Toekomst, wat is dat?

In de laatste week van juli liet ik de grenzen van Nederland achter me. Vier dagen dwaalde ik over Duitse heuvels en door Duitse bossen. Ik was samen met een goede vriendin. Zij had een overzicht gevonden met wandelingen in de buurt van ons hotel; ik zou kaartlezen. Dat is niet mijn kracht, dus ik was trots dat we in één keer het begin van de wandeling vonden. Helaas hing daar een spandoek over het pad met “Entschuldigungen” omdat het verboden was om in het bos te wandelen: er was “Waltarbeit” aan de gang.

Het was half tien maar al heet; we zweetten toen we elkaar aankeken. De verleiding om terug naar het hotel te gaan en rest van de dag in een terrasstoel te liggen was aanzienlijk. Wij bogen ons niettemin over nieuwe mogelijkheden. Wat later stonden we hoog in de Duitse heuvels. De witte, beige huizen van het plaatsje Ney blonken zo hard in de zon dat het zeer deed aan onze ogen. Wij liepen het dorp uit, naar kaalgeschoren heuvels, waar gras en tarwe al binnengehaald waren.

Het kaartlezen werd een drama. Volgens ons minieme kaartje moesten we links, links, rechts, links, rechts, en twee keer links. Maar er waren geen straatnamen: we wandelden over graspaden. Gewoonlijk zijn de goede vriendin en ik spraakzaam, maar deze ochtend niet. We wisten dat we aan het verdwalen waren, maar zeiden dat niet tegen elkaar.

Gelukkig realiseerden we ons dat er een bron op de route lag. Door die als routebestemming te nemen werd weer duidelijk welke richting we uit moesten. We kwamen langs een gehucht dat lag te hijgen in de zon en stapten toen een schaduwvol bos in – wij ademden wat gemakkelijker. Toen we bij het Stahlbrünchen stonden, herademden we pas echt. Er stond een groot bord met een uitgezette route, die bijna volledig overeenkwam met de route die wij wilden lopen. De goede vriendin en ik waren opeens een stuk spraakzamer.

Voorbij de bron voerde de route ons over een bruggetje verder het bos in. Ik kon me niet aan de indruk onttrekken dat het bruggetje (half in de schaduw van oude bomen, over een spetterend beekje dat glad gesleten stenen plaagde) ons regelrecht sprookjesland in voerde. De goede vriendin en ik werden weer stil. Het bos was ook stil. Als we dicht naast het beekje liepen kwamen er mugjes om ons heen vliegen, maar zelfs zij zwegen. Alleen een verre roofvogel schreeuwde af en toe.

De bomen werden groter en ouder; ze bogen zich beschermend over ons heen. Er waren dennen waaronder het leek te sneeuwen als heel even de wind blies: bruine naalden dansten naar de aarde en werden deel van het zachte pad onder onze voeten. We klauterden langs een smal paadje naar een kasteel waar alleen een ruïne van over was. Ik had niet het gevoel dat ik op weg was naar iets uit een andere tijd. Er leek geen tijd meer te zijn. Alleen groene bomen, die niet onder de indruk zijn van tijd, omdat ze volgend jaar weer net zo groen zullen zijn als nu en er geen weet van hebben dat er brand kan komen – of een man met een bijl.

De tocht zou maar tien kilometer zijn, maar we waren blij dat we rond de middag midden in het bos een herberg aantroffen. Ik had nog steeds mijn twijfels over de tijd: de herbergier stond op zijn terras aardappelen te poffen en braadworsten te bakken alsof we niet meer in 2020 waren. We aten forel en waren erg tevreden met het leven. Daarna slaagden we er ondanks de goed uitgezette route toch nog even in om verkeerd te lopen.

Later in de middag werden we weer stiller – door vermoeidheid of omdat het ook tussen de bomen heter werd. We begonnen weer te klimmen, en waren blij met een bankje in de schaduw. Zwijgend dronken we water; zwijgend dronken we het uitzicht in. De dennen sneeuwden weer, en twee populieren wiegden in een vlaagje wind; hun bladeren fonkelden als sterren. Ik droomde van wat mijn leven nog kon brengen in de toekomst. En toen dacht ik dat ik de wind hoorde praten, heel zachtjes: ‘Toekomst, wat is dat?’ Zonder woorden vertelde ik de wind over mijn dromen en desillusies en over alles wat ik beter wilde doen in een tijd die hopelijk nog komt.

Ik geloof niet dat de wind me begreep. De wind blies van heel ver weg, niet uit een andere tijd, maar uit andere plaatsen. Plaatsen waar mensen God niet kennen en van Hem moeten horen voordat de toekomst die Hij aan christenen heeft beloofd heden wordt. Ik had plots nieuwe kracht. We liepen het laatste stuk van het pad, het schaduwvolle bos uit, het helle licht weer in. We stonden weer tussen de kale heuvels van Ney. Onwillekeurig dacht ik aan Mattheüs 5: Jullie zijn het licht van de wereld. Een stad die boven op een berg ligt, kan niet verborgen blijven. Men steekt ook geen lamp aan om hem vervolgens onder een korenmaat weg te zetten, nee, men zet hem op een standaard, zodat hij licht geeft voor ieder die in huis is. Zo moet jullie licht schijnen voor de mensen, opdat ze jullie goede daden zien en eer bewijzen aan jullie Vader in de hemel.

2 thoughts on “Toekomst, wat is dat?

  1. Zo te lezen heeft de vakantie je goed gedaan! Gaaf! En – ik ben niet de eerste die dit zegt en ik wist het ook wel: je schildert met woorden! Doeg!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *