Was het een vermaning?

Op donderdag 17 januari dronk ik denk ik te veel koffie. ’s Avonds lag ik slapeloos in bed en zag ik, onder de kieren van de gordijnen, dat de maan ook te veel koffie had gedronken. Haar stralen op mijn slaapkamervloer waren zo helder dat ik nog wakkerder werd.

De maan had in de gaten dat ik wakker was. Ze kwam op het lege kussen naast me liggen en blonk, flikkerde en straalde. Ik had de neiging om in bed mijn zonnebril op te zetten, maar ik had geen zin om op te staan.

‘Jij bent veel te groot om in deze kamer te kunnen liggen,’ zei ik tegen de maan.

De maan keek om zich heen (ik wist niet dat de maan ogen had). ‘Jij bent veel te klein voor deze kamer,’ zei ze.

Ik zei niets. Of in ieder geval niet onmiddellijk. ‘Dat komt omdat ik hier alleen lig,’ mompelde ik.

‘Maar nu ben ik er,’ zei de maan.

Ik zei echt niets.

De maan gooide haar gloed tegen de muren, zodat ze licht werden alsof het daglicht was. Ik werd nog wakkerder.

‘Je moet je laten zien,’ zei de maan. ‘Anders verandert er niets.’

‘Je bent geen therapeut,’ zei ik tegen de maan. ‘Jij bent zelf ook altijd alleen. Jij bent geen expert. Jij bent eerder een contra-expert.’

‘Ik laat me zien,’ zei de maan.

En toen zag ik de maan niet meer. Ten minste:  niet op het kussen naast mij. Ik sliep en vergat het “gesprek”.

Maar ik vergat het niet lang. Het was maandag (vast geen toeval) toen ik ’s morgens vroeg in het donker op straat liep. Een tegemoetkomende fietser riep me toe: ‘Hebt u de bloedmaan al gezien?’

Ik grimaste. De maan hing achter me, maar ik had haar inderdaad gezien. Ze was helemaal vol en helemaal rood. De hele wereld (of in ieder geval een groot gedeelte) zag haar. Ik was blij dat ik tijdens het wandelen niet steeds naar haar hoefde te kijken.

Maar ik keek natuurlijk wel. Ik stond een paar keer stil en bewonderde de rode mantel van de maan. Ik zag hoe het bovenste stuk (haar gladde hoofd) weer begon te stralen. Zo rood en zilver was ze nog mooier dan dat ze anders toch al is.

Vastberaden keek ik voor me. Juist doordat de maan nog steeds behoorlijk rood was, was de rest van de lucht donkerder. In het zwart fonkelden twee planeten en vele sterren die ik anders niet zie. Ik had geen zin om in mijn hoofd de vermaning van de maan weer te horen. Ik wilde geloven dat juist doordat de maan minder straalde andere hemellichten meer straalden. Ik bewonderde hen en lachte de maan uit.

In de dagen erna vergat ik de maan. Er was sneeuw, er was gladheid waar ik bang van was, er was duisternis. Gisteren was het weer maandag. De naam van de dag was betekenisvol, maar het stormde zo dat de maan in haar laatste kwartier geen ruimte kreeg om wolken te scheuren en zich te laten zien.

En vandaag… was het helder. De maan deed liedjes uit andere seizoenen eer aan en scheen door de bomen. Ze scheen ook op de stoep en op de straat en fonkelde daar. De overgebleven regen van de storm was opgevroren en alles was glad. Zachtjes lachend begeleidde ze mij naar het werk.

Ik wist waarom ze zo zacht lachte. Zij wist dat ik door had wat zij deed. Doordat haar licht op de straten en stoepen fonkelde, kon ik zien waar sneeuwachtige neerslag lag en waar water ijs was geworden. Door haar licht gleed ik nergens uit.

Ik wilde de maan dankbaar zijn, maar daar was ik te bang voor. Pas toen ik achter mijn bureau zat, kon ik blij zijn dat ik nog heel was. Toen pas dacht ik na over het feit dat wij mensen als de maan kunnen zijn voor mensen om ons heen, zodat voor hen angst minder groot wordt.

Was het toeval dat de tekst van de dag Mattheüs 5: 14 was? “Jullie zijn het licht voor de wereld. Een stad die op een berg ligt, kan niet verborgen blijven.” Misschien niet. Misschien was het een vermaning.

2 thoughts on “Was het een vermaning?

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *