‘Ik wens dat ik bestond’

De avond valt. Ik moet bijna vertrekken naar mijn Japanse les, maar ik sta nog even in het donker in de woonkamer en tuur naar buiten. Wat zie ik toch nog net blinken achter de bomen? Ach, de maan natuurlijk. ‘Zie de maan schijnt door de bomen,’ mompel ik. Zodra ik dat zeg hoor ik gerommel op het dak.

‘U vroeg naar mij?’ klinkt een stem. Er klinkt ook opnieuw gerommel boven me. Het geraas wordt harder en dan valt een oude man naar beneden. Hij landt met zijn billen op mijn balkon. ‘Au,’ mompelt hij, uiterst beschaafd in de omstandigheden.

Haastig doe ik de balkondeur open. ‘Gaat het?’ vraag ik, terwijl ik de man overeind help. Ik leid hem mijn huis binnen, en help hem naar de bank. Dan kijk ik eens goed naar wie daar zit. Hij is zijn mijter kwijt, maar… Ik doe het licht aan en kan mijn ogen niet geloven. ‘Sinterklaas?’ fluister ik.

‘Natuurlijk niet,’ zegt de man op de bank. ‘Sinterklaas bestaat niet.’

De man-die-niet-Sinterklaas-is lijkt erg veel op Sinterklaas. Hij heeft witte haren die tot over zijn schouders golven en die niet lijken op een pruik. Hij heeft kleren aan die lijken op die van de paus. Er zitten vlekken op van zijn val, of van zijn verblijf op het dak.

‘Wie bent u dan wel?’ vraag ik. ‘En wat deed u op het dak?’

De oude man betast zijn voorhoofd, misschien op zoek naar bulten. ‘Af en toe doe ik alsof ik Sinterklaas ben. Maar het is complex, mevrouw. Alleen al dat dak… En er zijn zo weinig schoorstenen waar een mens wat doorheen kan gooien zonder dat het klem komt te zitten.’

Ik kijk op de klok: zes voor zeven. Ik moet over zes minuten weg. Wat onrustig kijk ik weer naar de zogenaamde Sint. ‘Ik begrijp u niet zo goed,’ zeg ik, maar ik ben bang dat de oude man de tijd zal nemen om antwoord te geven.

De man kijkt me aan. Zijn helderblauwe ogen lijken mij veel te goed te begrijpen. ‘Stel u eens voor dat er een goedheiligman zou zijn,’ zegt hij.

‘Tja,’ zeg ik. Ik probeer niet weer op de klok te kijken.

‘Iemand de tijd heeft voor kinderen,’ mijmert de man op de bank.

Ik wend mij af van de klok. ‘En die iedereen cadeautjes geeft?’

‘En die alle kinderen aandacht geeft,’ zegt de man op de bank. Hij gaat wat rechter zitten. ‘Het ziet er zo gezellig uit op straat. Die lichtjes overal, en die pakjes. Maar…’ De man op de bank zwijgt. Hij haalt een grote witte zakdoek tevoorschijn, waar een grote paarse rand op geborduurd is. Het paars van blauwe plekken, denk ik. De Sint wrijft met zijn zakdoek wat tranen van zijn wangen.

‘… Er zijn zo veel kinderen die geen aandacht krijgen,’ vul ik de zin van de Sint aan.

‘Ja. Of zo veel kinderen die foute aandacht krijgen.’ De Sint kijkt even naar het paars van de blauwe plekken en moffelt dan zijn zakdoek weer weg. ‘De lichtjes in de straten zijn vrolijk, maar de straten zijn koud. De meeste kindertjes in Nederland waar het niet goed mee gaat, zwerven daar niet rond, maar in de huizen waar ze wonen is het ook koud, al staat de verwarming nog zo hoog.’

Even zwijgen wij allebei. Ik vraag mij af wat ik zou kunnen doen voor de “kindertjes”, om Sints ouderwetse woord te gebruiken. Ik weet het niet.

‘Ik wens dat ik bestond,’ zegt de Sint. ‘Ik wens dat ik alles wist wat er met de kindertjes gebeurt en dat ik kon ingrijpen.’

‘Ja,’ zeg ik. Ik weet niet wat ik nog meer moet zeggen.

‘Nou,’ zegt de Sint, terwijl hij opstaat. ‘Dank u wel dat u tijd voor mij had. Ik ga maar weer. Ik ga nog even controleren of ik toch besta. En wie weet… misschien kan ik ergens een kind helpen.’

‘Succes, Sint,’ mompel ik.

Dan sta ik plots alleen in de kamer.  Ik doe de balkondeur dicht, trek mijn jas aan en vertrek naar mijn Japanse les. Wat later loop ik door de Voorstraat. De lichtjes daar zijn erg mooi, maar het is er bitter koud.

 

One thought on “‘Ik wens dat ik bestond’

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *