als directeur had aangesteld bij ALFRON maar het bedrijf nog steeds in bezit had. Dat vond ik eerder zout in Dickens’ wonden strooien dan proberen die wonden te helen. Ik hoorde ook dat de dochter van Dickens zelfmoord gepleegd had.’

Ik voelde een mes in mijn onderbuik, een mes dat met kracht door vlees en organen drong. ‘En toen dacht je natuurlijk aan Belinda. Toen wilde je zeker ingrijpen. Je had je kans om je zogenaamde schuld die geen schuld was in te lossen.’

‘Nee.’ Thomas liet me los en ik zag opnieuw dat wonderbaarlijke licht in zijn ogen. Het was alsof zonlicht mist doorkliefde: grauw wit werd helder stralend. ‘Ik dacht aan gerechtigheid. Ik wist dat ik Clark moest stoppen.’ Toen vergleed het licht. ‘Maar ik wist niet hoe. Ik gaf om Clark. Hij heeft Jake gered toen hij bijna verdronk. Hij was er voor me toen ik het zwaar vond om Garland Oil te leiden. Hij was mijn vriend.’

‘Ik haat hem.’

‘Niet doen. Haat bindt je aan het object van je weerzin. Clark leerde te haten. Hij liet zich leiden door de drift naar altijd meer geld en naar altijd meer vrouwen, en vond dat iedereen die hem daarbij in de weg stond een vijand was. Ten slotte ontmoette hij de oorsprong van zijn haat, en nu laat hij zich gewillig door hem kapotmaken.’

‘Thomas? Wat bedoel je?’

Thomas keek me fronsend aan. ‘Snap je dat niet? Jij hebt toch ontdekt wie het licht in de wereld is? Herken je dan het donker niet?’

Ik was even stil. ‘Je weet dat ik christen ben.’

‘Ja. En daar ben ik heel erg blij mee. Clark gaf me Afterwards te lezen, en later Bridge across Forever. Hij dacht een nieuw wapen in de strijd te hebben, maar die keer maakte hij een kolossale inschattingsfout: ik was degene die een wapen kreeg, het machtigste wapen dat er is. Door Afterwards begon ik me af te vragen of de redenen waarom ik mijn geloof had opgegeven, wel reëel waren. Bridge across Forever gaf mijn geloof aan me terug.’

Ik greep zijn handen vast. ‘Nee.’

‘Door jouw boeken besefte ik dat ik de genade en liefde die God me nog steeds aanbood, wilde en nodig had. Ik begreep dat ik God had losgelaten omdat ik mijn eigen gang wilde gaan, zelf de leiding wilde hebben over mijn leven. Ik besefte ook dat ik die leiding nooit had gehad, altijd al machteloos was geweest. En dat was goed.’ Thomas keek me aan. De openlijke, nederige dankbaarheid die ik in zijn ogen zag, deed bijna pijn: die paste niet bij hem. ‘Jij liet me zien dat ik niet alleen was. Jij liet me zien dat God me nog steeds wilde aannemen als zijn zoon.’

Ik wist niet wat ik moest zeggen. ‘Wat fantastisch,’ bracht ik uit, maar ik geloof dat ik “fantastisch” gebruikte in de oorspronkelijke betekenis van het woord. Ik kon niet begrijpen dat Thomas in zijn omstandigheden er vrijwillig voor had gekozen om christen te worden. Die keuze leek bijna onnatuurlijk.

‘Meer dan fantastisch – levensveranderend.’

Ik schudde mijn hoofd. ‘We moeten terug naar waar je was in je verhaal, voordat ik het niet meer volg. Je wilde Clark stoppen, maar je wist niet hoe.’

‘Wat er met de dochter van Dickens was gebeurd kreeg ik te horen zo rond de tijd dat jij me bezocht in je yukata. Door hoe gelukkig we daarna waren ,was ik natuurlijk weer afgeleid. Maar uiteindelijk nam ik contact op met Henry Dickens, en had ik een aantal lange gesprekken met hem. Hij was blij dat hij met iemand kon praten. Eigenlijk interesseerde zijn bedrijf hem niet meer zo – hij was vooral kapot van verdriet over zijn dochter. En toen stierf hij. Volgens de politie had hij zelfmoord gepleegd vanwege zijn dochter. Maar ik had mijn twijfels. Henry had een gehandicapte vrouw die zijn zorg nodig had en die nog meer leed onder de dood van hun enige kind dan hij. Hij had me uitgebreid over haar verteld.’

Ik huiverde. ‘Moord? Serieus? Door Clark?’

‘Ik kon het niet bewijzen, maar ik wilde een onderzoek instellen. Dom genoeg zei ik dat tegen Clark. Hij zette een plan op om mij voorgoed te laten zwijgen.’

‘Was hij op het vliegveld op de dag dat je met de helikopter mee zou gaan?’

‘Hij was in de buurt, maar hij liet zich niet zien, zodat de journalisten hem niet per ongeluk met hun camera’s zouden vastleggen. Hij stuurde een van zijn handlangers – een van de mannen die hij liever “assistent” noemt. Die schoof me een briefje toe waarop stond dat ik niets tegen de journalisten moest zeggen, maar dat Clark dringend met me wilde praten. Hij wachtte vlak bij het vliegveld op me in een auto. Ik vertelde de journalisten dat ze even geduld moesten hebben, dat ik vijf minuten weg zou zijn en dan terug zou komen.’

‘En Clark deed… wat?’

‘Hij vertelde dat hij een persconferentie zou geven over de misstanden rondom de overname van ALFRON – met de dood van Henry beweerde hij niets te maken te hebben – en zich daarna zou melden bij de politie. En hij vroeg me om steun. Hij wilde dat er iemand bij hem bleef tijdens die moeilijke dag. Een vriend. De mensen van het camerateam mochten van niets weten – hij wilde niet dat het verhaal al zou uitlekken. Dus schudde ik ze af.’

‘Maar de helikopter – die vertrok gewoon.’

‘Clarks handlanger heeft Dave, de piloot, een vervalst verzoek van mij gegeven om iets op te halen op het boorplatform.’ Thomas boog zijn hoofd. ‘Ik kende Dave al acht jaar. En ik heb nu drie jaar moeten luisteren naar het verhaal hoe Clark op Cyprus mannen vond die een bom op een ongeluk konden laten lijken. Hij moest altijd erg lachen om de herinnering. Blijkbaar voldeden de criminelen aan allerlei stereotypes: mannen met grote snorren, die in regenjassen afspraken in louche bars. Zelf vond hij zijn plan en hoe hij het had uitgevoerd geniaal. Hij noemde zichzelf een moderne Sherlock Holmes.’

‘Dat was Martin al – Clark is Moriarty.’ Ik vocht weer met de haat, en met de wetenschap dat ik niet slim genoeg was geweest om de aanknopingspunten met elkaar te verbinden. ‘En nadat je met Clark was meegegaan? Wat gebeurde er toen?’

‘Een klap op mijn hoofd, verdovende middelen, een bewusteloze reis en ontwaken in een vaderland dat niet als thuis voelde. Duisternis, stilte, Clark die Clark niet meer was. Wanhoop. Gemis. En heel veel meer.’ Even was er onrust in Thomas’ ogen; hij keek bij me vandaan, over het water. ‘Ik heb drie jaar in het bos rondom Clarks landgoed gewerkt, in een eenzaamheid die ik in het begin nauwelijks verdroeg. Alleen ’s avonds mocht ik binnenkomen en dan was Clark net zo donker en ondoorgrondelijk als het woud.’ Thomas keek me weer aan en glimlachte, wonderbaarlijk mooi, alsof zijn glimlach een symfonie was. ‘Maar uiteindelijk was God er. God, die het duister doorkliefde.’

‘Ik vind het zo erg wat er allemaal gebeurd is,’ fluisterde ik.

‘Het is voorbij. Clark heeft de oorlog verloren. Mijn familie wacht binnen op me en jij bent bij me. De Almachtige ziet me. Ik heb niets te wensen meer over.’

‘Echt niet?’

‘Ik ben gelukkig, Caroline – gelukkiger dan ik ooit ben geweest. En nu moeten we naar binnen. Er lopen regelmatig journalisten op het strand; ik heb er geen behoefte aan om foto’s van dit moment te delen met de wereld. Het is ook veel te koud voor jou om zo lang buiten te zitten. Eliza wil haar vriendin zien en moeder klaagt vast dat we te lang wegblijven.’

‘Eén minuut nog – een minuut voor ons samen.’

Thomas schudde zijn hoofd. ‘Een heel leven, wat mij betreft.’

Zijn blik was zo ernstig dat ik niet meer sprak; ik liet me willoos door hem meevoeren.

 

De rest van de dag waren we bij de familie en deed ik mijn best hun aandacht te geven. Dat bleek lastig. Het viel me op dat Jake lang en slungelig was geworden en onverschillig over probeerde te komen. Ik zag ook dat Eliza een paar strengen grijs in haar kapsel had, dat de tweeling geen ronde kindergezichtjes meer had en dat Julie er volwassener uitzag, maar verdere details nam ik niet op. Ik keek vooral naar Thomas, naar hoe hij naar zijn familie keek, tevreden maar nog steeds waakzaam, alsof hij ze beschermde.

Mrs Garland werd al meer zichzelf. Toen ze hoorde dat ik voor de ontploffing van de helikopter de naam ALFRON had gezien én had geweten dat Thomas en Clark een conflict hadden over een bedrijf, snoof ze. ‘Je was niet slim genoeg om conclusies te trekken?’

‘Ik wist niet dat ALFRON een bedrijfsnaam was.’

‘Wat had het anders kunnen zijn?’

Thomas kwam me te hulp: ‘Ik heb het al eerder tegen Caroline gezegd, en ik zeg het opnieuw: ik ben blij dat ze het niet doorhad.’ Zijn stem was weer afstandelijk; ik begon te begrijpen dat hij dan het meest voelde.

Mrs Garland snoof opnieuw. ‘Ik had je graag eerder terug gehad.’

Sophie kroop naast me op de bank. ‘Al die tijd leefde oom Thomas, tante Caro. En dat wisten we niet! Wat gek, hè?’

‘We wisten het wél,’ mompelde ik. ‘Ik had het altijd moeten weten.’

Mrs Garland bekeek me kritisch. ‘Jij misschien wel, ja.’

Ik dacht aan het sterke voorgevoel dat ik had gehad op de dag dat ik hoorde dat Thomas nog leefde. Even wilde ik krijsen van frustratie. Waarom was mijn voorgevoel niet jaren geleden zo sterk geweest? Waarom had God me niet eerder duidelijk gemaakt wat er aan de hand was? Bijna was ik boos op Hem. Ik dacht terug aan wat mijn vader anderhalf jaar geleden had gezegd: dat ik niet moest geloven dat ik Gods gedachten kon begrijpen. Ik snapte nu wat hij daarmee had bedoeld. Toen keek ik weer naar Thomas. Hij glimlachte naar me en ik werd kalm – zo kalm als mogelijk was in zijn nabijheid.

 

Al vroeg die avond beweerde ik dat ik slaap had. Ik legde uit dat ik een jetlag had en dat ik ook al enkele dagen wakker was: sinds het nieuws over Thomas had ik niet meer geslapen. De familie knikte begripvol. Thomas zweeg en bleef bewegingsloos zitten.

Ik liep in mijn eentje de woonkamer uit en dwaalde in de gang wat gedesoriënteerd rond. Ik had niet met Eliza – of Thomas – besproken waar ik zou slapen. Na een korte aarzeling liep ik richting de kamer die in het verleden de mijne was geweest. Op de drempel bleef ik stilstaan, opnieuw gedesoriënteerd: de kamer was al in gebruik. Het dekbed was opengeslagen en op het kussen lag een boek: Perelandra van C.S. Lewis. Toen hoorde ik voetstappen achter me. Zacht werd ik over de drempel geduwd.

‘Jij slaapt hier?’ vroeg ik aan Thomas.

‘Wij slapen hier.’

‘Vindt Eliza dat goed? Haar meningen over wat een ongetrouwd stel wel en niet kan doen, zijn altijd nogal duidelijk geweest.’

‘Natuurlijk vindt ze het goed.’ Hij drukte zijn lippen op mijn voorhoofd, en toen lager. ‘Dit was jouw kamer toen je in Nieuw-Zeeland woonde, hè? Hier heb je om me getreurd.’

Ik leunde tegen hem aan. ‘Ik wou dat ik destijds had geweten dat ik hier op een dag samen met jou zou staan. Ik kan je niet vertellen hoe vaak ik hier… niet om je schreeuwde maar wilde dat ik kon schreeuwen.’

‘Het spijt me wat je allemaal hebt doorstaan.’

‘Je foto stond altijd naast me op het nachtkastje. Heel vaak pakte ik…’ Ik realiseerde me dat de foto er nog steeds stond en viel stil.

Thomas keek ook naar de foto. ‘Ik weet niet of ik de man nog ben om wie je hebt gerouwd. Ik herken mezelf niet meer zo goed in hem.’ Hij liep naar het nachtkastje en legde de fotolijst met de foto naar beneden neer. Toen ging hij op het bed zitten. ‘De afgelopen nacht heb ik geprobeerd me voor te stellen wat jij gezien en gevoeld hebt in deze kamer. Maar ik vroeg me ook af waarom de foto hier is gebleven. Heb je me hier achtergelaten?’

Ik liep naar hem toe. ‘Ik heb alleen geprobeerd het verdriet achter te laten. Er zijn zo veel nachten geweest dat ik uren naar die foto lag te staren. Ik heb tegen je gepraat, en soms was je zo echt dat ik bijna dacht dat je iets terugzei. Soms geloofde ik… dat je niet dood was.’ Driftig wreef ik mijn tranen weg. ‘Ik had naar dat gevoel moeten luisteren.’

Thomas pakte mijn handen. ‘Zachtjes, lieveling. Doe voorzichtig met mijn schat in broos vaatwerk.’ Toen trok hij zich dichter naar me toe. ‘Heb je je laten troosten? Clark is nog wel een beetje geslaagd in zijn opzet toen hij mij je boeken gaf. Het einde van Afterwards… Sarah die verliefd wordt… Het was alsof ik je hardop hoorde fantaseren over een andere man.’

Ik keek weg. ‘Ik ben twee keer verliefd geweest. Of dat dacht ik tenminste.’ Ik keek terug. ‘Ik heb niet met ze geslapen.’

In Thomas’ ogen zag ik zo veel naakte dankbaarheid dat ik niet over Steve kon praten – niet op dat moment. ‘Je bent van mij,’ zei hij.

‘Ja, Thomas. Ik ben van jou. Wees ook van mij.’

En dat was hij.

 

 

© Els van Weijen

6 thoughts on “Hoofdstuk Vierentwintig – Je bent van mij

  1. Geweldig dat Thomas in levende wijze aanwezig is maar wat heeft hij meegemaakt en wat neemt hij mee in de toekomst. En kan Caroline dit allemaal aan? Heftig hoor maar knap van deze schrijfster
    Els van Weijen

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *