Hoofdstuk Zestien – Emocratie (2)

E7125AED61

Twee dagen later, op een zondag, ontdekte de familie toen ze uit de kerk kwamen een billboard naast de oprit. Er stond een foto van rozen op en de tekst “Julie, ik hou van je – Alfred.” Ik had het plaatsen van het billboard totaal niet in de gaten gehad, maar daar maakte niemand zich druk over. Jake danste om het bord heen en zong: ‘Julie, Julie, ik hou-ou-ou van jou.’ Eliza deed pogingen om niet te breed te grijnzen. Julie staarde naar het billboard en bloosde.

‘Volgens mij is die Alfred best leuk,’ zei ik.

‘Dat is hij zeker,’ zei Eliza. ‘Ik denk dat je hem heel aardig zou vinden.’

‘Jammer dat ik hem nooit zal ontmoeten.’

Julie begon richting het huis te lopen. ‘Dat weet je niet,’ mompelde ze. De manier waarop ze liep zag er opeens vrouwelijker uit: ze wiegde een beetje met haar heupen. Eliza en ik wisselden een stille high five uit en keken daarna naar Sophie en Michael, die deden of ze Alfred en Julie waren en elkaar achterna zaten. Toen trok Eliza me mee, de oprit af.

‘Waar gaan we heen?’ vroeg ik.

‘We gaan een eindje wandelen, over het strand.’

‘Eliza, voor het geval je het vergeten bent: je hebt pumps aan. Je bent ook de moeder van drie kinderen die nu zonder toezicht door je tuin hollen.’

‘Julie houdt ze in de gaten. Ze weet ervan. En misschien wandelen we niet zo ver. Ik wil even wat met je drinken.’

‘Het gevoel bekruipt me dat dit geen spontane actie is. Dit is waarschijnlijk het moment dat we gaan praten. Gezellig hoor, al is het bekokstoofd zonder dat ik ervan wist.’

Eliza grinnikte. ‘Bijzonder als jij scherp wordt. Thomas heeft er wel eens wat over gezegd. Hoe noemde je het: cynisme light?’

‘Ja. Maar als we het over emoties moeten hebben raak ik in de stemming om zwaarder geschut in te zetten. Zullen we maar teruggaan naar het grote huis?’

Eliza grinnikte opnieuw en liep verder. Even later zaten we in een ijssalon. Ik prikte niet al te enthousiast in hokey pokey ijs. Met mijn verstand wist ik dat de Nieuw-Zeelandse specialiteit lekker was, maar de vanille en toffee leken een metalige nasmaak te hebben.

‘Dat drinken gaat dus niet door,’ zei ik. ‘Jammer.’

‘Voor het geval je het vergeten bent –’

‘“Je drinkt niet.” Ja, ja. Nou, praat maar. Ik neem aan dat je moeder dit gepland heeft. Ze vond waarschijnlijk dat ik iets te heftig reageerde op die foto’s.’

‘Ze had er gemengde gevoelens over. Ze schrok ervan dat je flauwviel, maar ze was blij dat je huilde. Ze vindt dat je dat veel te weinig doet.’

‘Emocratie. Ik heb het vaker gezegd. Bij alles wat ons overkomt wordt er verwacht dat we snuffen en snotteren en vertellen wat we voelen.’

‘Caro –’

‘Jij en Julie huilen ook niet veel.’

‘Ik heb Irene, en Julie heeft haar eigen vriendinnen. Geloof me: we huilen heel wat af.’

‘Maar dat verbergen jullie voor mij. Bijzonder. Ach, ik snap het wel. Ik ben natuurlijk geen deel van de familie – ik kan maar beter eens naar huis gaan.’

Even zag ik boosheid op Eliza’s gezicht. ‘Lekker makkelijk,’ zei ze, heel zacht. ‘Dan kun je vluchten voor wat wij voor je voelen. Dan kun je vluchten voor de pijn. Wordt het niet eens tijd dat je daarmee ophoudt?’

‘Ik moet zeker de pijn ondergaan, samen met jouw God waar ik niet in wil geloven. Als Hij wel bestaat is het trouwens echt wat voor Hem om Thomas dood te laten gaan. En de pijn ondergaan lost helemaal niets op. Als ik dat doe is Thomas nog steeds dood. Hij blijft mijn hele leven dood. Ik wil gewoon dat het ophoudt. Mijn leven, bedoel ik. Leven is niet leuk. Het is nooit leuk geweest, behalve dat ene jaar met Thomas.’

Eliza staarde me aan. Toen boog ze haar hoofd en keek ze naar haar smeltende ijsje. Ik zag langzame tranen over haar wangen druppen.

‘Nu huil je wel om Thomas waar ik bij ben. Waarom doe je dat anders nooit?’

‘Omdat je zelf al genoeg pijn hebt en ik niet wil dat je de mijne erbij hebt. En ik huil niet om Thomas. Ik huil om jou.’

‘Oh. Apart.’

‘Als je met de kinderen speelt zie ik dat je van ze geniet, maar tegelijkertijd houd je ze altijd een beetje op een afstand, letterlijk en figuurlijk. Voor mij en Julie verberg je je emoties. We mogen je verdriet niet zien. Soms denk ik dat je bang bent, lieverd.’ Eliza keek me weer aan.

Ik keek weg. ‘Iedereen reageert anders op verdriet.’

‘Gaat het alleen om Thomas?’

‘Alleen? Is het feit dat hij dood is niet langer reden genoeg om me ellendig te voelen?’

Eliza pakte mijn handen en ik vocht met de behoefte om ze terug te trekken, of gewoon weg te lopen, die ijszaak uit, terug naar het grote huis. Ik zou mijn koffers pakken en eindelijk naar Londen vertrekken. In het penthouse hoefde ik geen mensen om me heen te verdragen. Daar kon ik alleen zijn, net als vroeger, en wachten tot Thomas me kwam halen.

‘Thomas heeft me verteld over je vader. Hij zei dat hij nog steeds rouwt om je moeder.’

Ik trok mijn handen los. ‘Ja. En ik ben niet van plan hetzelfde te doen. Ik wil niet als hem worden. Ik leef, en daar moet ik het beste maar van maken.’

‘Inderdaad. Maar je moet wel eerst je verdriet verwerken. Lieverd, volgens mij druk je al je gevoel weg. Dat werkt niet: het wroet verder in je lichaam. Je maakt jezelf ziek. Dat ben je al geweest, en dat word je weer als je zo doorgaat.’

‘Noem me niet steeds lieverd,’ siste ik. ‘Dat ben ik niet en dat wil ik niet zijn. Mijn vader gebruikte ook dergelijke termen, maar alleen als ik eerst iets voor hem deed.’ Ik hoorde mijn toon en besloot dat ik toch niet boos wilde worden. ‘Laat maar,’ bromde ik.

‘Nee. Vertel me juist meer. Ik wil het horen.’

Ik schudde mijn hoofd. ‘Dit gaat niet om mijn vader, behalve dan dat ik anders met mijn verdriet wil omgaan dan hij.’

Eliza pakte opnieuw mijn handen en leek nog meer op Thomas dan gewoonlijk. ‘Je gaat helemaal niet met je verdriet om.’

‘Doe niet zo psychologisch.’

‘Praat alsjeblieft. Ik wil dat het beter met je gaat. Ik hou van je.’

Ik lachte, maar toen ik hoorde hoe hees en hijgend ik klonk, hield ik haastig weer op. ‘Dat vergat Thomas tegen me te zeggen, dat hij van me hield. Hij heeft zich er later uitgebreid voor verontschuldigd. Ik wist het natuurlijk wel, maar…’

‘Maar toch twijfelde je? Zei je vader dat hij van je hield? Merkte je dat hij om je gaf?’

Ik trok opnieuw mijn handen los en at mijn ijs. ‘Ik mag helemaal niet klagen over mijn vader. Die van jullie was gewelddadig, toch? Daar was bij mij geen sprake van. Mijn vader was alleen stil. We communiceerden niet zo gemakkelijk. Vaak zei hij niets terug als ik wat vroeg. Behalve als het over mijn moeder ging; als ik naar haar vroeg, hield hij niet meer op met praten. Dan vertelde hij hoeveel hij haar miste en hoe ondraaglijk het leven zonder haar was. Soms dacht ik dat hij mij om oplossingen vroeg voor zijn verdriet, of vond dat ik er verantwoordelijk voor was.’

‘Dat was natuurlijk niet zo.’

‘Dat weet je niet. Ik denk dat zijn leven gemakkelijker was geweest zonder mij. Dat zei hij soms ook. Hij heeft een tijd gehad dat hij nogal veel dronk en dan… dan praatte hij echt uit zichzelf. Over dat ik lelijk was, dat ik niet netjes at, dat ik te dik was, en dat hij het eigenlijk behoorlijk zat was om voor mij te moeten zorgen.’

Eliza boog haar hoofd en leek weer te huilen.

‘Maar meestal viel het wel mee. We hebben een evenwicht gevonden. Doordat ik dingen deed. In het begin maakten wij samen het huis schoon, hij de benedenverdieping en ik boven. Hij maakte een boodschappenlijstje en ik ging naar de supermarkt. Ik was ook verantwoordelijk voor de tuin, al lachten de buren als ze mij met een grote hark in de weer zagen. Als ik klaar was controleerde mijn vader mijn werk en als hij tevreden was en me een goed kind en een lieverd noemde, was ik gelukkig. Tegen de tijd dat ik tien was, maakte ik het hele huis schoon en hoefde hij geen lijstjes meer te maken. Hij hoefde ook niet meer mee als ik nieuwe kleren nodig had; die kocht ik zelf. We deden niets meer samen en dat was goed.’

Eliza raakte even mijn hand aan. ‘Dat was het niet. Het is afschuwelijk.’

Ik nam nog een hap ijs. ‘Wat raar eigenlijk: ik was als kind hartstikke zelfstandig, maar bij Thomas was ik het juist totaal niet. Ik kan haast niet meer geloven dat ik geen dag gewerkt heb in het jaar dat ik met hem heb samengewoond. Ik hoefde in huis ook niets te doen – ik hoefde zelfs niet te koken. Je moet mij echt wat meer klussen geven, Eliza, voordat ik permanent lui word.’

‘Vroeg Thomas je nooit om dingen voor hem te doen?’

‘Eigenlijk niet. Alleen als we afspraken hadden die te maken hadden met Garland Oil, had hij verwachtingen, over hoe ik eruitzag en hoe ik me gedroeg. Dat was lastig. Ik wist niet altijd goed wat hij precies wilde. Voor de duidelijkheid: hij had het me vast verteld als ik het hem gevraagd had, maar…’ Ik haalde mijn schouders op.

‘Jij durfde niet te vragen. Jij had de boodschap meegekregen dat als je dingen vroeg, je doodgezwegen werd.’

Ik wilde weer een lepel ijs nemen, maar het schaaltje was leeg. ‘Laten we hier maar over ophouden. Je weet alles wat er te weten is. Mag ik nu weer gewoon –’

Achteraf gezien ben ik blij dat ik niet de kans kreeg mijn zin af te maken. Ik denk dat ik Eliza echt gekwetst zou hebben met wat ik wilde zeggen. Er werd gekucht: naast ons stond een rossige man met de lengte van een vlaggenmast. Misschien kwam het door zijn haarkleur of misschien was hij verlegen, maar de blos op zijn wangen was erg uitgesproken. Hij pulkte aan zijn vingers, keek naar Eliza, naar mij en toen weer naar Eliza. ‘Sorry dat ik stoor.’

‘Alfred!’ zei Eliza. ‘Wat leuk om je te zien.’

Alfred keek weer naar mij. Hij pulkte nog harder aan zijn vingers en de blos werd dieper. Ik probeerde een glimlach op hem uit, maar dat hielp niet: haastig keek hij terug naar Eliza. ‘Sorry dat ik stoor,’ herhaalde hij.

‘Je stoort helemaal niet,’ zei ik. ‘Kom alsjeblieft bij ons zitten; dan kan ik je vertellen hoe fantastisch dat billboard was.’

Alfred schoof onmiddellijk aan tafel. ‘Heeft Julie het gezien? Wat vond ze ervan?’ En voordat we antwoord konden geven: ‘Ze vond het toch niet overdreven, hè?’ Toen schudde hij me de hand, net zo abrupt als hij praatte. ‘Ik had me nog niet voorgesteld: Alfred Bernard.’

‘Caroline Jacobs.’

‘Caroline is – was – de verloofde van Thomas,’ legde Eliza uit.

Alfreds wangen begonnen op Japanse vlaggen te lijken. ‘Oh. Sorry. Gecondoleerd. Sorry. Dit is natuurlijk helemaal het verkeerde moment om –’

‘Dit is precies het goede moment om over Julie te praten,’ zei ik. ‘Ze was erg blij met het billboard. Je moet meer dingen doen waarmee je haar kunt veroveren – dan is er tenminste nog iemand gelukkig. Heb je tips nodig? Eliza en ik kunnen vast wel meedenken.’

‘Caro…’

‘Bloemen? Of ik zou haar mee kunnen nemen naar een café, waar jij dan opeens verschijnt. Dan moet ze wel met je praten.’

Alfreds grijns keerde terug. ‘Goed idee.’

‘Dat lijkt mij niet,’ zei Eliza. ‘Julie houdt er niet van als ze om de tuin geleid wordt. Je kunt beter eerlijk zijn. Dat billboard was duidelijk. Geef haar de kans om erop te reageren.’

Alfred kreeg weer rode wangen. Hij trok mijn ijsschaaltje naar zich toe. Met de lepel begon hij tegen het glas te tikken. ‘Ik heb haar net gebeld. Ze nam niet op.’

‘Ze zorgt voor de kinderen,’ zei Eliza. ‘Ze heeft het vast druk.’

Hoe hij het voor elkaar kreeg snapte ik niet, maar Alfred liet het schaaltje vallen. Het kletterde kapot op de grond. Hij bukte zich, stootte zijn hoofd tegen de tafel en graaide de stukken bij elkaar. Nadat hij ze aan een medewerkster van de salon had gegeven, likte hij een bloedende vinger af. ‘Ik mis Julie,’ zei hij. Het klonk triest, maar met een vinger in zijn mond leek hij op een simpende kleuter. Ik vroeg me af wat Julie aantrekkelijk aan hem vond. Toen keek ik eens goed naar zijn ogen en zag ik zijn verdriet. Alfred werd intussen weer rood. ‘Dat moet ik niet zeggen. Jullie missen echt iemand. Sorry.’

‘Laten we een plan maken,’ zei ik. ‘Eliza, waar is Julie gevoelig voor? Zou ze bloemen mooi vinden? Een serenade?’ Ik dacht aan Julies werk als advocaat. ‘Je zou een of ander zogenaamd complex wettelijk probleem aan haar kantoor kunnen voorleggen, met de eis dat zij zich persoonlijk –’

‘Caroline…’

‘Oké, sorry: eerlijkheid. Het is misschien ook wat kostbaar om een denkbeeldig probleem aan advocaten voor te leggen.’ Ik zag een blik tussen Eliza en Alfred die ik niet kon definiëren. Waarschijnlijk zou ik later horen dat Alfred erfgenaam was van een van de rijkste families van Nieuw-Zeeland. ‘Nou, wat vindt ze interessant, Eliza?’ Ik realiseerde me dat ik dat zelf niet wist. Mijn kennis over haar interesses ging niet verder dan generatoren.

‘De kerk,’ zei Eliza.

Ik haalde diep adem. God werd er weer eens bij betrokken.

Alfred schudde zijn hoofd. ‘Daar wil ze me ook niet zien. Als ik haar opzoek bij de koffie rent ze hard weg.’ Hij trok Eliza’s schaaltje naar zich toe en begon weer muziek te maken met een lepel.

Eliza trok haar schaaltje terug. ‘Maar komende week hebben we die speciale doordeweekse bijeenkomst, waar gemeenteleden mensen mee naar toe kunnen nemen die meer willen weten over het geloof. Je zus heeft toch een vriend die geen christen is? Die wilde toch gaan? Misschien vindt ze het goed als jij met hem meegaat.’

‘Dan moeten we nog wel iemand regelen voor Julie,’ zei ik. En op dat moment realiseerde ik me dat ik iets heel doms had gezegd.

Eliza keek me stralend aan. ‘Ik weet wel iemand.’

‘We moeten eerlijk zijn,’ zei ik. ‘Ik weet alles wat er te weten is over het christelijk geloof. En Julie weet dat ik niet geïnteresseerd ben in God.’

‘Dat weet ze helemaal niet. Ze weet alleen dat jij voor Hem wegloopt.’

‘Eliza…’

Alfred frunnikte weer met zijn vingers. ‘Als ik gewoon even met Julie kan praten, maakt dat vast al veel verschil. Dan kan ik haar ervan overtuigen dat ik van haar hou en dat zij ook van mij houdt. Dat hoop ik in ieder geval. Ik kan niet zonder haar.’

Ik bekeek Alfred en had niet het idee dat hij me met zijn woorden probeerde over te halen. Hij voelde zich gewoon ellendig. ‘Zal ze het niet raar vinden dat zij mee moet in plaats van jij?’ vroeg ik aan Eliza.

‘Het is op de dag dat de kinderen op kamp gaan. Ze snapt het wel.’

Ik zuchtte. ‘Goed dan.’

 

Toen we naar huis liepen merkte ik dat ik slofte. Ik dwong mezelf anders te lopen, maar het was al te laat: Eliza legde een arm op mijn schouder. ‘Vind je het zo erg om naar de kerk te gaan?’

Ik had helemaal niet meer aan de kerk gedacht. Ik was gewoon moe, maar het zou aanstellerig klinken om dat te zeggen. Ik schudde slechts mijn hoofd.

‘Het was jammer dat Alfred ons onderbrak. Ik wil graag met je doorpraten over je vader.’

‘Er is verder niets te vertellen. Ik ben eerder benieuwd naar jouw verhaal, en naar dat van Thomas. Het moet heel naar zijn geweest om als kinderen te zien hoe je vader geweld gebruikte. Gebeurde het vaak? Dat jullie erbij waren, bedoel ik.’

‘Iedere week. Het leek wel of mijn vader er genoegen in schepte om publiek te hebben als hij moeder kapot probeerde te maken. De dingen die hij deed… Soms als ik mensen hoor schreeuwen, voel ik nog steeds de angst van toen.’

Ik wilde vragen hoe Thomas met de situatie was omgegaan, maar we waren bijna bij het grote huis en hoorden opeens het geronk van een motorzaag.

Eliza verschoot van kleur. ‘Ik hoop dat Michael niet weer een experiment begonnen is om te ontdekken hoe dingen in elkaar zitten.’ Ze versnelde haar pas.

‘Of dat Julie heeft besloten dat ze dat billboard toch niet zo geslaagd vindt.’

Ik was degene die gelijk had. Julie had haar overall aan en stond met de zaag in de aanslag bij het bord dat haar vertelde dat Alfred van haar hield. Ze kreeg alleen geen kans om het te vernielen: de kinderen versperden haar de doorgang.

‘Je mag het niet kapotmaken,’ gilde Sophie. ‘Dat vinden wij niet leuk.’

‘Helemaal niet leuk!’ bevestigde Michael. Jake zei niets, maar hij stond in judohouding voor het billboard en keek Julie boos aan.

Julie deed de zaag uit. ‘Volgende week gaan jullie allemaal op kamp. Dan maak ik er brandhout van. Of vannacht, als jullie slapen.’

‘Wij gaan vannacht een tent opzetten om te oefenen voor het kamp,’ zei Michael. ‘En die zetten we bij het billboard. Het lukt jou nooit om het om te zagen.’

Ik raakte Julies arm aan. ‘Zou je het heel erg vinden om Alfred volgende week te zien?’

Julie staarde verwilderd naar me. ‘Ik wil hem nóóit meer zien. Ik geef niet meer om hem. Ik voel helemaal niets meer voor hem. He-le-maal niets. En ik wil dat jullie me allemaal met rust laten.’

‘Wij zijn Alfred net tegengekomen. Hij gaat volgende week naar de bijeenkomst in de kerk voor mensen die meer over God willen weten. Ik wil daar ook heen, Julie. Met jou.’

Julie bleef me aankijken. Ik zag het woord “Nee” op haar lippen, in haar ogen, in haar hele houding. De tweeling begon intussen te juichen. ‘Tante Caro gaat naar de kerk!’ riepen ze. Ze maakten een rondedansje over de oprit. ‘Dat vindt God gááf!’ Jake stond nog steeds strijdlustig bij het billboard, maar hij grijnsde.

Sophie rende naar mij toe. ‘Wij hebben het in de kinderdienst gehad over mensen die God niet kennen. Juffrouw Lottie zegt dat God op ze wacht en dat Hij heel veel van ze houdt en voor ze wil zorgen. Als de mensen het goed vinden, dan verandert Hij hun levens. Echt waar, tante Caro. Ik had gebeden voor jou, dat jij ook naar onze kerk komt. Als tante Julie niet meegaat, dan doe ik het!’

‘Jij gaat volgende week op kamp. Daarom vraag ik het aan tante Julie.’

Julie draaide zich om en liep weg. ‘Ik ga wel mee. Maar ik wil niets meer met Alfred te maken hebben. Echt niet.’

Ik voelde geen aandrang om een nieuwe high five uit te wisselen met Eliza; ik volgde Julie richting het huis. Eliza kwam naast me lopen. ‘Dat heb je mooi aangepakt. Je bent compleet eerlijk geweest en hebt toch het resultaat bereikt dat je wilde.’

Ik gaf geen antwoord en liep naar mijn slaapkamer, waar ik alleen kon zijn. De laatste dagen was ik weer verhalen aan het schrijven. Toen ik achter mijn bureau ging zitten, voelde ik me echter onrustig. Ik nam mijn laptop mee naar beneden, naar de voorkamer, waar ik aan tafel schoof.

Gewoonlijk kostte het me moeite om me lang te concentreren, maar deze keer schreef ik zeker een uur lang, in het Engels. Ik werkte niet zoals gebruikelijk aan een losse scène over personages die ik vervolgens losliet; ik werkte aan een hoofdstuk, een hoofdstuk dat gevolgd zou kunnen worden door andere, zodat er een boek ontstond. In alle ernst overwoog ik om een roman te schrijven.

Ik schrok op toen ik een stem naast me hoorde. ‘God kun je niet zien, maar Hij is er wel,’ zei Michael. Hoelang hij op dat moment al naast me op de vloer zat, weet ik niet. Ik keek op hem neer en zag dat hij origamifiguren aan het vouwen was. Hij had er al vijf gemaakt: er lagen een kraanvogel, drie vlinders en een olifant op de grond. Intussen was hij met een nieuw beest in de weer. Michael had voor een vijfjarige een ongelooflijk fijne motoriek: zijn vingertjes bewogen snel en heel precies terwijl hij het felgele papier vouwde en vorm gaf.

‘Dus je kunt geen origami van God maken,’ zei ik.

‘Nee. En in de Bijbel staat dat je ook geen beelden moet maken van andere goden. Dat is afgoderij. Afgoderij is niet goed. God wil dat wij voor Hem kiezen.’

Het woord “indoctrinatie” schoot door mijn hoofd: ik vroeg me af hoe gezond het was voor een kind van 5½ om zo veel over God te weten en zo intensief met Hem bezig te zijn. Maar ik hield me voor dat Michael een goed verstand had en zelf wel zijn conclusies zou trekken. Intussen vouwde hij verder. Ik had de indruk dat er een leeuw aan het ontstaan was.

‘God is heel lief, tante Caro, maar wij snappen Hem niet altijd. Wij weten niet waarom oom Thomas is doodgegaan en waarom er nare dingen gebeuren. Maar juffrouw Lottie zegt dat als je voor Jezus kiest Hij heel dicht bij je blijft. Zelfs als je verdriet hebt of doodgaat, blijft Hij bij je. En dan leef je voor eeuwig met Hem.’

‘Is dat leuk?’

Michael fronste. ‘Dat weet je pas als je dood bent. Maar ik heb een keertje gedroomd dat ik in de hemel was. Het was nacht en de maan scheen en ik zag allemaal hele mooie huizen. En ik zag Jezus. Jezus kun je wel zien. Hij zei tegen mij dat Hij altijd bij me zou blijven.’

‘Mooi.’ Ik hoopte dat Michael weer al zijn concentratie aan zijn origami zou geven als ik verder niets zei. Ik hoopte ook dat hij niet naar me zou kijken. Ik was bang dat als hij dat wel deed, ik mijn gezicht niet in de plooi zou kunnen houden. Al mijn spieren deden zeer en ik zag zwarte vlekken voor mijn ogen. Ik wilde dat ik aan Thomas kon denken, maar dat lukte me niet. Het leek wel of ik een stem hoorde die hetzelfde zei als wat Jezus tegen Michael had gezegd. “Ik blijf altijd bij je.” En als ik goed luisterde, hoorde ik nog meer. “Vertrouw maar op Mij. Ik ben echt. Ik wacht op je.”

‘Hij meent het,’ mompelde Michael.

 

© Els van Weijen

 

One thought on “Hoofdstuk Zestien – Emocratie (2)

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *