November

Het is vrijdag. Ik loop naar het station, op weg naar een weekendje Enschede. Mijn blik dwaalt af naar het park, dat stil en zwijgend de rustige novemberdag ondergaat. Geen blaadje beweegt – de dag is zo bedaard dat zelfs dode bladeren niet vallen.

Ik loop verder langs de Singel, langs dure huizen die al net zo stil zijn. Ik bewonder de tuinen. Ik zie een callicarpa: een enorme struik met minieme paarse besjes, die nog paarser lijken nu de herfst zijn kleur langzaam verliest. Wat verderop zie ik een Japanse kers, die – dwars als de Japanse kers altijd is – al lenteblaadjes heeft, maar lenteblaadjes die bijna net zo miniem zijn als de besjes van de callicarpa: dauwdruppels bedekken hen compleet.

De wereld is mooi op een stille herfstdag in november, bedenk ik me. Ik stap in de trein, mis een aansluiting, zit in een stiltecoupé met een verkouden jongen die ik steeds harder hoor snuffen, loop alsmaar meer vertraging op, maar verlies mijn goede humeur niet. Ik kijk tussen Amersfoort en Apeldoorn het bos in, en zie tussen de naaldbomen die groen blijven mistflarden heel stilletjes ronddwalen, alsof zij net als ik genieten van de dag en de natuur.

Ik kom aan in Enschede, knuffel de vriendin die op mij wacht, eet met haar in de nieuwe Twentsche Foodhal, en wandel met haar op het landgoed Hof Espelo. Mijn zintuigen gaan bijna stuk van de overdadige schoonheid. Brede lanen, met hoge bomen, goud in de zon, alsof miljoenen juwelen zich bij elkaar verschanst hebben en allemaal willen laten zien hoe mooi ze zijn. Ze zijn inderdaad prachtig, mooier dan je in een column van 700 woorden kunt uitleggen. Ik blijf staan om foto’s te maken die de juwelen geen recht doen, en wil tegelijkertijd wel eindeloos blijven doorlopen in dit herfstbos. Zelfs de lucht is mooi: ijlblauw, intens helder, alsof de hemel dichterbij is gekomen.

De volgende dag gaan we naar een verjaardag, waar ik een verrassingsgast ben en hartverwarmend word verwelkomd. ’s Middags willen de vriendin en ik weer gaan wandelen, in Duitsland deze keer, in Isterberg. Het is ongeveer een half uurtje rijden. De novemberzaterdag is heel anders dan de vrijdag ervoor. Het waait harder, en er stomen hoge, donkere wolken onze kant op. Voordat zij de hele hemel overkappen, laat de zon een adembenemende show zien. Ze zet haar schijnwerpers vol op de bomenrijen langs de snelweg, geeft bruin en donkergeel een nieuwe glans die me alweer ademloos en woordeloos maakt, alsof ieder blad nog even mag stralen voordat het sterft.

‘Ik verwacht ergens een regenboog,’ zegt mijn vriendin.

Ik dacht precies hetzelfde, en ik verwacht eigenlijk nog veel meer, hoewel ik niet weet wat.

In Isterberg regent het alleen maar – de zon heeft zich verscholen en hoopt dat wij niet vergeten wat ze heeft laten zien. We kijken vanuit de auto naar het bos, en naar de weg, en vooral naar de regen. Uiteindelijk besluiten we naar IKEA te gaan. Maar de novembermagie volgt me naar binnen. In nepwoonkamers die vakkundig zijn ingericht droom ik van knusheid die de kamers wel oproepen maar niet brengen, en die de natuur eigenlijk ook niet brengt, maar waar ze wel naar verwijst.

Er gebeuren dat weekend ook dingen die helemaal niet leuk zijn. De vriendin krijgt bericht over een naderende dood van iemand die haar dierbaar is. We zijn geraakt, en toch blijven we genieten – ik snap zelf niet hoe het kan, maar het is zo. Die zaterdagavond eten we samen in een klein Indonesisch restaurant. We lopen na de maaltijd het centrum uit en ik ben moe maar ook rustiger dan ik me in tijden heb gevoeld. Ik wil altijd wel zo leven.

De volgende ochtend zitten we in de kerk. Er gaat een gastpredikant voor, een man die niet zo duidelijk praat, die spelfouten heeft in de sheets die hij gebruikt – en die vol vuur de liefde van de Here God laat zien. Soms kijk ik door de hoge ramen van de kerk naar de helderblauwe buitenlucht en naar een paar zilveren takjes van een berk die ik nog net kan zien. Ik weet dat het nog steeds november is, maar het voelt alsof het zomer is geworden.

We vieren Avondmaal, en het is alsof ik bij de Heer zelf aan tafel ga. Ik buig mijn hoofd en dank.

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *