Land zonder grenzen

Photo by Patrick on Unsplash

Afgelopen zondag hoorde ik een lied – ik weet niet meer welk – waarin even werd gezongen over een land zonder grenzen. En ik stelde mij even voor dat ik daar was, en dat ik daar nooit meer weg zou gaan, want er waren geen grensplaatsen meer om terug te gaan naar wat oud en over was.

Het beeld ging niet uit mijn hoofd. Ik liep langs een stille vijver, waarvan de einden verdwenen in bomen die bewegingsloos hun armen ophieven naar de hemel, en ik dacht dat de vijver een weg zou kunnen zijn naar het land waarover werd gezongen. Wie het maar wil geloven, kan alles. Dus ik deed mijn schoenen en sokken uit en stapte de vijver op. Het water was koel en kriebelde een beetje, maar het hield stil onder mijn beweging. Ik liep erover naar de overkant.

Ik bereikte de bomen, tuurde tussen hun schaduwen, en zag traptreden. Op de treden stonden plantenbakken, met bloemen die nog bloeiden ondanks dat de winter bijna begint. Ik droogde mijn voeten en realiseerde me dat ik mijn schoenen en sokken was vergeten. De traptreden, misschien van marmer, misschien van zand – ik weet het niet – voelden kil aan onder mijn huid en ik huiverde even. Maar ik liep door.

En het was zo raar: ik zag steeds maar een paar treden, maar toch bleef ik lopen en klimmen, alsof er eindeloos veel treden waren. De schaduwen werden dieper en ik zag alleen een klein licht op mijn pad, een lamp voor mijn voet. Ik zag net genoeg om de plantenbakken te vermijden. De bloemen zag ik nauwelijks, maar ik rook hun zoete geur, waarmee ze hun Maker eerden.

Langzaam werd het lichter. De treden verdwenen en ook de plantenbakken waren weg. Er waren alleen nog planten en nu waren zij de treden. Ik probeerde niet op hun kelken te stappen, en hun tere blaadjes te vermijden. Maar de planten werden groter, tropischer, zoeter van geur. En ik wist dat ik ze eigenlijk niet kon vertrappen. Zij waren reëler dan dat ik. Zij waren eeuwig op een manier dat mijn lichaam dat niet is.

Ik bleef lopen, maar ik was niet echt meer op weg. Ik denk dat ik de grens allang voorbij was, al waren er geen poorten geweest die ik voorbij moest, en had geen grenspost mij gevraagd of ik recht had om in het nieuwe land te zijn. Het was ochtend, heel vroeg nog. De lucht was koud in mijn longen, maar niet op een pijnlijke manier: ik kon dieper ademhalen dan ik ooit had gedaan, ik voelde me met iedere ademtocht krachtiger worden, alsof ik de lucht geen atoom vervuiling in zich droeg, ergens gewaaid had op een bergtop waar kruiden groeien die genezing brengen, voor het lichaam en meer nog voor de ziel. Ik was kalm, zoals geen mens op aarde kalm kan zijn, want angst kon op die plek niet bestaan.

Ik liep verder, op mijn blote voeten, en ik geloof dat ik ook mijn kleren niet meer droeg. Maar ik was niet naakt. Een ander kleed hing om mij heen, van een pelgrim die op weg is naar de tempel, of naar huis. Maar dat is eigenlijk hetzelfde. En ik liep ook niet meer alleen, of ik wist eindelijk dat ik nooit alleen had gelopen. Mijn Vriend was er. Hij had mijn hand in de zijne genomen en leidde me voort. Misschien was ik onderhand moe van het lopen, maar dat voelde ik niet. Misschien liep ik niet eens zelf maar werd ik gedragen.

Er kwam een moment dat ik wist dat ik er was – echt helemaal was, in dat land. Mijn Vriend liet mijn hand los. Ik zag mijn Vriend niet, maar ik wist dat hij er was. En ik wist dat ik er was. Dat ik helemaal echt was geworden. Dat ergens vlakbij de fontein was waar ik compleet in schoon gewassen word, op die dag, die voor mij nog toekomst is, maar voor anderen al is gekomen. Ik hoorde het water klateren. En gisteren hoorde ik dat een lieve, grappige, altijd zo aanwezige vriend is overleden aan kanker. Nu stel ik me voor dat Wout daar is, in dat land zonder grenzen.

2 thoughts on “Land zonder grenzen

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.