Hoofdstuk Vijftien – Vanwege oom Thomas

FF29114102

‘Sorry,’ zei ik de volgende dag tegen Julie, toen ik haar net na mijn ontbijt tegenkwam. ‘Ik wilde je niet kwetsen.’

‘Dat weet ik wel.’ Julie grimaste. ‘God is belangrijk in dit huis – ik geloof dat ik zelf ook een beetje te fel reageerde.’

‘Voortaan zeg ik niets meer.’ Ik trok een denkbeeldige rits dicht langs mijn lippen. ‘Nadat ik nog één vraag heb gesteld, bedoel ik. Wat ga je doen?’ Julie had een overall aan en haar haren waren weggestopt onder een hoofddoek.

‘Ik ga weer eens een poging wagen om die generator aan de praat te krijgen. Het is nog steeds niet gelukt. Jake komt me helpen.’

‘Moest hij niet naar een rugbywedstrijd?’

‘Die is vanmiddag pas. Ik hoop dat hij tegen die tijd al zijn vingers nog heeft – dat is wel zo praktisch. Wens me succes, Caroline.’ Toen trok Julie me in haar armen, zo abrupt dat ik ervan schrok. ‘En ook sorry voor gisteren. Alfred… Nou ja…’

Sophie rende op ons af. ‘Ik wil ook een knuffel!’ riep ze. Daar gaf Julie gehoor aan. Sophie drukte zich dicht tegen haar aan. ‘Ben je nou niet meer boos?’

Julie zette Sophie weer neer. ‘Ik ben niet boos. Ik ben verdrietig.’

‘Vanwege oom Thomas, hè?’ Sophie knikte ernstig.

‘Ja, vanwege oom Thomas.’ Julie keek steels naar mij. Ik legde een hand op haar schouder, en dat zorgde er al voor dat ze een traan moest weg wrijven – zodra ik het zag was ik weer geïrriteerd.

Sophie greep mijn vrije hand en trok me mee. ‘Ga jij met mij de tuin in, tante Caro?’

Ze liep zo hard dat ik geen kans kreeg om nee te zeggen. Ik knipperde met mijn ogen toen we buiten kwamen: het was alweer een zonnige dag. Op de veranda vertelde Sophie me dat zij al heel goed kon zwemmen, maar dat mama wilde dat zij goed uitkeek en dat er altijd iemand bij moest zijn als zij in het water ging. Ze vroeg of ik met haar wilde zwemmen.

‘Dat weet ik niet. Straks misschien. Als mama het goedvindt.’

Sophie trok me verder, naar de zijkant van het huis. Daar stonden een paar speeltoestellen. Ze sprong op de schommel. ‘Jij moet me duwen, tante Caro.’

Daar was weer geen nee tegen te zeggen; ik voerde het bevel uit. Intussen kwam Jake onze kant uit. Soms rende hij, soms huppelde hij, soms sprong hij als een kangaroe. ‘Vanmiddag is de wedstrijd,’ riep hij in het voorbijgaan. Misschien was hij aan het trainen.

‘Heb je er zin in?’ vroeg ik.

‘Je moet de schommel blijven duwen,’ riep Sophie.

‘Dat doe ik, meisje.’ Ik slaagde erin intussen ook naar Jake te kijken, die terug was gesprongen en verwoed stond te knikken.

‘We gaan ze inmaken – helemaal inmaken! Maar eerst ga ik tante Julie helpen.’

‘Met de generator. Hoelang zijn jullie daar nu al mee bezig? Volgens mij is die generator hartstikke stuk. Of jullie zijn heel slecht in knutselen – dat kan natuurlijk ook.’

Jake deed zijn mond al open om te protesteren, maar toen verscheen er een fonkeling in zijn ogen. ‘Het is denk ik een Nederlandse generator, tante Caro. Nederlandse mensen kunnen geen goede generators bouwen. In Nederland hebben ze alleen –’

‘Jake!’

‘Molens,’ riep hij. ‘Hele oude molens.’ Lachend sprong hij weer weg. Ik duwde Sophie nog hoger. Zij lachte ook – de tuin leek ervan te echoën. Ik vroeg me af hoe kinderen die zo kort geleden nog over de dood hadden gepraat nu zo blij konden zijn.

Jake kwam weer terugrennen. ‘Ga jij vanmiddag mee naar de wedstrijd, tante Caro?’

Hij keek me smekend aan en ik wilde het liefst ja zeggen, maar bij het idee begon mijn hart onregelmatig te kloppen. ‘Beter van niet,’ mompelde ik.

‘Ah, tante Caro, één keertje maar. Het wordt hartstikke leuk.’

‘Sorry, Jake. Ik moet even naar binnen.’ Ondanks Sophies kreet van protest liet ik de schommel los. Ik struikelde bij de kinderen vandaan. Ik wilde weg, veilig terug naar Londen. En toen wilde ik dat ik Thomas kon bellen. Ik zou hem niet vertellen dat ik me raar voelde. Ik zou gewoon luisteren naar zijn stem en niet bang meer zijn.

 

Een paar dagen later zat ik samen met Michael in de woonkamer. Hij had een oude encyclopedie tevoorschijn gehaald en liet mij uitklapbare afbeeldingen van planeten zien. ‘Dit is Jupiter,’ zei hij. ‘Jupiter is de vijfde planeet in het zonnestelsel. Hij bestaat helemaal uit gas, dus je kunt er niet op lopen, tante Caro. Op het oppervlak van de planeet zit een rode vlek. Dat is eigenlijk een storm, een storm die al driehonderd jaar bestaat. En kijk, dit is Saturnus. Saturnus vind ik het allermooiste.’

Dat was ik met hem eens. In de encyclopedie werd de planeet schuin van onderen beschenen door de zon. Waar het licht viel had Saturnus een roze-gele kleur; de rest van de globe was grauwe schaduw. Om de planeet heen wikkelden zich de ringen. Ik stelde me voor dat ik daar wel op kon lopen en de planeet en haar manen van heel dichtbij zou bewonderen. Toen zag ik om Saturnus heen alle zwarte leegte en dacht ik na over hoe groot het heelal was en hoe raar het was dat de mensen zeiden dat het oneindig was.

‘Zou jij naar een andere planeet willen kunnen reizen?’ vroeg ik.

Michael knikte, net zo enthousiast als Jake toen het over rugby ging. ‘Misschien naar Mars. Als ik later groot ben ga ik een ruimteschip bouwen. Dat kan ik, hoor.’

‘Dat denk ik ook.’ En het enge was dat ik dat meende.

‘Blijf maar wat dichterbij,’ klonk het. Mijn hart sloeg over: ik had totaal niet in de gaten gehad dat er iemand naar me toe was geslopen. Het was Mrs Garland. Ze keek naar haar kleinzoon alsof ze er niet aan moest denken dat hij verder reisde dan Wellington, de hoofdstad van Nieuw-Zeeland. ‘Mars is veel te ver weg. Oom Thomas ging naar Engeland, en dat was al gevaarlijk.’

‘Gevaarlijk?’ Michael fronste. ‘Wij zijn ook in Engeland geweest.’

‘Ja. En dat was leuk, hè?’ Zodra ik het vroeg, schaamde ik me: het was of ik een kind betrok in een conflict tussen volwassenen. Mrs Garland keek me minachtend aan. Dat was overigens de blik die ze in de weken daarna in haar ogen zou blijven houden voor mij – laat ik het maar vast melden.

‘De tijgers waren leuk,’ zei Michael. ‘En Greenwich was heel interessant. Greenwich is het midden van de aarde, oma. Daar begint de dag.’

‘De dag begint in Nieuw-Zeeland,’ zei Mrs Garland. ‘Hier komt de zon eerder op dan in Engeland.’

Michael begon zijn oma uit te leggen wat hij bedoelde, maar voordat de wetenschappelijke discussie zich verder kon ontwikkelen maakte ik me uit de voeten.

 

De rest van de maand november verliep heel normaal, hoe vreemd dat ook klinkt. Jakes verjaardag werd gevierd met een feest in de tuin (ik was dankbaar dat niemand wist dat ook ik in november jarig was) en iedereen vond het gezellig. Verder leek de clan een welbekende, ontspannen routine te volgen. De kinderen hadden het niet veel over hun oom, en Eliza en Julie hadden het niet veel over hun broer. Eliza ging wel regelmatig naar een vriendin van haar, Irene, en kwam dan onveranderlijk met rode ogen thuis, maar ze had het nooit over wat ze met die vriendin besprak.

Mrs Garland kwam ongeveer één keer per week op bezoek en had dan een meningsverschil met minstens één lid van haar familie: ze kon erg scherp zijn tegen haar kinderen en kleinkinderen. Tegen mij zei ze niets. Ze wierp me alleen die minachtende blikken toe. Daar kon ik mee leven. Het deed me wel deugd dat niemand in de familie er moeite mee leek te hebben om iets scherps terug te zeggen tegen Mrs Garland. Daardoor voelde mijn eigen actie minder erg.

Het werd december. De zomervakantie begon, het werd steeds warmer en ik ging me steeds slechter voelen. Op een dag dat ik me op het strand had gewaagd kreeg ik last van hartkloppingen – even dacht ik dat ik een hartaanval had. Julie was bij me. Ze zag blijkbaar iets aan me en vroeg me wat er was. Ik ging op mijn handdoek zitten en werd toen ook nog duizelig. ‘Niets,’ zei ik. Ik ging liggen, deed mijn ogen dicht en probeerde de warmte van de zon te voelen. Dat lukte me niet. Al was de zon op mijn huid, ik kreeg het alleen maar kouder. Ook met mijn ogen dicht bleef ik draaierig.

‘Kerk,’ hoorde ik Julie zeggen.

‘Wat?’

‘… Kerst. Leuk dat je…’ Ik deed mijn ogen weer open en keek naar Julie. Ik zag haar praten, maar hoorde haar niet.

‘Wat zeg je nou?’ vroeg ik.

Julie lachte, wat onzeker. ‘Dat ik het leuk vind dat je met Kerst meegaat naar de kerk.’

Had ik dat beloofd? Ik herinnerde het me niet. Ik wilde zeggen dat ze het feit dat ik mee zou gaan niet groter moest maken dan het was, dat ik me niet zou bekeren, dat het gewoon bijna Kerst was en dat het dan voor miljoenen mensen die helemaal geen christenen waren toch normaal was om naar een kerk te gaan. Ik vroeg me opeens af of Thomas met zijn familie mee zou zijn gegaan.

‘Mis je het nooit? De aanwezigheid van God?’

Ik was weer gaan liggen en hield mijn ogen dicht. “Ik kan niet missen wat niet bestaat,” wilde ik zeggen. Toen bedacht ik me dat Thomas ook niet meer bestond, en dat ik hem wel miste. Ik zweeg en deed of ik sliep.

 

In de nacht na ons strandbezoek vond ik geen rust. Iedere keer als ik wakkerschrok wist ik dat ik gedroomd had, maar voordat ik kon nadenken over wat ik had gezien en beleefd waren de beelden verdwenen. Het enige dat achterbleef was het idee dat ik constant in beweging was, dat ik rondrende om dingen te regelen maar dat alles fout ging.

Tegen de morgen werden mijn dromen duidelijker – veel te duidelijk zelfs. Ik liep langs de Theems en was onderweg naar huis. Mrs Brian werkte niet meer voor ons: ik was zelf boodschappen wezen doen en droeg zware tassen met etenswaren. Het aanzicht van Londen was veranderd: ons appartementencomplex was van verre te zien in een bijna lege vlakte. Terwijl ik ernaar keek zag ik opeens vlammen uit het gebouw slaan, ook uit het penthouse. Ik begon te rennen, met de tassen nog steeds in mijn handen: in mijn droom mocht ik ze pertinent niet loslaten.

Toen ik ons gebouw in holde, hoorde ik Thomas mijn naam schreeuwen. Ik zocht de lift, maar de indeling van het gebouw was veranderd: ik kon hem nergens vinden. Al snel herinnerde ik me dat ik ook helemaal geen lift mocht gebruiken tijdens een brand. Ik rende naar de trap, maar daar zag ik vlammen; ik holde richting een andere. Een bewaker probeerde mij tegen te houden. Ik had nog steeds de tassen vast en kon hem moeilijk ontwijken, maar het lukte me om hem met een van de tassen bij me vandaan te slaan. Ik rende langs hem heen en vond een trap waar geen brand was. Zo worstelde ik me van verdieping naar verdieping. Het vuur woedde achter iedere deur die ik opendeed. Stenen en balken vielen neer en blokkeerden mijn pad; het gewicht van de tassen werd alsmaar zwaarder en de angst dat ik te laat zou komen alsmaar groter. Ik hoorde Thomas mijn naam niet meer roepen. Toen ik ten slotte de deur naar het penthouse opengooide zag ik hem op de vloer liggen in de hal, zijn handen naar me uitgestrekt. Ik wist dat hij dood was.

Huilend werd ik wakker. Ik snikte zo hard dat ik bijna geen adem kon halen. Ik probeerde overeind te komen, de dekens van me af te gooien, lucht te krijgen. Ik moest Thomas vinden – ik moest hem alsnog redden.

Het lukte me niet: toen ik uit bed wankelde viel ik, en toen ik overeind probeerde te komen leek mijn nachthemd me vast te kleven aan de grond. Even dacht ik dat ik nog steeds droomde: mijn nachthemd was eindeloos lang, met diepe, natte plooien, alsof ik ermee in zee gezwommen had. Ik wist dat wat ik zag en voelde niet waar kon zijn, maar toen ik weer worstelde om op te staan, trok mijn nachthemd me terug. Ik rook het zeewater dat het log en zwaar had gemaakt en even was ik bang dat de zee werkelijk dichterbij was gekomen, tot in mijn kamer, dat zelfs de zekerheden van de natuur verdwenen waren en niets meer was waar ik het verwachtte.

‘Nee!’ beet ik mezelf toe. Ik was niet gek – ik had geen tijd om gek te zijn – ik moest Thomas vinden. Misschien had ik het fout gezien: misschien was hij niet dood. Weer deed ik een poging om op te staan, en weer lukte het niet. Bijna schreeuwde ik van frustratie.

En toen was Thomas opeens bij me. Glimlachend boog hij zich over me heen, een beetje verbaasd over hoe ik erbij lag. Hij was de Thomas die ik kende, levend, echt, de man die van mij hield, die niet zonder me kon, net zoals ik niet zonder hem kon. Mijn hele lichaam kwam tot rust. ‘Lieveling,’ fluisterde ik. Hij boog zich verder naar me toe, om me te kussen.

Maar op het moment dat ik mijn hoofd naar hem ophief, was hij Thomas niet meer. Zijn ogen werden geel en verloren hun glans; zijn huid veranderde in een kilgroen pantser. Hij opende zijn mond en ik zag een gevorkte tong. Hij was een slang en verzwolg me.

 

Toen mijn hoofd weer helder werd, zat Julie naast mijn bed. Mrs Garland zat bij het raam, met een gezicht waar ik niets van kon aflezen.

‘Hoi Caro.’ Julies glimlach was zo stralend dat ik wist dat er iets mis was.

‘Hoi Julie,’ fluisterde ik.

‘Hoe voel je je?’

‘Groots. Echt fantastisch.’

Julie grinnikte. ‘Als je wilt dat we je geloven, moet je iets overtuigender proberen te klinken.’

‘Wat is er gebeurd?’

‘Je hebt drie dagen hoge koorts gehad. De dokter weet niet goed wat er met je aan de hand is.’

‘Thomas,’ zei Mrs Garland, die bij het raam was blijven zitten en naar buiten keek.

‘Misschien.’ Julie slingerde weer een glimlach mijn kant uit. ‘Je bleef wat al te kalm. Bijna alsof je niet om hem wilde rouwen, alsof je wilde vergeten dat hij dood is.’

‘Het was allemaal ontzettend irritant en onovertuigend,’ zei Mrs Garland. ‘Ze dacht dat ze het leven vol kon houden door normaal te doen, maar het leven is niet meer normaal.’

‘Dit is niet eerlijk, Mrs Garland,’ slaagde ik uit te brengen. ‘U praat nooit tegen me, en nu ik het lastig vind om iets terug te zeggen gaat u…’ Verder kwam ik niet.

Haar gezicht werd beschenen door de zon; ik kon de glimlach zien die haar lippen aanraakte. ‘Soms hou ik wel van je pit, Caroline.’

‘Dat is ook niet eerlijk. U…’ Mijn stem weigerde opnieuw om mee te werken.

‘“U noemt me nooit Caroline”? Dat zal ik ook nooit meer doen. Miss Jacobs klinkt beter. Een beetje formaliteit kan geen kwaad, al is het maar om u manieren te leren.’

Ze wist niet hoezeer ze me kwetste. Ik had geen wapens meer om pijn af te weren; alles raakte me. Ik overwoog te zeggen dat ik niet begreep hoe zij de moeder kon zijn van prachtige mensen als Thomas, Eliza en Julie, maar daar zag ik van af. Gedeeltelijk omdat ik niet dacht dat ik in staat was een dergelijke lange zin uit te spreken, gedeeltelijk omdat ik het niet durfde waar Julie bij was, en gedeeltelijk vanwege haar hart. Ik zei: ‘Doe wat u wilt,’ en was dankbaar dat ook ik nog steeds afstandelijk kon klinken.

 

Met Kerst ging ik toch niet naar de kerk: ik was te zwak. Het liefst was ik de hele dag in bed gebleven, maar de clan had het zo vaak over hoe graag ze me bij de kerstbarbecue wilden hebben dat ik toch maar opstond. Huiverend zat ik in de tuin. Zelfs de zomerwind voelde als een bedreiging, alsof hij door me heen kon waaien. Ik kon mijn verdriet niet meer negeren en wist ook niet hoe ik ervan kon herstellen. De boom van mijn leven met Thomas was dood en werd in stukken geblazen door een Engelse winterstorm. Alles wat belangrijk voor me was geweest, was verdwenen. Ik stond op een vlakte. Er blies een harde wind en om me heen zag ik slechts gras; verder was alles weg en ook het gras was aan het verdorren. Iedere minuut van de dag dacht ik aan Thomas; hij wilde niet meer uit mijn gedachten. Het liefst zou ik met Eliza en Julie over hem praten, maar ik was bang dat als ik dat deed ik nooit meer op zou houden. Ik snakte naar iets tastbaars van hem en vroeg Eliza of er foto’s waren, of dingen die hij gemaakt had. Ze zei dat de meeste foto’s bij haar moeder lagen. Haar durfde ik er niet om te vragen. Er restte me niets anders dan zijn afwezigheid te ondergaan.

Ik miste hem – ik miste hem zo vreselijk.

 

Het werd januari. Jake ging met een vriendje naar judo en werd gegrepen door de sport. Buitelend over het gras deed hij de bewegingen na die hij had geleerd. Zijn vriendje zou naar een judokamp gaan en Jake smeekte zijn moeder of hij mee mocht. Eliza deed haar best om dat inderdaad te regelen. Intussen vermeed ik zo veel mogelijk Jakes pogingen om mij houdgrepen te leren. Iedere keer als hij mij vastpakte schrok ik.

De tweeling deed rustigere spelletjes, die mij veiliger leken. Op een dag nodigden ze me uit voor een spel dat ze zelf hadden bedacht. Ze hadden een hele stapel gekleurde rietjes klaarliggen. ‘Je krijgt tien rietjes, die je achter je rug moet verbergen,’ legde Michael uit. ‘Het zijn eigenlijk zwaarden. Je moet er snel eentje pakken en hem laten zien zonder dat je eerst kijkt welke je vast hebt. Als je een groene hebt, dan win je altijd, maar –’

‘Maar niet als iemand anders ook een groene heeft,’ onderbrak Sophie. ‘Dan moet je een dansje doen en degene die dat het beste doet, die wint.’

‘Niet waar,’ zei Michael. ‘Als je allebei een groene hebt, moet je vechten. Maar nu spelen we met zijn drieën. Als nu twee mensen een groene hebben en iemand anders heeft een rode, dan wint die. Rood is vuur.’

Ik huiverde en stelde voor dat we begonnen. De tweeling was fanatiek en ging al snel volledig op in het spel. Ik keek toe hoe ze opsprongen met hun rietjes en conflicten hadden over wie een ronde won (‘Nee! Als ik blauw heb en jij geel, dan win ik, want geel is het strand en blauw is de zee. De zee is groter.’ ‘Nietes: geel is de zon, en de zon verdampt het water.’) en verbaasde me erover hoe bijzonder kleine kinderen waren. Ze hadden al een compleet eigen karakter, hoe onvolgroeid hun lichamen ook waren.

Ze waren ook onvoorspelbaar. Toen we alle drie een groen rietje trokken, sprongen Sophie en Michael gezamenlijk boven op mij om de strijd voor de winst te beslechten. Even dacht ik dat ik flauw zou vallen of zou stikken toen ze hun armen om me heen sloegen en met me begonnen te worstelen. Bijna duwde ik ze van me af – bijna schreeuwde ik dat ze me met rust moesten laten. Ik kwam nog net op tijd bij zinnen, beweerde dat ik een beetje ziek was en holde naar mijn kamer.

Die behoefte om te vluchten voelde ik niet toen Mrs Garland weer eens op bezoek kwam. Tegen die tijd had ik nogal ambivalente gevoelens over haar ontwikkeld. Julie had me van alles over haar verteld. Ik wist nu dat ze niet alleen mishandeld was door haar man, maar ook door haar ouders, die net zo’n slecht huwelijk hadden gehad als zij later kreeg en hun dochter partij hadden gemaakt in de conflicten.

Ik kon me voorstellen dat ze hard was geworden om hardheid te verdragen. Soms deed het me verdriet dat ze haar wapens niet kon afleggen nu zij ze niet meer nodig had. Julie onthulde dat zij en Eliza als pubers veel moeite hadden gehad met haar kilte; voor Julie was het zelfs aanleiding geweest om bij Eliza in te trekken. Volgens Julie was haar moeders relatie met Thomas beter geweest, maar dat had haar er niet van weerhouden botweg te weigeren naar zijn bruiloft te komen toen die niet op haar voorwaarden gevierd werd.

Aan mij leek ze soms echt een hekel te hebben: ze goot minachting over me heen op manieren die zelfs Eve haar niet nadeed. Bij andere gelegenheden staarde ze me aan alsof ze me wanhopig graag vragen wilde stellen over Thomas. Ik probeerde nooit onze relatie te verbeteren door het initiatief te nemen en lukraak wat te vertellen.

Die dag in januari was ze in wat ik haar “tweede stemming” was gaan noemen, haar vragen-willen-stellen-stemming. Zoals gewoonlijk vroeg ze niets. In plaats daarvan gaf ze Eliza wat foto’s. Eliza keek ernaar en gaf ze aan mij. ‘Thomas en moeder,’ zei ze.

Op de eerste foto was Thomas een baby in de armen van zijn moeder. Het was een raar idee dat die baby de man was die mij had bemind. Toen keek ik naar de Mrs Garland van de foto: ze zag er jong en gelukkig uit. In de tweede foto was Thomas ongeveer even oud als Sophie en Michael. Hij hield zijn moeders hand vast en grijnsde open en onbekommerd naar me, op een manier waar hij als volwassene maar weinig tot toe in staat was geweest.

Ik staarde en glimlachte en voelde een medelijden dat bijna lichamelijk pijn deed: voor Thomas, die niet lang onbekommerd was gebleven, en voor Mrs Garland, die zo hard was geworden. Opeens waren er tranen. Ik rende toch weer weg, naar mijn kamer, waar ik veilig zou zijn. Alleen was ik niet veilig: Mrs Garland volgde me en keek toe terwijl ik mezelf in een hoek duwde en wanhopig probeerde om te verdwijnen, weg van haar blik of van mezelf of van de hele wereld.

‘Miss Jacobs?’ Ze legde haar hand op mijn arm.

‘Laat me los,’ snikte ik. ‘Laat me alsjeblieft los.’

Ze deed het niet. Ze trok me naar zich toe, weg van de muren, weg van wat restte van mijn veiligheid. ‘Mijn zoon,’ fluisterde ze. ‘Mijn prachtige zoon.’

Het was te veel. De zee kwam weer naderbij: ze spoelde over me heen en liet alles verdwijnen.

 

© Els van Weijen

3 thoughts on “Hoofdstuk Vijftien – Vanwege oom Thomas

  1. Ach lieve verdrietige Caroline die aan het worstelen is met haar verdriet en diepe gevoelens voor Thomas en dan een moeder die haar gevoelens niet kwijt kan. Triest en vooral menselijk.
    Geweldig hoe deze schrijfster Els dit weet over te brengen op ons lezers. Kijk uit naar het vervolg, zit er midden in!

  2. wat erg voor Caroline dat zij geen gevoel van Thomas zijn moeder krijgt terwijl zij.. zijn moeder ook gevoelens kwijt kan. Frustaties bij Mrs. Garland. Intens triest voor beiden.
    Els wat kan jij alles geweldig overbrengen, zodanig dat je dit zelf overkomt. Super schrijfster!!!!!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *