Vrienden en vreemden, kennissen en collega’s

Soms schrijf ik over de wind en soms over wandelen. En soms voelt het alsof de wind in mijn hoofd alle kanten uitwandelt. Dan gaan er onsamenhangende gedachtes in rond, waar ik geen samenhangende column van kan maken. Dus schrijf ik een onsamenhangende column.

Dinsdag kwam ik een kennis tegen. Ik liep naar huis en hij fietste naast me. Hij is een vriend van een vriendin en die twee hebben een relatie waarbij hij heel kritisch is over haar en zij daar heel goed op reageert. Ik zei tegen hem dat ik dat bijzonder vond – en dat ik het niet zou kunnen. Hij legde uit hoe het werkte (hij moest zijn commentaar uitspreken en niet mailen, want dan kwam het verkeerd over).

De kennis begon over mij. Hij stelde vast dat het goed met mij ging. Daarna gaf hij allemaal suggesties over wat ik dacht en voelde. Ik was het vaak niet met hem eens, en merkte dat ik daardoor juist beter ging nadenken over wat er dan wel in me omging. Later die avond vroeg ik me af waarom ik me niet mateloos geërgerd had aan de kennis. Het was echt fijn om hem weer te spreken.

Donderdagmiddag kwam ik de vriendin tegen die de vriendin is van de kennis van dinsdag. Ik liep de andere kant op. Achter mij hoorde ik een grote juich, ze sprong van haar fiets en knuffelde me. ‘Wat leuk! Wat gezellig!’ Dat vond ik ook. De vriendin liep met de fiets aan de hand met me mee. We hadden het over de kennis van dinsdag. Ik vertelde haar wat ik gedacht had over hun relatie. ‘Hij is echt gehandicapt met schrijven,’ zei ze. ‘Als hij me mailt, gaat het fout. Maar wat hij zegt, daar heb ik wat aan.’

Vervolgens hadden we het over onszelf, over waarom we overprikkeld raken als we lang onder de mensen zijn. Ik ben minder gaan werken omdat ik het niet meer verdraag. ‘Hoe kan dat toch terwijl ik zulke leuke collega’s heb?’ We concludeerden dat we dat niet weten. Zij vertelde over haar relatie en waarom samenwonen zo moeilijk kan zijn. Aan het eind knuffelden we weer. ‘Dit gesprek was echt een cadeautje,’ zei ze. Ik was het met haar eens. We hadden negatieve dingen besproken, maar het voelde niet negatief.

Ik ging naar het werk, waar ik luisterde naar de plannen van de baas voor 2018. Daarna at ik met de collega’s, sommige van hun partners en sommige van hun kinderen een stamppotbuffet. Nu ik zo’n dertig kilo kwijt ben, viel de stamppot zwaar. Mijn buik deed zeer; ik wist niet meer hoe dat voelde. Ik was ook onrustig. Voor mijn gevoel zou ik de volgende dag niet meer in mijn broek passen. Ik wist dat het niet waar was, maar ik geloofde het toch. Ik vroeg me af hoe ik ervoor kan zorgen dat eten leuk blijft. Of eigenlijk: leuk wordt.

Ik liep terug naar huis en een mevrouw die me al jaren voorbij fietst, me altijd gedag roept en soms met me praat kwam me tegemoet. Ze koerste recht op me af. ‘Wat ben je toch afgevallen!’ riep ze. Ze wilde weten hoe ik dat gedaan had. En toen vertelde ze dat ze al jaren een maagbandje had, maar de afgelopen maanden 17 kilo was aangekomen. Ze vertelde ook hoe moeilijk eten was als het maagbandje strak stond. ‘Macaroni zakt niet. Stokbrood wel, maar alleen als ik het ’s avonds eet. Ik eet een beetje brood en dan geef ik over en dan kan ik verder eten.’

Ik huiverde en wist heel goed hoe ik niet wil omgaan met eten. Ik zei dat ik aan het uitzoeken ben hoe ik kan leren genieten van af en toe wat lekkers eten. De vrouw leek me niet te horen. ‘Het is toch zo heerlijk als je afvalt,’ zei ze. ‘Als je die weegschaal naar beneden ziet gaan…’ Ze zei dat ze komende week haar maagband strakker zou laten zetten. ‘Al moet ik op vla leven, ik zal afvallen…’ Ik huiverde nog eens en zei haar gedag. Ik was moe van het gesprek en liep minder snel dan anders naar huis.

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *