Wonderlijke woensdag

Als ik op woensdag opsta voel ik de effecten van dinsdag. Ik zat tot laat in een vergadering waar ik zoveel moest nadenken dat het me daarna niet zo goed lukte om te slapen. Ik zag het half één worden; al om half vijf doe ik mijn ogen open. Buiten hoor ik iets dat lijkt op het geluid van een strooiwagen. Een strooiwagen?!

Tijd voor het ontbijt. Terwijl ik mijn yoghurt lepel, vraag ik me af waarom het in december onmogelijk is me voor te stellen hoe het in juli voelde om het veel te warm te hebben. Rationeel weet ik dat ik toen in bed lag zonder dekens en dat ik me zo min mogelijk probeerde te bewegen omdat als ik met mijn ogen knipperde er al zweet op mijn wimpers stond. Ik weet dat het in huis 28 graden was. Maar ik vóél die herinneringen niet. Het enige dat ik voel is dat het nu koud is.

Dikke trui, warme broek – handschoenen niet vergeten als ik mijn jas aangetrokken heb. Op naar het werk. Mijn longen voelen zich even benauwd als ze merken hoe koud het is. Er is geen maan; de sterren zijn dus des te helderder. De ene planeet die ik zie maakt de hemel bijna kapot: Venus is als een barst in de lucht, zo scherp fonkelt ze. Ze doet me denken aan de ster die tweeduizend jaar geleden aan de hemel stond.

Het is nog geen zeven uur en midden in december, dus nog helemaal donker. Maar het lijkt niet donker. Ik zie van alles in en om de blauwfluwelen lucht: de sterren, het water dat fonkelt alsof er licht op schijnt, de stille bomen langs mijn route: bladerloos, hun armen naar de hemel opgeheven… Ik sluip naar het randje van de wereld die ik ken. Ik weet dat op een morgen als vandaag andere werelden nabij zijn. Nog even en ik kan die wereld instappen. Of misschien stap ik de lucht in, tussen de sterren. Nog even en ik dwaal op de ringen van Saturnus, of ik word deel van de eeuwige stormen van Jupiter. Nog even en ik adem de geur in van nachtrozen die midden in de winter bloeien met kleuren waarvoor mensen geen namen kennen.

En dan merk ik dat het glad is. Verdraaid. Dat strooien heb ik me dus niet verbeeld. Ik ben een paar keer vreselijk onderuit gegaan toen het glad was. De laatste keer dat het gebeurde lag ik plat op mijn rug op de stoep en verbaasde ik me erover dat mijn ruggengraat nog heel was. Ik zal niet zeggen dat ik getraumatiseerd ben door die ervaring (dat zou aanstellerij zijn), maar dat ik sindsdien lichte angst voel bij gladheid, zal ik niet ontkennen. Verdraaid, verdraaid, verdraaid!

Ik loop voorzichtig verder. Ik voel hoe de spieren in mijn rug zich schrap zetten, alsof zij weer voelen hoe het was, die keer in januari toen ik de laatste – en de ergste keer – viel. Ik kom op het hoogste punt van mijn tocht naar het werk, over dijken die op en neer glooien. Hier zijn geen stoepstenen. Hier is een stukje glad asfalt dat precies op de wind ligt. En ja: ik voel dat onder mijn voeten geen vaste grond meer is: de grond glijdt. Ik val niet fysiek, maar in mijn gedachten val ik wel.

Simpend loop ik verder. Over stoepstenen die weerstand hebben. Vallen zal ik niet. Ik weet het, maar toch lukt het me niet meer om me te ontspannen. Venus knipoogt naar me vanuit de hoge hemel, maar die andere wereld is weer ver weg. Ik weet dat ik er vandaag niet zal binnentreden. Ik zal de alerte Els zijn, de Els die ik helemaal niet wil zijn.

Er komt nog een klein stukje dijk waar weinig lantaarns staan en waar asfalt ligt. Ik sluip over de weg. En dan zie ik hoe een schaduw uitbundig naar me zwaait: een collega komt me tegemoet wandelen, zoals ze wel vaker doet. We geven elkaar een knuffel. En het is vreemd, maar terwijl ik met haar praat over hoe het met haar gaat en met mij, denk ik er niet meer aan dat het glad is, of zou kunnen zijn.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *