Reizen in het donker

Photo by Jonny Gios on Unsplash

Afgelopen zaterdag reisde ik terug naar Engeland. Ik zou comfortabel bij iemand in de auto stappen en na een al even comfortabele bootreis uitstappen op de bijbelschool. Maar degene met wie ik zou meereizen kreeg corona. Dus ik regelde heel snel een treinkaartje en streste daarna een boel. Want in mijn eentje reizen… ik vind het enger dan zou moeten voor iemand die naar Japan wil.

De eerste keer dat we naar school gingen, namen we ook de trein. Toen had ik gezelschap, maar we slaagden er toch in om wel de goede metrolijn te nemen, maar dan de verkeerde kant op. Zo’n klein detail, dat we in vijf minuten doorhadden en oplosten, gaat in mijn hoofd een geheel eigen leven leiden. Voor ik het weet razen mijn gedachten de verkeerde metrolijn in en eindig ik ergens in een vage uithoek van Londen, aan het eind van de avond, als alle metrolijnen sluiten, het ook op straat het stil wordt en alleen schaduwen achterblijven.

Ik baalde ervan dat ik er wakker van lag – omdat ik rationeel heel goed wist dat het goed zou aflopen. Maar ik kon het niet doorbreken. Twee nachten voor de reis voelde ik zelfs kramp op mijn borst. Dit werd belachelijk. Ik probeerde te achterhalen wat het nou is waardoor ik me zo voelde. Misschien een gebrek aan steun in het verleden, hoewel dat al snel als een cliché klinkt. Ik kon alleen om steun vragen in het heden, door gebed. Dat deed ik.

De laatste nacht voor vertrek sliep ik goed. De kamer die de afgelopen vijf weken zo vertrouwd was geworden was al opgeruimd: alle kaarten weggestopt, koffers ingepakt, gestoft en gepoetst. Ik kon uitslapen en deed dat zowaar ook.

Zaterdag was het druilerig, maar mijn humeur was dat niet. Eenmaal op station Rotterdam, bij het passeren van de douane, voelde ik me bijna op bekend terrein. Een puffende zwaarlijvige dame die achter mij in de rij stond glimlachte ik toe. ‘Je kunt nu lekker tot rust komen,’ zei ik. Misschien ook tegen mezelf.

De trein vertrok op tijd. Een paar keer met de ogen knipperen en we waren bij Breda. Niet veel later naderden we Brussel. We kregen een andere “treinmanager”: iemand die nerveus klonk toen hij dingen probeerde uit te leggen in iets wat vaag als Nederlands klonk. Aan de andere kant van het gangpad waren twee tienerjongens elkaar in het Engels aan het uitdagen. De f*cks gingen steeds vaker over tafel. Toen moeder zei dat ze andere mensen lastigvielen, zei de jongste: ‘I don’t care.’ Ik wilde zeggen: ‘I do.’

Ik werd gebeld door iemand die vroeg hoe de reis verliep en vertelde bijna over die irritante jongens. Gelukkig niet, want een tijdje later kwam ik erachter dat vader een Nederlander was. België werd Frankrijk, met glooiende groene velden en ondanks de regen een vakantiegevoel.

Toen was er opeens de tunnel onder het kanaal en aan de andere kant duisternis: Engeland verborg zich in schemering. Ik bestudeerde mijn telefoon, met screenshots van waar ik moest overstappen. Vlak voordat we er waren, was er nog een tunnel. We kwamen eruit, ik keek op, en… dacht dat ik in een sprookje was. Ik wist – rationeel – dat ik naar torenflats keek, maar ik zag eindeloos lampjes in het duister, pilaren waar licht over streek, en even dacht ik dat ik iets zag uit Duizend en één Nacht, of uit de Efteling. Ik glimlachte.

Op London St Pancras was ik kalm. Ik kocht een kaartje voor de metro, nam de Victoria Line de goede kant uit en stapte uit bij het juiste station. Toen ik daar een treinkaartje wilde kopen, kwam het station dat ik zocht niet naar voren als optie. Even stress, maar er ging net een loket open. Even later stond ik op het station, vier minuten voordat de trein verscheen. Ik had net tijd genoeg om te zien dat dit station ook gebruikt wordt voor Stansted Airport; ik overwoog de volgende keer te vliegen. Maar deze zaterdag reisde ik nog een half uur met de trein. Ik stapte uit in St Margarets en al snel verscheen er een auto met vrienden. Armen werden voor me geopend. Ik voelde me thuis.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.