Wat de spreeuw ervan vond

Als ik het terrein van mijn werk oploop, zie ik op het grasveld een groep spreeuwen in de grond pikken. Het is nog vroeg, maar ze zijn al luidruchtig: ik hoor ze kwetteren, snateren en schetteren. Als ze mij zien stijgt de zwerm op. Ze vliegen weg naar de dijk, om daar een boom lastig te vallen. Eentje keert er echter om. Hij landt recht voor mijn voeten. ‘Mooi ben ik, hè?’ zegt hij.

Ik zucht. Ik word een beetje moe van al die flora en fauna die zijn of haar mening wil geven.

De spreeuw strekt een vleugel uit en gaat iets hoger op zijn pootjes staan. ‘Zie toch eens! Heel prachtig glanzend zwart ben ik, met een zweem donkergroen voor de aandachtige kijker. En zie je die spikkels op mij? Prachtig hè?’

‘Ja,’ zeg ik. ‘Prachtig.’

‘Sturnus vulgaris is mijn officiële naam.’ De spreeuw schettert hartelijk en langdurig. ‘Er is echt helemaal niets vulgairs aan mij.’

‘“Vulgaris” betekent zoiets als “gewoon”,’ leg ik uit.

De spreeuw hupt een rondje langs een straatsteen en schettert nog harder. ‘Ik ben ook niet gewoon. Kijk nou toch naar die spikkels.’ Hij strekt zijn vleugel weer uit. ‘Eigenlijk zijn het sterren,’ kwettert hij samenzweerderig.

‘Daar lijken ze wel een beetje op,’ geef ik toe. ‘Ik denk dat je het nog beter ziet als de zon schijnt.’ Het is een sombere, grauwe morgen.

‘Ja, ja!’ De spreeuw komt los van de grond en fladdert wat rond. ‘Allerlei kleuren zie je dan op mij, en dan vóél ik mij ook heel kleurrijk. Dan vlieg ik rond met mijn maten, van boom tot boom, en laten we iedereen weten dat we er zijn, en iedereen vindt dat gezellig.’

Ik probeer niet te glimlachen. ‘Vast.’

‘Echt! Echt waar! Ik heb gehoord dat ze Nederlanders soms spreeuwen noemen, omdat ze zo luidruchtig zijn als je ze in het buitenland in een groep bij elkaar zet, maar dat is echt een belediging hoor. Voor ons spreeuwen dan, hè? Wij zijn echt leuk. Wij zijn blij. Wij zijn altijd blij.’

Ik probeer nu wel te glimlachen, maar het kost me moeite. ‘Is dat niet een beetje vermoeiend?’ Ik wil eraan toevoegen: voor jullie zelf én voor jullie omgeving? Maar de spreeuw zou dat misschien niet begrijpen.

De spreeuw vliegt wat hoger. Hij komt op mijn schouder zitten en snatert in mijn oor. Ik denk dat hij probeert te fluisteren, maar daar is zijn stem te hoog voor. ‘Sommige mensen begrijpen niet dat het mogelijk is om altijd blij te zijn. Ik heb gehoord over mensen die depressief zijn. Erg. Heel erg.’

Ik denk aan zomerdagen die aanvoelen als winternachten, en aan dagen waarop het verschrikkelijk is om te weten dat er nog meer dagen zullen komen. Ik weet even niets te zeggen.

De spreeuw komt dichter bij me zitten. Zijn snavel strijkt langs mijn oorlelletje, bijna alsof hij me een aai probeert te geven. Het kriebelt een beetje, maar het is niet onaangenaam. ‘Weet je wat wij doen als het nacht is?’ piept hij.

‘Nou?’

‘Dan krullen wij ons op, heel dicht bij elkaar, en denken we aan de sterren op onze vleugels. We kunnen ze niet zien in het donker, maar we weten dat ze er zijn. En dan doen we onze ogen heel goed dicht, en dan lijkt het alsof we tussen de sterren vliegen. En dan zingen we voor de sterren en gaan de sterren harder glanzen en dan glanzen wij ook, van binnen dan, hè?’

‘Lijkt me fijn,’ breng ik uit.

De spreeuw stijgt op van mijn schouder. Vlak boven de dijk zie ik de zon door de wolken kieren. De spreeuw vliegt een rondje boven mijn hoofd en zingt, of kwettert, snatert of schettert weer. Ik vind het geen irritant geluid. Het lijkt of hij de zon begroet, of gewoon blij is met weer een nieuwe dag, waarin hij in de grond mag pikken, mag zingen en misschien droomt van het nest dat hij binnenkort gaat maken.

‘Tot ziens, tot ziens!’ denk ik dat ik de spreeuw hoor roepen.

‘Tot ziens!’ roep ik terug. Dan loop ik door en ga ik aan het werk.

 

2 thoughts on “Wat de spreeuw ervan vond

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.