Wat de zwaluw ervan vond

Op zondagmiddag zit ik op mijn balkon. Voor de deur, in het Wantij, ligt een vrachtschip. De kapitein neemt rust, maar in het open laadruim is het een drukte van belang. Zwaluwen vliegen af en aan.Zwaluwen zijn ultraelegante vogeltjes, vind ik. Op insecten jagen doen ze heel charmant. Ze vliegen door het laadruim als dansers, in lange gestroomlijnde bewegingen. Soms scheren ze over het water, en ik ben bijna jaloers als ik zie hoe dicht ze boven de golven komen.

Heel af en toe veranderen ze van richting. Dan kleven ze tegen de ruiten van mijn balkon, om insecten te happen die ik niet zie of insecten te zoeken die er niet zijn.

‘Hallo,’ fluit een zwaluw, maar voordat ik hallo terug kan zeggen is de zwaluw weg. Even later komt hij terug. ‘Lekker…’ – hij is weer weg – ‘… weertje, hè?’ En weer is hij weg.

‘Het regent,’ zeg ik heel snel als ik denk dat hij opnieuw langskomt (hij is moeilijk te onderscheiden van de andere).

De zwaluw reageert niet snel. Hij gaat snel over de rivier, en snel de lucht in, en verdwijnt snel tussen andere zwaluwen. Maar hij keert terug, en klemt zich vast aan een rand van het balkon. ‘Dit past niet bij me,’ hijgt hij. ‘Dit op één plek blijven. Ik ben altijd in beweging.’

‘Je hebt het zeker druk?’ vraag ik. ‘Je moet zeker heel wat insecten vangen om genoeg te hebben voor jezelf en voor je gezin. Heb je een gezin?’

De zwaluw schiet los van het balkon, buitelt door de lucht, maakt een looping, scheert langs het schip en klemt zich dan weer vast aan het balkon. ‘Vliegen is zo fantastisch,’ zegt hij. ‘Hoe hou je het vol, dat zitten?! Vreselijk. Ik beweeg. Ik beweeg altijd. Als ik slaap, droom ik dat ik vlieg.’

‘Maak je…’ De zwaluw is weg en ik wacht tot ik hem vlak bij het raam zie zweven voordat ik stevig gil: ‘… je nooit druk dat je niet genoeg insecten vangt? Of dat je je vleugels breekt? Of dat de insecten opraken? Luchtvervuiling en zo?’

De zwaluw is allang weg voordat ik klaar ben. Ik voel me een beetje onnozel dat ik op mijn balkon sta te schreeuwen. Ik kijk of er schepen voorbij komen of dat mijn buren op het balkon zitten. Gelukkig is het een grauwe dag.

Het duurt lang voordat de zwaluw terugkomt. Ik blijf intussen staan en voel dat ik een zere keel heb van het schreeuwen. Een mus kleeft even tegen het raam en kijkt me vreemd aan. Ik negeer hem.

Dat zweeft de zwaluw voorbij. ‘Druk?’ vraagt hij.

Hij is weer weg. Wat later buitelt hij langs het balkon. ‘Breekt?’

‘Luchtvervuiling?’ piept hij bij een derde passage. ‘Wat is dat? Waar heb je het over?!’

Ik probeer me te bedenken hoe ik moet uitleggen wat ik bedoel, en ik vermoed dat ik daar veel woorden voor nodig heb. Ik ren mijn balkon af, mijn huis uit, en ga bij het schip staan. Daar gil ik het een en ander over stress en over enge stoffen in de lucht – en in het water trouwens; zeker in Dordrecht – en over wat er allemaal mis kan gaan met minuscule vogeltjes in een grote wereld.

Tegen de tijd dat ik klaar ben, kijk ik wat gestrest om me heen, maar het is nog steeds regenachtig en daarom rustig. Er zijn geen mensen. Ik heb wel de indruk dat het in de lucht net boven het laadruim wat drukker is met zwaluwen, alsof ze me allemaal even willen bekijken. Sommige vliegen even heel dicht langs me heen. Dan vliegen ze hoger en ik hoor grinnikend gekwetter.

‘Ik snap het niet zo,’ zoeft de zwaluw in zijn vlucht. ‘Mijn hersens zijn niet groot genoeg om te begrijpen wat je bedoelt. Er zijn altijd insecten, en mijn vleugels breken nooit. Op een dag wordt de wind te hard voor me en te koud en dan vlieg ik nooit meer. Maar nu wel. Verder hoef ik niet na te denken.’

Ik knik. ‘Mooi als je niet bezorgd bent,’ mompel ik.

‘Wat betekent “bezorgd”?’ vraagt de zwaluw. ‘Wat bedoel je nou?’ Dan vliegt hij verder. Ik ga terug naar huis.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.