Sprookjes zijn voor losers

Door de eeuwen heen hebben mensen sprookjes gebruikt om kinderen – en volwassenen – wijze lessen te leren. Je leerde door sprookjes niet hoe je monsters moest doden. Je leerde dat als iemand je wilde helpen, maar daarvoor in ruil je laatste boterham vroeg, je niet zijn hoofd moest afhakken, maar zijn hulp moest aannemen. Zo redde je dan een schone jonkvrouw, of jezelf.

Sprookjes zijn ontstaan in tijden dat mensen zich een stuk afhankelijker wisten van de natuur en van elkaar. Hoe doen we dat vandaag de dag? We zijn heel individueel geworden. Wat voor sprookjes kunnen we elkaar daarover vertellen? Ik doe een poging.

Op een zomerse dag in september liepen drie meisjes in de wilde wereld. Ze waren een hoge dijk opgeklommen die uitgestrekte velden scheidde van de rivier die aan de andere kant traag door het laagland stroomde. Aan de horizon zagen ze een groot bos. Nou ja, zo zag het eruit. Eigenlijk was het een enorm industrieterrein, met hoge pijpen die zwarte, zwavelwolken uitbraakten.

‘Kijk!’ zei het eerste meisje, dat lang donker haar had, met één streng die helemaal wit was. Ze wees naar de wolken. ‘Daar zijn monsters!’

Het tweede meisje lachte. Zij had ook lang donker haar, zonder wit. Ze had een zachte stem, die toch heel duidelijk was. ‘Monsters bestaan niet. Dat is vervuiling. De uitstoot van die fabrieken slaat neer op de velden en wordt opgenomen in de gewassen. Als wij ze eten kunnen we er ziek van worden. Dat is pas monsterachtig.’

Het derde meisje zei niets. Zij had ook donker haar, maar het was kort en als je goed keek zag je op allerlei plekjes grijze stukjes. ‘Dat is heel erg,’ zei ze uiteindelijk. ‘Dan gaan we allemaal dood. We maken de wereld kapot.’ Het derde meisje begon te huilen, heel hard – hartverscheurend.

Het eerste meisje holde op het derde meisje af. De dijk was maar smal, dus bijna stootte ze in haar haast het tweede meisje ervan af. ‘Rustig maar, derde meisje!’ riep het eerste meisje. ‘Het komt helemaal goed. Wij gaan actie voeren en dan krijgen we de boze meneren die de fabrieken bezitten zo ver dat ze stoppen met hun stoute vervuiling.’

Het tweede meisje lachte weer. ‘Dat is een beetje naïef, eerste meisje. Luister, ik heb verstand van landbouw. Ook als de fabrieken nú stoppen met al hun uitstoot, duurt het heel lang voordat wij weer gezonde gewassen hebben. En hoe denk je dat de dieren eraan toe zijn? Of denk eens aan onszelf. Misschien muteren we door al dat gif.’

Het eerste meisje hief haar vuist naar de fabrieken. ‘Aan de slag! Jij hebt kennis, tweede meisje, en ik heb enthousiasme om actie te voeren. En jij, derde meisje… eh…’ Het eerste meisje keek vragend naar het derde meisje. ‘Wat kan jij goed?’

‘Ik kan dingen opschrijven,’ zei het derde meisje. ‘Ik kan het heel dramatisch uitleggen. Ik kan dreigen, dat we bijvoorbeeld de bazen van de fabrieken van de dijk gooien. Kijk, zo!’ En met een welgemikte pets duwde ze het eerste meisje van de dijk, zo de rivier in. Het tweede meisje wilde geschrokken het eerste meisje helpen, maar het derde meisje hield haar tegen, en na een paar minuten dreef het eerste meisje uit het zicht.

‘Waarom deed je dat nou!’ riep het tweede meisje.

Het derde meisje haalde haar schouders op. ‘Wij hebben haar niet nodig. Jij hebt de kennis, ik kan het opschrijven. We zorgen ervoor dat de fabriekseigenaren van gedachten veranderen, maar dan is er straks misschien minder eten voor alle mensen. Want in de fabrieken maken ze ook gif tegen ongedierte dat de gewassen opeet.’

‘Ik wil helemaal niet meer met jou plannen maken!’ riep het tweede meisje. Het tweede meisje was heel sportief; ze maakte aanstalten weg te rennen.

Dat had het derde meisje al een beetje verwacht. Dus ze gaf het tweede meisje ook een duw, en daar ging het meisje, de dijk af. Ze kon heel goed zwemmen, maar de rivier was groot en erg vervuild.  

Het derde meisje leefde nog lang en gelukkig. Wanneer het haar lukte haar slechte geweten tot zwijgen te dwingen. Ze hield zich voor dat als in sprookjes drie broers op weg gaan, alleen de jongste het overleeft. Dat was leeftijdsdiscriminatie, dus het moest nu maar eens anders. Dit was de moderne tijd. In de moderne tijd zijn sprookjes voor losers. Alleen losers dromen van veranderingen. De fabrieken bleven hun wolken uitstoten. Het derde meisje kon vaak moeilijk ademhalen. Soms dacht ze aan het enthousiasme van het eerste meisje, en de kennis van het tweede meisje. En heel soms dacht ze dat alles anders had kunnen zijn.

(Dit “sprookje” is ontstaan als reactie op een uitdaging voor een vriendin en kreeg een wat duistere wending.)

Foto door Chris LeBoutillier: https://www.pexels.com/nl-nl/foto/fotografie-van-de-fabriek-929385/

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *