Van Twist

Photo by Domingo Alvarez E on Unsplash

Het vriest, voor het eerst dit jaar. De bomen die nog bladeren dragen laten ze nu vallen, geluidloos, onverschillig. De wind huilt niet, de zon schijnt niet. Alles is stil.

Ik loop. Waar ik precies ben weet ik niet. Mijn benen wijzen mij de weg. Ergens in de stad staan ze stil. Mijn ogen kijken naar een bord.

Van Twist
Bureau

Mijn benen stappen de stoep op, mijn handen openen de deur. Binnen, in een hal met vele deuren, schijnt een lamp vaal op een bureau. Een man, zijn piekhaar vast gepleisterd tegen zijn hoofd, zijn snorretje bijna doorzichtig, buigt zich er over zijn werk.

Mijn stem kucht en hij kijkt op. Zijn ogen zijn waterig blauw. Hij kucht ook, snotterend. ‘Afspraak?’

‘Eh…’ aarzelt mijn stem.

‘Loopt u maar door.’ Hij wuift naar een deur aan mijn linkerhand, en mijn benen doen weer wat benen doen.

Voorbij een zwarte deur stappen mijn benen een kamer in die op andere dagen licht zou zijn. De stoelen zijn wit, de muren een grijs dat niet neutraal is. Op de muur hangt een wit schilderij.

Achter een bureau zit een vrouw. Ze kijkt op, zonder naar me te glimlachen. Ze heeft strenge lippen. Haar haren zijn niet veel langer dan stekeltjes, haar ogen zwarte juwelen, haar huid is niet meer strak, haar kleding een kostuum. ‘Neemt u plaats,’ beveelt ze.

Ik doe een stap achteruit. ‘Ik heb geen afspraak.’

‘Nu wel.’ Ze wijst op de stoel tegenover het bureau en ik val erin. ‘Nou, zegt u het maar.’

Ik vouw mijn handen tussen mijn benen – nu pas besef ik dat ik geen handschoenen aanhad en dat het heel koud was. ‘Wat voor bureau heeft u eigenlijk?’

De vrouw trekt één roodgeverfde mondhoek op. ‘Een bureau voor wat jij wilt.’

Ik staar haar aan.

Ze plaatst haar vingertoppen tegen elkaar, raakt even haar mond aan en zegt, plots als een schooljuffrouw: ‘Wij bepraten wat jij wilt. En we helpen je bij wat jij wilt. Maar we zijn geen handjesvasthouders. Als wij je helpen, gaat er wat gebeuren. Wat wil jij? Wat wil jij echt?’

Ik bal mijn handen, nog steeds tussen mijn benen. ‘Minder boos zijn?’

De vuurrode lip gaat naar beneden. ‘Minder boos zijn of minder haten?’

‘Haten is een sterk woord.’

‘Ja. Het is een woord voor sterke mensen.’

‘Haten is fout.’

De vrouw leunt achterover. ‘En is wat je is aangedaan fout?’

Ik vouw mijn vingers in elkaar op mijn schoot en staar de vrouw weer aan.

‘Moet je niet eerst nadenken over wat je precies is aangedaan?’ vraagt ze.

‘We moeten vergeven.’

De vrouw knikt, bedachtzaam, traag. ‘Wat moeten we vergeven?’

‘Wat ons is aangedaan.’

‘En wat is je aangedaan? Kun je dat benoemen?’

Ik staar naar het witte schilderij. Ik geloof dat het niet echt een schilderij is, maar een alkoof. Ik realiseer me dat ik niet vaak nadenk over waarom ik boos ben. Ik zie de persoon op wie ik boos ben. Ik voel de afstand, waar ik nabijheid wens. Ik weet dat ik die nabijheid heb gezocht, en dat zij altijd weer afstand leek te creëren. En dan denk ik haastig dat ik haar verkeerd inschat, dat ik haar mooie kwaliteiten vergeet. Ik denk dat ik moet vergeven. Maar er verschijnen zwarte vlekken op het schilderij terwijl ik dat verzin.

‘Dit bureau doet wat jij wilt,’ zegt de vrouw weer. Haar stem lijkt metalig, ver weg, uit een ouderwetse speaker. ‘Wat wil je echt?’

Ik knipper met mijn ogen. ‘Ik wil boos zijn op zo’n manier dat ik niet meer haat,’ fluister ik.

De vrouw heeft haar vingers weer bij haar lippen. Misschien maskeert ze haar glimlach; misschien bidt ze. ‘Probeer eens te beschrijven hoe je haat eruitziet?’

Ik probeer het. Ik fluister woorden, ik grom ze, ik gooi ze uit mijn mond en trek ze weer terug, ik knaag ze, vermorzel ze tussen mijn tanden. Ik ben heel moe als ik de vrouw weer aankijk.

De vrouw heeft haar houding niet veranderd, maar ik zie nu dat ze glimlacht, niet spottend.  Ik schaam me iets minder. ‘Het is een begin,’ zegt ze.

Als ik buiten sta verfrommel ik mijn afspraakkaart tussen mijn vingers, maar gooi ik hem niet weg.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.