Hoofdstuk Zestien

computer

De volgende dag stapte Matthew het kantoor in van The Northend Gazette. Hij had overwogen om ’s avonds naar Susanna’s eigen woning te gaan, maar dat leek hem uiteindelijk niet zo’n goed idee. Daar werd hij in bevestigd zodra Susanna hem zag. Ze keek op van haar laptop, bekeek hem iets te lang en draaide haar stoel naar hem toe, zodat hij maximaal zicht had toen ze haar benen langzaam over elkaar sloeg.

‘Max, ga je lunch halen,’ zei ze.

‘Het is nog maar net elf uur,’ mompelde een jongen die half verborgen zat achter een afscheidingsmuurtje. Waarschijnlijk een stagiair. Als Matthew het goed zag, had hij net zo’n pril uiterlijk als David. ‘En ik wil dit nog even afmaken.’

‘Het was geen vraag, Maximilian. Ga lunchen. Nu.’ Susanna’s stem bleef honingzoet, maar de jongen stond haastig op, tastte in zijn broekzak, misschien om te controleren dat hij zijn telefoon en zijn geld had, en struikelde weg.

‘Zoals altijd is het druk op de redactie van The Northend Gazette,’ zei Matthew. Hij keek om zich heen in de kamer waar alleen hij en Susanna waren achtergebleven. De redactie was ingericht in dezelfde vage pasteltinten als de voormalige groene salon. Aan de muren hingen prints van theerozen en op tafel stond een vaas met een overdadig boeket. De redactie leek meer een boudoir dan een werkplek; ze ademde Susanna’s parfum uit.

‘Ik hoop dat je niet bent gekomen om cynisch te doen, mon cher.’ Susanna stond op en wiegde naar hem toe. Even tuitte ze haar lippen tegen zijn wang. ‘Wat fijn je te zien. Het is lang geleden.’ Toen wiegde ze weg, en gaf ze Matthew in haar strakke jurk uitzicht op van alles wat hij niet wilde zien. Ze pakte een stoel, zette die bij haar bureau en klopte er op. ‘Kom bij me, beste Matthew. Wil je iets drinken? Latte macchiato? Een cappuccino? Ik heb een erg goede machine.’

‘Zwarte koffie alsjeblieft.’ Hij ging pas zitten toen Susanna verdwenen was achter het afscheidingsmuurtje. Terwijl hij in de verte de erg goede machine hoorde pruttelen vocht hij met de neiging een blik te werpen op Susanna’s laptop. Zo diep was hij nu ook weer niet gezonken. Dacht hij, tenminste: hoe langer hij zat, hoe meer hij zich afvroeg of het in de omstandigheden toch niet geoorloofd was.

Susanna kwam terug, zette koffie neer voor hem en espresso voor haar, klapte haar laptop dicht en legde haar hand op zijn knie. ‘Hoe gaat het met je? Zware tijd zeker?’

‘Hoe gaat het met jóu?’ Matthew schoof iets naar achteren. ‘Ben je recent nog in Juan-les-Pins geweest?’

‘Mijn ouders hebben hun huis daar verkocht – malheureusement. Maar al hadden ze het nog, dan had ik geen tijd om op het strand te liggen. Het is hier erg druk. En daar kom je toch voor, mijn beste Matthew?’ Susanna nam een nipje van haar espresso. Ze slaagde erin de kleine beweging de verfijndheid van een ballerina mee te geven.

‘Onder andere. Het verbaast me dat je zo veel weet over wat er gebeurt in Northend Abbey en over wie er wonen.’

‘Over wie er wonen?’ Susanna’s wimpers knipperden als de vleugels van een kolibrie. ‘Ik ken jou en je moeder al erg lang.’

Matthew nam een flinke slok. ‘Onze gasten heb je nooit ontmoet. Toch heb je gedetailleerde informatie over ze in de krant gezet. Ik vermoed dat de informatie over de film ook via jou openbaar is geworden. Wilde je die primeur niet aan je eigen blad gunnen?’

Susanna wreef met één vinger over de huid onder haar oog. Of dat was om een onzichtbare traan weg te pinken of om te controleren dat haar mascara nog goed zat, wist Matthew niet. ‘Ik had niet verwacht dergelijke ongefundeerde verdachtmakingen van jou te horen. Ik ben een integere journaliste, Matthew.’

‘Met connecties in mijn huis?’

Ze bubbelde een lach. ‘Ik heb overal connecties. Een goed netwerk is essentieel in mijn branche. Ik –’

‘Connecties die dingen doorbriefen die in de privésfeer worden verteld?’

Susanna knipperde weer met haar ogen. ‘Ik weet niet waar je op doelt. Ik probeer enkel mijn lezers op de hoogte te houden van het politieonderzoek.’

Matthew verbeet zich. ‘Is er een manier waarop ik je kan stoppen? Anna lijdt onder wat je doet, Susanna. Ik snap het als dat je niet zo niet interesseert na alle misverstanden tussen ons. Maar ze is hoogzwanger en…’

Susanna was niet meer verfijnd. Ze deed niets bijzonders, ging alleen maar rechter zitten, maar opeens dacht Matthew aan bergmassieven in de winter, hoog en ontoegankelijk, de toppen gehuld in donkere wolken. ‘Ik hou van je,’ zei Susanna. Ze was nog steeds winter en rots. ‘Ik zou willen dat je dat erkende. Eindelijk erkende.’

Hij ademde diep in. ‘Probeer jij daarom verhalen over Anna te verspreiden? Eerst over haar criminele verleden en nu over wat Luke Simons en de anderen met haar gedaan hebben?’

Ze knipperde met haar ogen en werd weer een vrouw, een vrouw in haar warme boudoir. ‘Matthew, Matthew…’ fluisterde ze. Ze schoof iets naar hem toe en legde haar vingers op zijn knie. ‘Ik heb het beste met je voor. Ik heb geen leugens verteld over Anna; alleen de waarheid over een vrouw die nooit je echtgenote had moeten –’

Hij veegde de hand weg. ‘Sta je met Luke Simons in contact?’

Susanna staarde hem aan, zo triest dat ze oprecht leek. ‘Zulke insinuaties heb ik niet verdiend, Matthew. Ik heb het beste met je voor. We zijn met elkaar opgegroeid. We skieden als tieners samen in Frankrijk, ontweken onze ouders en gingen naar feestjes. Herinner je je die tijd nog, met goede wijn en slechte muziek?’

‘Er staat me iets van bij, ja,’ bromde hij.

‘Later waren we meer dan broer en zus – meer dan vrienden. Weet je nog dat we bijna iedere avond samen uit eten gingen? Die genoeglijke tête-à-têtes die we hadden toen Anna terug naar Londen was?’

‘Susanna, ik wil je vragen om –’

‘Ik weet het goed gemaakt, mon cher: laten we opnieuw samen uit eten gaan en kijken hoeveel we nog gemeenschappelijk hebben.’ Ze schoof weer dichter naar hem toe en haar ogen waren niet meer triest: ze werden warmer. ‘Wat denk je daarvan? Dan bespreken we of ik op journalistiek vlak iets voor je kan betekenen. Tu comprends?’ Ze kwinkeleerde weer met haar wimpers.

Hoe meer Frans Susanna gebruikte, hoe wantrouwiger hij werd. De ervaring had hem geleerd dat ze op zulke momenten heel specifieke ideeën kreeg. ‘Het spijt me, Susanna, maar op korte termijn is dat lastig. Ik kan mijn mensen in deze omstandigheden niet alleen laten.’ Hij dacht ook aan het gezicht van zijn vrouw als hij haar vertelde dat hij met Susanna uit eten ging. Al Anna’s afvlakkende jaloezie zou in volle hevigheid terugkeren. Het leek hem ergens wel aangenaam om dat te zien.

Susanna haalde haar schouders op, op een uiterst Franse manier die hem vertelde dat zij haar best gedaan had, maar hem niet kon helpen als hij niet meewerkte. ‘Dat is altijd een beetje de essentie van onze relatie geweest, geloof ik, dat je van mij van alles verwachtte maar zelf niets gaf.’

‘We hebben nooit een relatie gehad, niet zoals jij dat bedoelt.’ Hij stond op. ‘En het is niet waar dat ik je niets wil geven. Ik heb een tip voor je. Over mijn schoonvader. Misschien moet je je eens wat verder in hem verdiepen. Je hebt vast gehoord dat hij te paard bij Northend Abbey gearriveerd is. Een raspaard, dat hij van een vriend gekregen zou hebben. Nogal een onwaarschijnlijk verhaal. Kun jij de waarheid boven tafel krijgen?’

Susanna lachte. ‘Wat wil je nu precies, Matthew? Dat ik ophoud met werken of dat ik jouw werk doe?’

Matthew stelde vast dat haar vragen legitiem waren. De vermoeidheid kwam weer opzetten, en de walging – over zichzelf. ‘Adieu, Susanna.’

 

Toen Matthew naar buiten stapte, botste hij bijna tegen Sonia Mills, de moeder van David. Met kort, fel rood haar en lange fladderende jurken was ze in conservatief Northend een opvallende verschijning. Ze opende haar armen en gaf hem een kus, met een vrijmoedigheid waar weinig mensen zich bij hem aan waagden. ‘Matthew! Wat leuk je te zien!’ Toen keek ze twijfelend naar het kantoor waar hij uitkwam.

‘Vrees niet – ik heul niet met de vijand. Ik heb informatie geprobeerd los te krijgen.’

‘Tevergeefs, hè?’ Sonia fronste naar The Northend Gazette. ‘Ik ben ook met Susanna gaan praten. Ik heb haar gesmeekt milder over David te zijn, maar ze jaagde me de deur uit.’ Sonia rausde door haar haren, alsof ze zo haar frustratie kwijt kon. ‘Trevor drinkt alleen meer door alle stress. Hij pakt natuurlijk ieder excuus aan, maar deze situatie doet hem geen goed.’

‘Heb je tegen hem gezegd dat David baat heeft bij een vader die nuchter is?’

Sonia’s glimlach was wat vermoeid. ‘Trevor denkt dat David jou meer als zijn vader ziet dan hem – dat is de laatste tijd zijn klacht. Dat David bij jullie woont en niet bij ons bevestigt hem in zijn ideeën.’

‘Als stagiair maakte David lange dagen. Het was praktischer dat hij bij ons sliep.’

Sonia knikte, maar haar ogen waren donker. ‘David is geen stagiair meer. En zo ver is ons huis nou ook weer niet van de Abbey vandaan.’

‘Anna heeft gezegd dat hij niet naar huis moet gaan. Het zou overkomen alsof wij aan hem twijfelen en hem kwijt willen. We wilden niet het verkeerde signaal uitzenden naar de omgeving. En hij is natuurlijk ook een goede vriend.’ Matthew glimlachte, of grimaste.

‘Vraag je je wel eens af of hij de dader is?’ vroeg Sonia, heel zacht.

Matthew sloot zijn ogen. Het feit dat hij Sonia een salaris betaalde had haar er nooit van weerhouden om lastige vragen te stellen. ‘Soms. Heel soms.’

‘Ja.’ Er lag geen enkel oordeel in Sonia’s stem, maar wel een verdriet dat hij graag niet had willen horen.

Matthew legde een hand op Sonia’s schouder. ‘Sorry. Ik zou beter moeten weten. Ik weet ook beter. Maar het is een lastige tijd.’

‘Natuurlijk.’ Sonia glimlachte oprecht en zag er wat blijer uit. ‘Komen jij en David binnenkort eens langs? Ik denk dat Trevor dat leuk zou vinden.’

‘Natuurlijk. Een beetje vroeg op de dag? Als Trevor nog helder is?’

Sonia keek hem stralend aan. ‘Dank je voor je begrip.’

‘Heb je nog hoop dat hij ooit stopt met drinken?’ vroeg Matthew, voor hij zich ervan kon weerhouden.

Ze leek oprecht verbaasd. ‘Natuurlijk! Er is altijd hoop. Ik bid voor Trevor, en er zijn vele anderen die dat ook doen.’

Matthew had geen antwoord. Sonia’s man zat al jaren dronken op de bank. En toch bleef Sonia onvermoeibaar vertrouwen op God. Ze droeg Hem zelfs actief uit: ze evangeliseerde op straat en was namens de kerk actief voor allerlei projecten. Opeens leek dat vertrouwen van Sonia de duidelijkste hint die hij tot nu toe had gekregen in het raadsel rondom de dood van Poppy. Onwillekeurig vroeg hij zich af of hij er ooit weer tot toe in staat zou zijn. En al even onwillekeurig besloot hij dat het antwoord op die vraag “ja” zou zijn.

 

Uit het dagboek van Marieke Markestein

 

… Op het moment dat ik uit de auto wilde stappen, zag ik Matthew uit The Northend Gazette tevoorschijn komen. Net op tijd sloot ik mijn portier weer. Gerald volgde mijn blik en zag Matthew ook. ‘Wel, wel, ’ mompelde hij. ‘Dit maakt de zaak een stuk duidelijker.’ Toen keken we toe terwijl Matthew een oudere vrouw kuste.

‘Wie is dat?’ vroeg ik.

‘Hoe moet ik dat weten? Ik kom er liever achter wat Matthew bij Susanna Brentwood deed. Daar moet je naar vragen, Marieke. Zou hij haar ook gekust hebben?’

‘Ik denk het niet.’

‘Denk je het niet of hoop je het niet?’

Ik bleef mijn blik op Matthew houden, die met de vrouw in gesprek was. Ze leek me niet iemand met wie hij gewoonlijk contact had: ze droeg een lange, flodderige jas, en daaronder zag ik een lange, al even flodderige jurk. Ze deed me denken aan iemand die meehelpt in soepkeukens en dierenasiels.

Toen het gesprek eindigde en Matthew wegliep – na alweer een kus – bleef ik nog een paar minuten zitten.

‘Hij is nu echt uit het zicht,’ zei Gerald. ‘Ga naar Susanna. Of heb je nog steeds wankele benen na het zien van je held?’ Hij lachte hartelijk om zijn eigen grap.

Ik stapte uit en liep naar The Northend Gazette. Achter me hoorde ik Gerald klagen dat ik het portier best zelf had kunnen sluiten.

Eenmaal binnen liep ik gelijk naar Susanna Brentwood, die bij haar bureau stond. Ze drukte net een zakdoek tegen haar ogen en depte ze voorzichtig. ‘Ik ben niet in de stemming voor bezoek,’ zei ze. Ze pakte een kopje espresso en dronk het in één teug leeg, alsof het een borrel was die ze hard nodig had.

‘Sorry voor het storen.’ Ik ging zitten in een stoel vlak bij haar bureau. ‘Maar het moet van Gerald.’

‘Pardon?’ Susanna gooide haar zakdoek opzij. Er zat een heel klein veegje mascara onder haar oog, maar verder zag ze er weer perfect uit.

‘Hij eist dat ik dit doe – hij lijkt bijna geobsedeerd door u. Ik vind het allemaal nogal raar. Hij denkt dat u meer informatie hebt. Over de moord,’ voegde ik er ten overvloede aan toe.

Susanna zette haar handen op haar heupen. Ik geloof dat de journalist in haar wakker werd: haar ogen leken alerter en kouder te worden. In weerwil van mezelf vroeg ik me af wat Matthew tegen haar had gezegd waardoor ze een tijdje warmer waren geweest. ‘Of hij doet alsof hij op zoek is naar informatie om de aandacht af te leiden van zijn eigen aandeel in de moord,’ zei ze.

Ik boog mijn hoofd en begon me ongemakkelijk te voelen. ‘Misschien.’

‘Wat wilt u van me, Miss Markestein?’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Misschien dat ik hier een tijdje mag zitten? Ik denk niet dat u mij de informatie gaat geven die Gerald wil hebben –’

‘Dat hebt u heel goed gezien.’

‘… Maar als ik hier wat langer blijf, denkt Gerald dat ik in ieder geval mijn best heb gedaan. Dat zou ik fijn vinden. Gewoonlijk ben ik niet zo’n prater. En aandringen vind ik helemaal lastig. Maar Gerald verwacht het van me.’

Susanna snoof alsof ze iets vies rook. ‘Jij bent iemand die bang is voor ieder conflict – die een dag natrilt als ze een keer haar mening heeft durven geven. Wat word ik er wijzer van als ik je hier laat blijven? Ga je mij iets vertellen in plaats van ik jou? Ga je me informatie geven waar ik iets aan heb?’

Ik tuurde naar de grond. ‘Liever niet. Ik wil alleen… Gerald een beetje te vriend houden.’

‘Waarom?’

Ik haalde diep adem. ‘Eten.’

‘Eten? Wat ga je me vertellen? Dat hij je dealer is die je van vet voorziet?’

‘Zoiets.’ Ik bleef naar de grond kijken. ‘Miss Brentwood, ik weet dat het belachelijk klinkt, maar snoep is iets dat ik echt nodig heb. Stel u voor dat ik aan cocaïne was verslaafd in plaats van aan snoep. Dan zou u toch wel begrijpen dat ik afkickverschijnselen krijg als ik lang niet eet?’

‘Ik zou het snappen – begrip is heel wat anders.’

Nog steeds keek ik Susanna niet aan. ‘Gerald brengt me naar de supermarkt, en dat blijft hij doen als hij tevreden is over ons gesprek. Ik zit hier maar één keer. Straks vertel ik Gerald dat ik het geprobeerd heb maar dat u niets hebt losgelaten. Ik val u daarna nooit meer lastig.’

Het werd stil in de kamer. Ik tuurde naar Susanna’s rok en voelde bijna haar kracht pulseren terwijl ze nadacht over haar opties. Toen lachte ze, heimelijk, zoals ik me voorstel dat de stiefmoeder van Sneeuwwitje lachte terwijl ze de perfecte giftige appel creëerde. ‘Vooruit dan maar. Blijf hier een kwartier zitten. Maar stoor me niet.’ Met die woorden tikten Susanna’s hakken weg, naar een kamer achter de redactie…

 

… Gerald mopperde de hele terugweg over het gebrek aan resultaat. Ik gaf geen antwoord. Terug bij Northend Abbey tilde ik mijn tassen uit de auto en prees ik me gelukkig dat we pas naar Susanna waren gegaan na het bezoek aan de supermarkt. Toen Gerald de auto had afgesloten, stampte hij richting de tuin, een sigaar al in zijn mond. Ik ging in mijn eentje de Abbey in.

Op het moment dat ik mijn jas uitdeed hoorde ik vlak bij me een blokfluit, waar heel zacht op werd gespeeld. Ik tuurde de donkere gang in. ‘David?’

De wat valse melodie werd luider. Door de gang kwam een gedaante naar me toe. Een wonderlijke gedaante. David droeg een steekhoed en iets dat leek op een boerenkiel.

Ik staarde hem aan. ‘Wat is hier aan de hand?’

Hij haalde de fluit uit zijn mond. ‘Wie stel ik voor?’

‘Napoleon?’

Hij drukte zijn hoed steviger op zijn hoofd. ‘Mijn hoed had eenvoudiger moeten zijn.’ Hoopvol hield hij de blokfluit omhoog. ‘Muziek. Denk aan muziek.’

Ik keek naar mijn tassen. ‘Sorry, ik ben een beetje moe en ik wil graag –’

‘De rattenvanger van Hamelen! Ik ben de rattenvanger van Hamelen, Marieke!’

‘Dat klinkt niet erg vleiend – niet als ik degene ben die je met de muziek probeert te lokken.’

David lachte, zo vrolijk als een kind, alsof de afgelopen weken niet gebeurd waren. ‘Je bent absoluut geen rat, Marieke. Je bent een hartstikke kostbaar mens.’

‘David, was is er met je aan de hand? Is er nieuws? Heeft de politie iemand gearresteerd?’

David schudde zijn hoofd. ‘Matthew heeft me net verteld dat hij echt wil dat ik blijf. En het gaat hem er niet alleen om dat het raar overkomt als ik nu wegga. Hij en Anna willen me juist hier houden omdat ik hun vriend ben. En ik geloof het echt, Marieke! Bij Matthew heb je het altijd door als hij gewoon beleefd is of echt iets meent. En vandaag klonk hij heel echt.’ David zag er gelukzalig uit. ‘We gaan binnenkort bij mijn pa op bezoek. Wij samen.’

‘Je pa?’

‘Hij is alcoholist.’

‘Werkelijk?’

‘Maar daar gaat het nu niet om. Ik wil je meelokken en met je praten. Als je me zonder hulp van muziek volgt, kan ik je tassen voor je dragen. Moeten ze naar je kamer?’

‘Ik doe het zelf wel. Waarom wil je me meelokken? Wat wil je vertellen?’

‘Zullen we eerst naar je kamer gaan? Dan kan ik je daar uitleggen bij wie ik je weg wil lokken.’

‘Laat me raden: Gerald.’

David knikte verwoed. ‘Ik zeg niet dat ik hem verdenk of zo, hoor – helemaal niet. Ik wil gewoon niet dat je gekwetst wordt.’ David keek wat angstig, alsof hij bang was dat ik aanstoot nam aan wat hij zei. ‘Als je je verveelt in je eentje, dan wil ik wel met je kletsen. En ik kan autorijden, dus als je ergens heen wilt kan ik je brengen. Dat is nog gezellig ook!’

Ik bedacht me dat David maar acht jaar jonger was dan ik. Het voelde alsof hij een kind was en ik een bejaarde. ‘Dank je, maar dat is niet nodig. Ik ben graag alleen.’

‘Ik geloof er niets van. Soms zie ik je aan tafel verdrietig voor je uitkijken, alsof je dénkt dat je alleen bent, en dat vreselijk vindt. Maar dat hoeft niet! We willen voor je zorgen. We willen je leren kennen! Ik denk dat jij heel veel gevoel voor humor hebt, Marieke, en dat je erg slim bent. Zullen we vanavond scrabbelen?’

‘Ik denk dat jij een hekel hebt aan scrabble.’

David keek wat weifelend. ‘Hoe langer ik hier werk, hoe leuker ik het vind.’

‘Maar ik ben Nederlands – scrabble in het Engels is te ingewikkeld voor me. En jij kent geen Nederlands, hè?’

David keek sip. ‘Ik ken “Amsterdam”. En “Ajax”.’

‘Ajax is een Griekse naam.’ Ik tilde mijn tassen op. ‘Dank je, David. Maar liever niet.’

Toen liep ik weg, voor mijn gevoel heel stellig…

 

 

© Els van Weijen

One thought on “Hoofdstuk Zestien

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.