Hoofdstuk Vijftien

horse

De volgende middag verschenen de eerste berichten over de film op internet, met grote koppen en suggestieve foto’s. Anna kwam naar Matthews werkkamer, waar ze samen naar de artikelen staarden en probeerden ze zo min mogelijk te lezen. Anna begon iets te mompelen over dat het allemaal niet zo erg was en dat ze heus wel een goede manier zouden vinden om de kinderen te informeren, maar het lukte haar niet om haar zinnen af te maken.

Matthew trok Anna naar zich toe. ‘Ik vertrouw niemand meer. Iemand in dit huis lekt informatie. Dat kan niet anders.’

Anna staarde hem aan, niet met die onschuld die hem soms zo irriteerde, maar met een doffe berusting die veel erger was. ‘Iemand die gisteravond aan tafel zat?’

Matthew klikte verder, voorbij een artikel dat gedetailleerd filosofeerde over wat er zoal in de film te zien zou zijn. ‘Dat hoeft niet. Zandra, je vader en Marieke zullen onderling vast gepraat hebben over wat ze hadden gehoord. Ook vanmorgen, toen de daghulpen er weer waren. Die kunnen het net zo goed doorgebrieft hebben.’

Anna trok zich wat los, maar liet zijn arm om haar schouder hangen. ‘Dat wil ik niet geloven. Echt niet. Matthew, de meesten werken al jaren voor ons.’ Ze wreef over haar buik en trok een pijnlijk gezicht. ‘Mijn vader, Zandra en Marieke lijken elkaar weinig te vertellen te hebben. Tussen mijn vader en Zandra botert het niet, en Marieke gaat iedereen uit de weg. De kans dat zij met elkaar gepraat hebben, is… klein.’ Weer wreef Anna over haar buik, met een steeds dieper wordende frons. ‘David was het in ieder geval niet – die wist al weken van de film.’

Matthew vocht met complottheorieën, waarin David het bericht over de film de wereld in wilde sturen maar wilde voorkomen dat hij daarvan verdacht zou worden en daarom schijnbaar per ongeluk andere mensen inlichtte. ‘Tussen Marieke en je vader is er wel contact,’ zei hij. ‘Ik hoorde dat ze soms samen je auto gebruiken.’

‘Hè?’ Anna keek hem aan alsof haar vader haar vertelde dat hij nu eens echt met haar wilde praten. ‘Weet je dat zeker?’

Matthew gaf haar een snelle kus. ‘Ik ga me met de zaak bemoeien. Richard heeft het over zichzelf afgeroepen door me zo veel informatie te geven – hij zal het vast niet erg vinden dat ik echt een onbezoldigd agent word.’

‘Wat wil je doen? Je zoekt de film toch al?’

‘Ik ga nog veel meer doen. Ik ga zelf met iedereen praten en wat dingen uitpluizen. Ook over je vader.’

‘Matthew…’

‘Doet hij moeite je beter te leren kennen?’

‘Niet heel erg. Maar hij is hier; dat is toch al bijzonder na zo veel tijd?’

‘Inderdaad. Ik vraag me alleen af of hij gekomen is om van jouw gezelschap te genieten. Sorry, lieveling: je weet dat ik geen dag zonder je wil leven, maar ik geloof dat je vader dat gemakkelijker zou afgaan. Misschien zocht hij vooral een goede stal. Ik wil weten waar dat paard vandaan komt. Ik ga wat connecties aanspreken.’

Anna keek twijfelend. ‘Weet je zeker dat dat een goed idee is? Je hebt andere dingen aan je hoofd.’

‘En ik wil er ook achter komen waarom Zandra ervoor zorgde dat Ethel sliep op de nacht van de moord.’

‘Pardon?’

Matthew herinnerde zich dat hij Anna nooit had verteld over de oxazepam. Hij wuifde haar vraag weg. ‘Laat maar – laat maar. Met Marieke ga ik ook praten, over haar uitstapjes met Gerald. Ik ben benieuwd waar ze heen zijn gegaan. En dan is Melinda er nog…’ Matthew zag Anna’s gezichtsuitdrukking en zweeg, maar het was te laat.

‘Melinda? Ik hoop dat je nu een grapje maakt. Melinda is onze liefste daghulp. Ik weet nog dat Charlotte Preston toen ik net terug was van de daghulpen eiste dat ze niet met me praatten, zogenaamd omdat dat niet gepast zou zijn, maar volgens mij vooral om me te isoleren. Melinda was de enige die haar negeerde, en daar ben ik haar nog steeds dankbaar voor. Wat heb je op haar aan te merken?’

‘Niets. Maar zij is degene die Poppy heeft gevonden.’

‘En? Iemand moest haar vinden.’

‘Natuurlijk – natuurlijk.’ Opeens vroeg Matthew zich af waarom er helemaal geen vingerafdrukken van Melinda op de deur waren gevonden. Dat was eigenlijk heel vreemd. Hij kuste Anna weer. ‘Let op Zoë. Houd haar bij je in de buurt.’

‘Mag ze nog wel bij je moeder of bij Eileen blijven, of zijn die ook verdacht?’

Matthew negeerde de cynische ondertoon in Anna’s stem. Eileen liep de hele dag door het huis. Hij vroeg zich af wat zij allemaal zag en nog niet met hem besproken had. Met haar zou hij ook gaan praten. Toen zag hij Anna’s gelaatsuitdrukking. Ze leek te betwijfelen of zijn verstand nog functioneerde. Hij drukte een nieuwe kus op haar lippen. ‘Alleen jij bent niet verdacht,’ zei hij, zo zwoel als hij kon.

‘Die opmerking maakt me pas echt ongerust,’ bromde Anna.

 

Net na de lunch zag Matthew Melinda in de hal, waar ze de tegels aan het dweilen was. Toen ze even de dweil in haar emmer doopte, liep hij haar kant op. Melinda schrok op toen hij naast haar stilhield. ‘My lord!’

‘Goedemiddag, Melinda. Hard aan het werk?’

‘Niet erg hard.’ Melinda veegde een lok haar uit haar gezicht. Ze zag er net zo verhit uit als op de dag dat ze met hem had willen praten over Gerald.

‘Volgens mij werk jij altijd hard.’

Ze glimlachte niet om zijn compliment. ‘Ik doe gewoon mijn best.’

Hij glimlachte wel. ‘Hoe gaat het met je? Voel je je beter nu de journalisten weg zijn?’

Melinda bukte zich en wrong met kracht haar dweil uit. ‘Ik zou me beter voelen als ik wist dat de moordenaar van Poppy gepakt was. Is er al wat bekend?’ Even zweeg ze, nog gebogen over de emmer. Ze leek te aarzelen, alsof ze bang was dat ze te kortaf had geklonken. ‘My lord,’ voegde ze wat onwillig aan haar zin toe.

‘Erg weinig. Detective Inspector Mather gaat alle aanwijzingen nog eens na. Ik begreep dat hij ook met jou wil praten. Ik geloof dat hij zich afvraagt waarom je Poppy’s kamer bent ingegaan op de dag na de moord.’

‘Dat heb ik hem al verteld.’ Melinda kwam overeind, maar bleef naar de vloer turen.

‘Ik neem aan dat je geklopt hebt voordat je naar binnen ging. En Poppy gaf natuurlijk geen antwoord.’

Melinda staarde hem aan. ‘Nee. Natuurlijk niet.’

‘Waarom ging je dan toch naar binnen?’

‘Omdat ik dacht dat ze het nodig had. Ik dacht dat ze zich verborg, dat ze bang was voor die engerd van een… dat ze bang was voor uw schoonvader en zich daarom stil hield. Ik wilde met haar praten, haar vertellen dat ze hulp moest zoeken, dat ze met ú moest gaan praten.’ Melinda’s blik werd wat verwijtend.

‘Er zijn mensen die denken dat jij mijn schoonvader niet zo… eng vindt als je doet voorkomen. Je bent gezien in –’

‘Ik hoop dat u die mensen niet gelooft,’ zei Melinda. ‘U zou beter moeten weten.’

‘Er zijn geen vingerafdrukken van je gevonden bij Poppy. Niet op de deur, niet in de kamer. Dat is apart.’

Melinda hief haar handen op. Ze droeg latex handschoenen. ‘Mijn huid is gevoelig voor schoonmaakmiddelen. Daarom neem ik voorzorgsmaatregelen.’

‘Ik begrijp het. Maar dat verklaart nog steeds niet waarom je zomaar Poppy’s kamer binnenging. Dat past niet bij je functie.’

Melinda fronste. ‘Ik denk dat uw vrouw me wel zou begrijpen.’ Toen pakte ze haar dweil weer. ‘Als u me excuseert, ik heb nog veel te doen.’

 

Matthew stelde de gesprekken met de andere verdachten in zijn huis uit. De rest van de middag telefoneerde hij. Hij nam contact op met al zijn relaties die ook maar iets te maken hadden met paarden. Overal informeerde hij of men een verhaal gehoord had over een raspaard dat was verdwenen. De meeste mensen lachten om de vraag, en stelden hem als wedervraag of hij echt dacht dat een dergelijke diefstal verborgen zou blijven in een land dat gek was op paarden en races. Anderen vroegen hem of zijn belangstelling te maken had met de moord. Daar antwoord op geven probeerde hij te vermijden.

Tegen de avond had hij de neiging om zijn telefoon in een verre hoek te gooien. Hij was geen stap verder gekomen. Toen hij in gedachten van onderwerp veranderde, werd de frustratie niet minder: hij peinsde over de vraag waar de film kon zijn. Alleen al moeten denken aan het feit dat Luke zijn huis was binnengedrongen, maakte hem onrustig.

Hij probeerde zich niettemin te verplaatsen in Luke en zag de man voor zich zoals hij hem had gezien in een rechtszaal: rossig, zo gespierd dat het bijna onnatuurlijk leek, met een fonkeling in zijn ogen die deed denken aan vuur uit de hel. Hij zag de man door de hal sluipen in Northend Abbey, dezelfde hal die Melinda vanmiddag schoongemaakt had. Hij zag hem de schilderijen aan weerszijden van de trap opnemen, en het beeld van Cupido, dat vast een snerende grijns opgeleverd zou hebben. Toen…

Matthew sprong op en snelde zijn werkkamer uit, de donkerwordende gangen door, de grote trap af. Hijgend hield hij stil bij het harnas in de hal. Snel trok hij de hellebaard los uit de levenloze rechterhand. Toen schudde hij het harnas door elkaar. Binnenin hoorde hij iets tegen het metaal tikken. Zijn hart sloeg over. Natuurlijk. Lukes verwrongen geest had iets gekozen dat bescherming symboliseerde om een film in te verbergen waarmee hij juist kon aanvallen.

Zo goed en zo kwaad als het ging probeerde hij het harnas op zijn kop te zetten – het bleek lastiger te zijn dan hij had gedacht. Hij opende het vizier en graaide naar binnen, tot zijn hand iets vond. Hij klemde het vast en trok het naar buiten.

Toen staarde hij naar de lege sigarendoos en deed hij zijn best om geen woorden te gebruiken die niet bij hem pasten.

 

Uit het dagboek van Marieke Markestein

 

… Vanavond, vlak voor het eten, stapte ik voor het eerst de privésalon van Matthew en Anna binnen. Ze hadden gisteren al gezegd dat we die vanaf nu zouden gebruiken omdat we met een kleine groep in de grote salon verrekijkers nodig hebben om elkaar te vinden. Maar na de gebeurtenissen tijdens het diner vond ik het lastig om er koffie te drinken en net te doen alsof er niets aan de hand was. Een film over de verkrachting van Anna… ik kan deze ontwikkeling nog steeds niet geloven.

Ik heb dus tot vandaag gewacht, maar toen ik zag hoe weinig mensen er in de salon zaten wilde ik het liefst gelijk weer omdraaien. Alleen Zoë en Anna waren er. Zoë zat bij Anna op schoot, met haar hoofd tegen haar buik aan, precies zoals gisteren bij mij. Ze bewoog zich niet toen ik binnenstapte maar bleef slap tegen haar moeder aanhangen.

Anna glimlachte naar me. ‘We zijn moe, maar willen niet slapen.’

‘Niet slapen,’ echode Zoë landerig.

Anna aaide over Zoës haren en wenkte me. ‘Neem plaats, Marieke. Plek genoeg.’

Bedoelde ze dat er genoeg stoelen waren of genoeg ruime stoelen? Ik bleef staan en bekeek de kamer, die er onverwacht huiselijk uitzag. Hij was zachtgeel, met donkere houten meubelen en grote planten. Boven de banken hingen wandtapijten van herfstbladeren. Bij de open haard stonden comfortabele stoelen waar ik waarschijnlijk niet in paste. Boven de schouw hing een schilderij van Matthew en Anna op hun huwelijksdag. Matthew droeg een donker kostuum, Anna een bruidsjurk die de lijnen van haar slanke figuur benadrukte. Ik had haar nog nooit zo gezien en vroeg me af of ze het haar na een zwangerschap weer lukte om af te vallen. Toen keek ik naar haar gezicht op het schilderij. Ze glimlachte alsof de wereld aan haar voeten lag. Matthew, met zijn arm om haar heen, was terughoudender, maar de kunstenaar had de helderste tinten gebruikt voor zijn ogen.

Ik wendde me af en ging bij Anna zitten. Zoë leek in slaap gevallen. ‘Het spijt me van de film,’ zei ik.

Anna streelde weer door Zoës krullen. ‘Mij ook.’

‘Ik… ik zou willen dat de hele situatie zich nooit voorgedaan had. Jij en Matthew lijken zo gelukkig – ik kan me haast niet voorstellen dat…’ Ik stokte.

Anna haalde haar schouders op, bijna – niet helemaal – alsof het onderwerp haar nauwelijks boeide. ‘Hier hebben we het volgens mij al eens over gehad. En daarna zouden we het over jou hebben, hè? Het spijt me dat het daar nog niet van gekomen is.’

‘We hadden andere dingen aan ons hoofd. Belangrijkere dingen.’

‘Jij bent ook belangrijk.’

Ik wendde me weer naar het schilderij. Even stelde ik me voor dat ik daar naast Matthew stond, of dat überhaupt iemand ooit gelukkig met mij was geweest. ‘Ik ben helemaal niet belangrijk,’ zei ik. Ik draaide me terug naar Anna. ‘Dat is geen schreeuw om aandacht, hoor; geen opmerking waar ik zelf niet in geloof maar die ik uitbraak om liefde te krijgen of zo. Ik hoef geen liefde. En sorry als ik scherp doe. Ik weet niet waar dat opeens vandaan komt. Gewoonlijk ben ik niet zo. Maar… maar…’ Ik keek naar Anna’s gezicht en besefte dat ik haar aardig vond, of aardig gevonden zou hebben als er niet steeds die warme blik in haar ogen lag – en als ze niet met Matthew getrouwd was misschien.

‘Het maakt niet uit als je scherp bent. Ik vind je niet eens scherp. Gewoon eerlijk. Ik ben blij dat je eindelijk zegt wat er in je omgaat.’

Ik huiverde. ‘Maar nu wil je me natuurlijk over God vertellen. Dat ik voor Hem wel belangrijk ben. Of hoe jij Hem hebt leren kennen. Dat hoeft niet. Echt niet. Ik heb Hem een paar jaar geleden ook leren kennen, en ik was er blij mee, maar…’ Het lukte me niet om verder te praten. Ik balde mijn vuisten en zweeg. Dat was beter.

‘Wil je op snoep vertrouwen in plaats van op God?’ vroeg Anna, heel zacht.

Ik balde mijn vuisten nog steviger. ‘Zo’n opmerking kan alleen jij maken zonder dat iemand heel boos wordt. Jou vindt iedereen aardig. Komt zeker ook door God. Het is naïef, Anna. Ons geloof. God helpt niet als er geen bodem meer is. God laat ons verdrinken. Poppy, mij en jou ook. Jij wilt het alleen niet geloven. Jij doet net alsof je na een groepsverkrachting nog in Zijn liefde kunt geloven – alsof je leven nog de moeite waard is.’

Anna keek naar Zoë, als om te controleren of ze echt sliep. Toen keek ze naar mij, met een beschaamde onverzettelijkheid op haar gezicht. ‘Die verkrachting was gruwelijk, Marieke. Dat zal ik nooit ontkennen. Ze hebben me behandeld alsof ik geen mens was, alsof ik minder was dan vuilnis. En daarna heb ik vijf jaar alleen geleefd. Dat was ook gruwelijk. Ik durfde niet naar Matthew te gaan, bang dat hij me alleen uit medelijden zou terugnemen. Dag na dag was vol van de herinneringen aan wat er allemaal was gebeurd. Ik wenste dat ik kon sterven – ik wenste dat ik het lef had om zelfmoord te plegen.’

‘Ja,’ mompelde ik. De grip van mijn vingers verslapte. ‘Dat begrijp ik.’

‘En toch kwam er weer licht. Dat kan ik ook niet ontkennen, want het is wáár. Na vijf jaar kwam ik weer in een kerk. Het ging bijna bij toeval, op een zondag dat ik doelloos door Londen wandelde. Ik stapte binnen en toen was God er opeens, terwijl andere mensen liederen zongen die ik niet uit mijn keel kreeg.’

‘En je werd blij en toen was alles goed?’

Anna schudde traag haar hoofd. Er gleed een duistere glimlach over haar gelaat. ‘Er was geen troost. Niet toen al. Er was alleen een overweldigend besef dat God bestond. Dat Hij er altijd al was geweest en er altijd zou zijn. Dat Hij almachtig was en dat ik voor Hem was gevlucht. Ik voelde me alsof ik op de top van Mount Everest stond. Heel dicht bij de hemel, maar zonder zuurstof, zo overweldigd dat ik ieder moment kon flauwvallen. Ik heb zitten huilen in die kerk, Marieke. Uit schuld. Uit schaamte.’

‘Schuld? Schaamte?’ Mijn bloed begon harder te razen. ‘Ze hebben je verkracht, je –’

‘Ja. Maar ik had zelf ook dingen gedaan – en dingen die ik had moeten doen níet gedaan. Ver voor de verkrachting, bedoel ik. Toen ik net getrouwd was. Matthew werd steeds kouder en ik praatte daar niet met hem over. Ik was ongelukkig en zei dat niet. Niet alleen tegen Matthew zweeg ik, ook tegen God. Ik dacht dat ik alles in mijn eentje moest oplossen. Zelfs toen Luke Simons hier voor mijn neus stond bad ik nauwelijks om hulp. Ik begon God te ha…’ Anna aarzelde. ‘Nee, ik haatte God niet, maar ik begreep Hem niet meer. Totaal niet meer. Ik dacht dat Hij onverschillig was. Ik snapte niet waarom Hij niet ingreep, waarom Hij mijn leven niet veranderde.’

‘Ja.’ Ik herademde. ‘Dat begrijp ik.’

‘En toch kwam God terug. Na die zondag in de kerk ging ik heel voorzichtig weer bidden. En Hij reageerde. Het leek of Hij zei: “Ik heb liever dat je boos op Mij wordt dan dat je je van Mij afwendt. Ik ben het gewend om de schuld te krijgen.”’ Anna schudde haar hoofd. ‘Lieve help, Marieke: God geeft zo veel genade; Hij is zo liefdevol – het is echt niet te bevatten. Steeds meer begon ik te zien dat Hij te vertrouwen was, ondanks dat ik Zijn wegen niet begreep. Hij heeft me de moed gegeven om terug te gaan naar Matthew. Hij heeft me ook de moed gegeven om weer liefde te ontvangen, van Hem en van mensen, hoe eng dat ook is.’

Ik had willen huilen als een wolf, mijn haren willen uittrekken, een stoel door de kamer willen gooien. Maar dat deed ik natuurlijk allemaal niet. ‘Heel fijn voor je,’ bromde ik. ‘Hoewel ik denk dat ik ook in God zou kunnen geloven als Hij alles ten goede voor me keerde – als ik kinderen had en een man die van me hield.’

‘Een gezin brengt zijn eigen problemen,’ zei Anna. ‘Geloof alsjeblieft die boekjes niet waarin net wordt gedaan dat je altijd gelukkig bent als je maar eenmaal een partner hebt.’ Met Zoë nog steeds op schoot schoof ze iets dichter naar me toe. ‘Vertel me over jezelf, Marieke. Kan ik je helpen God weer te vinden? Mag ik jouw verhaal horen?’

Ik wilde weigeren, maar ik wist dat dat geen zin had, niet bij Anna. Even haalde ik diep adem. Ik zou het gewoon rustig vertellen, kort en zonder emotie. ‘Ik ben rond mijn achttiende christen geworden. In die tijd was ik al dik, maar ik ben afgevallen. Samen met God, dacht ik, of zei ik tegen mezelf, hoewel ik voornamelijk allerlei rare diëten volgde. Binnen een jaar was ik bijna honderd kilo lichter.’

‘Heel knap,’ zei Anna.

‘Helemaal niet knap, want toen zag ik wat er over was van mijn lichaam. Een slagveld. Mijn huid was erg uitgerekt en rekte niet goed terug. Ik had gedacht…’ Even was het lastig om door te praten.

‘Dat je een partner zou vinden als je slank was,’ vulde Anna aan. ‘Dat je niet meer alleen zou zijn. Dat je kinderen kon krijgen.’

Geen emotie – geen emotie. ‘Ja. Maar na het dieet was het me duidelijk dat dat nooit zou lukken. Ik kon mezelf niet eens aanzien; laat staan dat ik een ander naar me zou laten kijken.’ Weer even diep ademhalen. ‘In het verleden was ik depressief geweest. In die tijd kwam het terug. Dat hielp ook niet mee. Ik kan bijna niet uitleggen hoe erg het was. De intense vermoeidheid, het gevoel van doelloosheid, de wanhoop die constant ergens op de achtergrond was en die zich steeds aan me wilde opdringen. En dan nog veel erger. Tot God bidden helpt dan niet. Geloof dat maar gerust.’

‘Je ging weer eten,’ zei Anna, bijna zakelijk en toch met onverdraaglijk begrip. ‘Je was eenzaam. Net zoals toen je een kind was.’

Ik bleef kalm. Echt. ‘Jij weet niets over mijn kindertijd. Helemaal niets.’

‘Omdat jij er niet over wilt praten – zelfs bij je intake niet. Maar je was eenzaam. Dat weet ik zeker – ik herken het in je. En je troostte jezelf met eten omdat er geen mensen waren die je troostten. Toen je depressief werd, deed je dat weer. Het was de enige weg die je kende. Ik vind het zo afschuwelijk voor je, Marieke.’

Ik keek weg. ‘Ik werd inderdaad weer dik. Wat voor reden was er om slank te blijven? En ik vroeg me af waarom God niets deed. Hij is toch almachtig? Hij had zonder moeite mijn huid kunnen gladtrekken of de depressiviteit kunnen wegnemen. Ik snap heus wel dat het allemaal onbelangrijk is vergeleken met wat hier de laatste weken is gebeurd, en wat er met jou is gebeurd. Ik mag natuurlijk niet klagen en moet vooral het beste zien te maken van mijn waardeloze leven. Maar…’

‘Voor jou was het wel belangrijk.’

Ik huiverde. Waarom weet ik niet precies. Misschien omdat Anna klonk alsof zij mijn pijn ook belangrijk vond, hoewel de hare veel groter was. ‘De rest kan ik heel uitgebreid vertellen, maar dat doe ik niet. Het is niet zo belangrijk. Laat ik het kort houden.’

‘Wees alsjeblieft wel uitgebreid. Praat, Marieke. Je bent boos op God. Dat kan Hij heus wel hebben. Spreek je boosheid uit. Dan zul je mettertijd hetzelfde leren als Job en zo veel anderen: dat je Hem beter te hulp kunt roepen dan Hem veroordelen. God verklaart Zijn wegen niet, maar Hij is er wel voor je. Hij kan je hart genezen.’

Ik snoof. ‘Maar niet mijn lichaam. Na een tijdje veranderden mijn omstandigheden. Ik begon aan een studie die na afloop een goedbetaalde baan zou opleveren, zodat ik een operatie om mijn huid strak te trekken kon betalen. Ik zag weer perspectief en ging toch maar weer lijnen. En er gebeurde er iets heel raars. De eerste dagen dat ik op dieet was, waren lastig. Ik wilde afvallen, maar alles in me schreeuwde om eten en ik had geen flauw idee hoe ik het moest volhouden. Ik ging in die tijd nog naar de kerk en probeerde te bidden. Dat klinkt misschien raar, want het is natuurlijk vooral een kwestie van discipline.’

Anna grinnikte. ‘Nu praat je als de mensen die er helemaal geen verstand van hebben, die geen flauw idee hebben dat eten een verslaving kan zijn, en zich niet kunnen voorstellen hoe zwaar het is om een verslaving te doorbreken. Het vergde veel meer dan discipline. Je hele hoofd is gefocust op eten – je hersenen vertellen je constant dat je snoep nodig hebt, om gelukkig te zijn, om te kunnen overleven. Zo zijn ze afgestemd na al die jaren. Rationeel weet je dat je lichaam liegt, maar je ratio is maar een zwak stemmetje. Je ging een heel zwaar gevecht aan. Natuurlijk vroeg je daarbij om hulp.’

‘Op een avond ging ik op mijn knieën voor God, hoe pijnlijk dat ook is als je zo zwaar bent, en begon ik Hem te lofprijzen. Het was heel apart – opeens begon ik in tongen te bidden. Weet je wat dat is?’

Anna knikte – natuurlijk wist zij wat het was. Zo’n christen is ze.

‘Ik niet. Het was iets dat me overkwam. Totaal onverwacht begon te zingen in klanken die ik niet kende. Ik had er niet eens controle over; ik leek niet te kunnen stoppen. Het was een fantastische ervaring; ik was daarna compleet euforisch. En vanaf die dag kostte het niet snoepen geen moeite meer. Het leek vanzelf te gaan. Ik viel iedere week zo’n twee kilo af, minstens veertig weken lang, terwijl het afvallen gewoonlijk na een tijdje stagneert. In mijn kerk noemden ze het een wonder.’

Ik zag Anna op haar tanden bijten, misschien om zichzelf ervan te weerhouden om te bevestigen dat het inderdaad een wonder was.

‘Ze waren erg blij voor me in de kerk. Ik leek er opeens meer vrienden te hebben. Eigenlijk is het raar dat zelfs daar je uiterlijk blijkbaar belangrijk is. Toch, Anna?’

‘Inderdaad,’ zei ze. Ze klonk doffer en leek zich schrap te zetten voor wat ze nu zou gaan horen. ‘Wat gebeurde er?’ fluisterde ze. ‘Nadat je was afgevallen?’

‘Ik was slank en blij. En ik dacht dat ik zo door zou leven, met God, met een partner die nog zou komen, met kinderen in het vooruitzicht. Een jaar lang ging het goed. Ik studeerde verder en keek uit naar de operatie. En toen werd ik weer depressief. Ik weet niet waarom. Ik geloof dat ik me toch weer… leeg voelde. Ook al had ik vrienden in de kerk, vanbinnen voelde ik me alleen. Ik wilde meer delen dan alleen af en toe een goed gesprek of een zaterdag samen wat doen. Misschien moest ik net te lang wachten op een partner en kinderen. Ik heb ertegen gevochten – echt waar – maar ik voelde me steeds ellendiger. Geen medicijn hielp. God nam het cadeau dat Hij had gegeven terug. Hij was even in mijn buurt geweest, maar nu moest ik zelf mijn problemen weer oplossen. En dat lukte me niet: ik begon weer te eten. Alleen dan voelde ik me beter. Voor een tijdje dan, totdat ik zwaarder werd. Toen ging ik me steeds minderwaardiger voelen. Ook al weet je dat je vanbinnen dezelfde bent als toen je slank was, dat kun je zelf niet eens geloven, laat staan je omgeving. Het werd weer stil om me heen. In de kerk kreeg ik geen commentaar – daar zijn ze natuurlijk veel te lief voor – maar er was ook niemand die…’

‘Die ervoor zorgde dat ik steun kreeg,’ suggereerde Anna. ‘Die er echt voor je was.’ Ze legde haar arm weer op de mijne, maar ik kon niet anders dan wegschuiven.

‘Vrouwen vond ik het ergst. Die konden me op een heel aparte manier zijdelings bekijken, alsof ze zich bewust waren van iedere gram die ik aankwam. Ik was bang voor wat ze dachten en vonden, en tegelijkertijd wilde ik dolgraag dat ze wat zeiden. Dat ze ingrepen, dat ze me hielpen.’

‘Ja,’ mompelde Anna.

‘God zwijgt ook. Misschien is Hij verdwenen. Mijn leven ligt stil. Ik ben met mijn studie gestopt – dat ging ook niet meer – en ben hierheen gekomen. Dom dat ik een christelijke plek heb gekozen. Ik wil niet meer geloven dat God bestaat. Hij is niet die liefdevolle Vader die we altijd weer van Hem proberen te maken. Als Hij al bestaat is Hij onverschillig. Ik wil het liefst nooit meer iets over Hem horen. Ik wil…’

Zoë schoot wakker en ging overeind zitten. Ze wreef in haar ogen en probeerde toen te gaan staan op de schoot van haar moeder. ‘Zoë eten,’ zei ze klagelijk.

‘Bijna, liefje. Nog even wachten. Marieke –’

Anna stokte toen Zandra de kamer binnenkwam. Verder praten werd me bespaard. Gelukkig maar. Ik heb genoeg gezegd – veel te veel gezegd over mezelf. Ik heb alleen het akelige gevoel dat Anna me nu nooit meer met rust zal laten…

 

… Toen ik na het eten naar mijn slaapkamer ging, liep Gerald achter me aan. Ongevraagd stapte hij mee naar binnen. ‘We moeten weer samenwerken,’ zei hij, en plofte in de enige stoel waar ik in pas.

Ik ging op mijn bed zitten. ‘Ik kan je niet meer helpen. Ik weet minder van Poppy dan ik dacht. Ze heeft me nooit verteld dat ze op zoek was naar een film over je dochter.’

‘We zijn samen naar Susanna geweest.’

‘Eén keer. Daarna zijn we alleen maar…’

Gerald grijnsde. ‘… Boodschappen wezen doen. Een interessante ervaring.’

Gerald rijdt me twee maal per week naar een supermarkt in York. Hij heeft een keer gesuggereerd dat ik dat “wel fijn” zou vinden. Hij blijft altijd in de auto zitten als ik boodschappen doe en zegt nooit wat over de volle tassen waar ik mee terugkom. Maar hij haalt wel zijn neus op, zoals alleen hij het kan, en in zijn ogen zijn volzinnen te lezen. Ik weet dat hij op een dag met me mee de winkel in loopt. En als hij dan naast me staat, kan ik geen snoep meer in mijn winkelwagen leggen, of alleen heel weinig.

Ik wees naar de fresia’s die op tafel stonden, gele deze keer. ‘Ik koop ook andere dingen.’

‘Ik wil dat jij in je eentje naar Susanna gaat.’

‘Nee.’

‘Jawel, Marieke. Ik mag er niet meer komen – ik ben iets te streng voor haar geweest. Maar ze weet dingen over David. Ik wil dat ze meer vertelt. Ik wil dat mijn dochter veilig is.’

Ik staarde hem aan, maar de lamp in mijn kamer is niet zo sterk: het was lastig om te zien of hij het meende. ‘Anna heeft God – zij denkt dat ze al goed beschermd is. En ze heeft Matthew.’

‘Ik meen het, Marieke. Ik wil dat jij met Susanna gaat praten.’

‘Susanna vindt me belachelijk. Al zou ik daar drie uur zitten, dan zou ze nog niets tegen me zeggen!’

‘Als je het niet doet, denk ik dat ik je helaas niet meer mee kan nemen naar York.’ Gerald gaapte. ‘Ik geloof ook dat de vering van Anna’s auto nogal lijdt onder je gewicht. Jammer, want we hadden het best gezellig samen, hè?’ Gerald lachte hartelijk om zijn eigen grap. ‘Wel, Marieke, wat is je antwoord? Ga je me helpen?’

Antwoord geven was natuurlijk niet nodig…

 

 

© Els van Weijen

 

One thought on “Hoofdstuk Vijftien

  1. Marieke weet meer maar…….Gerald ook. Het is prachtig geschreven met heel veel inhoud door deze schrijfster.
    Nu wachten op het volgende hoofdstuk.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *