Hoofdstuk Vijfentwintig – Een ondenkbaar concept

023E7D7F75

De volgende morgen besloot ik eens een keer niet te ontbijten met yoghurt en muesli. De keuken rook naar versgebakken brood en toen ik croissants op tafel zag staan, wist ik dat mijn keuze gemaakt was. Terwijl ik een croissant met jam besmeerde, schoof Michael bij me aan tafel. Hij kwam heel dicht naast me zitten. ‘Ik mag zo mee naar de journalisten, hè? Dat vind jij vast wel goed.’

‘Michael…’ klonk de stem van Eliza uit de bijkeuken.

Ik streelde Michael over zijn haar. ‘Volgens mij heeft je moeder al gezegd dat ze niet wil dat jullie op tv komen.’

‘Maar Sophie is wel op tv geweest! Waarom mag ik dan niet? Dat is niet eerlijk!’ Michael schoof bij me vandaan en sprong op, zo abrupt dat zijn stoel omviel.

Eliza kwam naar de tafel. ‘Sophie is alleen op tv geweest omdat ze achter oom Thomas aan de deur uitrende. Daar heeft ze straf voor gehad, zoals je heel goed weet. En denk eraan dat jij haar niet nadoet. Je weet waarom ik niet wil dat jullie geïnterviewd worden: de beelden kunnen over de hele wereld terechtkomen, ook op plekken waar mensen heel raar denken over kinderen. Dat wil ik niet – daarvoor hou ik veel te veel van jullie. En zet nu je stoel overeind.’

Dat deed Michael niet: hij trapte ertegen, zo hard dat de stoel tegen een kast aan schoot. Een vaas die daar op de plank stond wankelde, leek te aarzelen of hij zijn evenwicht zou bewaren, en viel toen kletterend kapot op de tegels. Ik zag Michael even verstrakken, maar hij keek niet schuldig – eerder boos. Hij vermeed de ogen van zijn moeder en vouwde zijn armen over elkaar. ‘Het is niet eerlijk. Oom Thomas en tante Caro komen ook op tv, en dat vind je niet erg.’

Ik trok hem dichter naar me toe. ‘We gaan alleen met de journalisten praten omdat we hopen dat als ze ons samen hebben gezien, ze eindelijk weggaan. We gaan waarschijnlijk heel verliefd en klef doen – dat vind je echt niet leuk om te zien.’

Michael sloeg mijn hand van zich af en banjerde de kamer uit.

Ik keek naar Eliza. Ze kwam bij me aan tafel zitten. ‘Hij heeft te weinig te doen. Als hij naar school gaat, gaat het allemaal wel: dan heeft hij genoeg uitdagingen voor zijn verstand en is hij rustiger. Hij werkt thuis ook aan projecten, maar het lukt hem niet om zich daar nu op te concentreren, niet met zijn oom in huis en journalisten voor de deur.’

‘Te veel indrukken.’

Eliza knikte. Toen probeerde ze te glimlachen. ‘En jij? Ook veel indrukken?’

Op dat moment stapte Thomas de kamer in. ‘Waarschijnlijk wel. Ik denk dat ze ervan duizelt.’ Hij kuste mijn lippen. ‘Maar nu leg ik je woorden in de mond. Wat is zelf je antwoord, lieveling, en hoe ga je dat netjes formuleren tegenover mijn zus?’

Ik zag Eliza gegeneerd wegkijken. ‘Thomas,’ siste ik.

Hij raapte de stoel op en kwam naast me zitten. ‘Croissants voor het ontbijt – erg smakelijk en erg vertrouwd.’ Hij nam een hap van de mijne. ‘Ik had al zo’n vermoeden dat je vandaag geen trek zou hebben in yoghurt. Maar wat doet die vaas op de vloer? Heb je op een originele manier uiting gegeven aan je blijdschap over –’

‘Thomas…’

‘Dat heeft Michael gedaan,’ zei Eliza. ‘Hij was weer driftig.’

‘Alweer?’ Thomas fronste naar zijn zus. ‘Ik zal eens met hem praten.’

‘Goed idee. Naar jou luistert hij. Jij snapt hem.’

Thomas legde zijn croissant neer. ‘Zullen we ons eerst laten interviewen?’ vroeg hij aan mij. ‘We kunnen het maar beter achter de rug hebben.’

 

Een half uur later liepen we hand in hand de oprit af richting de poort. ‘We voldoen nu aan alle stereotypes over een stel dat net herenigd is,’ mompelde Thomas. ‘Nooit gedacht dat ik journalisten nog eens zo ter wille zou zijn.’

‘Een kritische burger zoals jij weet vast ook dat sommige van die journalisten richtmicrofoons hebben, waarmee ze nu al alles kunnen horen dat we zeggen,’ mompelde ik terug. Misschien moet je niet te veel uiting geven aan je diepe liefde voor de beroepsgroep.’

Hij grinnikte. ‘Ik ga alleen uiting geven aan mijn diepe liefde voor jou. Wat denk je daarvan?’

Tijd om antwoord te geven was er niet: we hadden de journalisten bereikt en werden overspoeld met vragen. Thomas maakte heel duidelijk dat dit wat hem betreft de laatste keer was dat hij interviews zou geven, en dat ik maar één keer zou praten over zijn terugkomst. De glimlach die hij op zijn woorden liet volgen was echter mild. ‘Later mag u haar alleen nog naar haar boeken vragen – die zijn veel belangrijker. Ik kan iedereen aanraden om ze te lezen.’ Daarna liepen we van de ene cameraploeg naar de andere. We spraken met Nieuw-Zeelanders, Australiërs, Britten, Italianen en Nederlanders (Thomas zei weer hoe bijzonder hij het vond om mij in mijn moederstaal te horen praten, en beweerde dat hij nu echt haast zou maken om die taal te leren).

Ten slotte werden we ook nog gevraagd om apart interviews te geven. Thomas werd meegesleept door een journalist van een businesskanaal in Amerika en ik werd neergezet voor de camera van een Spaanse ploeg die over mijn boeken wilde praten. De interviewster zag onnatuurlijk bleek en was zo mager was dat het bot van haar jukbeenderen bijna door haar huid stak. Ze droeg een zonnebril die haar ogen onzichtbaar maakte.

‘Spanje is een religieus land,’ vertelde ze me met hese stem. ‘Wij weten dat God een deel is van ons leven. Maar ik ben benieuwd, mevrouw, wat u ervan denkt dat God u bijna drie jaar heeft laten geloven dat uw verloofde niet dood was. Bent u boos op Hem?’

Ik probeerde door de zonnebril heen te kijken. Iets in de stem van de vrouw gaf me de indruk dat ze zelf misschien boos was. ‘Ik heb in mijn boeken nooit beweerd dat leven met God gemakkelijk is. Zijn wegen zijn ondoorgrondelijk, staat in de Bijbel. Ik kan daar nu over meepraten.’

‘Dat zegt u heel simpel. Maar het is niet simpel. Ik kan me niet voorstellen dat u niet boos bent. Zult u er op een dag een boek over schrijven, net zoals u een boek heeft geschreven over uw rouw om iemand die helemaal niet dood was? Zult u uw knieën weer voor God buigen terwijl u eigenlijk naar Hem wilt schreeuwen?’

‘God is genadig,’ zei ik. ‘Hij heeft mijn verloofde bij me teruggebracht – Hij heeft ingegrepen.’

‘Bij u. Maar dat doet Hij niet altijd. Wat zegt u tegen de mensen die een geliefde kwijtraken en zeker weten dat hij dood is? Wat zegt u tegen de kinderen die misbruikt worden? Wat zegt u tegen de slachtoffers van geweld – geweld in de naam van God?’

‘God is niet verantwoordelijk voor wat mensen doen.’

‘Niet? Maar Hij is toch almachtig? Hij kan toch ingrijpen?’

‘Hij heeft de mensen een vrije wil gegeven, ten goede en ten kwade. Clark Roberts heeft verkeerde wegen bewandeld en daar zijn wij tijdelijk slachtoffer van geweest. Andere mensen zijn slachtoffer van nog veel grotere dingen. Maar God is echt genadig. Hij komt degenen die Hem roepen tegemoet, Hij wil hen helpen.’

‘Dat gelooft u echt? En vindt u het een fijn idee dat Hij ook genadig wil zijn voor de daders? Dat staat toch ook in de Bijbel?’

‘Ja,’ zei ik. ‘Jazeker.’

‘En daar bent u niet blij mee. Probeer me niet van het tegendeel te overtuigen, mevrouw. Wees eerlijk – zeg voor één keer wat u denkt in plaats van fabeltjes te vertellen.’

‘Daar ben ik wel blij mee,’ zei ik. ‘Echt.’

De vrouw draaide zich om naar haar cameraman en zei iets in het Spaans. De camera ging uit en de interviewster zette haar bril af. Haar ogen bleken vaal groen te zijn. ‘Dank u voor uw tijd – jammer dat u de mijne verspild heeft. Ik wens u sterkte in uw sprookje.’

Ik voelde me wat terneergeslagen toen ik met Thomas terug naar het huis liep. Ook hij was stil, alsof zijn laatste interview hem eveneens onvoldaan had achtergelaten. We werden nog stiller toen we de keuken zagen. Op de tafel lagen tubes olieverf. Ze waren allemaal leeg gedrukt en de verf was door heel de keuken verspreid.

‘Michael,’ zei Thomas.

‘Hij is blijkbaar nog steeds boos. Dit is een kant van hoogbegaafdheid die ik niet kende. Dat belooft wat voor onze kinderen.’

‘Daar zou ik me nog maar niet druk over maken.’ Thomas beende weg. ‘Ik ga met Michael praten. En als je het wilt weten: hoogbegaafdheid is niet erfelijk.’

 

In de dagen die volgden daalde het aantal journalisten voor de poort snel. Toch bleef de familie zo veel mogelijk binnen. Het was winter en ze genoten ervan om dicht bij elkaar te zijn, zeker toen Michael weer vrolijker werd. Op een middag zag ik hem en Jake in groene superheldcapes voorbij vliegen. Ze zaten achter een monster aan dat de wereldvrede bedreigde. Even later kwamen ze schreeuwend terugrennen terwijl het monster hén belaagde.

‘Thomas!’ riep Mrs Garland, terwijl het monster bezig was de helden in spe met veel lawaai te verzwelgen. ‘Laat die kinderen met rust voordat ze het huis afbreken.’ Er werd niet onmiddellijk naar haar geluisterd: het duurde nog zeker vijf minuten voordat de helden waren afgeserveerd. Toen kwam het monster met verwarde haren bij ons zitten.

‘Zo,’ zei hij, ‘weer een klus geklaard. Nu moet ik alleen nog een theepartijtje bezoeken bij Sophie. Haar Barbies zijn ook uitgenodigd. Het wordt interessant: die dames zijn altijd op de hoogte van de laatste roddels.’

‘Ik hoop dat je vanavond nog tijd over hebt voor ons “theepartijtje”,’ zei zijn moeder. ‘Ik neem aan dat je gewoon ruimte vrij blijft maken om onder vier ogen te kunnen praten.’

‘Natuurlijk. Maar mag ik wel een hint geven dat ik het niet erg vind als je koffie schenkt? Ik krijg een zere maag van alle thee. En verheug je niet te veel op vanavond. Ik moet streng tegen je zijn.’

Mrs Garland trok een wenkbrauw op die me vroeger zou hebben doen huiveren. ‘Werkelijk? En waar heb ik dat aan verdiend?’

‘Ik hoorde op het laatste theepartijtje hoe jij Caroline de afgelopen jaren aangesproken hebt. Waarom noemde je haar Miss Jacobs terwijl ik trouwplannen met haar had?’

Mrs Garland keek wat schuldig. Dat was leuk om te zien, maar het lukte me niet om er maximaal van te genieten. Was ik overgevoelig of kwam het door mijn schrijversnatuur dat ik moeite had met de werkwoordsvorm in “trouwplannen met haar hád”?

Ik besloot haastig dat ik de zin in de context moest zien; ik weigerde me er druk over te maken. Het enige dat me soms wel echt dwarszat, was dat Thomas maar weinig tijd nam om bij mij te zijn. Ook nu weer rende hij zonder zijn moeders antwoord af te wachten weg in de richting van zijn nichtje.

 

Er zat me niets dwars toen we op zondag de Kerk van de Verlosser in liepen. De gemeente gaf Thomas een staande ovatie. Hij glimlachte, maar zag er wat opgelaten uit – de glimlach werd al snel een grimas. Dat was geen reden tot zorg: het was eerder vertrouwd, een aangenaam teken dat hij net als ik hoopte dat de normaliteit snel zou terugkeren.

Lawrence Shultz straalde toen hij vanaf het spreekgestoelte de gemeente bekeek. Zijn lange stilte was nog betekenisvoller dan anders. ‘Er gebeuren wonderen,’ stelde hij ten slotte vast, met zijn wat zijige maar warme stem. ‘Graag wil ik Thomas Garland hartelijk welkom heten in deze dienst.’

Er ging gejuich op. Thomas grimaste weer, ging staan en boog. Toen Lawrence hem vroeg naar voren te komen, deed hij ook dat, al hoorde ik hem zuchten. Hij was in staat tot een glimlach terwijl de dominee hem op de schouders sloeg en steeds opnieuw herhaalde hoe blij de gemeente was met zijn aanwezigheid. Voor wie Thomas goed kende was het duidelijk dat die glimlach hem moeite kostte; Eliza en Jake grinnikten en Mrs Garland snoof. ‘Waarom laat Lawrence hem niet gewoon met rust?’ wilde ze weten.

Toen Thomas weer naast me zat, kuchte Lawrence. ‘Niemand gaat dit waarschijnlijk geloven, maar deze preek had ik al enige weken geleden voorbereid. Hij is vandaag wonderlijk toepasselijk.’ Vervolgens sprak hij over Johannes 20:24-29, over de apostel Thomas die pas wil geloven dat de Heer is opgestaan uit de dood als hij Hem met eigen ogen ziet. “Wees niet langer ongelovig, maar geloof” was de tekst die steeds terugkwam. Mijn Thomas boog zijn hoofd en leek in stilte de Heer te loven voor het geloof dat hij nu bezat.

Na de dienst mengde hij zich in de menigte. Hij praatte met oude bekenden en vertelde keer op keer zijn verhaal. Ik deed hetzelfde, totdat iemand me belde. Het was Sam Hooper, mijn literair agent. Ik ging naar buiten om hem beter te verstaan, maar mijn relatie met hem werd er niet beter op toen hij me vertelde dat we moesten profiteren van de situatie rondom Thomas, en mijn nieuwe boek zo snel mogelijk moesten uitbrengen.

‘Profiteren? Ik hoop dat je begrijpt dat voor mij dit geen media event is. Dit is mijn leven. Mijn verloofde is na bijna drie jaar bij me teruggekomen.’

‘Ja, en nu moet je snel dat laatste hoofdstuk van je prachtige nieuwe boek schrijven en naar Engeland komen om het te promoten. Dit is je kans om een bestseller te hebben.’

‘Sam, ik zal het echt leuk vinden als veel mensen mijn boek lezen, maar…’ Ik voelde Thomas’ aanwezigheid voordat ik hem zag en draaide me met een glimlach naar hem om. Hij glimlachte niet terug, maar kwam wel naast me staan en legde zijn arm om me heen. Ik kroop dichter tegen hem aan. ‘… Maar ik zal het nog veel fijner vinden als ik de kans krijg om een tijdje samen met Thomas te ontspannen voordat je me dwingt weer aan het werk te gaan.’

‘Ontspan hier met hem. Hier woonden jullie toch?’

‘We hebben het er later nog wel over. Ga wat leuks doen. Je zou niet aan het werk moeten zijn op wat voor jou zaterdagavond is.’ Ik drukte de telefoon uit en verborg mijn gezicht tegen Thomas’ borst.

‘De plicht roept?’ vroeg hij.

‘De plicht schreeuwt.’

‘Ik ken het gevoel. Martin heeft me gisteren bijgepraat over Garland Oil en het interesseerde me veel te veel.’ Hij tilde mijn kin op om me te kussen, maar trok zich snel weer terug toen andere mensen de kerk uit kwamen. ‘Ik vond mijn geloof denk ik aangenamer toen er niet zo veel mensen bij betrokken waren,’ bromde hij.

‘Misschien moeten we met de hele familie even weggaan, op vakantie.’

‘De kinderen zitten op school.’

Ik durfde niet voor te stellen dat we zonder de familie op vakantie gingen. Dat konden we ze niet aandoen. In die overtuiging werd ik bevestigd tijdens de lunch. Iedereen vocht om een plaatsje naast Thomas. Uiteindelijk zat Mrs Garland rechts naast hem en Jake links. Thomas bad voor de maaltijd. Daarnaar luisteren vond ik nog steeds bijzonder. De clan leek hetzelfde te voelen: gewoonlijk werd er onmiddellijk gekletst na het gebed, maar deze keer was het opvallend stil. Mrs Garland keek op naar haar zoon en ik had nog nooit zo veel liefde in haar ogen gezien.

‘Het is heerlijk dat je er opnieuw voor hebt gekozen om God te volgen,’ zei ze.

‘Zo was het niet. God heeft ervoor gekozen mij naar zich toe te trekken. Daar kan ik alleen maar dankbaar voor zijn.’ Thomas keek om zich heen. ‘Staar me niet allemaal zo heilig aan; heb ik een aureool op mijn hoofd of zo? Michael, haal hem weg.’

Mrs Garland kon weer fronsen. ‘Thomas! Zoiets zeg je niet!’

Eliza grinnikte. ‘Natuurlijk wel.’ Ze reikte naar een schaal. ‘Wie wil er lam?’

Die vraag zorgde ervoor dat het gebruikelijke kabaal losbrak. Thomas glimlachte, net zo tevreden als hij dat in het verleden kon.

Gedurende de maaltijd zag ik hem echter veranderen. In het begin maakte hij grapjes met zijn neefjes en nichtje, maar langzaam begon hij minder te reageren op wat er om hem heen gebeurde. Hij leek moe, of zelfs somber. Iedere keer als het me lukte om zijn blik te vangen, keek hij al snel weer weg.

Aan het eind van de lunch liep hij even de kamer uit. Toen hij terugkwam mopperde hij over de drie journalisten die nog steeds voor het huis stonden. ‘Wat doen ze hier nog?’ vroeg hij aan niemand in het bijzonder. ‘Wat moet ik ze vertellen? Ze weten alles al.’

‘Ze zijn nieuwsgierig naar je, oom Thomas,’ legde Sophie uit. ‘Ze dachten dat je dood was en nu leef je weer. En ze zijn ook nieuwsgierig naar ons. Ze willen weten hoe blij wij zijn.’

‘Zal ik toch een interview houden?’ vroeg Michael. ‘Ik kan dat echt heel goed. Ik heb een site gevonden waar allerlei strikvragen op staan en hoe je daar antwoord op moet geven.’

Thomas plofte op zijn stoel. ‘Laat maar. Ik geloof niet dat ze echt luisteren. Ze vertellen liever hun eigen verhalen.’

‘Hun eigen verhalen?’ vroeg Mrs Garland.

‘Ik wou dat ze vertrokken,’ gromde hij. ‘Hoeveel uitleg willen ze nog van ons horen?’

‘Te veel,’ zuchtte Eliza. Maar haar zucht leek niet naar de journalisten te verwijzen. Na het eten trok ze me mee naar een stil hoekje. ‘Weet je zeker dat het goed gaat met Thomas?’ fluisterde ze.

‘Ja, hoor. Hij is een beetje overdonderd. Stel je voor dat je drie jaar lang gevangenzit en dan met de pers wordt geconfronteerd. En met deze familie.’

Eliza grijnsde. ‘Je hebt een punt. Hij lijkt zich alleen soms zo slecht op zijn gemak te voelen. Ik heb het een en ander gelezen over hoe mensen reageren op een ontvoering, en ik snap wel dat hij niet altijd is zoals hij was, maar…’ Eliza grijnsde niet meer. ‘Het zal even duren voordat hij weer zichzelf wordt. Hoe voel jij je?’

‘Onwerkelijk.’

‘Gelukkig?’

Haar vraag klonk zo ernstig dat ik me ook ernstig begon te voelen. Ik herinnerde me hoe Thomas aan tafel mijn blik had vermeden. Toen dacht ik aan de mail die mijn vader me gestuurd had. Hij had me niet gefeliciteerd met wat er was gebeurd; hij had slechts gezegd dat hij hoopte dat ik zijn “gemengde gevoelens” zou begrijpen. Brigitte had helemaal niets van zich laten horen.

Haastig drukte ik alles weg. ‘Natuurlijk gelukkig. En niet eens alleen vanwege Thomas, maar ook vanwege je moeder. Het is bizar dat ze me Caroline noemt en me af en toe knuffelt – de eerste keer dacht ik dat ze onwel was geworden. Maar over je moeder gesproken: ik moet haast maken. Ze wil een spelletje doen met Thomas en mij.’

‘Pas maar op: ze speelt meestal vals.’

Ik zei dat ik niet anders had verwacht en rende naar de voorkamer, waar ik te horen kreeg dat ik Monopoly moest spelen. Kleinkinderen die wilden meedoen werden door hun oma weggejaagd. We speelden urenlang. Uiteindelijk ging Thomas als eerste failliet. Mrs Garland was in extase. ‘Mijn zoon de algemeen directeur! Dat ik de dag nog mag meemaken dat hij verliest.’

‘Hoop maar dat ik het er niet zo slecht vanaf breng als ik terug ben in Londen – en hoop dan ook dat ik geen concurrenten heb die zo oneerlijk spelen als u,’ grinnikte Thomas.

Zijn moeder verstilde. ‘Ga je terug naar Londen?’

Thomas keek haar aan. ‘Ik denk het wel – wij denken het wel, bedoel ik.’

Mrs Garland keek naar mij. ‘Dat kun je niet doen.’

Ik keek naar Thomas, maar hij keek weg. ‘Caroline moet profiteren van alles wat er gebeurd is,’ zei hij. ‘Haar boek wordt een bestseller als ze het snel uitgeven, terwijl dit allemaal nog vers is.’

Ik had hem als grap verteld wat Sam had gezegd, maar het klonk niet als een grap toen hij het herhaalde. Mrs Garland fronste. Ik sprak voordat zij het deed. ‘En nu noemt u me niet Miss Jacobs! Ik heb geen haast om naar Engeland te gaan. We blijven zo lang mogelijk. Toch?’

Thomas gaf geen antwoord: hij liep de kamer uit.

 

Aan het eind van de avond volgde ik hem naar onze slaapkamer. Ik leunde tegen de deur en glimlachte naar hem, zo normaal als ik kon. ‘Ik denk dat Eliza het in haar eigen huis nooit eerder heeft toegestaan dat een ongetrouwd stel in dezelfde kamer slaapt.’

Thomas zat op het bed en grinnikte. ‘Ze begrijpt het wel.’

Ik liep naar hem toe en wikkelde mijn armen om hem heen. ‘Ik voel me soms bijna schuldig.’

‘Schuldig?’ Hij keek me scherp aan.

‘Het voelt verkeerd. We gaan tegen Eliza’s principes in. En niet alleen tegen die van haar. In mijn kerk in Londen hebben ze een duidelijke mening over seks voor het huwelijk. Ik zelf vind ook…’ Toen hij een wenkbrauw optrok, lachte ik en kuste hem. ‘Seks hoort wat mij betreft na het huwelijk, hoe goed seks voor het huwelijk met jou ook is.’

‘Wil je dat we aan geheelonthouding gaan doen? Kun je dat?’

Ik wilde zeggen dat ik met hem getrouwd wilde zijn, maar dat klonk te zwaar. ‘Liever niet, maar ik meen wat ik zeg. Serieus, Thomas, ik denk –’

‘De mensen snappen heus wel dat wij elkaar niet met rust laten nu we elkaar eindelijk weer gevonden hebben.’ Hij begon mijn kleding los te knopen. ‘Wat ben je toch prachtig,’ mompelde hij. Toen kuste hij me overal waar mijn huid onbedekt was.

Ik nam afstand en probeerde hem aan te kijken alsof ik serieus met hem wilde praten. Het was lastig. ‘Ik ben veranderd, lieveling. Ik zou graag –’

Hij trok me terug, zette me naast zich neer en deed dingen die ervoor zorgden dat ik alleen maar meer wilde. Op dat punt hield hij stil. ‘Ik hou van je,’ zei hij. ‘Ik heb je nodig.’

‘Thomas,’ smeekte ik.

‘Heb jij mij nodig?’

Ik huilde bijna. ‘Ja. Natuurlijk. Wat denk je nou eigenlijk?’

Toen gaf hij me wat ik wilde, eerst traag, maar vervolgens alsof hij door een storm werd voortgedreven. Het overweldigde me bijna. Thomas kon zo veel verlangen bij me oproepen, en het zo grondig bevredigen, dat hij me uit mezelf trok.

Na afloop lagen we uitgeput naast elkaar. Thomas richtte zich op één arm op en bestudeerde me met ogen waaruit het licht dat ik er de eerste dag gezien had compleet was verdwenen. ‘Heb je me echt nodig?’ vroeg hij, maar ik had niet de indruk hij het antwoord wilde horen.

 

Enkele dagen later stelde Thomas voor om met de familie te gaan zeilen. Eliza verbleekte toen ze het hoorde. Al woonde ze in een stad die als bijnaam “de stad van de zeilen” had, ze hield niet van varen. Ik had de indruk dat het te maken had met wat Jake als kleuter was overkomen, hoe onlogisch dat ook was: het bad waarin hij bijna was verdronken lag nog steeds in de tuin en haar kinderen zwommen alle drie als de spreekwoordelijke waterratten. Dapper zei ze dat het haar heel leuk leek.

Julie en Alfred besloten niet mee te gaan en Mrs Garland beweerde dat het waanzin was om in de winter te zeilen, maar Eliza bleef bij haar besluit. Toen we op een zaterdag de gehuurde zeilboot opstapten zag ik haar het touw van de loopplank vastgrijpen alsof het een reddingsboei was. Eenmaal buiten de haven ging ze er steeds ellendiger uitzien. De kinderen leken meer te hebben gevaren dan zij, misschien met vriendjes of met school, en klauterden over de boot alsof ze ervaren matrozen waren. De tweeling zat achter elkaar aan op het dek of hing over de voorplecht om naar dieptes te kijken die ze ieder moment van veel te dichtbij konden gaan zien, en Jake maakte aanstalten om de mast in te klimmen. Dit alles terwijl er een straffe wind stond die ons op hoge snelheid naar open zee joeg. Boven die zee golfden donkere wolken. Eliza kreunde en ik voelde me zelf ook wat onzeker worden.

Even keek ik naar Thomas voor hulp, maar hij stond ver weg bij het roer en leek gelukkig. Toen Jake de mast in klom, riep hij hem niet tot de orde maar spoorde hij hem aan om hoger te klimmen.

‘Alleen nu even niet,’ riep ik boven de wind uit. ‘Kom terug, Jake. Je tong uitsteken helpt niet. Wie was ook alweer die kerel die zei dat ik sandwiches moest maken met bacon en gesmolten kaas en daar ook nog hamburgers tussen moest proppen?’

‘Ik,’ schreeuwde hij terug. ‘En je hebt er ook ui en ketchup bijgedaan, precies zoals het hoort. Laat me nou met rust, tante Caro. Ik kom straks eten.’

‘Als je nog hoger klimt, voer ik je sandwiches aan de vissen. Ik meen het, Jake. Het lijkt me een heel praktische manier om erachter te komen of hier haaien zitten.’

Bij het woord “haaien” kwam Michael – die net voorbij rende – piepend tot stilstand. ‘Natuurlijk hebben we haaien, tante Caro. Witte haaien zelfs. Die eten mensen op.’ Hij sperde zijn mond zo ver mogelijk open, om te laten zien hoe dat proces verliep, en strekte zijn handen dreigend naar mij uit. ‘Sommige zijn wel vier meter lang.’

Ik huiverde professioneel. ‘Leg mij maar uit hoe ik regel dat ik niet in hun bek verdwijn. En zorg er ook voor dat jij en je zus deze trip overleven. Doe iets voorzichtiger.’ Toen schreeuwde ik weer omhoog: ‘Ik meende het van die sandwiches. Als je niet naar beneden komt heb je straks niets te eten. Ik ben een harteloze tante, Jake, en ik schaam me er niet voor om dat toe te geven.’

‘Je bent gewoon een bange oude vrouw,’ werd er teruggeroepen. ‘Ik trap er niet in.’

Ik keek weer even hoopvol naar Thomas, maar die wekte niet de indruk dat hij zou ingrijpen: hij zag eruit alsof hij redelijk nieuwsgierig was naar hoe de situatie zich verder zou ontwikkelen, maar er niet persoonlijk bij betrokken was. Toen keek hij weg, over het water, en leek het of hij op dat moment pas echt uit zijn gevangenschap bevrijd werd. Op zijn gezicht verscheen de kalmte van een kapitein die alle zeeën bevaren had, nergens meer bang voor was en nu zijn thuishaven zag opdoemen.

Sophie kwam bij ons staan. ‘Je bent niet lief, Jake,’ gilde ze langs de mast. ‘Tante Caro, je moet hem zijn brood niet meer geven. Maar je moet het ook niet aan de haaien voeren – geef het maar aan mij. Ik vind het ook lekker.’

Ik glimlachte haar stralend toe. ‘Een briljant plan,’ zei ik, op hetzelfde moment dat er een kreet van protest uit de mast klonk. Voordat ik het brood kon pakken, stond er een boze tiener voor mijn neus. ‘Ahoi,’ zei ik, ‘Jake in zicht.’

Jake kon er niet om lachen. ‘Vrouwen!’ gromde hij. ‘Nederlanders!’

‘De Nederlanders hadden al een vloot waarmee ze de wereldzeeën bevoeren toen jouw Britse voorouders nog in sloepjes ronddobberden. Ik stel dus voor dat je wat minder hoog van de toren – of van de mast – blaast. Sandwich, ketelbinkie?’

Jake at en deed er verder het zwijgen toe, zeker toen zijn moeder hem smekend het een en ander had toegefluisterd in het vooronder. De rest van de reis gedroegen de kinderen zich voorbeeldig en leek Eliza minder bang.

Zelf bleef ik wel een beetje bang. Thomas legde de kinderen van alles uit over zeilen en stelde zijn zus gerust over de gevaren, maar tegen mij zweeg hij. Toen Auckland aan het eind van de middag weer in zicht kwam, raapte ik mijn moed bij elkaar en ging naar hem toe. Zodra ik naast hem stond bij het roer, legde hij zijn arm om me heen. ‘Daar is mijn vrolijke regelaar,’ zei hij.

‘Pardon?’

‘Je hebt er met humor voor gezorgd dat alles precies verliep zoals jij het wilde. Op zich knap, maar niet verstandig.’

‘Thomas?’

‘Is het een ondenkbaar concept dat je gewoon eerlijk zegt wat je denkt of wilt?’

Antwoord geven was lastig. ‘Over die vraag zal ik later nadenken. Op dit moment wil ik er liever van genieten dat we samen zijn. God is heel erg goed voor ons geweest.’

Hij liet me los. ‘God zou even goed zijn geweest als Hij ons de rest van ons bestaan apart had laten leven. Onze hereniging is geen blijk van zijn liefde, Caroline. Maar dat snap jij niet, hè?’

Dat had hij heel goed gezien.

 

De volgende maand, op een dag vroeg in augustus, werd ik wakker met mijn hoofd op Thomas’ borst. De pers was helemaal weg en ons leven werd iets normaler. Thomas’ aanwezigheid in het grote huis was niet langer een evenement: de kinderen speelden ’s middags weer met vrienden. Ik had Thomas meer voor mezelf. We maakten veel dagtochtjes. Nieuw-Zeeland werd alsmaar mooier nu Thomas me het land liet zien. Tussendoor had ik het laatste hoofdstuk geschreven van mijn nieuwe boek, August. Het lag bij de uitgever en de redacteur had weinig voorstellen voor wijzigingen gedaan.

Ik haatte het dat ik desondanks ontevreden was. Thomas en ik praatten nog steeds niet veel. Hij had het nooit over zijn tijd bij Clark, vroeg niet naar mijn boek, en ook over andere dingen zei hij weinig. De stilte was anders dan vroeger. Ik had de indruk dat Thomas boos was, maar als ik dat zei ontkende hij het, zo overtuigend dat ik aan mezelf begon te twijfelen.

Thomas werd wakker. Hij streelde mijn haar. ‘Hoi schat.’

Ik kuste hem. ‘Goed geslapen?’

‘Best.’

Ik liet mijn hoofd weer zakken en luisterde naar het ritme van zijn hart. Daar genoot ik altijd weer van, om overduidelijke redenen. Intussen gleden zijn vingers over mijn naakte rug.

‘Ik heb alleen gedroomd,’ mompelde hij. ‘Over jou en een andere man.’

Ik probeerde te lachen. ‘Dromen zijn gelukkig bedrog.’

‘Er waren andere mannen,’ zei Thomas.

‘Met wie ik niet het bed gedeeld heb.’

‘Oh, natuurlijk, dat was ik vergeten: jij bent conservatief geworden. Als je me de waarheid niet zelf wilt vertellen, Caroline, ben ik verplicht je omzichtige vragen te stellen, in de hoop dat we er toch nog eens komen. Op hoeveel mannen ben je verliefd geweest?’

‘Dat heb ik je al verteld. Twee.’ Ik ging overeind zitten. ‘Je was dood, Thomas. Twee mannen in drie jaar en ze betekenden weinig voor me. In jouw schaduw werden ze onzichtbaar.’

Hij keek naar me met die koele ogen die hij alleen aan mij liet zien. ‘Weet je zeker dat er niet drie mannen waren?’

‘Drie? Nee.’

‘En Steve Hartford dan?’ Thomas stond op. Hij liep naar het raam, opende het en leunde naar buiten. Ik voelde me koud en bloot, en niet alleen omdat ik niets aan had.

‘Ik heb geen relatie gehad met Steve. En ik was zeker niet verliefd op hem.’

‘Hij heeft een paar van zijn journalistenvriendjes een boodschap door laten geven, die dag dat we samen lieten zien hoe gelukkig we waren. Zij vertelden wat anders.’

‘En daar heb jij al die tijd je mond over gehouden? Thomas, ik dacht dat we een paar jaar geleden hadden afgesproken dat we zouden praten. Doe dat dan alsjeblieft ook.’

Hij draaide zich niet om. Ik zag hoe gespannen zijn schouders waren – ze leken van beton. ‘Praten lijkt ook nog steeds niet jouw talent. Niet over dingen die belangrijk zijn.’

‘Ik heb geen verhouding met hem gehad. Hij liegt. Ik geef toe dat ik ooit bijna seks met hem heb gehad, maar ik kon het niet.’

‘En nu ga je zeker zeggen dat je dat niet kon omdat je aan mij moest denken? Sorry als ik dat wat moeilijk te geloven vind.’ Hij hief zijn vuist op en sloeg tegen de muur. ‘Steve Hartford. Van alle mannen die je –’

‘Thomas! Ik – heb – geen – seks – met – hem – gehad. Tot op de dag van vandaag ben jij de enige voor me en dat wil ik graag zo houden.’

‘Je hebt bijna seks met hem gehad.’

‘Ja, omdat ik dronken en wanhopig was, maar ik ben op tijd weggegaan. Ik heb die nacht alleen geslapen, net zoals alle andere nachten zonder jou.’ Ik kwam uit bed, liep naar hem toe en masseerde zijn schouders. ‘Het spijt me dat ik het niet gezegd heb, maar ik kon het niet. Niet op dat moment. Is dat wat je de hele tijd dwars heeft gezeten?’

Hij schudde mijn handen af. ‘Nee. Wat denk je zelf? Drie jaar gevangenschap… Ik heb het echt enorm naar mijn zin gehad, Caroline. Jij kon boeken schrijven, relaties aangaan. Ik niet. Ik heb drie jaar in een bos gezeten.’

‘Praat daar dan over. Ik wil horen hoe het was, maar je zegt er niets meer over.’

‘Houd toch op. We hebben het genoeg over praten gehad. Wat is er van ons geworden? We zouden trouwen, kinderen krijgen…’ Hij liep bij me vandaan. ‘Drie jaar. Zonder God zou ik gek geworden zijn. Soms haatte ik mijn oude leven, het leven van geld verdienen en de schijn ophouden en praten over grijsnuances terwijl je eigenlijk snakt naar licht. Ik wilde dat het veranderde en toen kwam jij, en daarna Clark, die mijn leven veranderde op een manier die ik nooit gewenst had, die me de hel liet zien voordat God ingreep. En nu vraag ik me af wat God van me verwacht. Of Hij me echt bevrijd heeft om…’ Abrupt zweeg hij. Hij draaide zich naar me toe. ‘Hoe gaan wij verder?’

Ik keek naar zijn gespannen lichaam en naar zijn boze ogen. ‘Dat weet ik niet.’

‘Verrassend, aangezien jij tegenwoordig alle antwoorden lijkt te hebben. Vertel me wat ik moet doen, Caroline. Moet ik terug naar Engeland gaan en Garland Oil weer leiden?’

‘Misschien.’

‘Maar ik ben er drie jaar uit geweest, schat. Misschien weet ik niet meer hoe het moet.’

‘Natuurlijk wel.’

‘Weet je dat wel zeker?’

‘Thomas, doe niet zo koud. Zo ben je niet.’

Hij ging weer op bed zitten. ‘Zo ben ik niet? Ik ben veranderd, en jij ook. Jij bent heel anders.’

‘En je vindt de veranderingen niet leuk.’

‘Dat weet ik niet – daar denk ik nog over na.’

‘We moesten wel veranderen. We werden ertoe gedwongen.’ Ik ging bij hem zitten. ‘Ik mis hoe ons leven was.’

Ik had verwacht dat hij zich naar me toe zou trekken, of had dat in ieder geval gehoopt, maar Thomas bleef bewegingsloos zitten. ‘Zo kom je niet over. Ik vind je kalm – erg kalm. Je hebt geleerd om te praten, maar het lijkt of je nooit zegt wat je echt denkt. Ik weet dat er meer in je omgaat – dat heb ik in je boeken gelezen. Wil je dat niet met mij persoonlijk delen, maar alleen met vreemden?’

‘Thomas…’

‘Ik had trouwens niet verwacht dat je schrijfster zou worden. Je hield van boeken lezen, maar je zei nooit dat je ze zelf wilde bedenken.’

‘Toen het in Londen allemaal escaleerde, met de drank, gebruikte ik mijn dagboek om mijn aandacht af te leiden. Langzaam kwamen daar verhaaltjes bij. Na jouw zogenaamde dood hielp het schrijven me om mijn emoties te verwoorden. Van het één kwam het ander.’

‘Je schreef al in Londen.’ Thomas klonk toonloos. ‘Daar heb je me nooit iets over verteld. Jammer genoeg ben ik niet verbaasd.’

Ik haalde diep adem. ‘Ik ben niet de enige die heeft gezwegen. Jij hebt niet verteld dat je hoogbegaafd bent. Je hebt niet verteld dat je voor Buitenlandse Zaken hebt gewerkt – en ik weet nog steeds niet wat je daar hebt gedaan. Je was verbaasd over mijn kennis van de Bijbel, maar je hebt nooit gezegd dat je er zelf ook heel veel in gelezen had.’

‘Niet zo veel als jij – bij lange na niet.’ Thomas wendde zich weer af. ‘En wat betreft die andere dingen: ken je me zo slecht dat je niet snapt dat ik me schaamde? Maar daar hadden we het niet over. We hadden het over jouw boeken. Afterwards gaat over ons. Je hebt ons leven met de wereld gedeeld. En aan het eind heb je iedereen laten zien dat je zonder me kon. Je hebt Jeremy gecreëerd, de man met wie Sarah…’ Hij brak af. ‘Ik ga douchen.’ Zonder nog iets te zeggen, liep hij weg.

 

 

© Els van Weijen

3 thoughts on “Hoofdstuk Vijfentwintig – Een ondenkbaar concept

  1. Traumatische Thomas en nog veel meer leeuwen en beren uit het verleden. Thomas had drie jaar de tijd om na te denken.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *