In de holle buik van de maan

Het is dinsdagavond. Ik lig in bed en ben zo moe dat ik niet kan slapen. Ik denk aan werk, werk dat ik heb gedaan en werk dat ik nog moet doen. Ik vertel mezelf dat ik daar nu niet aan moet denken. Ik moet slapen. Dan denk ik aan al het moois dat ik zie vóórdat ik ga werken.

De laatste dagen is het koud. Ik draag handschoenen als ik naar het werk vertrek, maar mijn vingers voelen toch als ijspegels. Mijn winterjas voelt als een dun jack, waar ieder zuchtje wind doorheen gaat.

Toch heb ik een warm gevoel onderweg naar het werk. Niet omdat ik hard loop, maar omdat het zo mooi is buiten. De zon begint steeds vroeger op te komen; na een kwartiertje zie ik boven een stuk open water dat de lucht niet zwart is. Ze is blauwer dan blauw en aan de horizon kruipen roze, oranje en geel tevoorschijn. Ver weg staat de maan, in haar allerlaatste kwartier, rank en smal. Ze lijkt ieder moment weg te kunnen zweven.

Ik geniet. Op zulke dagen denk ik aan toen ik een tiener was en twaalf kilometer naar school fietste. Op dagen met koud, helder weer vond ik de hele wereld mooi. Langzaam werd het blauw blauwer, en het roze, oranje en geel helderder. De kale bomen, die al hun takken lieten zien, bewegingsloos wachtend op mijn blik, waren zonder bladeren toch vol schoonheid.

Ik had als tiener altijd een gevoel van verwachting. Ik geloofde dat er een lente zou volgen waarin al mijn dromen zouden uitkomen. Op die lente wacht ik nog, maar de winter maakt niet weemoedig. Het oude, fijne gevoel van verwachting vult me. Ik hoop om de bomen weer net als vroeger hun armen te zien opheffen.

Ik word niet teleurgesteld. De vroege morgen wordt alleen maar mooier. De lucht lijkt alsmaar helderder te worden. De kleuren worden scherper, duidelijker onderscheidbaar. De bomen lijken oude vrienden. En de maan… de maan is te wonderschoon voor woorden. Mijn enige frustratie is dat het me maar niet lukt om al dat moois te fotograferen. De maan wordt een klein wit vlekje; de kleuren van de lucht worden flets.

Het is ook jammer dat ik na al dat moois zo hard werk dat ik bijna vergeet dat ik iets moois gezien heb. Ik zit bij interessante maar lange vergaderingen. Ik houd een interview waarbij de geïnterviewde huilt en ik bijna – het verhaal is ontroerend maar haast te heftig. En ’s avonds lig ik dus slapeloos van vermoeidheid in bed.

Ik kijk naar mijn gordijnen en het irriteert me dat ik het ene niet mooi over het andere heb gehangen: ik zie de voering. Maar ik ben te moe om op te staan. Dan schuift het gordijn opzij. Een hand wordt naar mij uitgestrekt.

‘Kom,’ zegt de maan.

‘Geen wind?’ vraag ik.

‘Geen wind,’ zegt de maan.

De maan zet mij op haar buik. Ik bedenk me dat de maan in haar allerlaatste kwartier er aan het begin van de nacht niet kan zijn. Maar soms moet een mens niet te rationeel zijn. Ik laat me wiegen in de holle buik van de maan. Om mij heen glanst haar meest gouden licht. Langzaam voel ik me slaperiger worden.

‘De wind doet altijd iets onverwacht,’ gaap ik.

‘Ik niet,’ zegt de maan.

We dwalen door de nachtlucht. Met onze ogen dicht kijken we naar alle sterren van de Melkweg, koersend in hun eeuwige baan. Ik dacht dat het universum zwart was, maar dat is niet waar. Als je naar de hemel kijkt met je ogen dicht is de leegte tussen de sterren niet leeg. Er zijn paarse vlekken waar hemelse bomen zich tooien met bloesem die wij paars noemen maar die namen hebben die wij niet kunnen uitspreken. Het zijn kleuren die je moet proeven, of horen. Ze klinken als harpen, denk ik. Ik geloof dat ik een echo van ze hoor, net voordat ik in slaap val.

Op woensdag is de maan niet meer zichtbaar in de ochtendlucht. Het lukt me wel om eindelijk een foto te maken die iets weergeeft van de schoonheid die ik zie.

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.